met de in die talen gewone verstomming der h, ital. -ardo, als in
bastardo, codardo; fr. -ard, als in bâtard, couard, gaillard, grognard,
pendard, richard, viliard; zie Diez, Gramm. der Rom. Sprachen, II,
358 vlgg. De ongunstige opvatting, die ook het Mhd. vertoont, treedt
in de Romaansche talen, waar het achtervoegsel van vreemden oorsprong
was, bepaald op den voorgrond.
Het Mnl. nam van die Fransche woorden over, b.v. bastaert, cockaert,
viliaert; en vormde nu naar die modellen zelf nieuwe, als behaghelaert,
bollaert, clappaert, dullaert, galghaert, gaepaert, grisaert (grijskop,
zie Horae Belg. VI, 98), loyaert, moyaert enz., alle woorden van
minachting of spot, en niet zelden met den klemtoon op -aert. Dat men
de h, die reeds uit de eigennamen uitgevallen was, niet weder invoegde,
is natuurlijk. Het Nnl. ging op den eenmaal ingeslagen weg voort,
en maakte een aantal andere, insgelijks met ongunstige beteekenis,
als bloodaard, dronkaard, gulzigaard, lafaard, veinsaard, wreedaard
enz.; zelfs rijkaard, van het onschuldige rijk, wordt in slechten
zin genomen; alleen grijsaard hield op een schimpnaam te zijn.
Het achtervoegsel -erd, in het Mnl. nog onbekend, en dus jonger dan
-aert of -aard, is eene verbastering van dat zelfde suffix, gelijk
blijkt uit leperd, plomperd, stinkerd, die bij Kiliaan nog leepaerd,
plompaerd, stinckaerd luiden; en uit grijzerd, dat bij latere dichters
voorkomt. Kiliaan geeft naast luyaerd ook luyerdije op, hetwelk toont,
dat de verandering van -aard in -erd aan de werking van den klemtoon
moet toegeschreven worden. De boven aangetoonde verbastering der
eigennamen, b.v. de verandering van Everaert in Evert, en die van
bastaard in basterd stelt de zaak buiten allen twijfel.
Sommigen zijn van gevoelen, dat -aard en -erd zouden ontstaan
zijn uit het achtervoegsel -er, waarachter men, ter versterking,
eerst eene t zou gevoegd hebben, zoodat -ert ontstond, hetwelk
vervolgens nog eene tweede versterking, eene verlenging tot -aart,
zou hebben ondergaan. Zij gaan uit van de onjuiste onderstelling, dat
wij werkwoorden zouden hebben of gehad hebben, als grijzen, laffen,
rijken, snooden, met de beteekenis van grijs, laf, rijk, snood zijn;
dat grijsaard, lafaard, rijkaard enz. personen aanduiden, die bestendig
grijzen, laffen, rijken enz., die »niet in het werkelijk oogenblik,
maar bij aanhoudendheid de hoedanigheden van grijs enz. hebben". Dat
gevoelen, dat zich zelf wederspreekt, en waarvoor men nooit een zweem
van bewijs heeft weten aan te voeren, is niet slechts uit de lucht
gegrepen en geheel zonder grond, maar het onderstelt ook, gelijk de
geschiedenis der taal leert, eene onmogelijkheid. Achtervoegsels,
die, gelijk -er, nooit den klemtoon hebben, ondergaan in den loop
der tijden geene versterking, maar omgekeerd verzwakking. Juist
het achtervoegsel -er levert er een sprekend en leerrijk voorbeeld
van. Dit luidde goth. -areis, b.v. in laisareis (leeraar), wullareis
(voller); het werd ohd. -arî, mhd. -ære, nhd. -er. In het Mnl. werd
het achtervoegsel geheel toonloos en ging over in -ere, -er, en -re,
wanneer het onmiddellijk volgde op de lettergreep, die den vollen
klemtoon had; maar het behield den halven toon en veelal ook de a,
en werd -are, -aer, of -ere, -eer, wanneer het door eene toonlooze
lettergreep werd voorafgegaan, zoodat het niet onder den invloed van
den klemtoon der stamlettergreep stond; b.v. in gokelare, loghenare
en loghenére, voghelare, persemére (woekeraar), enz., naast dienre,
leerre, speelre, backere, wever enz. Wij nemen hier dus eene steeds
voortgaande verzwakking waar, van -areis tot -arî, -are, -ere,
-er en -re, die men ook bij andere achtervoegsels kan opmerken;
b.v. bij -dom, onl. -duom; bij -lijk, goth. -leiks, dat thans als lik
wordt uitgesproken; en bij -aard zelf, niet alleen in de eigennamen,
maar ook in de gemeene zelfst. naamw., die naar Fransche modellen,
met het accent op -ard gevormd, ook in het Mnl. niet zelden den
klemtoon hadden, maar thans nooit meer dan den halven toon krijgen,
of, als -erd, geheel toonloos zijn. Het grenst aan ongerijmdheid,
in strijd met de lessen der geschiedenis te stellen, dat de stroom
tot voorbij zijnen oorsprong zou zijn teruggevloeid, en dat de taal
op eenmaal hare richting, niet wijzigende, maar geheel omkeerende,
van -er niet alleen -ert, maar zelfs -aart zou hebben gevormd.
Het Nnl. heeft, wel is waar, welluidendheidshalve, dienre, leerre,
sunder, in dienaar, leeraar, zondaar veranderd; daarbij had evenwel
geene versterking van -er tot -aar, geene vorming van een nieuw
achtervoegsel plaats, maar slechts eene verruiling; -aar had nooit
opgehouden te bestaan. Evenmin zou de taal van sommige verbalia op
-er, als bijter, blaffer, woorden op -erd hebben gevormd, indien -erd
niet reeds aanwezig was geweest. Meest alle woorden op -erd hebben
trouwens een ongunstigen of spotachtigen zin, die aan -er niet eigen
is; zelfs lieverd en stouterd worden doorgaans schertsend gebezigd.
Is het zeker, dat -aard en -erd uit hard ontstaan zijn, dan moeten
zij ook volgens de afleiding de d hebben, die de uitspraak er aan
toekent. Het meervoud van bastaard toch luidt niet alleen bastaards;
maar ook bastaarden, en daarnevens staat bastaardij; Kiliaan kent ook
een werkw. luyaerden en de zelfst. naamw. luyerdije, van luyaerd,
en mooyaerdije van mooyaerd. In Spanjaard, dat op eene andere wijs
gevormd is, op welke evenwel de oude afkeer van die natie invloed
kan gehad hebben, is de d gewaarborgd door het meerv. Spanjaarden,
naast Spanjaards. Maar zelfs indien men wilde aannemen, dat -aard
en -erd niets anders zijn dan -er, door eene tongletter versterkt,
ook dan nog zou de keus op de d moeten vallen; de taal zelve leert
door zwaarder, eerder, hoorder, duurder, gezagvoerder, dat zij,
waar de r versterking behoeft, de d en niet de t wil gebezigd hebben.
101. Even weinig zwarigheid baart de keus tusschen de d of t in het
zelfst. naamw. aard of aart. De afleidsels aardig, aarden en ontaarden
pleiten voor de zachtheid der sluitletter, terwijl de afleiding
en de verwante talen de deugdelijkheid en oorspronkelijkheid dezer
zachte uitspraak buiten allen twijfel stellen. Aart en aartig zijn
germanismen, en niets meer.
102. In rit, mv. ritten, bint, mv. binten, gebint, mv. gebinten,
bewijst de uitspraak eene verscherping der sluitletter, ofschoon de
stamwoorden rijden en binden buiten twijfel eene d hebben. Ridden
strijdt met de uitspraak, bindten en gebindten met alle regelmaat. De
verscherping der d is buitendien reeds lang algemeen erkend in met en
mits, nevens mede; in vaart, mnl. vaerde, waarvan nog koopvaardij;
in zat, mnl. sad, waarvan verzadigen; in klant, fr. chaland. Daarom
ook beeltenis, verbintenis, evengoed als ontstentenis van het oude
ontstanden (ontstaan d.i. ontbreken). De gebruikelijke schrijfwijzen
beeldtenis en verbindtenis doen ten onrechte aan eene afleiding met
-te denken.
Indien met, mits en rit eene t hebben, dan bestaat er geene afdoende
reden voor medgezel en ridmeester met d, ofschoon met in het eerste
woord het bijwoord mede is.
103. De afleiding pleit voor de spelling andwoord, door Bilderdijk en
anderen aangenomen, als zijnde dit woord door samenstelling gevormd
van het oude voorzetsel and, hier als bijwoord gebruikt. Daar het
Nederlandsch zich echter tot regel heeft gesteld, onverbuigbare woorden
met scherpe medeklinkers te sluiten--op welken alleen in nog (adhuc)
ter bevordering der duidelijkheid eene uitzondering gemaakt wordt--en
de spelling met d de beteekenis van het woord niet duidelijker maakt,
noch op het etymologisch verband met eenig ander Nederlandsch woord
wijst, vinden wij geene reden hoegenaamd om in dezen van de meest
gebruikelijke spelling af te wijken. Wij achten ons hiertoe te
minder gerechtigd, dewijl wij dan, om consequent te blijven, ook de
t in met zouden moeten vervangen door de d, waarvoor niet slechts de
verwante talen, maar ook het bijw. mede, pleiten. Het argument, dat het
bijw. and de stam van het voornw. ander en het bijw. anders zou zijn,
waardoor de beteekenis van andwoord, als het andere of tweede woord,
kon schijnen opheldering te erlangen, is uit de lucht gegrepen en
wordt door de verwante talen ten stelligste weersproken.
Om dezelfde reden verdient ook de spelling Andwerpen voor Antwerpen
geene aanbeveling.
104. Men zegt en schrijft gewoonlijk admiraal, admiraliteit enz.;
sommigen willen ammiraal, op grond dat de d slechts ten gevolge van een
misverstand is ingelascht. Die misvorming is evenwel niet in den boezem
onzer taal geschied: deze had er geene aanleiding toe. Wij hebben het
woord in de middeleeuwen onder dubbelen vorm: amirael of ammirael en
admirael, van de Zuid-Europeesche volken aan de Middellandsche Zee
overgenomen. Het is het Arabische amir (emir) met een Latijnsch
achtervoegsel. Men bracht het in verband met lat. admirari,
fr. admirer; vanhier de vormen: admiralis, admirabilis, admiratus,
admirant, admiraglio enz., die alle aan bewonderen doen denken. De
d is dus werkelijk geheel te onrecht ingevoegd; maar even zeker is
het, dat wij haar thans algemeen laten hooren. De Regel der Uitspraak
eischt dus het behoud der d, terwijl de overige regels hier niet in
aanmerking komen. Admiraal is wel niet meer noch minder welluidend dan
ammiraal of amiraal, en het woord heeft in onze taal geene verwanten,
waarop de spelling kan wijzen, geene analoga, wier stem gehoord kan
worden. De Regel der Welluidendheid, die der Gelijkvormigheid en
der Analogie, zwijgen hier dus, terwijl de toepassing van dien der
Afleiding geheel doelloos zou zijn. Het woord amir en het Latijnsche
achtervoegsel -alis behooren tot talen, slechts aan geleerden bekend,
en de vrees, dat iemand ten onzent admiraal van admirari of admirer
zal afleiden, is niet gegrond. Wie geen Latijn of Fransch kent, komt
natuurlijk niet op de gedachte: en wie die talen verstaat, wordt door
het woord zelf, dat geen verstaanbaren vorm heeft, tegen die afleiding
gewaarschuwd. Luidde het admirabel, admirant of admiraat, dan kon
er grond voor die vrees bestaan; doch -aal is geen achtervoegsel
dat aan werkwoorden gehangen wordt Indien door het uitlaten der d
(amiraal) de oorspronkelijke vorm hersteld ware, dan zou de zin voor
ordelijkheid misschien die uitlating wenschelijk maken, doch amiraal
is evenmin Arabisch als admiraal. Wij zien daarom geene reden om het
thans heerschende schrijfgebruik te verlaten en geheel noodeloos den
hoogsten grondregel der spelling te verzaken.
105. Het Nederlandsch bezit voor de twee verschillende sisklanken
ook twee afzonderlijke letterteekens: de s voor den scherpen, de
z voor den zachten klank. De vroegere verwarring, toen s zoowel
zacht als scherp werd gebezigd, waarschijnlijk een uitvloeisel van
het Latijnsche spraakgebruik, heeft sinds lang opgehouden, zoodat
s thans uitsluitend scherp is. Daarmede is hare verdubbeling achter
een langen klinker of tweeklank, b.v. in aassem, braassem, deessem,
geessel, kruissen, kruissigen, IJssel, zeissen, Pruissen enz.,
eene onloochenbare onregelmatigheid geworden, die gelijkstaat met
de spelling laaffenis, raaffelen, weiffelen, oeffenen, schuiffelen,
twijffelen, voor lafenis, rafelen enz. Zij is dan ook later door
Siegenbeek zelven afgekeurd. Het behoeft dus wel geene verdere
rechtvaardiging, dat de Redactie voornemens is brasem, geesel, IJsel,
Pruisen enz. te blijven schrijven.
106. Daar de verdubbeling van eenen medeklinker in niet samengestelde
woorden alleen moet dienen om te voorkomen, dat de voorgaande
vocaal lang wordt uitgesproken, zoo is de verdubbeling vanzelve
evenzeer onnoodig na toonlooze klinkers als na heldere en na
tweeklanken. Toonlooze klinkers toch worden alleen aangetroffen in
lettergrepen zonder accent, en daarbij bestaat geen gevaar, dat men
den klinker lang zal uitrekken. De Redactie rekent daarom ééne k, t
en m voldoende in botteriken, monniken, perziken, kieviten, diemiten,
Gorkumer, Dokkumer, Bergumer. De schrijfwijze botterikken, Gorkummer,
staat gelijk met die van engellen, verbeterren, uitrekennen, zondiggen,
terwijl het niet verdubbelen der consonant voor den lezer juist een
teeken is, dat hij de lettergreep als toonloos moet beschouwen.
Het gezegde is natuurlijk niet toepasselijk op Arnhemmer, Haarlemmer
enz., waarin de tweede lettergreep, hoewel zwak van toon, niet toonloos
wordt uitgesproken, en de è, hoe kort ook, toch den scherpen e-klank
behoudt [7].
107. Onze woordenboeken willen diefegge, als ware dit woord eene
samenstelling van dief met een zeker egge. Men heeft hier intusschen
met eene afleiding te doen. -egge toch is een achtervoegsel, hetwelk
voorheen doorgaans -igge-, soms ook wel -ege luidde, en meermalen
ter vervrouwelijking van mansnamen gebezigd werd, b.v. in makerigge,
vercopege. Eene afleiding met een achtervoegsel, dat met een klinker
begint, eischt de verandering van de f in v, wanneer de lange klank
voorafgaat; vergelijk gev-er, liev-erd. Derhalve ook dievegge,
evengoed als dieverij. Dat sommigen in dit woord de f laten hooren,
kan geene reden zijn om eene verkeerde spelling te behouden, die uit
onkunde ontstaan is. Het herstel der v kan misschien strekken om aan
die onjuiste uitspraak een einde te maken. Vergelijk § 58 en 66.
108. In zamen, zamenkomst, zamenspraak enz. gebieden de afleiding en
de uitspraak de vervanging der z door de s. De z heeft daar de waarde
van tz, en wordt dus te recht scherp uitgesproken. Wanneer men echter
in aanmerking neemt, dat het grondwoord zamen luidt, terwijl ook in
gezamenlijk, inzamelen enz. de z duidelijk gehoord wordt, en dat men
in zestig en zeventig de z van zes en zeven steeds heeft behouden,
dan kan het bedenkelijk schijnen, door het schrijven van samen,
samenkomst enz. en daarnevens van gezamenlijk, verzamelen enz., de
onderlinge verwantschap dezer woorden voor het oog weg te nemen. Deze
bedenkingen deden ons eerst besluiten de gebruikelijke spelling te
behouden. Nu zich echter opnieuw stemmen ten voordeele der s hebben
doen hooren, aarzelen wij niet langer die schrijfwijze aan te nemen,
die, op voorgang van Bilderdijk, door onze beste schrijvers gevolgd
wordt, met de meest algemeene uitspraak overeenstemt, en op een goeden
etymologischen grond steunt. In de uitdrukking te zamen toch werd de
toonlooze e van te weggelaten, waardoor eerst tzamen ontstond. Dit
had de verscherping van de z tot s ten gevolge: tsamen; eindelijk
werd de t overtollig gerekend, en dit gaf samen.
Samen heeft dus de waarde van te zamen en verschilt derhalve werkelijk
in afleiding en beteekenis van het grondwoord zamen. De spelling met
s is uit dien hoofde de ware, overal waar samen de bijwoordelijke
uitdrukking te zamen vervangen moet, te weten aan het begin van
samengestelde werkwoorden en woorden, van zulke werkwoorden gevormd,
als in samenkomen, samenspreken, samenhangen, samenkomst, samenspraak,
samenhang; daarentegen natuurlijk niet, waar geen bijwoord, maar het
grondwoord zamen vereischt wordt, als in gezamenlijk, bijeenzamelen,
verzamelen, verzameling enz., en dus ook in opzamelen, niet opsamelen,
hoewel de z daar ten gevolge van de werking der p vanzelve als
s klinkt.
Evenmin zou de spelling te samen voor te zamen goed te keuren zijn,
ofschoon de gewone uitspraak ook daar de s laat hooren. Deze toch is
hier slechts het gevolg eener verkeerde toepassing der analogie. Eene
werking der voorafgaande t kan hier niet erkend worden. Zij bestaat
niet, zoolang de toonlooze e van te blijft; want men zegt te zoek, te
zuinig, te zuur, te duur, te geef; niet te soek, te suinig, te suur,
te tuur, te cheef. Te samen is derhalve niet anders te verklaren
en op te vatten, dan als te tzamen, met het dubbele voorzetsel, een
vorm die natuurlijk niet erkend mag worden. Vergel. § 66. De Redactie
stelt zich daarom den volgenden regel:
Samen, als zijnde ontstaan uit, en gelijk aan tzamen, te zamen,
wordt met s geschreven in composita, die er mede beginnen, als
ook wanneer het op zich zelf staat, behalve in te zamen.
Van een geheel anderen aard is de vraag, of men feertig, fijftig,
sestig en seventig moet schrijven overeenkomstig de gebruikelijke
uitspraak, welke in die woorden eene f en s laat hooren. Die scherpe
uitspraak steunt alleen bij seventig op een goeden grond, namelijk
insgelijks op eene voorheen wettig aanwezige t (tzeventig), die in
tachtig (eigenlijk t-acht-tig) gebleven is, en in tnegentig soms
nog wordt gehoord. Doch feertig, fijftig en sestig zijn wederom
gevolgen van verkeerde toepassingen der analogie: men heeft nooit
tfeertig en tfijftig uitgesproken of geschreven, en het verouderde
tsestig had de t ten onrechte aangenomen. Deze toch is, blijkens de
verwante talen, het overblijfsel eener vroegere vermenging van het
twaalftallige stelsel van tellen met het tientallige, ten gevolge
waarvan niet alleen de eenheden boven 12, namelijk dertien, veertien
enz., anders werden (en nog worden) uitgedrukt dan de voorgaande:
een, twee ... tien, elf, twaalf, maar ook de tientallen boven 60,
(= 12 × 5), van 70 af tot 120 (= 12 × 10) toe. Zestig behoort nog
tot de eerste helft der reeks van 120, die de t niet aannam; de t
van tsestig was derhalve door misverstand ontstaan. Men vergelijke
hier de Fransche telwoorden tot en met 60 met de hoogere, waarin een
dergelijk verschil is op te merken: dix, vingt, trente, quarante,
cinquante, soixante,--soixante-dix, quatre-vingts, quatre-vingt-dix,
six-vingts (120). Doch vooral blijkt de hier bedoelde onderscheiding
duidelijk uit het Angelsaksisch: tyn (10), twentig (20), thritig
(30), feowertig (40), fiftig (50), sixtig (60),--hund-seofontig
(70), hund-eahtatig (80), hund-nigontig (90), hund-teontig (100),
hund-endlufontig (110), hund-twelftig (120). Hoogerop verandert de
uitdrukking: hund and thritig (130). Onze t van tseventig, tachtig
en tnegentig is derhalve waarschijnlijk de sluitletter van dat hund
of van een dergelijk afgevallen woord.
De Redactie mag den schijn niet aannemen, alsof zij door haar voorbeeld
het misbruik, dat in de uitspraak van veertig, vijftig en zestig is
binnengeslopen, wilde wettigen, en meent daarom ook de gebruikelijke
schrijfwijze bij zeventig te moeten behouden, te meer daar het
aanduiden der afgevallen t niet het geringste nut zou hebben. Ook
bedenke men, dat men, de uitspraak volgende, alleen dan feertig en
fijftig met f zou moeten schrijven, wanneer die woorden alleenstaan;
maar met v: een en veertig, twee en veertig, drie en vijftig, enz. Wij
gaan derhalve voort, overeenkomstig den Regel der Gelijkvormigheid,
veertig, vijftig, zestig, zeventig met de zachte v en z te schrijven,
waardoor de verwantschap dezer woorden met vier, vijf, zes en zeven
ook voor het oog aangeduid wordt. Vergelijk § 67.
109. Het Nederlandsch heeft ter bevordering der duidelijkheid in
overeenstemming met § 49 als regel aangenomen, dat in derivata
het grondwoord en in composita de samenstellende deelen denzelfden
vorm behouden, waaronder zij buiten de afleiding en samenstelling
voorkomen, al zij het ook, dat door het samentreffen van twee letters
de uitspraak van de eene of van beide gewijzigd of onduidelijk gemaakt
wordt. Zoo schrijft men staatdame, zitdag, potdeksel, oogtand,
vroegpreek, topzeil, praatvaar, raadzaal, raadzaam, hoofddeel,
misstap, ofschoon de uitspraak veeleer staaddame, ziddag, poddeksel,
oochtand, vroechpreek, topseil, praatfaar, raatsaal, raatsaam,
hoofdeel, mistap zou vorderen. Daar de verzachting, verscherping of
weglating der consonanten in de genoemde en dergelijke woorden onder
het natuurlijke en ongedwongene uitspreken vanzelf volgt, is het
onnoodig die wijzigingen in het schrift aan te duiden; verg. § 43. Er
is geene enkele geldige reden te bedenken om, gelijk Bilderdijk deed,
in de twee woorden ontvangen en ontvonken eene inbreuk op dezen regel
te maken. De spelling ontfangen en ontfonken stelt de etymologie dezer
woorden in de schaduw, en is in strijd met de analogie van ontvallen,
ontveinzen, ontvlammen, ontvlieden, ontvluchten, ontvoeren, ontvouwen,
ontvreemden, ontzakken, ontzeggen, ontzinken enz., waarin niemand
de vervanging der v en z door f en s verlangt. De Redactie aarzelt
derhalve geen oogenblik, ook in de beide genoemde woorden de v,
die door de afleiding gevorderd wordt, te behouden en ontvangen,
ontvonken te schrijven.
110. De regel, in den aanvang der vorige § genoemd, is natuurlijk
alleen van toepassing op die afleidingen en samenstellingen, die
nog als zoodanig begrepen worden. Het onveranderd behouden van den
eigenlijken vorm der woorden strekt juist ten bewijze, dat men de
woorden in hunnen oorsprong en hunne vorming doorziet. Maar wanneer
men òf de samenstellende deelen, òf althans één van beide, niet meer
verstaat, wanneer derhalve de vorming van het woord niet meer leeft in
het bewustzijn der natie, dan hebben de samentreffende letters vrij
spel, zij wijzigen elkander naar de behoeften der uitspraak, en de
spelling kan zich aan die wijzigingen niet langer onttrekken om den
echten vorm des woords voor het oog te herstellen, omdat die echte
vorm toch niet meer begrepen, en het woord niet meer als afleiding
of samenstelling, maar als ondeelbare eenheid opgevat wordt. Zoo
schrijft men ambacht voor andbacht; kerspel voor kerkspel; leidsel voor
leidzeel; lichaam voor lijkhaam; misschien voor mag schiên; momboor
voor mondboor, enz., omdat in al die woorden het ware begrip voor het
taalgevoel verduisterd is. Deze opmerking leidt tot de beantwoording
der vraag: Moet men, naar de afleiding, jufvrouw spellen, of wel,
naar de uitspraak, juffrouw, gelijk Bilderdijk schreef en thans nog
velen schrijven? Omtrent juffer, mejuffer, kan geen twijfel bestaan:
het oude vere, ver (voor vrouw), is zoo geheel verouderd, dat hier
aan geen herstel der oorspronkelijke spelling te denken valt Maar in
juffrouw, mejuffrouw, herkent men nog het subst. vrouw. Is het dus
niet raadzaam, daarin de v te behouden? Wij aarzelen niet, die vraag
ontkennend te beantwoorden. Dat de wezenlijke vorming des woords in
het bewustzijn der natie niet meer leeft, blijkt overtuigend hieruit,
dat zelfs een taalkenner als Bilderdijk het eerste deel volstrekt niet
verstond en juffrouw als eene verbastering van hofvrouw beschouwde
(Taal- en Dichtk. Versch. D. II, bl. 146). Doch de ware geschiedenis
des woords was deze. Het oude joncvrouwe, joncvrouw, als joncfrouw
uitgesproken, verliep allengs tot jonfrouw, joffrouw, juffrouw. De
f ontstond derhalve uit de v door den verscherpenden invloed der
keelletter c of k, en vervolgens werd het woord zoodanig ingekort,
dat zoowel de c of k als de n wegvielen, waardoor nu de f verdubbeld
moest worden. Zal men nu de tweede f weder terugbrengen tot de
oude v, door jufvrouw te schrijven? Maar dan hangt die eerste f
geheel in de lucht en wordt door niets gerechtvaardigd. Die f is de
verdubbeling der oorspronkelijke v, nadat zij tot f verscherpt was;
van het oogenblik af, dat zij in de eerste lettergreep gehoord werd,
moest ook de aanvangletter der tweede scherp blijven en had de v alle
reden van bestaan verloren. Jufvrouw zou aan eene samenstelling uit
juf en vrouw doen denken, geheel in strijd met de waarheid: wij zagen
reeds, hoe zelfs Bilderdijk daardoor misleid werd. Maar schrijft men
juffrouw, dan is de vorm van het woord etymologisch gerechtvaardigd:
de dubbele f stelt de samentrekking voor, die door de onderlinge
werking der oorspronkelijke v en der beide weggevallene medeklinkers
ontstond. En men blijft dan tevens getrouw aan den bovengenoemden
regel: in samengestelde woorden, voor zooverre zij nog helder begrepen
worden, zich naar de afleiding te richten; doch wanneer zij niet
meer in hunne vorming verstaan worden de uitspraak te volgen. Om
dezelfde reden hebben wij in § 97 aan nochtans boven nogtans de
voorkeur gegeven, omdat ook in dit woord de samenstelling nog dan
in het volksbewustzijn niet meer gevoeld wordt. Evenzoo is juffrouw,
in analogie met juffer, boven jufvrouw te verkiezen, en te meer omdat
het woord veelal òf van een ongehuwd persoon in tegenstelling van eene
gehuwde, van een meisje in tegenstelling van eene vrouw gebezigd wordt,
òf van eene gehuwde en zelfs bejaarde vrouw van minderen stand, zoodat
in het eerste geval het begrip van vrouw, in het tweede dat van jong,
in de samenstelling nagenoeg is uitgesleten, om gezamenlijk plaats te
maken voor eene nieuwe voorstelling, waarin de beide samenstellende
deelen zich in eene eenheid hebben opgelost, die juist door de spelling
juffrouw ook voor het oog wordt voorgesteld [8].
111. Onze taal heeft niet zelden in woorden, die oorspronkelijk met
eene v begonnen, deze letter tot f verscherpt, om daardoor hetzij eene
verfijning of verscherping, hetzij eene ongunstige opvatting, in elk
geval eene wijziging van het oorspronkelijke begrip uit te drukken;
b.v. in fladderen naast vledderen en vlederen, waarvan vledermuis;
in fleemen naast vleien; fluks van vlugs; fraai van fr. vrai; frisch
nevens versch; fijt, voorheen vijt.
Ook bij de v van vonk heeft die verscherping plaats gehad in
het afgeleide fonkelen, wanneer dit woord overdrachtelijk van
oogen, blikken enz. gebezigd wordt. De Redactie handelt derhalve
overeenkomstig ons taaleigen, wanneer zij, de algemeene uitspraak
volgende, het figuurlijke fonkelen met den scherpen medeklinker
schrijft, en het zoodoende door de spelling onderscheidt van vonkelen
in de eigenlijke opvatting (vonken schieten of om zich verspreiden),
bij welk laatste, juist omdat de beteekenis geenerlei wijziging
ondergaan heeft, geene reden bestaat om af te wijken van de spelling,
die door de afleiding gevorderd wordt.
112. De toonlooze e, die in de meeste woorden op -ling, -lijk en -loos,
vóór deze achtervoegsels wordt aangetroffen, als in vreemdeling,
bloedeloos enz., staat zelden in verband met de etymologie dier
woorden, en doet niets aan hunne beteekenis af of toe. Die e is veelal
zuiver euphonisch; zij wordt in elk geval, behalve in eene temende
uitspraak, slechts zeer flauw gehoord, bij een eenigszins driftig
of krachtig spreken zelfs geheel onderdrukt: vandaar dat dichters te
haren opzichte met de grootste vrijheid te werk gaan, haar schrijven
of weglaten, naar gelang de versmaat zulks noodzakelijk maakt, zelfs
in die woorden, waarin zij door de etymologie zou gevorderd worden;
b.v. in eindlijk, eindloos, van einde, zeedlijk van zede, enz. Daar
die e onder het uitspreken als vanzelve ontstaat, zou zij streng
genomen volgens § 43 in het geheel niet behoeven geschreven te worden;
het gevestigde gebruik echter wil nu eenmaal, dat zij in vele woorden
worde aangegeven, en verlangt voorschriften die de schrijvers kunnen
besturen. De meeste dier voorschriften echter missen uit hunnen aard
dien vasten grondslag, dien andere regels hetzij in de etymologie,
hetzij in de duidelijk waarneembare uitspraak vinden, en hebben dus,
uit een grammatisch oogpunt beschouwd, weinig of geene waarde. Zelfs
de regel der analogie kan hier niet streng worden toegepast, vermits
er gevallen zijn, waarin de bewuste e stellig nooit ontstaat en dus
ook nooit wordt geschreven, terwijl in andere gevallen het oordeel
der sprekenden en schrijvenden zeer uiteenloopt, geheel subjectief
is en zelfs eenigermate met hun persoonlijk karakter in verband staat.
De Redactie erkent derhalve gaarne, dat het hier eene zaak geldt van
zeer weinig belang, en hecht daarom slechts eene betrekkelijke waarde
aan de regels, die zij voor eigen gebruik heeft aangenomen. Zij meent
alleen te moeten doen opmerken, dat het weglaten der e achter de zachte
verwante medeklinkers b, d en g hunne verscherping tot p, t en ch of
tot k (in ng) ten gevolge zou moeten hebben. Daardoor acht zij zich
verplicht het weglaten der e in prozastijl te ontraden bij woorden
als hebbelijkheid, onhebbelijk, dadelijk, deugdelijk, goddelijk,
lijdelijk, maagdelijk, verstandelijk, schadeloos, zendeling, dagelijks,
degelijk, mogelijk, belangeloos enz., die, zonder e geschreven, tot
de uitspraak onheplijk, daatlijk, moochlijk enz. aanleiding zouden
geven. Daarentegen kan het uitlaten der e achter stammen, eindigende
op eene g, die door den invloed der volgende l verscherpt is en als ch
wordt uitgesproken, b.v. genoeglijk, gezeglijk, heuglijk, ontzaglijk,
strekken om hunne spelling met de uitspraak in overeenstemming
te brengen, en zonder sterk in het oog loopende veranderingen een
einde te maken aan den ontegenzeglijk hinderlijken strijd tusschen
de gebruikelijke spelling genoegelijk, heugelijk, ontzaggelijk en de
uitspraak genoechelijk of genoechlijk, heuchlijk, ontzaglijk.
Dit alles in aanmerking nemende, meent de Redactie voor zich het
volgende te moeten vaststellen:
De achtervoegsels -lijk en -loos, en het achtervoegsel -ing, wanneer
dit van de euphonische l wordt voorafgegaan, nemen ter verbinding
met het stamwoord eene toonlooze e vóór zich, behalve in de vier
volgende gevallen:
1) Wanneer het grondwoord op een klinker eindigt, sluiten -lijk,
-loos en -ling zich onmiddellijk aan: kwalijk, oolijk, vroolijk,
schadeloos, tweeling, drieling, zaailing, vrijling, kruiling.
Bij analogie volgt hieruit, dat moeilijk en verfoeilijk te verkiezen
zijn boven moeielijk en verfoeielijk, gelijk zij dan ook gewoonlijk
zonder e worden uitgesproken. Vrijelijk echter, waarin de e altijd
gehoord wordt, eischt buiten twijfel de inlassching van die letter
ook in de spelling.
2) Wanneer het grondwoord eindigt op eene l of r, of wel op eene n,
voorafgegaan door een langen of helderen klinker of een tweeklank,
heeft er onmiddellijke aansluiting plaats; als in doelloos,
balling, begeerlijk, bekoorlijk, waarloos, huurling, gemeenlijk,
aanzienlijk, gewoonlijk, aandoenlijk, fatsoenlijk, pijnlijk, toonloos,
groenling. Willeloos maakt geene uitzondering op dezen regel; het
is afgeleid van den ouderen vorm wille, die ook nog in willekeur en
willekeurig voorkomt.
Waar de n voorafgegaan wordt door een korten klinker, is de uitspraak
en spelling mèt of zònder e evenzeer goed te keuren. Men zegt en
schrijft beide: manlijk en mannelijk, beminlijk en beminnelijk,
zinlijk en zinnelijk, enz. Somtijds heeft echter het gebruik een
onderscheid in de beteekenis ingevoerd, als b.v. zinloos (zonder zin)
en zinneloos (krankzinnig). In die gevallen moet natuurlijk ook de
spelling onderscheiden worden.
3) De toonlooze e wordt niet ingevoegd in woorden, die eindigen
op toonlooze lettergrepen, als: adellijk, middellijk, eigenlijk,
openlijk, eeniglijk, geduriglijk, koninklijk, teugelloos, ouderloos,
regeeringloosheid enz.
4) Wanneer het grondwoord op eene g eindigt, die als ch wordt
uitgesproken, stelt de e eene uitspraak voor, met de werkelijke in
strijd, terwijl hare weglating vanzelve de verscherping der g ten
gevolge heeft; daarom schrijft de Redactie: behaaglijk, bijvoeglijk,
genoeglijk, gevoeglijk, heuglijk, klaaglijk, ontzaglijk enz.;
daarentegen dagelijks, degelijk, mogelijk enz., in welke woorden de
g hare zachte uitspraak behoudt.
Nog moet hier aangemerkt worden, dat de schrijfwijze òrdenlijk
of òrdentlijk, afkomstig uit den tijd, toen men ordene, orden (van
lat. ordo, ordinis) zeide, thans noodwendig is vervallen, nu iedereen
orde zonder n uitspreekt en schrijft. De Redactie schrijft derhalve
ordelijk, evenals eindelijk, zedelijk en redelijk, welk laatste
oorspronkelijk ook redenlijk werd geschreven, als van redene, reden
afgeleid. Ordèntelijk, met den klemtoon op de tweede lettergreep,
hoewel het insgelijks zijnen oorsprong aan de thans verouderde
uitspraak orden heeft te danken, is ten gevolge van de wijziging
zijner beteekenis een afzonderlijk woord geworden, hetwelk evenzeer
recht van bestaan heeft als zindelijk nevens zinnelijk of zinlijk.
113. Daar het gewaande achtervoegsel -ling (zie de verhandeling
over -ing in Dr. De Jager's Archief, I, 101 en v.) niets anders
is dan het suffix -ing, voorafgegaan door eene euphonische l, en
deze derhalve geene reden van bestaan heeft, wanneer het grondwoord
reeds op l eindigt, schrijven wij hemeling enz. Het is bekend, dat
deze schrijfwijze, ofschoon om eene andere reden, reeds een ijverig
voorstander vond in Bilderdijk, aan wien echter, in een oogenblik
van onbedachtzaamheid, de spelling heuvelling ontsnapte (III, blz. 10).
Adellijk, middellijk en onmiddellijk moeten de dubbele l hebben,
als zijnde gevormd met het achtervoegsel -lijk van adel en middel. De
spelling adel-ijk steunde op de verkeerde meening, dat -lijk uit l-ig
zou bestaan. De Nieuwhoogduitsche schrijfwijze adelig met eene g wordt
door ohd. adallîh, mhd. adellich, weersproken, waarom ook Grimm met
anderen adelich met ch spelde, en de meer gebruikelijke met g voor
»falsch" verklaarde. De spelling midde-lijk is gegrond op de onjuiste
onderstelling, dat het grondwoord mid of midden zou wezen. Het
tegendeel blijkt overtuigend uit de spreekwijze zonder middel,
die eertijds in gebruik was, waar wij thans onmiddellijk bezigen
(zie Janssen en Van Dale, Bijdragen, Dl. VI, blz. 180, art. 23).
114. De woorden middeldeur, middellandsch, middellijf, middellijn,
middelmaat, middelmatig, middelmuur, middelpad, middelschot,
middelsoort, middelstand, middelweg, met middel samengesteld,
zijn te lang algemeen aangenomen, dan dat er eene geldige reden zou
bestaan om, in strijd met de meest gewone uitspraak, in de overige
midden te schrijven. Zij zijn een gevolg van de vroeger geheerscht
hebbende neiging om het eerste lid van samenstellingen op -el te
laten eindigen, waaraan wij ringelduif, schorteldoek, vastelavond
e.a. te danken hebben. De Redactie schrijft daarom ook middeleeuwen,
Middelnederlandsch, middelpunt, middelrif enz. In één woord, het
is waar, wordt gewoonlijk de n uitgesproken: men zegt namelijk
middenevenredig; doch in verband met al de andere bovengenoemde
schijnt het raadzaam ook hier op gelijke wijze te handelen en dus
ook hier op grond der Analogie de l aan te nemen.
115. Siegenbeek schreef, op voorgang van Huydecoper, in 1804 de
spelling eigenlijk, openlijk enz. voor. Toen zich echter eenige stemmen
voor de schrijfwijze eigentlijk, opentlijk, met eene ingelaschte t
lieten hooren, gaf de Hoogleeraar toe en verklaarde hij zich voor
de laatste. Dit werkte intusschen weinig uit; de groote meerderheid
ging voort eigenlijk, wezenlijk enz. te schrijven, en slechts enkelen
volgden de nieuwe beslissing. De Redactie meent de eerste spelling
te moeten aannemen, omdat die t niet tot het wezen dier woorden
behoort, de afleiding niet opheldert, de duidelijkheid niet bevordert,
noch door het hedendaagsche beschaafde spreken vereischt wordt. Zij
beschouwt haar als het uitvloeisel van eene vergroving der uitspraak,
die gelijkstaat met eene b in hembd of eene p in hij kompt, en met
de d in de minder edele woorden vilder, boender, diender (nevens het
edeler dienaar). Wanneer zij die t aannam, zou zij rekenen lijnrecht
aan te druischen tegen de hedendaagsche richting der taal, die naar
beschaving en verfijning der uitspraak streeft.
Om dezelfde redenen verwerpt zij ook de t in gantsch, gelijk Bilderdijk
schreef op voorgang van de Staten-overzetters des Bijbels. Gantsch
zonder t is zoowel met de beschaafde uitspraak als met de afleiding
in overeenstemming.
116. Iemand en zijne ontkenning niemand, mnl. ieman en iemen,
bestaat uit ie en man in de thans verouderde beteekenis van mensch
in het algemeen. De aangehechte tongletter heeft hier dus in het
geheel geene beteekenis, maar dient louter ter versterking van de
sluitende n, waartoe de taal zoowel de d als de t bezigt. De natuur
der sluitletter kan derhalve evenmin bij analogie bepaald als uit
de uitspraak opgemaakt worden. Immers in mijnenthalve, ordentelijk,
erkentelijk, bekentenis komt eene ingelaschte t voor; doch arend,
oudt. aren; boender, diender, van boenen en dienen; hoenders van hoen;
zindelijk uit zinlijk; Hendrik, hd. Heinrich, hebben ter steuning der
n eene d. De regel der onverbuigbare woorden, die eene t zou gebieden,
kan hier ook niet worden toegepast; want iemand en niemand behooren
als voornaamw. tot de verbuigbare, en worden in de 2de naamvallen
iemands en niemands ook werkelijk verbogen. Men is dus tot de
verbuigbare verwezen, en deze bekomen volgens het hedendaagsche
gebruik in de onverbogen vormen tot sluitletter dien medeklinker,
die in de verbogene gehoord wordt. Blijkens Plantijn, Kiliaan, de
Staten-overzetters des Bijbels, De Decker en anderen, luidden de 3de
en 4de naamv. vroeger iemanden, niemanden, met eene d. Die vormen
zijn thans buiten gebruik; doch hadden zij niet bestaan en in het
bewustzijn van het volk gelegen, men zou, gelijk voorheen, thans nog
algemeen iemant en niemant schrijven, evenals men want, leeft, legt,
leent, hoort met t spelt, omdat die vormen geene verlenging ondergaan,
die het bewustzijn kon levendig houden, dat zij eigenlijk volgens de
afleiding en ons taaleigen eene d zouden moeten hebben.
De Redactie ziet derhalve geene reden om van het bijna algemeene
gebruik af te wijken; zij schrijft iemand, niemand met eene d, welke
evenzeer gewettigd is als die van arend, mv. arenden.
Ten mijnent, zijnent, harent, onzent, uwent, hunnent, hoewel uit
verbogen vormen ontstaan, behooren, als bijwoordelijke uitdrukkingen,
tot de onverbuigbare woorden, en worden dus consequent en volgens
het algemeene gebruik met t geschreven.
117. Volgens de afleiding zou ootmoed, ohd. ôthmuothi, oodmuati,
ags. eádhmôd, ouds. ôdhmuodi, bij Kiliaan nog oodmoed, eene d
moeten hebben, als bestaande uit ood, goth. auths, ohd. ôdi, aothi,
ags. eádh, ouds. ôdh, ôdhi (ledig, licht, gemakkelijk), dat noode heeft
opgeleverd, en verminkt ook voorkomt in oolijk, bij Kil. oodelick,
oyelick, oolijk. De vormen in de verwante talen, ook het uitvallen
der tongletter uit oolijk, bewijzen, dat zij oorspronkelijk zacht is
geweest, namelijk eene d, uit th of dh ontstaan. Intusschen zou het
herstellen der d volstrekt geen voordeel aanbrengen. Al kon daardoor
ook de verwantschap met noode en oolijk blijken, die kennis zou voor
het publiek de beteekenis van het woord niet duidelijk maken. Die
d zou veeleer eene tegengestelde uitwerking kunnen hebben en ten
onrechte doen denken aan eene samenstelling met ood in kleinood, dat
schat beteekent, en het eerste lid van ooievaar, bij Kil. odevaer,
uitmaakt, en dat blijkens goth. aud, ohd. aot, ôt, ags. eád, ouds. ôd,
geheel anders dan het vorige ood luidde.
Om de opgegeven reden achten wij het onraadzaam hier de afleiding meer
dan de uitspraak te doen gelden, en geven wij aan de gebruikelijke
spelling ootmoed met eene t de voorkeur.
118. Omtrent, dat oorspronkelijk rondom, vervolgens in den omtrek, in
de nabijheid beteekende, doch thans bijna uitsluitend overdrachtelijk
gebezigd wordt, evenals omstreeks, eigenlijk in de omstreek, behoorde
volgens de afleiding op d uit te gaan. Het bestaat uit het voorzetsel
om, dat door trend nader bepaald wordt, gelijk bij door na in bijna,
omzetting van na bij. Trent, trend is een bijv. naamw., hier als
bijwoord gebezigd, en beteekent rond, blijkens ofri., deensch en
zweedsch trind, rond. In het Deensch dient trind, gelijk round in het
Engelsch, zoowel alleenstaande als door om gevolgd (trind, trind om),
als voorzetsel met den zin van rondom. Ook in het Oudfriesch stond om
nog achteraan: trind umbe, trund om, rondom. Dat de sluitmedeklinker
oorspronkelijk eene d was, blijkt uit ags. trendel, kring, cirkel;
uit eng. to trundle, draaien, en trendle, as of tap in een molen. Doch
het weder invoeren der vergeten d, die als sluitletter tot t verscherpt
is, zou tot niets dienen, op geen enkel bekend verwant woord wijzen,
dat de beteekenis van het woord kon ophelderen. Wij vinden daarom
geene overwegende reden om de afleiding in spijt van de uitspraak te
doen gelden, en nutteloos eene uitzondering te maken op den regel,
dat onverbuigbare woorden op scherpe medeklinkers eindigen. Wij gaan
dus voort omtrent met de door het Gebruik gewettigde t te schrijven,
evenals want, dat anders, blijkens onl. wanda, insgelijks zijne d
zou moeten terugnemen.
119. Eene niet minder gewichtige quaestie, die een zeer groot aantal
woorden betreft, is de spelling der verkleinwoorden, met of zonder
n op het einde. Het weglaten der n was in de vorige eeuw nagenoeg
algemeen geworden. Bilderdijk meende, op etymologische gronden, die
den toets der critiek niet kunnen doorstaan, haar weder te moeten
aannemen. De Redactie kan hem daarin niet navolgen. Die n achter
-je is in strijd met de beschaafde uitspraak, waarin men niet van
een meisjen of huisjen, nog minder van meisjens of huisjens hoort,
en wordt voor de duidelijkheid niet gevorderd.
Dat zij uit de beschaafde uitspraak geheel verdwenen is, bewijzen
de dichters overtuigend. De e van het verkleinend achtervoegsel
vloeit in de poëzie met een volgenden klinker ineen, b.v.: »Nedrig
vogeltje, elks behagen," hetgeen noch bij de pluralia op en, noch
bij de infinitieven kan plaats hebben. Men behoudt de n alleen dan,
wanneer men de ineensmelting van het achtervoegsel en een volgenden
klinker wil verhinderen. Daar de hedendaagsche richting der taal
wil, dat men de slot-n achter de toonlooze e maar flauw late hooren,
zouden de enkelvouden huisjen, kopjen, schoteltjen enz. op zich zelve
niet zoo erg tegen de beschaafde uitspraak aandruischen, men zou de n
daarin nagenoeg kunnen onderdrukken; doch dan waren die enkelvouden
in strijd met de meervouden huisjens, kopjens, schoteltjens, die,
zóó geschreven, naar analogie van kuikens, leugens, molens, het
duidelijk uitspreken der n zouden eischen. Deze letter zou derhalve
de woorden niet verstaanbaarder, maar wel onwelluidender maken en
tot eene pedante uitspraak aanleiding geven. Vergel. § 61 en 62.
Ten opzichte van de woorden op -ken is de Redactie van een
ander gevoelen. Deze--de in België meest gebruikelijke--vorm der
verkleinwoorden is in den tegenwoordigen toestand der taal van
Noord-Nederland bijna als provincialisme en archaïsme te beschouwen,
en is, in de laatstgenoemde hoedanigheid althans, nog gepast in den
bijbel- en kanselstijl, die gaarne deftige, eenigszins verouderde
vormen bezigt. Wij willen om die reden de n achter kindeken, jongsken,
dochterken enz. behouden, te meer daar zachtkens en allengskens haar
gebiedend eischen; in minder deftigen stijl echter, waarin -ken stijf
zou klinken, zien wij geen bezwaar in boekske, jongske enz.
De uitspraak leert duidelijk genoeg, wanneer vóór het achtervoegsel
-je eene t moet ingelascht worden. Er bestaat te dien aanzien alleen
verschil van gevoelen bij de woorden op d en m. Bilderdijk en vele
zijner volgelingen voegen ook achter deze letters eene t in, en
schrijven: »handtjen, kladtjen, bloemtjen" enz.; terwijl de meeste
schrijvers aan handje, kladje, bloempje, boompje enz. de voorkeur
geven. Bij het kiezen tusschen de beiderlei schrijfwijzen moet men
in het oog houden, dat de ware vorm van het achtervoegsel -je is,
niet -tje; gelijk blijkt uit liefje, kluifje, boogje, leugje, vischje,
muschje, doekje, beekje, popje, reepje, lesje, kusje enz.
Bilderdijk's spelling handtjen rustte op eene ongegronde
onderstelling. Hij meende, dat de d aan het einde van eene lettergreep,
op Engelsche wijze, steeds denzelfden klank had als aan het begin;
het was bij hem »levendig, dat men hand altijd met een scheva
[eene toonlooze e] moet doen hooren, immers uitspreken." Spraakl.,
blz. 213. Hand was derhalve voor hem, naar luid zijner eigene woorden,
nagenoeg hetzelfde als hande, en handtjen dus als handetjen. Spreekt
men zóó uit, dan is de t even onmisbaar als in kommetje, mannetje; doch
zóó spreekt tegenwoordig wel niemand. Wie thans handtjen, hondtjen,
draadtjen enz. geschreven ziet, die leest, alsof er hantjen, hontjen,
draatjen enz. stond. Die uitspraak nu is òf goed òf niet goed. Wie in
moordjaar, landjonker de d zachter uitbrengt dan de t in straatjongen,
zal haar afkeuren; maar die hoort en maakt ook onderscheid tusschen
pondje en pontje, wandje en wantje enz., en zal dus ook de spelling
handtjen enz. en de daarop gegronde uitspraak verwerpen, als strijdig
met die uitspraak, die hij voor de ware houdt, en met de duidelijkheid,
die verschillende woorden zooveel doenlijk wil onderscheiden hebben.
Wie daarentegen in moordjaar, landjonker de d even scherp uitbrengt
als de t in straatjongen, die neemt aan, dat de d, als zij sluitletter
wordt en niet gevolgd is door eene b of d, vanzelve in t overgaat,
gelijk zulks werkelijk aan het einde van een woord geschiedt. Voor hem
is dus reeds vanzelve de t-klank aanwezig, en derhalve de inlassching
van het letterteeken t even overtollig, als het zijn zou in kanttje,
tenttje, punttje. Wie in handtje, kindtje de t noodzakelijk acht,
moet, om consequent te blijven, terugkeeren tot de sinds lang verworpen
spelling handt, kindt enz., die dan evenzeer noodzakelijk is.
In de gewone uitspraak is in de letterverbinding dt de d stom,
en klinkt hij wordt, bidt, antwoordt enz., als hij wort, bit,
antwoort. Beide letters te laten hooren is, zoo al niet ondoenlijk,
dan toch even wanluidend als het letterlijk uitspreken van gch,
waartegen men zoozeer heeft geijverd. Derhalve, hoe men handtje,
hondtje enz. ook neemt en uitspreekt, de t achter de d is òf strijdig
met de uitspraak, òf overtollig en niet gemotiveerd, en in elk geval
strijdig met de welluidendheid.
De woorden op m, voorafgegaan door een langen klank, nemen in de
gewone uitspraak eene p aan. Dit is een natuurlijk gevolg van de
wijze, waarop de m en p worden voortgebracht; beide vereischen het
sluiten der lippen. Wie boompje zegt, drukt ze bij de m op elkander,
en houdt ze slechts een oogenblik langer in dien stand om de p te
verkrijgen. Spreekt men boomtje uit, dan moet men voor de m de lippen
sluiten, voor de t ze weder openen en de tong te werk stellen. De p
ontstaat dus in bloempje als vanzelve, ten minste gemakkelijker dan de
t in bloemtje, die zelfs eenige oplettendheid vereischt. Bloempje is
uit dien hoofde natuurlijker dan bloemtje, en de p daarom te verkiezen
boven de t, tenzij men achter de m eene toonlooze e late hooren en
bloemetje of blommetje uitspreke, in welk geval de t, gelijk achter
alle klinkers, hare rechten doet gelden.
De p klinkt op zich zelve wel niet leelijker, platter of plomper dan
de t, en stellig niet in het gezelschap van de aanverwante m. Er is
dan ook geene enkele grondige reden te bedenken, waarom zij geweerd
zou moeten worden. De reden, die Bilderdijk daarvoor aanvoerde,
was uit de lucht gegrepen. Hij meende, dat men vroeger bloemptje,
boomptje enz. geschreven had, dat de p eene tusschenletter was, »alleen
uit de verbinding der m en t ontstaan", en die men »nu dwaaslijk met
wegwerping der t wilde behouden"; hij stelde bloempje gelijk met het
platte kompt en neempt. Intusschen zijn er geene voorbeelden van de
spelling boomptje, bloemptje aan te wijzen, en Bilderdijk's beweren
onderstelt ten onrechte de onmisbaarheid der t in het verkleinende
achtervoegsel. Doch dit luidt -je of -jen, niet -tje of -tjen. De
t en p worden slechts ingelascht ter versterking van de zoo zachte
en zwakke j, waartoe, indien de taal zulks gewild had, ook de derde
tenuis k had kunnen dienen, gelijk blijkt uit den Frieschen eigennaam
Froukje, hetzelfde woord als Vrouwtje, en uit de werkwoorden boerkje,
het boerenbedrijf uitoefenen; briefkje, brieven schrijven, enz. De t
heeft in de algemeen Nederlandsche deminutieven evenmin eene beteekenis
als de p achter de m en de k in de genoemde Friesche woorden; zij
heeft louter euphonische waarde, gelijk de n in honing, diens, wiens
enz. De lipletter p staat derhalve in bloempje niet ten koste van
de t, maar is, gelijk ook juist kompt, neempt en dergelijke woorden
leeren, de natuurlijke en eigenaardige versterking der lipletter m,
evenals de tongletter t [9] van de tongletters l, n en r in stoeltje,
zoontje, deurtje, en als de keelletter k van de keelletter g, die in
de verbinding ng nog flauw met den klank der Fransche en Friesche
g gehoord wordt. Ten gevolge daarvan zegt men koninkje, woninkje,
rottinkje enz., terwijl wel nooit iemand koninktje zal uitgesproken
of geschreven hebben. De p is achter de m evenmin overtollig als de t
achter een klinker of vloeiende letter, omdat de j dan te zwak wordt
geoordeeld; men zal er toch wel nimmer toe komen om raamje, boomje
enz. te zeggen, evenmin als zeeje, koeje, stoelje, maanje, deurje.
Om de aangevoerde redenen is de Redactie van oordeel, dat de
inlassching der t in verkleinwoorden, gevormd van woorden, die op d
eindigen, òf in strijd is met de uitspraak òf overtollig, en dat die
t in allen gevalle geen nut doet, maar slechts tot eene onwelluidende
uitspraak aanleiding kan geven; vervolgens dat de p de eigenaardige
versterkingsletter der m is, door physiologische taalwetten gevorderd
en in overeenstemming met de bijna algemeene uitspraak. Daarom meent
zij te moeten schrijven draadje, handje enz. zonder t, en raampje,
boompje enz. met eene p, doch natuurlijk bloemetje en blommetje met
eene t achter de toonlooze e. Het behoeft echter wel niet vermeld
te worden, dat zij geene inbreuk wil maken op ieders vrijheid om,
waar men het dienstig mocht oordeelen, in poëzie b.v., bloemtje te
schrijven, dat men nu eenmaal--te recht of te onrecht--als fijner en
kiescher aanmerkt.
120. Eene andere vraag, omtrent het al of niet bezigen eener
slot-n, betreft de woorden behalve, derhalve, weshalve, allenthalve,
mijnenthalve, zijnenthalve enz., gelijk men gewoonlijk schrijft. Ook
deze vereischen eene afzonderlijke overweging. Zij zijn geene
eigenlijke samenstellingen, maar slechts samenkoppelingen van het
substantief half, halve met een voorafgaand woord, hetwelk, zoo
het gebruik zulks gewild had, ook van halve gescheiden had kunnen
blijven. Halve beteekent zijde, kant, gelijk blijkt uit het 34ste vers
van den 67sten der Oudnederl. psalmen: »Singit Gode, thie upstîgit
ovir himel himeles te ôsterhalvon"; »Psallite Deo, qui ascendit super
coelum coeli ad orientem (ad partes orientales)". In alle verwante
talen was dit woord vrouwelijk, en werd het zoowel onder den vorm,
die aan ons halve, als onder dien, welke aan ons half beantwoordt,
sterk verbogen; waaruit volgt, dat het alleen in het meervoud eene
n kan hebben en dat een genitief en datief singul.: dezer halven,
onbestaanbare vormen zijn. Naar deze gegevens zijn de bovengenoemde
woorden te beoordeelen.
Behalve bestaat uit het genoemde substantief en de praepositie bij,
mnl. bi, hier ten gevolge der samenkoppeling tot be verzwakt. Behalve
is dus eigenlijk bij halve, en beteekent zooveel als bij zijde,
ter zijde gezet, aan een kant gesteld, d.i. niet medegerekend. Het
Ohd. hield de woorden nog gescheiden en schreef in het enkelv. pi halpo
(in parte, in secreto), en in het meerv. pi halpon (in partibus). In
het Oudnederl. luidde het woord behalvo en behalvon (Ps. LV, 10, en
verg, de Gloss. Lips.). Uit een en ander volgt, dat hier aan geene
afleiding door middel van een suffix -en, veelmin, gelijk Bilderdijk
wilde, aan een participium van een werkw. behalven of behalden te
denken is. Het voorzetsel bi, bij, regeerde oudtijds den dativus,
zoodat halve hier een derde naamval moet zijn. De quaestie, of men met
Bilderdijk en anderen behalven met eene n, of, in overeenstemming met
de beschaafde uitspraak, behalve te schrijven heeft, komt dus neder op
de vraag, of men hier met het enkel- dan wel met het meervoud van halve
te doen heeft. Daar nu één voorwerp maar aan ééne zijde kan geplaatst
worden, zoo is het meervoud behalven volstrekt ondenkbaar, wanneer er
van het uitzonderen van slechts één ding sprake is; terwijl ook eene
veelheid van uitzonderingen zeer goed geacht kan worden aan een en
denzelfden kant geschoven te zijn. De schrijfwijze behalve zonder n,
de eenige, die in alle gevallen verdedigbaar is, beantwoordt dus niet
slechts aan de uitspraak, maar ook aan de afleiding en de beteekenis
des woords, en is derhalve zonder twijfel te verkiezen.
De overige uitdrukkingen zijn van een anderen aard en komen alle
daarin overeen, dat halve absoluut gebezigd is, zoodat vóór alles
moet uitgemaakt worden, welke absolute casus hier aangetroffen
wordt. De samenkoppelingen mijnentwege, onzentwege enz., die nagenoeg
hetzelfde beteekenen als mijnenthalve, onzenthalve, kunnen hier den
weg wijzen. Zij zijn alle kennelijk samengesteld met wege, datief
van weg. Daar nu halve in derhalve en weshalve blijkbaar in dezelfde
betrekking staat, heeft men ook hier een dativus absolutus. In het
eerstgenoemde is der, evenals in dermate, derwijze, dus de derde
naamval van het aanwijz. voornw. die, congrueerende met halve:
dierhalve (van die zijde bezien). In weshalve daarentegen treft men
het relativum wat aan, in den genitief wes, die door halve geregeerd
wordt. Weshalve is dus zooveel als: beschouwd van de zooeven genoemde
zijde. Daar niets hier aanleiding geeft om aan het meervoud van halve
te denken, is het rationeel het gebruikelijke enkelvoud, dat voor
alle gevallen passend is en met de uitspraak overeenstemt, te houden
en derhalve, weshalve te blijven schrijven.
De spelling der overige woorden is meer aan twijfel onderhevig. Zeker
is het, dat allenthalve uit hoofde zijner beteekenis (van alle
kanten of van alle zijden) het meerv. van halve onderstelt, en dat
de vormen der bezittel. voornaamw. mijnen, zijnen, onzen, enz.,
bij een vrouwelijk substantief staande, slechts derde naamvallen
van het meerv. kunnen zijn. Men zou hierin eene reden kunnen zien
om in allenthalve, mijnenthalve enz. aan halve den meervoudsvorm
te geven. Wanneer men echter in aanmerking neemt, dat oudtijds,
blijkens de verwante talen, dergelijke absolute datieven zonder
merkbaar onderscheid van beteekenis door elkander in het enkel-
en meervoud gebezigd werden; dat het Mnl. reeds halven met halve
verwarde, en den meervoudsvorm gebruikte, waar men het enkelvoud
verwachten zou [10], en dat halve, misschien wel ten gevolge dier
verwarring, thans blijkbaar niet meer als een op zich zelf bestaand
woord wordt beschouwd, maar veeleer als een suffix, waarbij men aan
geen getal meer denkt; dan zal men erkennen, dat het weinig nut zou
hebben, indien men de hier bedoelde woorden door de spelling van
de drie eerstgenoemde onderscheidde. De Redactie acht dit te minder
raadzaam, omdat het begrip van een meervoud bezwaarlijk overeen te
brengen is met mijnenthalven en zijnenthalven, noch met harenthalven
en uwenthalven, wanneer deze laatste op éénen persoon zien, zoodat
de grammaticale vorm dezer uitdrukkingen door die spelling niet
gerechtvaardigd zou zijn. Zij schrijft daarom zoowel allenthalve,
mijnenthalve, hunnenthalve enz., als behalve, derhalve en weshalve,
zonder n. Vergelijk hier de laatste zinsnede van § 67.
121. Hetgeen bij behalve gezegd is, doet denken aan bezijden. Dit
woord komt zeker in zooverre met behalve overeen, dat het geene
afleiding met een achtervoegsel -en, maar eene samenkoppeling is;
immers het Ags. schreef de deelen gescheiden: be sîdan. De analogie
schijnt derhalve de spelling bezijde zonder n te vorderen. Wanneer
men echter bedenkt, dat er ten opzichte der spelling van dit woord
nooit verschil bestaan heeft, en dat hier in overeenstemming met het
Eng. besides waarschijnlijk aan het meerv. van zijde moet gedacht
worden, dan vindt de Redactie geene overwegende redenen om in dit
woord de gebruikelijke spelling, die in overeenstemming is met de
beschaafde uitspraak, te veranderen. Derhalve blijft zij bezijden
schrijven. Zie ook hier § 67 aan het slot.
122. De Redactie acht het ongeraden zoodanige letters, die in de
uitspraak geheel verdwenen zijn, alleen op grond der afleiding in het
schrift te herstellen. Daarom meent zij de d in thans en althans,
en evenzoo in de participiale vormen doorgaans, nopens, volgens,
wetens, willens enz. niet weder te mogen aannemen, om dezelfde reden,
waarom wel niemand het gewone bijkans voor den oorspronkelijken vorm
bijkants zou wenschen te verruilen. De spelling thands, doorgaands
enz. doet wel is waar de afleiding dezer woorden beter kennen, doch
deze kennis kan weinig of niets strekken ter opheldering hunner
beteekenis, en dit toch zou de eenige denkbare reden kunnen zijn
om in strijd met de Regels der Uitspraak en der Welluidendheid te
handelen. Daarenboven zou die spelling lichtelijk aanleiding kunnen
geven tot eene verharde uitspraak, die de taal blijkbaar door het
allengs weglaten der d heeft trachten te vermijden.
Dat in de woorden thans en althans de h wordt behouden, ofschoon die
mede in de uitspraak geheel stom is geworden, kan oppervlakkig schijnen
met den hier gestelden regel in strijd te zijn; doch inderdaad is het
een ander geval, omdat de h in deze woorden door het Gebruik altijd
erkend is geworden. Zie hier § 66, a.
123. Van hetzelfde gevoelen als in § 122 zijn wij ten aanzien van de
stomme ch achter de s. Deze weder in te voeren in woorden, waaruit
het gebruik haar reeds heeft verbannen, als harnas(ch), moss(ch)el,
het bijw. ras(ch) en andere, zou lijnrecht strijdig zijn met den
Regel der Uitspraak en zou ook de beteekenis niet duidelijker maken.
Evenzoo zou het niet te verdedigen wezen, indien men tegen de
uitspraak en het gebruik aan, zonder genoegzaam door de afleiding
gesteund te worden, alleen om den wille der analogie, achter
bijvoegl. naamw. eene ch voegde, wanneer die nooit met sch worden
geschreven. Voortgezet onderzoek heeft het vermoeden bevestigd, dat
de Germaansche talen, hoewel de voorbeelden niet menigvuldig zijn,
soms door de achtervoeging eener bloote s, en dus niet altijd met
-sch, ook van bekende grondwoorden adjectieven vormden. Nu wij weten,
dat woorden als bits van bijten, spits van spit enz. niet stellig
tegen het taaleigen strijden, achten wij ons niet gerechtigd, aan de
genoemde en dergelijke woorden eene ch te geven, die in de uitspraak
niet gehoord en niet stellig door de etymologie geëischt wordt. Wij
blijven derhalve schrijven bits, dwars, spits, wars enz.
Uit woorden, waar, in stelligen strijd met de afleiding, eene ch is
ingeslopen, achten wij ons verplicht die weg te laten; wij schrijven
derhalve torsen, oud-fransch torser, nevens tros, trossen, fr. trousse,
trousser. Alleen in heesch en gansch, waarin de ch tegen de afleiding
aan heeft plaats genomen, wordt zij door de regelmaat en het gebruik
gewettigd, vermits de enkele s in de overige bijvoegl. naamw.,
wanneer zij door een langen klinker of eene n wordt voorafgegaan,
in de verbuiging in z verandert, hetgeen niet geschiedt bij heesch
en gansch, die in de verbuiging de scherpe letter behouden: heesche,
gansche. Daarentegen dwaas, dwaze; boos, booze; vies, vieze; vuns,
vunze; lens, lenze.
De ch heeft in losch (lynx) en het door Bilderdijk aangenomen wasch
(cera) evenmin reden van bestaan, als achter zes, os, vos, was
(toeneming) en dergelijke. In al deze woorden toch heeft de keelklank
oudtijds niet achter, maar vóór de s plaats gevonden; zooals onder
andere blijkt uit hd. luchs, wachs, sechs, ochs, fuchs, wuchs. Wij
schrijven derhalve los en was.
124. Er bestaat verschil van gevoelen omtrent de spelling van den
overtreffenden trap der bijvoegl. naamwoorden, die op de sisklanken
s en sch eindigen; sommigen schrijven overeenkomstig de gewone
uitspraak: wijste, frischte; anderen, op grond der Grammatica: wijsste,
frischste. Ofschoon ieder zich zooveel doenlijk onthoudt van zulke
superlatieven, die soms, op het gehoor althans, dubbelzinnig zijn,
kunnen zij toch niet altijd vermeden worden, zoodat de Redactie ook
hier voor zich zelve beslissen moet. Bij een weinig nadenken blijkt de
keus niet moeilijk te zijn. Ongetwijfeld zou de Grammatica wijsste,
frischste eischen; doch er bestaan redenen genoeg, welke ons die
spelling ontraden. Zij is vooreerst in strijd met de gewone beschaafde
uitspraak, die geene poging doet om de twee s's te laten hooren, ten
andere kan zij niet consequent gevolgd worden. Niemand zal immers
in de onverbogen vormen twee s's willen brengen: het wijsst, het
frischst. Die schrijfwijze zou trouwens geheel in strijd zijn met den
geest der Nederlandsche Spelling, die nooit, op Hoogduitsche wijze, in
eene en dezelfde lettergreep eenen medeklinker verdubbelt; en, zoo men
haar al aannemen wilde, zou zij tot eene zeer onwelluidende sissende
uitspraak aanleiding geven. De s in het eene geval te bezigen en in
het andere weg te laten, strijdt niet alleen met de regelmaat, maar
ook met de analogie van andere woorden, die streng genomen dezelfde
onregelmatigheid eischen. Men acht de enkele s evenzeer toereikend in
Friesche als in Friesch, van het znw. Fries, en zoo ook in Parijsche,
Boloneesche, Chineesche, Japaneesche, Siameesche enz.; terwijl men
er nooit aan gedacht heeft haar te verdubbelen in trotsche, dat
door aanhechting van sch gevormd is van het zelfst. naamw. trots. De
spelling wijst--wijste, boos--booste, loos--looste enz. is dus eer
regelmatig dan onregelmatig te noemen; terwijl frischte, malschte
enz., waarin de sch toch ook slechts als s klinkt, door de analogie
voldoende gewettigd is. Wij geven derhalve, overeenkomstig de eischen
der Uitspraak, der Analogie en der Welluidendheid, aan de schrijfwijze
booste, looste, wijste, frischte, malschte enz. de voorkeur.
125. De schrijfwijze allezins, anderzins, eenigzins en veelzins
beantwoordt niet aan de uitspraak, die de spelling allesins, andersins,
eenigsins en veelsins zou vorderen. De genoemde bijwoorden bestaan
uit alles, anders, eenigs, veels, de sterke genitieven van al, ander,
eenig, veel, en denzelfden naamval van zin, in de beteekenis van
kant, richting, opvatting. Zij komen dus, wat hun vorm betreft,
overeen met alles jaars, dat o.a. bij Hooft voorkomt, en met de
bijwoordelijke uitdrukkingen eensdeels, mijns inziens, goedsmoeds,
blootshoofds enz. De z heeft derhalve hare verscherping in de uitspraak
te danken aan de s, die men weglaat op voorgang van Siegenbeek, welke
haar evenwel in geenszins wilde behouden hebben. De afleiding en de
analogie echter, evenzeer als de uitspraak, eischen haar te herstellen,
of ten minste de z van zin in s te veranderen: allesins, eenigsins. De
Redactie meent den eisch, die door de drie grondregels der Spelling
gelijkelijk gedaan wordt, te moeten involgen door, in overeenstemming
met geenszins, ook alleszins enz. te schrijven. Daardoor wordt tevens
aan de uitspraak voldaan. Immers het samentreffen van de s en z
maakt het volstrekt niet noodzakelijk, dat men ieder dezer letters
afzonderlijk uitspreekt: alles-zins, eenigs-zins. Niemand toch zegt
geens-zins, evenmin als dans-zaal, kruis-straf, mis-stap enz.; welke
woorden, natuurlijk en ongedwongen uitgesproken, als geensins,
dansaal, kruistraf, mistap enz. luiden. De spelling allesins,
andersins, eenigsins, geensins en veelsins zou, in strijd met § 49,
geheel noodeloos de etymologie dezer woorden onkenbaar maken, in welke
zin eene beteekenis heeft, waarin het ook buiten deze samenstellingen
dikwijls voorkomt en die overeenstemt met het Fransche sens in en tout
sens, de tous les sens. Derhalve alleszins, anderszins, eenigszins,
veelszins, evenals geenszins.
126. De spelling verw, verwen, verwpot, verwwinkel enz., hoewel in
overeenstemming met de Middelnederlandsche vormen varuw en vaerwe,
wordt door de hedendaagsche uitspraak veroordeeld, welke in de
bedoelde woorden, evenals in gerfkamer (van het verouderde gaerwen),
de w door de v (f) vervangt. Daar de gebruikelijke spelling door het
wijzen op den ouderen vorm de beteekenis niet duidelijker maakt,
acht de Redactie zich niet gerechtigd hier tegen den hoofdregel
der Spelling te handelen; zij schrijft derhalve overeenkomstig de
beschaafde uitspraak niet alleen verf, verfkwast, verfwinkel enz.,
maar ook verven, verver, ververij enz.
Daarentegen acht zij het niet geoorloofd, de w van murw in v (f)
te veranderen. De uitspraak murf is verre van algemeen, ja klinkt
min of meer plat, terwijl deze schrijfwijze, geheel nutteloos, voor
het oog het verband zou verbreken met vermurwen, hetwelk door niemand
als vermurven wordt uitgesproken.
127. Het tweede lid der samenstellingen buskruid en rattenkruid (gelijk
men gewoon is te schrijven) is thans door zijne beteekenis gescheiden
van kruid (herba). Het doet ons veeleer denken aan stof, poeder,
dan aan een product van het kruiden- of plantenrijk. Wel is waar
hebben de jongste onderzoekingen geleerd, dat wij hier niet (gelijk
de Redactie vroeger vermoedde) met twee verschillende woorden te doen
hebben, maar met een zelfde woord in twee uiteenloopende opvattingen
[11]. Doch al is ook het eene, wat den oorsprong betreft, met het
andere identisch, door de afwijkende beteekenis zijn zij voor ons
gevoel nu eenmaal verschillend geworden. Wij kunnen bij den naam van
het salpeterpoeder, waarmede wij ons schietgeweer laden, of bij dien
van het metaalpoeder, dat wij gebruiken om ratten te dooden, niet meer
aan een kruid of gewas denken. Reeds daarom is het wenschelijk, het
onderscheid van beteekenis ook in de spelling te doen uitkomen. Daar
komt bij, dat het woord in den zin van poeder nu, zoo al niet tot de
onverbuigbare, dan toch tot de onverbogen woorden behoort, aan welke
de taal liefst de scherpe sluitletter pleegt toe te kennen. Wij meenen
daarom in deze beteekenis de t te moeten bezigen, en schrijven dus
kruit (pulvis pyrius), buskruit en rattenkruit, ter onderscheiding van
kruid (herba), onkruid, nieskruid, wormkruid enz. Evenzoo schrijft men
algemeen schroot, omdat ook dit woord nu niet meer verbogen wordt,
ofschoon het, naar zijn oorsprong beschouwd, insgelijks de d zou
vereischen; want schroot (bij Kiliaan schroode en schroye) is eene
afleiding van het oude werkwoord schroden (snijden), en beteekent
eigenlijk snijdsel, t.w. de afgesneden of afgehakte stukken ijzerwerk,
waarmede men het geschut in plaats van met kogels laadt. In de beide
woorden schroodbeitel en schroodijzer, waarin de beteekenis van
schroden nog gevoeld wordt, is de d behouden gebleven; maar schroot,
door veranderde opvatting geheel van zijnen oorsprong vervreemd en
daarenboven niet meer verbogen, heeft voorgoed de t aangenomen. Op
dezelfde wijze behoort dan ook kruit van kruid gescheiden te worden,
nu het eenmaal door veranderde beteekenis een ander woord is geworden.
128. De spelling en daardoor allengs meer algemeen geworden uitspraak
Dingsdag is stellig in strijd met de afleiding en de oorspronkelijke
beteekenis van het woord. Reeds het Middelnederlandsch, dat Diinsdach,
ook Disendach en Dinxendach schreef, was het spoor min of meer bijster;
en toen men eenmaal Dingsdag begon te spreken, dwaalde men geheel
af. Men beschouwde den Dingsdag als den dag der rechtsgedingen,
alsof hij uitsluitend voor terechtzittingen bestemd ware; een
gevoelen, waarvan de ongegrondheid thans wordt erkend, maar dat
zeker zal hebben bijgedragen om de uitspraak en spelling Dingsdag
meer veld te doen winnen, hoewel deze geheel verkeerd is. Immers,
evenals de overige dagen der week, is ook de derde genoemd naar
eene heidensche godheid, en wel naar het Germaansche evenbeeld van
den krijgsgod Mars; de Nederlandsche benaming is eene vertaling van
het lat. dies Martis. In het Oudnederlandsch moet die god, blijkens
de Nederlandsche uitspraak en de verwante talen, Diu of Dio hebben
geheeten; in de hedendaagsche taal zou de naam Die luiden. Derhalve
ware Diesdag de regelmatige vertaling van dies Martis; doch het
gebruik heeft hier eene n ingeschoven, evenals in de genitieven van
die en wie, welke thans diens en wiens, maar oudtijds ook dies en
wies luidden. Die inschuiving der n had hier echter de verkorting der
voorafgaande vocaal ten gevolge, gelijk in kinkhoest uit kiekhoest
(hd. keuchhusten); en die verkorting kon te gereeder plaats vinden
en algemeen worden, omdat de god Die met zijnen eeredienst weldra
in vergetelheid geraakte. Op deze wijze ontstond, in overeenstemming
met hd. Dinstag en Diestag, bij ons Dinsdag, dat klaarblijkelijk veel
nader dan Dingsdag bij den oorspronkelijken vorm komt en tot op zekere
hoogte als regelmatig kan beschouwd worden. Die betere uitspraak is ook
nog lang niet uitgestorven: in meer dan één gewest wordt nog altijd
Dinsdag gezegd, en ook in Holland, waar de verkeerde uitspraak het
meest is doorgedrongen, wordt de zuiverder vorm nog wel vernomen, ook
buiten de lagere volksklasse, in wier mond het niet ongewone Dijnsdag
nog van den ouden vorm getuigt; in Zeeland zegt men nog Dizendag.
Om deze reden acht de Redactie zich verplicht den verbasterden vorm
Dingsdag, die tot eene valsche opvatting aanleiding geeft, te laten
varen, en de zooveel oorspronkelijker uitspraak van het meerendeel
des volks te volgen. Ieder blijft natuurlijk vrij, naar smaak en
goeddunken te handelen; maar men zal in elk geval van de Redactie
van het Nederlandsch Woordenboek niet willen vergen hare goedkeuring
te hechten aan eene zoo gedrochtelijke spelling als Dingsdag, die,
alleen uit de platte Hollandsche uitspraak geboren, eene geheel
verkeerde voorstelling geeft van den oorsprong en de eigenlijke
beteekenis des woords, en even onooglijk is als Woengsdag, gelijk
men in de oude kluchtspelen wel geschreven vindt.
129. Het woord schepter, lat. sceptrum, fr. sceptre, vereischt
volgens den Regel der Uitspraak de ch. Het moge waar zijn, zooals
Bilderdijk en Wiselius verzekerden, dat in het begin dezer eeuw
nog algemeen septer, zonder den keelklank, werd uitgesproken;
het moge zoo wezen, dat de veranderde uitspraak, de invoeging van
den keelklank, een gevolg is geweest van de in 1804 aangenomene en
sedert meest gebruikelijke spelling schepter; maar dàt de uitspraak
veranderd is en men tegenwoordig meest algemeen de ch doet hooren,
is niet te loochenen. Die uitspraak heeft ook niets, dat ons
bevreemden of hinderen kan. Het woord is, evenals schrijn(werker) van
lat. scrinium, buiten twijfel Nederlandsch geworden, en behoort dus
ook de Nederlandsche spelling te volgen, waarin de sch aan lat. sc
beantwoordt, gelijk men zelfs aan bastaardwoorden, als schabel
(lat. scabellum) en schorpioen (lat. scorpio) enz. de ch toekent.
Wie op de zachtere--naar het Fransch klinkende--uitspraak bijzonder
gesteld mocht zijn, moge de schrijfwijze septer behouden: wij voor ons
nemen èn in de uitspraak èn in de spelling zonder bezwaar schepter
aan. In allen gevalle is de derde vorm, scepter, bepaaldelijk af te
keuren, als stellig met ons taaleigen in strijd.
130. Bij de keus tusschen amt, ambt, en ampt, welke schrijfwijzen
alle drie hare voorstanders hebben gehad of nog hebben, behoeft men
niet in twijfel te staan. Amt voldoet minder goed dan een der beide
andere vormen aan de uitspraak, waarin nog altijd, overeenkomstig
met de afleiding van ambacht, goth. andbahti, eene labiale muta flauw
gehoord wordt. Ampt, waarvoor de scherpe sluitletter t pleit, zou bij
analogie ook de spelling apt voor abt vorderen, welke niet slechts
in strijd zou zijn met de etymologie en het algemeen Gebruik, maar
dat woord ook onkenbaar maken en geheel van abdij en abdis scheiden
zou. De b in ambt daarentegen is zoowel door het Gebruik als door de
Afleiding gewettigd: redenen te over om bij deze spelling te blijven.
131. De eerste algemeene spelregel eischt volstrekt eene wijziging
in de spelling van likteeken, als onvereenigbaar met de gewone
uitspraak. De k toch, een overblijfsel van den onverbasterden vorm,
onl. liictekin, mnl. lijcteken, lijcteeken, is aan de volgende t
gelijk geworden (geassimileerd), en heeft daardoor alle reden van
bestaan verloren. Immers zij is niet toereikend om de afleiding te
doen kennen, gelijk o.a. daaruit blijkt, dat reeds Ten Kate het woord
ten onrechte van lijk (vleesch) afleidde, en als teeken in het vleesch
verklaarde: welk gevoelen bij verscheidene andere taalkundigen al te
gereeden ingang vond. Intusschen weet men thans, dat lik hier de stam
is van het mnl. werkwoord liken, nnl. (b)lijken, zoodat de afleiding,
zou zij uit de spelling kenbaar worden, lijkteeken zou vorderen. Daar
nu wel niemand verlangen zal voortaan lijkteeken te schrijven, dat
trouwens verkeerd begrepen zou worden, en in elk geval de hedendaagsche
engere beteekenis niet zou ophelderen, zijn wij van oordeel, dat de
Regel der Beschaafde Uitspraak hier zijne volle toepassing eischt. Wij
schrijven daarom dienovereenkomstig litteeken met tt, op gelijke wijze
als balling voor banling, en spalling, jong varken, voor spaanling,
van spanen (spenen), met twee l's worden geschreven.
132. Ofschoon èn de afleiding èn de voorgang der ouden in nog (etiam,
adhuc) evenzeer als in noch (nec) eene ch zouden eischen, meent de
Redactie de orthographische onderscheiding dezer twee zoo menigvuldig
voorkomende woorden, die aan de duidelijkheid zoo bevorderlijk is,
niet te mogen opgeven. Zij aarzelt daarom niet, nog (adhuc) met eene
g als eene nuttige en noodzakelijke uitzondering te beschouwen op
den anders algemeenen regel, dat onverbuigbare woorden op scherpe
sluitletters eindigen.
Samenstellingen.
133. Ook met betrekking tot de samengestelde woorden en uitdrukkingen
doen zich twijfelingen voor, die invloed hebben op het schrijven,
en wier oplossing derhalve tot het gebied der Spelling behoort. Zij
betreffen:
A. de vraag: Welke opeenvolgingen van woorden moeten als
samenstellingen beschouwd en als zoodanig verbonden worden? welke
moeten gescheiden blijven?
B. de vraag omtrent de verbindingsletters, die in samengestelde
woorden de deelen aaneenhechten.
A. Welke woorden en uitdrukkingen moeten aaneen geschreven
worden? welke in hunne deelen gescheiden blijven?
134. Wanneer twee begrippen verbonden worden om vereenigd een nieuw
begrip te vormen, hetwelk als eene blijvende aanwinst wordt toegevoegd
aan den schat der begrippen en voorstellingen, in de taal uitgedrukt,
dan maken de woorden, welke die vereenigde begrippen aanduiden, een
samengesteld woord uit. Bij het uitspreken wordt alsdan gewoonlijk
op het eene woord zooveel meer, op het andere zooveel minder nadruk
gelegd, dat de klemtoon van het eene dien van het andere overheerscht,
en de uitspraak van beide wordt zoodanig versneld, dat de stem in
geen geval eene tusschenruimte tusschen de beide deelen openlaat;
vergelijk een kléínkind met een klein kind; vóór aan de straat
met vooráán. Die verandering in de uitspraak is voor het oor het
bewijs, dat de geest de voorstellingen tot eene eenheid verbonden
heeft. Het schrift geeft voor het oog blijk van die samenstelling
door de woorden aaneen te schrijven of door ze met een koppelteeken
(hyphen) te verbinden, b.v. grootvader, huisvriend, Fernambuc-hout;
het eerste is regel, het laatste uitzondering, waarvan later.
Een samengesteld woord kan, het is waar, uit drie of meer woorden
bestaan; maar altijd blijft het eene verbinding van slechts twee
leden, die echter zelve weder door samenstelling kunnen ontstaan
zijn, b.v. boekdrukkers-gezel, avond-maaltijd, timmermans-werktuig,
godsdienst-oefening, avond-godsdienstoefening.--Of wel, een
der begrippen wordt uitgedrukt door een woord, hetwelk vóór
de samenstelling vergezeld was van andere, die er onmisbaar
bij behooren; b.v. in terzijdestelling (van ter zijde stellen)
en inderdaad (voor in de daad) kunnen ter bij zijde en de bij
daad niet worden gemist; doch zij maken blijkbaar geen derde
zelfstandig lid in de compositie uit. Zoo is b.v. desniettemin
op deze wijze ontstaan: te-min(der), niet-temin, des-niettemin.
135. Wanneer twee woorden eene eigenlijke samenstelling uitmaken, dan
is hunne betrekking onderling van dien aard, dat bij eene ontbinding
of oplossing der samenstelling een der leden buiten syntactisch
verband geraakt, zoodat, om aan de eischen der Grammatica te voldoen,
de woorden omgezet of in vorm gewijzigd, of wel andere ingevoegd
moeten worden; b.v. zonnelicht--licht der zon; geldbeurs--beurs
voor geld; Godmensch--God en mensch, of goddelijk mensch;
driehonderd--driemaal honderd, of drie malen honderd; theeblad--blad,
waarop de benoodigdheden om thee te drinken geplaatst worden. Daaruit
vloeit onmiddellijk voort, dat woorden, waarbij zulk eene eigenlijke
samenstelling plaats vindt, noodwendig aaneen geschreven moeten worden,
omdat anders door het verbreken der betrekking een der leden alle
grammatische en logische beteekenis verliest, los in de lucht hangt
en eigenlijk niet meer verstaan wordt. Zoo zou b.v. de verbale stam
bewaar in bewaarscholen alle beteekenis verliezen, wanneer men schreef:
De bewaar scholen zijn inrichtingen van den jongsten tijd.
136. Maar nevens de talrijke eigenlijke samenstellingen vindt men een
niet minder groot getal woorden en vooral uitdrukkingen, welke uit
deelen bestaan, die wel onderling hetzij grammatisch hetzij logisch
verbonden zijn, maar waarbij de band der deelen losser is, zoodat
men dien zonder merkelijke schade voor de duidelijkheid zou kunnen
verbreken. Deze zijn geene eigenlijke samenstellingen en verdienen
veeleer koppelingen te heeten. Bij deze nu kan het twijfelachtig
zijn, in hoeverre zij òf vereenigd òf gescheiden moeten worden;
en werkelijk handelt het Gebruik te dien opzichte zeer oneenparig,
zoodat wij verplicht zijn een leidend beginsel aan te nemen. Het is
hier echter de plaats niet om het onderwerp in zijn geheelen omvang
te onderzoeken; en men moet bekennen, dat het ook uit den aard der
zaak ondoenlijk zou zijn regels vast te stellen, die in alle gevallen
gelden, omdat 1º de consequente toepassing ook van het beste beginsel
toch altijd beperkt wordt door de eischen van den goeden smaak, die
zich vooral hier doen gelden, waar het alleen den uiterlijken vorm der
woorden betreft; en omdat 2º in vele gevallen een gevestigd gebruik
ook zijne rechten heeft, die men niet miskennen kan. Evenwel zijn de
algemeene beginselen, die hier gelden moeten, bij eenig nadenken wel
aan te wijzen. Na rijpe overweging meenen wij den hoofdregel, die in de
meeste twijfelachtige gevallen beslissen kan, aldus te moeten stellen:
137. Samengestelde uitdrukkingen, die als een zelfstandig deel der
rede kunnen beschouwd worden, maken een onderscheiden geheel uit en
behooren als zoodanig aaneen geschreven te worden, in drie gevallen: