TWEEDE AFDEELING.

Over de bijzondere spelregels, waaromtrent verschil van gevoelen

bestaat.

Daar de Redactie, om redenen in het Voorbericht en in § 27 en

28 opgegeven, voor de door haar te volgen schrijfwijze de in

Noord-Nederland gebruikelijke spelling als uitgangspunt heeft

aangenomen, en deze genoegzaam bekend mag geacht worden, heeft zij het

overtollig gerekend het geheele spellingstelsel te ontvouwen. Deze

Tweede Afdeeling bevat dus slechts eene opgave der verbeteringen,

die haar wenschelijk zijn voorgekomen, benevens eene vermelding van

de keuze, die zij gemeend heeft te moeten doen uit de onderscheidene

spellingen, ten opzichte waarvan onder onze letterkundigen verschil

van gevoelen bestaat.

De klinkers.

73. De verlenging der a en u in geslotene lettergrepen geschiedt buiten

twijfel op de meest gepaste wijze door verdubbeling. De spelling aa

en uu beantwoordt zoowel aan de uitspraak, als zij door de analogie

gewettigd en door de etymologie niet gelogenstraft wordt. Zij verdient

dus zeer zeker de voorkeur boven ae en ue. Aa stelt denzelfden zuiveren

klank voor, die door a wordt aangeduid. Bij ae is men geneigd te

denken aan de naar e trekkende uitspraak der landlieden in sommige

streken van Zuid-Holland en Zeeland; de Vlaamsche a zou door ao moeten

afgebeeld worden. Vergelijk Taalgids, IV, blz. 54-64.

74. De spelling blaauw, flaauw enz. stelt eene uitspraak voor, die niet

de gewone is, in het oor der groote meerderheid onaangenaam klinkt, en

stellig niet tot de beschaafde gerekend wordt. Het komt ons derhalve

niet raadzaam voor, eene spelling te bestendigen, die te recht door

velen wordt afgekeurd, en voor wier behoud geene andere reden is aan

te voeren dan een gebruik, dat op geene taalkundige gronden steunt

en daarom, als strijdig met de beschaafde uitspraak, geen recht

van bestaan heeft; vergelijk § 66. Wij schrijven derhalve blauw,

flauw, gauw, grauw, klauw, lauw, nauw, pauw, rauw, knauwen, krauwen

enz. met au. Zoodoende heft men het geheel willekeurige verschil met de

gebruikelijke schrijfwijze dauw en kauw op, die meer in overeenstemming

is met de gewone uitspraak, welke veeleer ou dan aau doet hooren.

75. Onder de regels, omtrent wier toepassing de gevoelens der

taalkundigen uiteenloopen, staan die aangaande de verdubbeling der

e's en o's in opene lettergrepen bovenaan. Siegenbeek en Weiland

volgden daarbij de uitspraak, welke heerschte, of geacht werd te

heerschen, in die streken, waar de genoemde letters op tweeërlei

wijze, met den zoogenoemden zachten of met den scherpen klank,

worden uitgesproken. Hunne handelwijze was natuurlijk. Immers de

verdubbeling der letterteekens moest dienen om de meer gerekte,

naar een tweeklank zweemende uitspraak der scherpe e en o van den

eenigszins korteren, meer gelijkmatigen klank der zachte voor het

oog te onderscheiden. Juist dat verschil in de uitspraak had het

eerst het verschil in de natuur dier letters doen opmerken, terwijl

de studie der Germaansche talen te hunnen tijde nog niet ver genoeg

gevorderd was om den diepliggenden oorsprong van dat verschil te leeren

kennen. Zij konden nog niet tot de oorzaken opklimmen en moesten dus

hun onderzoek tot de gevolgen beperken. De uitspraak echter is in

dit geval geen onfeilbaar en toereikend richtsnoer. Dit blijkt onder

andere uit de wijze, waarop Siegenbeek genoodzaakt was te werk te

gaan bij de woorden, waaromtrent hij bij de schrijvers verschil van

gevoelen gevonden had, en die hij daarom achter zijne Verhandeling

over de Spelling aan een bijzonder onderzoek onderwierp. Bij al

die woorden was hij verplicht de schrijvers, die het onderscheid in

de uitspraak door hunne spelling uitdrukten, te raadplegen, hunne

getuigenissen te wikken en te wegen, en als het ware de stemmen vóór

en tegen te tellen. Waar men in eene wetenschap tot eene stemopneming

zijne toevlucht moet nemen, is de evidentie der waarheid niet groot;

maar vooral hier bleek duidelijk de zwakheid van den grondslag,

waarop gebouwd werd. Als men dat groote vijftigtal artikels naleest,

ziet men, dat niet alleen schrijvers, op verschillende plaatsen

woonachtig, in hun oordeel over de uitspraak van dezelfde woorden

onderling verschilden, maar ook dat velen zich zelven niet gelijk

bleven. Men moge dit laatste verschijnsel aan slordige correctie willen

toeschrijven, het bewijst in allen gevalle, dat de ware uitspraak

niet zóó kennelijk van de valsche onderscheiden was, dat de corrector

zich niet vergissen kon. Doch volstrekt onloochenbaar is het verschil

tusschen de uitspraak van dezelfde woorden in verschillende gewesten en

steden. Volgens het beweren van Siegenbeek zelven worden heeten, keten,

menigte, smeeken, spenen, betoogen, genoot, klooven, loochenen, nopen,

personen en schromen in Rotterdam anders dan in Zeeland uitgesproken;

terwijl men in deze provincie zoowel poogen als pogen en te Rotterdam

zoowel tonen als toonen zou hooren [3]. Dat er ten opzichte van

andere woorden reeds in de laatste helft der zestiende eeuw eene

dergelijke onzekerheid bestond, kan men opmaken uit het woordenboek

van Kiliaan, die aan de uitspraak bijzondere aandacht schonk en zich

gehouden achtte een aantal woorden, als deren, kelen, nering, peren,

scheren, smeren, teeder, telen, teren, weren, zweren, zweven, bogen,

boren, dolen, smoken enz. onder de beide vormen op te teekenen.

Uit het aangevoerde blijkt overtuigend, dat het verschil in de

werkelijke uitspraak der woorden, hetwelk vroeger het geheele land

door moet geheerscht hebben, maar zich thans tot zekere streken en

steden bepaalt, voor de spelling slechts een onzekeren grondslag

kan uitmaken. Daarbij is het te voorzien, dat het eenmaal geheel

zal ophouden. Men heeft om die redenen naar een ander beginsel om te

zien, dat in substantie dezelfde uitkomsten oplevert, maar niet aan

verandering onderhevig is, niet dreigt geheel te verdwijnen, en dat

in de gevallen, waar verschil van uitspraak bestaat, op deugdelijke

gronden kan beslissen. Zoodanig beginsel vinden wij gelukkig in den

verschillenden oorsprong der e's en o's. Door de onderzoekingen der

nieuwere taalkundigen namelijk is gebleken, dat de talen van den

Indo-Germaanschen volksstam oorspronkelijk slechts drie vocalen, a,

i en u (lees: oe) bezaten, en dat al de overige klinkers, ook de e

en o, uit die grondvocalen en de daaruit samengestelde tweeklanken

ontstaan zijn; zie onder anderen Bopp, Vergl. Gramm. des Sanskrit,

Send etc. §§ 1-104. Deze stelling is de spil, waarom het gansche

vocaalstelsel, ook dat der Germaansche talen, draait; met haar kunnen

alle verschijnselen op het gebied der klankleer in genoemde talen

natuurlijk en ongedwongen verklaard worden; zonder haar blijft alles

duisternis en verwarring [4]. Doch al wil men haar ook al niet voor

alle Indo-Germaansche talen als geldig erkennen, ten opzichte van

het Nederlandsch is zij niet te loochenen. Immers het kan, op weinig

uitzonderingen na, aangetoond worden, uit welke van die grondklanken

onze e's en o's ontstaan zijn, terwijl de weinige gevallen, waarin men

dat niet kan, worden aangetroffen bij het betrekkelijk geringe getal

woorden, wier ouderen vorm men tot nog toe niet heeft kunnen ontdekken.

De verschillende oorsprong der e's en o's is de oorzaak van

het onderscheid tusschen de zachte en de scherpe uitspraak. Eene

vergelijking der Nederlandsche woorden, waarin e's en o's voorkomen,

met dezelfde of verwante woorden, hetzij in onze eigene taal, hetzij

in andere oudere of nieuwere Germaansche talen, leert, dat de e en

o beide drieërlei oorsprong hebben: dat de e eene wijziging van i,

a of ai, en de o van u (oe), a of au is. Verder blijkt, dat de lange

heldere of opene e's en o's uit de enkelvoudige, oorspronkelijke

klinkers a, i en u (oe) ontstaan, juist diegene zijn, waaraan algemeen,

behalve natuurlijk in de gevallen waar verschil bestaat, de zoogenaamde

zachtlange klank wordt toegekend; terwijl de ineengesmolten tweeklanken

ai en au aan erkende scherplange e's en o's beantwoorden.

Door deze waarneming worden bijna alle verschijnsels, die men in

de geschiedenis onzer e's en o's en in hare verwisseling met andere

klanken opmerkt, volkomen opgehelderd. Zij verklaart vooreerst, hoe

het komt, dat men die letters in verscheidene gewesten op tweeërlei

wijze uitspreekt, en waarom de scherpe daar langer zijn dan de zachte

en nog een zweem van een tweeklank hebben.--Vervolgens, waarom de

zachtlange é met a en i en met de korte è, en de zachtlange ó met de

korte ò afwisselt, b.v. in stad--steden, vagen--vegen, gift--geven,

nicht--neef, spel--spelen, gebed--gebeden; ik kom--zij komen,

lot--loten; en waarom de scherplange e's en o's met de tweeklanken ei

(ai) en ou (au) verwisseld worden, b.v. in gereed en bereiden, breed

en verbreiden, boom en bouwen, troost en vertrouwen.--Die waarneming

eindelijk verklaart in vele gevallen, hoe het komt, dat een zelfde

woord op tweeërlei wijze wordt uitgesproken, daar zij aantoont, dat

men dan meestal twee verschillende woorden verward en voor hetzelfde

gehouden heeft; b.v. beer (ursus) en beer (verres); deel (pars) en

deel (asser); klooven (doen splijten) en kloven (imperf. van kluiven

en meerv. van kloof); toonen (lichaamsdeelen) en tonen (klanken).

76. De Redactie, het een en ander in aanmerking nemende, heeft besloten

den oorsprong der e's en o's als grondbeginsel der vocaalspelling aan

te nemen. Zij meent hare redenen aldus kortelijk te kunnen samenvatten:

De ware uitspraak der e's en o's is niet op te maken uit de vroegere

schrijfwijze, noch uit de uitspraak der hedendaagsche dialecten,

omdat het blijkt, dat het in beide aan volkomene overeenstemming

ontbreekt. Bovendien neemt het onderscheid tusschen den zachten en

den scherpen klank dagelijks af, wordt daardoor steeds onzekerder

en zal waarschijnlijk eenmaal geheel verdwijnen, gelijk het in

sommige streken, en daardoor, streng genomen, in de zoogenoemde

beschaafde uitspraak, reeds heeft opgehouden te bestaan. Daarentegen

is de verschillende oorsprong der klinkers een onveranderlijk en

onloochenbaar feit, hetwelk als oorzaak van het onderscheid in de

uitspraak, grootendeels tot dezelfde uitkomsten leidt, en geheel tot

dezelfde leiden zou, indien er nooit verwarring en verwisseling van

klanken had plaats gehad.

Daar het niet te loochenen is, dat de onderscheidene dialecten ten

opzichte van een aantal woorden uiteenloopen, zou men genoodzaakt

zijn uit de verschillende tongvallen eene keus te doen. Wie of wat

zal die keus bepalen? Aan welk gewest zal de eer te beurt vallen

aan al de Nederlanden de wet voor te schrijven? Zal het Oost- of

West-Vlaanderen, Brabant of Antwerpen, Zeeland of Maasland, Zutfen of

Overijsel wezen? Daarentegen is de oorsprong der e's en o's een feit,

dat voor alle gewesten en tongvallen hetzelfde is. Geen dialect,

of het geeft onloochenbare blijken van onderlinge verwisseling van

zacht en scherp; ook het Groningsche, waarin anders het verschil wel

het duidelijkst uitkomt en men uit dien hoofde het minst verwarring

zou verwachten. Zoo is het b.v. volkomen zeker, dat de klinkers in

(ik) weet en (wij) weten oorspronkelijk verschilden, dat de e van

het enkelvoud vroeger ai, die van het meervoud i was; en toch worden

beide thans overal op dezelfde wijze uitgesproken, in het Groningsch

scherp, als ei of ij, in ik weit, wij weiten; elders zacht, in ik

weet niet anders dan in wij weten. Welke stad of landstreek zou aan

de overige bewoners van Nederland hare verkeerdheden willen opdringen

of omgekeerd die van andere willen overnemen! Neemt men echter den

oorsprong der e's en o's als grondslag aan, dan behoeft er geene keus

gedaan te worden, waardoor iemand zich verongelijkt kan rekenen; men

is dan billijk jegens allen, ook jegens de velen, die geen onderscheid

in de uitspraak meer maken, en die de onderscheiding der zachte en

scherpe e's en o's als een last beschouwen.

Al mocht men eenparig besluiten de uitspraak van eene bijzondere

landstreek of plaats als wetgeefster te erkennen, die maatregel

zou ontoereikend bevonden worden. Vooreerst kunnen de bewoners van

andere plaatsen die uitspraak niet leeren kennen, zonder zich daar

een geruimen tijd metterwoon te vestigen, terwijl ieder, die wil,

zich in zijn studeervertrek van den oorsprong der e's en o's kan

vergewissen. Doch er is iets dat meer afdoet. In de schrijftaal

komen een aantal woorden voor, die niet algemeen zijn, die op de eene

of andere plaats niet gebezigd worden. Hoe zal men handelen met de

woorden, die in het bevoorrechte dialect niet gebruikt worden? en hoe

met dezulke, die in het geheel niet meer tot de volkstaal behooren en

waarvan dus de ware uitspraak volstrekt onbekend is? Ten aanzien van

zoodanige woorden zou het aangenomen beginsel ontoereikend zijn; en

naar welk kenmerk dan te werk te gaan? Daarentegen geeft de oorsprong

der e's en o's een kenmiddel aan de hand, dat uit zijnen aard op

alle woorden toepasselijk is, dat voor de dialecten, op weinige

uitzonderingen na, dezelfde uitkomsten geeft, en dat ten minste voor

alle taalbeoefenaars, ook in de streken waar geen onderscheid meer

gehoord wordt, toegankelijk is.

Het schrijven naar de uitspraak zou altijd gegrond blijven op feilbare

waarnemingen van bijzondere individuen, wien het aan fijnheid van

gehoor kan ontbreken. Het spellen naar den oorsprong der e's en o's is

gegrond op het onderscheid tusschen a, i, u (oe), ai en au, klanken,

die onderling zoozeer verschillen, dat daarbij geene vergissing en

verwisseling kon plaats grijpen; het stelt bovendien de spelling meer

onmiddellijk in verband met de afleiding, en kan zoodoende in vele

gevallen het recht verstand der woorden bevorderen. Om den oorsprong

der e's en o's te leeren kennen, moet men wel is waar dikwijls

de verwante talen raadplegen; doch het zou eene geheel verkeerde

beschouwing wezen, indien men het spellen naar de uitkomsten, die zij

opleveren, wilde aanmerken als eene navolging van het vreemde. Dat

raadplegen geschiedt alleen om te weten, hoe onze eigene taal in

overoude tijden gesproken is; de onze kan op hare beurt aan andere

talen dezelfde diensten bewijzen. Als wij b.v. aan beenen en boomen

scherpe klinkers toeschrijven, is zulks niet, omdat het Hoogduitsch

bein en baum zegt, maar omdat wij o.a. door het Hoogduitsch weten,

dat onze eigene voorouders eenmaal bain en baum hebben uitgesproken; de

spelling beenen en boomen berust derhalve inderdaad op verschijnselen

in onze eigene taal. Vergelijk hier Taalgids, VI, blz. 153 v.

77. De Redactie erkent, dat de dubbele vocaalspelling niet zonder last

is voor het practische gebruik; zij behoudt ze evenwel, omdat zij meent

het bestaande niet te mogen afbreken en geene groote veranderingen,

maar alleen verbeteringen in de toepassing van erkende regels te moeten

voorstellen. Daarom heeft zij er niet aan gedacht om ze ook op de a

en u toe te passen, en b.v. naast va-der, za-del, u-ren enz. jaa-ren,

daa-den, wij vuu-ren enz. te schrijven, ofschoon daarvoor gelijke

redenen bestaan als voor de spelling bree-de, boo-men enz. Aan

die bedoeling is het mede toe te schrijven, dat zij het spellen

overeenkomstig den oorsprong der e's en o's tot de stamlettergrepen

wil beperken, maar ten opzichte van de achtervoegsels naar den

klemtoon wenscht te werk te gaan. Volgens dit beginsel acht zij,

dat de achtervoegsels, die òf steeds òf somtijds den vollen klemtoon

hebben, met eene dubbele vocaal behooren geschreven te worden, terwijl

een enkel letterteeken toereikend is in die, welke nimmer den vollen

klemtoon bekomen. In het eerste geval verkeert het achtervoegsel -loos,

hetwelk in goddelóós, zedelóósheid, zondelóósheid enz. den vollen

klemtoon bekomt; vervolgens de bastaarduitgangen -eeren; -eel en -ees,

die steeds den klemtoon hebben: regeeren, kasteelen, Japanneezen. Tot

het tweede geval behoort -heid, mrv. -heden, dat nooit den vollen

klemtoon heeft. Op die wijze eerbiedigt men het bestaande gebruik,

waarin de schrijfwijze -eelen reeds is aangenomen, en die van -eezen

meer en meer begint door te dringen. Men wijkt alleen af in de spelling

-eeren; doch voor de dubbele vocaal in dit achtervoegsel hebben zich

sedert lang vele stemmen doen hooren, gelijk zij dan ook reeds door

Bilderdijk en zijne volgelingen erkend is. Inderdaad, wanneer men

bedenkt, dat dit suffix altijd met een zwaren toon wordt uitgesproken;

dat die uitspraak reeds van de oudste tijden dagteekent, blijkens het

Middelnederlandsch, waarin men (gelijk nog heden in het Hoogduitsch)

gewoonlijk -ieren schreef; en dat de ie destijds nog een tweeklank

was: dan schijnt alles er voor te pleiten om in dezen het voorbeeld

van Bilderdijk te volgen.

Een achtervoegsel -eet, welks bestaan door enkelen beweerd

wordt, is bij de Redactie onbekend. In al de woorden, op -eet

eindigende, die zij zich kan te binnen brengen, behoort de e

tot den stam des woords, en kan alleen de t als achtervoegsel

worden beschouwd. Deze is in paracleet, poëet, profeet, en ook in

komeet en planeet, een overblijfsel van het Grieksche suffix -tês,

lat. -ta, waarmede meestal mansnamen gevormd worden; in compleet,

concreet, discreet, secreet, van het Latijnsche suffix -tus,

-ta, -tum, dat verl. deelw. vormt. Daar er geene suffixen -êtês,

-etus enz. bestaan, is bij de woorden op -eet niet de regel voor

de achtervoegsels, maar die voor de stammen van toepassing. De

Redactie schrijft daarom met ééne e: poëten, profeten, concrete,

complete enz.; en om gelijke redenen met ééne o; astronomen,

oeconomen, horoscopen, telescopen, philanthropen, misanthropen,

heliotropen, theologen, philologen, enz. waarin noom, scoop,

anthroop, troop en loog verbasteringen van geheele woorden,

niet van achtervoegsels zijn.

78. Slechts schijnbaar bestaat hier eene inconsequentie; in den grond

wordt bij de stamlettergrepen hetzelfde beginsel gehuldigd als bij de

achtervoegsels, alleen met beperking in de toepassing. Dat beginsel

is de zooveel mogelijk juiste afbeelding der uitspraak. Immers de

verdubbeling der letters moest aanvankelijk dienen om de scherpe

e's en o's, uit tweeklanken ontstaan, te kenmerken als langer dan de

zachte, die als wijzigingen van de enkelvoudige klinkers a, i en u

(oe) korter waren. De verdubbeling bedoelde kennelijk het voorstellen

van een langen, gerekten klank, en het is alleen ten gevolge van

het onderling meer gelijk worden der zachte en scherpe e's en o's,

dat het doel thans niet meer zoo in het oog loopt.

Aan de werking van den klemtoon is het toe te schrijven, dat

het onderscheid tusschen zacht en scherp in sommige streken en

in de beschaafde uitspraak geheel uitgewischt is. De klemtoon,

wanneer hij rust op opene lettergrepen, brengt vanzelf mede, dat

de daarin voorkomende vocalen alle even lang worden uitgesproken,

onverschillig, of zij uit klinkers dan wel uit tweeklanken ontstaan

zijn. Daarom wil het gebruik in opene eenlettergrepige woorden de

verdubbeling van den klinker, al is die niet scherp, b.v. in thee,

vloo, zoo. Daarentegen is de quantiteit in lettergrepen, die slechts

den halven toon hebben, of geheel toonloos zijn, merkelijk geringer,

ook wanneer zij tweeklanken zijn, b.v. in waarheid, waarlijk, arbeid,

armoede; voor de zoodanige wordt de dubbele vocaal algemeen te zwaar

geacht. Daarom wil het gebruik sinds lang eene enkele e in -heden,

meerv. van -heid, ofschoon die e uit ei ontstaan en dus scherp

is; daarom wil het de enkele i in -isch, niettegenstaande in dit

achtervoegsel de klank gehoord wordt, die in gesloten lettergrepen

steeds door ie wordt voorgesteld; daarom verliezen de achtervoegsels

-eel, -ief, -iet en -iek eene e in kast-el-ein, subject-iv-iteit,

Jezu-it-isme, f-abr-ik-ant.

De Redactie beoogt derhalve met het stellen van den boven ontwikkelden

regel voor de spelling der achtervoegsels hetzelfde doel, dat men

oorspronkelijk met de verdubbeling der e en o zocht te bereiken,

namelijk eene zooveel mogelijk juiste afbeelding van de heerschende

uitspraak. Door het stellen van dien regel zet zij alleen eene schrede

verderop den weg, die reeds door het Gebruik gevolgd wordt, en handelt

zij overeenkomstig den Regel der Welluidendheid.

79. Acht de Redactie den door haar aangenomen regel voor de

achtervoegsels voornamelijk daarom verkieselijk, omdat hij gemakkelijk

is, en door iedereen, ook zonder kennis van vreemde talen, kan worden

toegepast, zij werd, wilde zij hier niet beginselloos te werk gaan,

tot het stellen van dien regel als het ware gedwongen. Immers

de grondbeginselen, die voor de stammen gelden, zouden op de

achtervoegsels niet toegepast kunnen worden.

Vooreerst toch zou het meervoud van -heid, goth. haidus, mv. haidjus,

hd. heit, mv. -heiten, volgens die beginselen twee e's moeten

hebben. Doch wie zou te bewegen zijn om het thans eenparige gebruik,

dat reeds bij de Staten-overzetters gold, te verlaten, en voortaan

aangenaamheeden, boosheeden, kinderachtigheeden en zoo vele andere

-heeden met twee e's te gaan schrijven? Die spelling wordt trouwens

door niemand verlangd, en zou strijden met het beginsel door de

Redactie aangenomen, namelijk geene veelomvattende veranderingen

te beproeven, wanneer er geene dringende redenen voor bestaan en de

gebruikelijke spelling te rechtvaardigen is.

De uitgangen -eeren en -eel zijn bastaardachtervoegsels; en de e's,

die daarin voorkomen, zijn niet alle van denzelfden oorsprong. Sommige

zijn ontstaan uit korte klinkers, andere zijn samentrekkingen van twee

lettergrepen. In het eerste geval zouden zij ééne, in het laatste

twee e's vorderen; doch het laat zich niet altijd bepalen, met welk

eene e men te doen heeft. Wij hebben -eeren, mnl. -ieren, uit het

Fransch bekomen; maar in het gebruik daarvan hebben wij onzen eigen weg

bewandeld, ons om die taal verder niet bekommerende. De e van regeeren

schijnt die te zijn van fr. régner; maar mnl. regnieren, waaruit

regeeren ontstaan is, verbiedt ons aan eene onmiddellijke overneming

van die e te denken; en die in concipieeren is toch wel niet de oi van

fr. concevoir, noch die van farceeren de i van farcir. Het Fransch,

waarin de e's trouwens ook niet oorspronkelijk zijn, kan dus niet tot

leiddraad strekken; men zou dan in allen gevalle tot het Latijn moeten

gaan. Doch dit heeft vier uitgangen: -âre, -êre, -îre en -ere; daarin

zijn â, ê, en î samentrekkingen van de lettergreep aja (skr. aya);

maar -ere heeft eene e uit de korte i ontstaan. Dienovereenkomstig

zou men communiceeren, doceeren, recenseeren, farceeren enz. met ee,

maar defenderen, fingeren, absolveren enz. met e moeten spellen. Zou

het verstandig wezen het publiek dezen nieuwen last op de schouders te

willen binden en het te verplichten de Latijnsche conjugatie te gaan

leeren? En hoe dan nog te handelen met woorden, waaraan geen Latijnsch

werkwoord beantwoordt, b. v, met trotseeren, waardeeren, stoffeeren?

Bij -eel zouden de moeilijkheden niet geringer wezen. Aan de e in

dit achtervoegsel beantwoordt wel is waar doorgaans eene korte

Latijnsche e of i: doch in conditioneel, crimineel, inaugureel,

origineel eene lange a. Deze is in criminalis en inauguralis weder

de samentrekking van -aja-; maar wat is zij in conditionalis en

originalis, waarnaast geene werkwoorden bestaan? En welke e hebben

wij in houweel, tooneel, fluweel? Hier zou in elk geval wederom

eene willekeurige beslissing, een doorhakken van den knoop, moeten

plaats hebben. Doch er is eene andere oplossing mogelijk. Men vrage

niet: wat willen enkele grammatici? maar: wat wil het volk? wat wil

de taal, en wat heeft zij altijd gewild? Dan is het antwoord niet

twijfelachtig. De taal handelt bij de vreemde achtervoegsels geheel

anders dan bij de vreemde stammen, waarin zij zachte e's en o's laat

hooren. Zij heeft de bastaarduitgangen, die den klemtoon hebben, steeds

als lang beschouwd en er tweeklanken van gemaakt. Tot getuigen kunnen

strekken abdij, soldij, tyrannij, azijn, dolfijn, venijn, paradijs,

patrijs, saucijs, profijt, practijk, gelei, karwei, livrei, qualiteit,

quantiteit, sociëteit, fatsoen, katoen, kapoen en kapuin, aluin, abuis,

fornuis, advies, commies, enz., waarbij men in het oog moet houden,

dat oe en ie voorheen tweeklanken waren. Dat de taal vroeger met -eeren

en -eel evenzoo heeft gehandeld, blijkt uit den Middelnederlandschen

vorm -ieren. Ook -eel werd wel als -iel uitgesproken, blijkens de

gemeenzame taal in oude kluchtspelen; en gatenplattiel, karviel,

nevens karveel, zijn nog in gebruik. Dat die tweeklanken alleen aan de

werking van den klemtoon zijn toe te schrijven, blijkt uit profiteeren

naast profijt, kopieeren naast kopij, praktizeeren naast praktijk,

abuseeren naast abúís enz.; zij veranderen niet in tweeklanken,

waar zij den klemtoon niet hebben. De Redactie was hier dus vanzelf

naar den klemtoon verwezen, niet naar den oorsprong der e's, waarop

men ook bij vreemde stammen niet let. Immers men schrijft cement,

lat. caementum, planeten, lat. planêtae, evengoed met eene enkele e,

als ceder, lat. cedrus.

Het achtervoegsel -ees, fr. -ais en -ois, is lat. -ensis, na afwerping

van -is en uitstooting van de n. Het Nederlandsch pleegt na de

uitstooting eener n de voorgaande vocaal te verlengen, er zelfs

een tweeklank van te maken; blijkens kiekhoest, bij Kiliaan, naast

kinkhoest; muid, in IJselmuiden, naast mond, in IJselmonde; kluit

naast klont; ook schreef men voorheen, evenals in het Hoogduitsch,

Portugies. De verlenging der e geschiedt dus ook hier volgens den

aard der taal en tevens in overeenstemming met den regel.

Het achtervoegsel -loos, goth. en onrd. -laus, ags. -leás, moet, ook

volgens de afleiding, het beginsel dat bij de stammen geldt, evengoed

als volgens den door ons gestelden regel voor de achtervoegsels,

eene scherpe o (oo) hebben. Een achtervoegsel -loos, -loze, met de

zachte o, dat los zou beteekenen, heeft nooit bestaan. De taal heeft

de adjectieven loos, looze en los, losse zoowel in uitspraak als in

beteekenis steeds uiteengehouden. De Redactie mag niet medewerken om

de verwarring, in den laatsten tijd daarin gebracht, te bestendigen.

Neemt men derhalve alles op zijn strengst, dan heeft er tusschen de

regels voor de stammen en die voor de achtervoegsels alleen strijd

plaats bij de spelling van -heden, wat niemand met twee e's wil,

en ook niet behoeft te willen, dewijl de spelling met eene enkele

e in de klaarblijkelijkste overeenstemming is met de wetten, die de

taal voor de achtervoegsels heeft aangenomen.

80. Het aantal woorden, in wier spelling ten gevolge van het aangenomen

beginsel eene verandering moet plaats grijpen, is betrekkelijk gering,

en de meeste komen slechts zelden voor. Het zijn:

beer (verscheurend dier), mv. beren, onderscheiden van beer

(varken, waterkeering, muurstut en heiblok), mv. beeren;

deel (plank en dorschvloer), mv. delen, onderscheiden van deel

(gedeelte), mv. deelen;

deemoedig;

deesem;

dwepen;

eega;

heep (soort van handbijl), mv. hepen;

keel (in de bouwkunde en wapenkunde), kelen, hetzelfde als keel

(lichaamsdeel);

keren (vegen);

kwee (vrucht);

meren (een schip vastleggen);

sleepen (voorttrekken), causatief van slepen (gesleept of

voortgetrokken worden);

droog, droge, droger, drogen;

hoonen;

klooven (doen splijten), causatief van klieven (in den verouderden

zin van splijten), onderscheiden van kloven, mv. van kloof en

verl. tijd van kluiven;

koozen, liefkoozen;

kroon, mv. kronen;

sloof (voorschoot), mv. slooven, onderscheiden van sloof

(sukkelaarster), mv. sloven;

toon (muziektoon), mv. tonen, onderscheiden van toonen (wijzen)

en toon (teen), mv. toonen;

troon, mv. tronen;

vroolijk;

zoogen (laten zuigen), causatief van zuigen, onderscheiden van

wij zogen, verl. tijd van zuigen.

Ofschoon het zeer waarschijnlijk is, dat de e in heer (dominus) en

keeren (vertere) oorspronkelijk zacht was, is toch de afleiding en

oudste vorm dezer beide woorden niet met genoegzame zekerheid bekend,

om over de natuur der vocaal stellig te beslissen, veelmin om eene

verandering voor te stellen in de spelling van zoo gebruikelijke

woorden, wier schrijfwijze door de gewoonte als eene tweede natuur

is geworden.

Neemt men in de weinige woorden, die verandering eischen, de

vocaalspelling overeenkomstig de afleiding aan, dan is daarmede het

geheele spellingstelsel der enkele of dubbele e en o met de etymologie

in overeenstemming gebracht. De onderscheiding moge in de practijk

en bij het lager onderwijs hare moeilijkheid blijven behouden, dat

bezwaar is nu eenmaal niet op te heffen, want niemand zeker zal

bij eenig nadenken ernstig verlangen altijd de dubbele of altijd

de enkele e en o te gebruiken. Vergelijk ook § 26. Maar terwijl de

practische moeilijkheid dezelfde blijft, wint men het onschatbare

voorrecht, waarop geene andere Germaansche taal zich beroemen kan,

dat de spelling dezer beide vocalen in onze taal overal aan den

oorspronkelijken vorm der woorden getrouw is en aan de strengste

eischen der wetenschap beantwoordt.

a. De Redactie was vroeger van meening, dat de e in begeeren zacht

was. Zij grondde haar gevoelen op de i in ohd. giric, onrd. girug,

enz., die zij voor kort hield, en welke in dat geval eene zachte

e zou hebben moeten opleveren. Desniettegenstaande achtte zij het

ongeraden de algemeen aangenomen spelling van een zoo dikwijls

voorkomend woord te veranderen, omdat er over het woord en zijne

verwanten een duister verspreid lag, dat zij toen nog niet vermocht

op te heffen. Bij nader onderzoek echter is het gebleken, dat

die ì, in sommige handschriften door een accent (í) gekenmerkt,

de lange î is, die in den regel onze ij heeft opgeleverd, behalve

vóór eene r, waar zij zich in ie (vroeger een tweeklank) oploste:

vergelijk wierook voor wijrook van wij(d)en; gier (roofvogel),

nhd. geier, ohd. gîr; schier in Schiermonnikoog, Schieringer,

schierroek, enz., ohd. scîr enz. Doch kan î de stam van begeeren

niet zijn, dan moet het gair wezen, dat in goth. gairuni, gairnjan

enz. voorkomt en de echte tweeklank ai blijkt te zijn.

Hierdoor wordt al het duistere weggenomen. Niet slechts is de ie in

gierig verklaard, maar ook de a in mnl. begaeren en nnl. gaarne,

naast begeeren, geerne en gierig; en de vormen in de verwante

talen blijken in overeenstemming te zijn. De e van begeeren is

derhalve scherp, als zijnde uit ai ontstaan, zoodat er van de

spelling met ééne e (begeren) geene sprake meer zijn kan.

b. Ook zal men op bovenstaande lijst de woorden knoop, kloot

en zweep niet meer aantreffen. Bij nader onderzoek is het ons

gebleken, dat in de oudere verwante talen tweeërlei vormen van

knoop hebben bestaan, wat onder andere uit ofri. cnop en cnâp

blijkt, waarvan de eerste aan onze zachte, de laatste aan onze

scherpe o beantwoordt. De uitspraak met de scherpe o, waarop de

gebruikelijke spelling knoopen berust, kan derhalve niet als eene

verbastering worden beschouwd, zoodat er voor de Redactie, die

als beginsel heeft aangenomen, niet buiten volstrekte noodzaak

veranderingen te maken, geene reden bestaat om de spelling hier

te wijzigen; ze blijft daarom knoopen vastknoopen, ontknoopen

enz. schrijven.

c. Minder zekerheid bestaat er tot nog toe omtrent de

oorspronkelijke vormen van kloot en zweep. Indien men echter

die woorden voor één mag houden met ons kluit en mhd. sweif

(staart), dan hebben ook hier vanouds tweeërlei vormen bestaan,

en is de spelling klooten en zweepen even wettig als kloten

en zwepen. Hoe men het ook neemt, de zachtheid der klinkers in

beide woorden staat nog niet vast, zoodat deze zich in hetzelfde

geval bevinden als heeren en keeren. De Redactie acht zich dus

nog niet tot verandering gerechtigd, en blijft daarom klooten en

zweepen schrijven.

81. Ofschoon de spelling wereld, eigenlijk wer-eld, de beschaafde

uitspraak van dit woord niet juist uitdrukt, meent de Redactie haar

als de naastbijkomende te moeten verkiezen; vergelijk § 41. Wareld

toch is met de uitspraak nog meer in strijd, en bovendien ook met

de afleiding; en hetzelfde geldt van waereld, daar men ae in onze

taal steeds als de voorstelling eener lange a heeft aangemerkt en in

België nog veelal als zoodanig beschouwt.

Om dezelfde reden is ook de spelling vaers voor vers te verwerpen.

82. Om de boven in § 79 ontwikkelde redenen is de Redactie voornemens

de volle ie te bezigen in de achtervoegsels -ief, -iek en -iet,

zoolang die den klemtoon behouden, ook dan wanneer ie op het einde

der lettergreep komt, b.v. in motie-ven, substantie-ven, fabrie-ken,

republie-ken, Israëlie-ten, Mennonie-ten. Die spelling is buitendien

in overeenstemming met het gevestigde gebruik ten opzichte van -ier en

-ies in officie-ren, tuinie-ren, commie-zen, valie-zen. Daarentegen

acht zij ie te zwaar, en daarom eene enkele i voldoende, wanneer die

achtervoegsels geheel toonloos worden, in mot-i-veeren, Jezu-ït-isme,

fabr-ik-ant, muz-ik-ant, muz-ik-aal, republ-ik-ein. Vergelijk den

Regel der Welluidendheid § 61 en 62.

83. Om dezelfde redenen schrijven wij in het meervoud oli-ën, trali-ën

enz., van olie, tralie enz., dewijl ie in deze en dergelijke woorden

geheel toonloos is; daarentegen knie-ën, spie-ën, drie-ën, waarin de

eerste, en reliquie-ën, genie-ën, waarin de voorlaatste lettergreep den

vollen klemtoon heeft. Dat men voorheen kniën, spiën spelde, is daaraan

toe te schrijven, dat ie, uit iu (ioe) ontstaan, alstoen een tweeklank

was, die nagenoeg tweelettergrepig, als ië, werd uitgesproken. Knie-en,

spie-en zou toen derhalve geluid hebben als kní-e-en, spí-e-en. Thans

echter is ie een zuivere (eenlettergrepige) klinker, gelijk b.v. ee,

zoodat de oudere schrijfwijze niet meer in overeenstemming is met de

hedendaagsche uitspraak; daarom knieën, spieën, evenals zeeën, tweeën;

en zoo ook analogieën, harmonieën, melodieën, reliquieën en genieën,

verschillend van geniën (géniën), meerv. van genius.

84. Ofschoon de i in het achtervoegsel -isch denzelfden helderen

klank heeft als ie in -ief, -iek, -iet en -ier, geeft de Redactie

aan de meest gebruikelijke schrijfwijze met de enkele i verreweg de

voorkeur boven -iesch, omdat dit achtervoegsel steeds allen klemtoon

mist, en i daarin zeer kort is. De onregelmatigheid is niet grooter

dan bij het achtervoegsel -uw in schaduw, zwaluw, hetwelk evenzeer

toonloos is en door niemand met twee u's geschreven wordt. Vergelijk

den Regel der Welluidendheid § 61 en 62.

Bij het beoordeelen van de regels in deze en de twee vorige §§

behoort men het onderscheid tusschen eene toonlooze lettergreep en

een toonloozen klinker niet uit bet oog te verliezen. Toonloos is

elke lettergreep, waarop in het geheel niet gedrukt wordt, waarop

noch de halve, noch de volle klemtoon valt, b.v. de eerste in

be-hóúd, ge-lóóf, ver-driét, de laatste in já-ren, há-mel, há-mer,

kó-ning, gróót-vader, hòfhóú-ding. Toonlooze klinkers zijn, in den

regel, klinkers of tweeklanken, die geheel dof zijn geworden, als

het ware alle kleur missen, en meer van een geruisch dan van een

eigenlijken klank hebben; b.v. de e in aarde, onl. irtha, in hamer,

ohd. hamar, in hemel, onl. himil; de u in Gorkum uit Goring-heim;

de i in het achtervoegsel -ig, goth. -ag en -eig. Enkele toonlooze

klinkers echter ontstaan als vanzelve tusschen twee medeklinkers,

b.v. in hatelijk, beminnelijk enz. voor haatlijk, beminlijk enz.

Ofschoon het verliezen van den klemtoon de oorzaak is, dat de

klinkers en tweeklanken toonloos worden, heeft dat verlies toch

niet altijd de bedoelde verandering ten gevolge. De tweede

lettergrepen in py-ra-mide, mag-ne-tiseeren, mo-ti-veeren,

ge-o-graaf, no-tu-len, en de laatste in o-lie, me-nie, tra-lie,

Janua-ri, Ju-li, afgo-disch, nieuwmo-disch, scha-duw, zwa-luw

enz. zijn toonloos, maar de daarin voorkomende klinkers, hoe flauw

zij ook worden uitgesproken, behouden in eene beschaafde uitspraak

hun eigenaardigen klank, en gaan niet in toonlooze klinkers over.

Er bestaan derhalve toonlooze lettergrepen zonder toonlooze

klinkers.

85. Het letterteeken ij stelde, gelijk men weet, oorspronkelijk

in gesloten lettergrepen, als mijn (miin), sijn (siin), de

lange i voor, die in opene, als mine, sine, door de enkele i werd

vertegenwoordigd. Het teeken j was dus in de genoemde en dergelijke

woorden een gewijzigde vorm van de letter i, die gelijkstond met de

tweede a, e, o en u in jaar, eed, room en vuur. Het verlengen door het

aanvoegen van een staart geschiedde sieraads- of duidelijkheidshalve;

zoo schreef men ook vj, vij, viij, enz. voor 6, 7, 8. Dientengevolge

had j in strijd met § 47, a. twee verschillende waarden, die van

vocaal in mijn (miin) en wijn (wiin), en die van consonant in jaer,

joc. Toen in het Nnl. de lange i in de uitspraak gelijk werd aan den

tweeklank ei, kwam de schrijfwijze ij geheel in strijd met de natuur

van den klank, dien zij moest voorstellen, en die niet meer door ii

afgebeeld kon worden; men behield evenwel de oude letterteekens ondanks

de veranderde uitspraak. De Redactie meende in het Woordenboek die

onregelmatigheid te moeten vermijden en te dien einde het letterteeken

voor ij of IJ in zooverre te wijzigen, dat het onderscheid tusschen i j

en den hier bedoelden klank duidelijk bleek. Het natuurlijkste middel

daartoe ware geweest, de beide deelen aan elkander tot eene eenheid

te verbinden, gelijk men in het schrijven gewoon is te doen. Doch

de zwarigheden van typographischen aard, die zich hierbij voordeden,

de vreemde en onbehaaglijke lettervormen, die ons voorgelegd werden,

en die vooral bij het kapitale letterteeken aanstootelijk waren,

hebben ons genoodzaakt van ons goede voornemen af te zien en den

gewonen vorm van ij en IJ onzes ondanks te behouden.

86. Volgens § 47, a. moet men aan hetzelfde letterteeken niet buiten

volstrekte noodzakelijkheid meer dan ééne waarde geven. Men handelt

in strijd met dit beginsel, wanneer men thans nog kolijk, katholijk,

fabrijk, muzijk enz. schrijft, en door die spelling aanleiding geeft,

dat sommigen in die woorden werkelijk eene ij of ei laten hooren. Nu

zij in de beschaafde uitspraak den i-, niet den ei-klank hebben,

eischt de eerste grondregel koliek, katholiek, fabriek enz.; zoo

ook poëzie, harmonie, melodie enz. Den dichter blijve het echter

vrijgelaten naar goeddunken ook poëzij, harmonij enz. te schrijven,

omdat in die woorden op ie, die den klemtoon op de laatste syllabe

hebben, ook de uitspraak ij geoorloofd is. Zie § 40.

Zoo schrijve men ook koffie, lat. coffea, evenals men schrijft balie,

falie, malie, tralie, olie, foelie, linie, kevie, merrie enz.

Nog sterker dan de spelling muzijk voor muziek enz. is af te keuren

het gebruik van de ij in de plaats van de enkele korte i of y in

tweeklanken als aij, eij, oij, uij, oeij, voor ay, ey, oy, uy, oy,

of ai, ei enz. De ij heeft nooit als enkele i gegolden. Oudtijds

had zij de waarde van ii, thans stelt zij een tweeklank voor, die

als ei luidt; zoodat aij, hoe men het neme, niet anders opgevat

kàn worden, dan òf als a + ie, òf als a + ij (a + ei). Eene

spelling met aij enz. laat zich dus op geenerlei wijze, noch door

de vroegere, noch door de hedendaagsche uitspraak, rechtvaardigen,

zelfs niet in die eigennamen, waarin eene oude spelling behouden

wordt. Gesteld dat iemand Van der Kruis heet, dan zijn van dien

naam verschillende schrijfwijzen, mits met gelijkluidende letters,

te verdedigen: Kruis, Cruys of Cruyss; doch Cruijs kon voorheen

niet anders geluid hebben dan krui-is of kru-iis, en kan thans

niet anders worden uitgesproken dan kru-ij-s (kru-eis); ij voor

y is dus evenmin te rechtvaardigen als elke andere verwisseling

van twee niet gelijkluidende letters, b.v. van r en l: cruij-s is

even ongeschikt om den klank kruis te vertegenwoordigen als kluis

of kruid zijn zou. Alleen de gewoonte van ij en y te verwarren

maakt, dat kruijs minder ongerijmd schijnt.

87. In de namen der maanden, die oorspronkelijk genitieven zijn

(Januarii, Junii enz.), is de i-klank van een geheel anderen aard en

oorsprong dan in een der bovengenoemde woorden. Het komt der Redactie

wenschelijk voor dien ook in de spelling van den uitgang -ie, welke

hier en daar nog als ië luidt, te blijven onderscheiden, en naar

Latijnsch gebruik Januari, Februari, Juni en Juli te schrijven. Deze

spelling beantwoordt aan de uitspraak en is in overeenstemming met

de door ons aangenomen regels voor het schrijven der bastaardwoorden.

88. De afleiding eischt de vervanging van ei door ij in de woorden

malvezei, fr. malvoisie, en karwei (soort van zaad), fr. carvi,

onderscheiden van karwei (werk), fr. corvée. Daarentegen zal om

dezelfde reden de ij van sacristijn, fr. sacristain, ofschoon

in sacristij (fr. sacristie) op hare plaats, voor ei moeten

wijken. Derhalve malvezij, karwijzaad, sacristein, doch karweitje,

sacristij.

Het woord dozijn, dat men lichtelijk voor het Fransche douzaine zou

kunnen aanzien, moet zijne ij behouden. Niet uit het Fransch toch,

maar uit het Latijn is het tot ons gekomen, gelijk onlangs te recht is

aangemerkt. In de beschaafde uitspraak luidt het woord niet doezijn,

maar dozijn, en sommige dialecten zeggen doziin, hetgeen op het

Middeleeuwsch-latijnsche docenum wijst, en het woord op ééne lijn

stelt met krijt, lat. creta; venijn, lat. venenum; tapijt, lat. tapete.

IJzen en ijselijk hebben, hetzij onmiddellijk, hetzij middellijk, hun

bestaan te danken aan een woord, dat goth. agis, ohd. egiso luidde,

en zouden uit dien hoofde, evenals zeil uit zegel, dweil uit dwegel

enz., met ei behooren geschreven te worden, gelijk oudtijds werkelijk

geschiedde. Daar echter het grondwoord eis (vrees, schrik) al vroeg

vergeten werd, en men bij het schrikken niet zelden eene koude

rilling voelt, begon men aan eene verwantschap met ijs te denken,

en aan eizen de bepaalde beteekenis te hechten van koud worden,

van schrik verstijven. In de uitdrukking: het is om van te ijzen,

ziet het woord kennelijk op de kille huivering, die eene ontzettende

aanschouwing of voorstelling veroorzaakt. Vandaar de verandering in

de uitspraak en spelling. In die gewesten, waar ij nog als i klinkt,

zegt men izen en iselik; en bij Kiliaan, Coornhert en anderen treft

men de beide spellingen, met ei en ij, nevens elkander aan. Het een

en ander bewijst, dat de »spraakmakende gemeente" naast het oude,

nu vergeten, woord een nieuw met gewijzigde beteekenis gevormd

heeft. Daar nu de spelling eizen, eiselijk niet zou kunnen strekken

om op eenig thans algemeen bekend woord te verwijzen en zoodoende

de beteekenis duidelijker te maken, vindt de Redactie geene reden

om zonder eenig nut het algemeene gebruik te verlaten en, tegen de

niet twijfelachtige uitspraak aan, een verouderd woord (althans een

verouderden vorm) te hernemen, die bij het volk geheel vergeten is,

en die bovendien een onbepaalder begrip vertegenwoordigt, dan het

nieuwere woord of de nieuwere vorm. Zij schrijft derhalve volgens

den Regel der Uitspraak ijzen en ijselijk.

89. Op grond van § 47, a en e verwerpt de Redactie de spelling van

by, my, hy, zy, dwingelandy, razerny enz. met y, omdat deze letter

in oorspronkelijk Grieksche woorden, als cylinder, Styx, Egypte,

reeds den gewonen i-klank voorstelt, en haar alsdan buiten eenige

noodzakelijkheid eene tweede waarde zou toegekend worden. Dat de

ij-klank in bij, mij, hij slechts uit eene korte, niet uit eene lange

i ontstaan is, kan in haar oog geene reden zijn om inbreuk op het

bedoelde beginsel te maken, te minder daar in opene eenlettergrepige

woorden, als thee, zoo, ook de e en o verdubbeld worden, ofschoon

zij eigenlijk zacht zijn.

90. Vreemde woorden en eigennamen, die op heldere of lange klinkers

eindigen, nemen in den tweeden naamval van het enkelvoud en in

alle naamvallen van het meervoud eene s aan, voorafgegaan door het

uitlatingsteeken ('). Dus Maria's, Hebe's, Garibaldi's, Cicero's,

echo's; niet Mariaas, Hebees enz. Daar de verdubbeling der i niet meer

in gebruik is, zou men althans niet Garibaldiis, Paniniis, Rubiniis

kunnen of willen schrijven; de analogie laat dus ook Mariaas, Hebees

enz. niet toe. Buitendien is het dubbele letterteeken in strijd met

de uitspraak van zulke woorden, waarin de eindvocaal nooit zoo lang

wordt uitgerekt, als geschiedt met de klanken, die in Nederlandsche

woorden in den regel door aa, ee enz. worden voorgesteld. De

welluidendheid, zoowel als de analogie, maakt derhalve het gebruik

van het uitlatingsteeken verkieslijker dan het verdubbelen van den

klinker. Zie § 59, 61 en 62.

Ook is het onveranderlijk bewaren van den vorm der eigennamen

wenschelijk, ten einde alle verwarring te voorkomen. Daarom schrijft

de Redactie ook Bruining's, of Bruinings', naar gelang men den tweeden

naamval of het meervoud van Bruining of van Bruinings bedoelt.

De regel is natuurlijk niet van toepassing op echt Nederlandsche

gemeene zelfstandige naamwoorden, als ga (samentr. van gade),

ra, vla (vlade). De a heeft in het meervoud dier woorden dezelfde

zware of gerekte uitspraak als altijd in geslotene lettergrepen,

b.v. als in aas, baas, geraas. Daarom schrijven wij niet eega's,

ra's, vla's, maar volgens den gewonen regel van het Nederlandsch,

die in gesloten lettergrepen het verdubbelen van den helderen

klinker voorschrijft: eegaas, raas, vlaas.

91. De Redactie spelt aar (korenaar), haar (hoofdhaar), meer

(waterplas), door (van een ei), oor in oorsprong, oorzaak, niet air,

hair, meir, doir, oirsprong, omdat de laatste schrijfwijze zoowel door

de afleiding als door de uitspraak verworpen en door de duidelijkheid

niet geëischt wordt, terwijl zij geheel op willekeur berust, daar er

geene reden te bedenken is, waarom men niet liever in air (ader), hair

(voornw.), meir (telw.), doir (voorzets.) enz. de verlenging door i

zou aanduiden. Daarentegen meent zij de spelling heir (legermacht)

en oir (erfgenaam) boven die van heer en oor te moeten verkiezen;

het eerste omdat heir de beschaafde uitspraak, hoewel niet juist,

toch beter vertegenwoordigt dan heer; het laatste als verbastering

van het Fransche hoir. De spelling oor zou dit weinig gebruikelijke en

weinig bekende woord onherkenbaar maken, en zeer zeker de duidelijkheid

niet bevorderen.

De medeklinkers.

92. Tot de regels betrekkelijk de medeklinkers overgaande, meenen wij

het eerst melding te moeten maken van het belangrijke vraagstuk omtrent

de spelling der woorden, waarin tweeklanken op i voorkomen. Moet men

zaaijen, zaaien, zajen of zaayen, hooijen, hooien, hoojen of hooyen

spellen? De uitspraak beslist hier niet stellig genoeg. Men hoort

in de genoemde woorden wel is waar eene j, maar slechts zeer flauw

en op verre na niet zoo duidelijk als aan het begin van een woord,

b.v. in jaar, jong, gelijk blijkt uit de vergelijking van vleier,

vleijer met (een goed) hooi-jaar. Het gebruik beslist evenmin,

daar alle vier de schrijfwijzen hare voorstanders hebben gehad en

gedeeltelijk nog hebben; men denke slechts aan bajert, dojer en

oojevaar of ooijevaar. Raadpleegt men de afleiding, dan wordt de

zaak nog moeilijker. Indien men let op den oorsprong van zaaijen,

draaijen, naaijen, en op de afgeleide woorden zaad, draad, naad,

dan zouden za-jen, dra-jen, na-jen, de ware vormen zijn; zoo

ook stroo-jen, goth. strau-jan, too-jen, goth. tau-jan, boej en

boe-jen, lat. boja; daarentegen hooi-en, en kooi-en, om goth. havi

(hawi) en lat. cavea. Voor andere woorden beslist zij in het geheel

niet. Verandert d in i of in j? Heeft men ro-jen of rooi-en, van roden;

do-jer of dooi-er, van doder; oojevaar of ooievaar, van oodevaar, te

spellen? En welke letter moet schuijeren hebben, dat hetzelfde woord

is als schuren? Regels op de afleiding gegrond zijn hier derhalve zoo

goed als onmogelijk; zij zouden de spelling slechts uiterst moeilijk

maken en tot nieuwe geschillen aanleiding geven.

De aangenomen spelling baai--baaijen, rei--reijen, hooi--hooijen

druischt dubbel aan tegen de analogie. Deze wil, dat een onverbogen

woord den medeklinker, die in den verbogen toestand de volgende

lettergreep begint, tot sluitletter zal hebben; b.v. dat kwaad

eindigen zal op de d van kwa-de, en zoo ook plaag, vrouw enz. op

de g en w, waarmede de tweede lettergrepen van pla-gen en vrou-wen

aanvangen. Tegen dezen regel wordt gezondigd door baai, rei, boei

enz. Ware de j in de verbogene vormen onmisbaar, de analogie zou haar

evenzeer eischen in de onverbogene baaij, reij, boeij, omdat deze

woorden in het meervoud baai-jen, rei-jen, boei-jen worden. Deze

en dergelijke woorden, die eindigen op eenen tweeklank, waarin i

de laatste klinker is, worden nu stilzwijgend als uitzonderingen

beschouwd. Die uitzondering zou nog te dulden zijn, indien zij niet

zelve weder hare uitzonderingen had in de woorden op ij. De ij toch is

ook een tweeklank, die op i uitgaat en dus in den verbogen toestand

eene volgende j zou vorderen. Intusschen zal wel niemand lust hebben

om bijjen, rijjen, vrijjen, vrijjer te schrijven. Het is dus niet te

loochenen, dat de bestaande spelling der woorden met tweeklanken op i

onregelmatig is en inconsequent, zoowel in zich zelve als ten opzichte

van eene groote menigte andere woorden. Er zijn er geweest, die het

gebruik der enkele j hebben voorgeslagen, niet bedenkende, dat deze,

wat de uitspraak betreft, wel volstaan kan in bajen, drajen, haajen,

boejen, broejen, hoojen, loojen enz., maar niet in brejen, ejeren,

lejen, rejen, bujen, brujen, kujeren, schujeren enz. Ook handelt men

bij deze schrijfwijze, evenzeer als bij die met i-j, in strijd met

de afleiding, en brengt in een aantal woorden eene j, die er nooit

in bestaan heeft: b.v. in dojer of dooijer (doder), kojen of kooijen

(caveae), ojevaar of ooijevaar (oodevaar), rojen of rooijen (roden),

leijen (lage), reijen (rege), schuijeren (schuiren, schuren). In

sommige werkwoorden, als draaijen, naaijen, zaaijen, strooijen,

tooijen, behoort de j werkelijk tot den grondvorm. Deze zouden de

spelling drajen, najen, zajen, stroojen, toojen eischen; maar dan

ook draaj, hij draajt, draajde, waartoe men wel niet licht besluiten

zou, te minder wanneer men bedenkt, dat de j in andere werkwoorden,

b.v. in maaijen, breijen, tegen de afleiding zou aandruischen. Doch,

is er geene regelmatige spelling met de enkele j zoomin als met de i j

mogelijk, dan blijft alleen die met de enkele i overig, hetzij men die

door i of door y voorstelt. De j is eigenlijk ook geheel overtollig;

in eene beschaafde uitspraak wordt zij niet sterker gehoord dan de

overgang van de i tot den volgenden klinker vanzelf medebrengt, niet

sterker dan de flauwe j in zeeën, weeën, gedweeër, drieën, knieën,

en in uitdrukkingen als: in boei en band, Mooi Antje enz. De j is,

gelijk hare flauwe uitspraak en haar volstrekt afwezig zijn aan het

einde eener lettergreep duidelijk genoeg bewijst, niets meer dan

een onvermijdelijke overgang van den eenen klinker tot den anderen,

en daarom in het schrijven evenzeer te verwerpen als de b in hembd en

de p in kompt; behoudt men haar, dan moeten ook deze b en p weder in

aanmerking komen. Men zal gevoelen, dat de Redactie geene spelling

kan behouden, die tegen alle regelmaat en in vele gevallen tegen de

afleiding aandruischt, en die met de uitspraak slechts bezwaarlijk

is overeen te brengen. Zij geeft daarom de voorkeur aan de eenige

regelmatige schrijfwijze met de enkele i, en zulks te eer, omdat

de spelling baaien, breien, boeien, buien enz. sedert lang bij vele

onzer beste schrijvers in gebruik was. Ofschoon wellicht geen hunner

van den waren staat van zaken een klaar bewustzijn had, en sommigen

dientengevolge bij de vormen op -ig en -ing niet eenparig handelden,

hun verzet tegen de aangenomen spelling toonde, dat zij de ongepastheid

der j in die woorden duidelijk gevoelden [5]. De schrijfwijze baaien

enz, heeft niets tegen zich, dan dat men zich verplicht kan achten

een trema op den klinker te zetten, die op i volgt, ten einde de

verbinding van deze met de volgende letter te voorkomen, iets dat zeker

vrij lastig en voor het oog weinig behaaglijk is. Om dit bezwaar bij

de eenige regelmatige, consequente en kennelijk door de taal zelve

gevorderde spelling te ontgaan, was de Redactie eerst voornemens de

gewone i door de y, als zijnde ook eene i, te vervangen, en hooyen,

samenvloeying, opruying enz. te schrijven, waardoor de scheiding

der lettergrepen eenigszins duidelijker zou aangewezen worden. Dat

plan heeft echter zooveel tegenstand gevonden, dat zij niet raadzaam

acht er bij te blijven en eene spelling aan te nemen, die algemeen

mishaagt, omdat de eigenlijke waarde van het letterteeken y aan de

meesten vreemd is geworden. Zij zelve had die slechts voorgeslagen om

het scheiteeken te vermijden. Zij ziet er te eer van af, omdat zij in

de toepassing practische moeilijkheden van typographischen aard heeft

ontmoet, die zij niet had voorzien. Zij aarzelt dus niet langer de

reeds bij velen gebruikelijke spelling met de gewone i aan te nemen,

en schrijft derhalve de woorden, waarin een der tweeklanken op i,

te weten aai, ei, ooi, ui en oei, voorkomt, steeds met de gewone i,

zonder inlassching eener j, wanneer zij verlengd worden; derhalve:

aaien, baaien, beien, breien, hooien, kooien, buien, kruien, boeien,

knoeien, maaier, draaier, eieren, Beiersch, dooier, mooier, kruier,

opruier, boeier, knoeier, baaierd, ooievaar, opruiing, samenvloeiing

enz., evenals bijen, rijen, vrijer enz.

In vreemde woorden, als bajonèt, sajèt, waar de klemtoon niet op de

a valt, meent zij geenen tweeklank te moeten erkennen, te minder

omdat de spelling baaionet, saaiet niet alleen er vreemd uitzien,

maar ook tot eene verkeerde uitspraak aanleiding geven zou.

93. Er bestaat verschil van gevoelen omtrent de uitspraak en spelling

van een paar woorden op -lei en -hande. Sommigen schrijven tweederlei,

tweederhande, driederlei, driederhande, anderen tweeërlei, tweeërhande,

drieërlei, drieërhande. Welke schrijfwijze is te verkiezen, die met

of die zonder d? Daar de uitspraak hier evenzeer als de spelling

weifelend is, hangt de beslissing af van de vraag, welke spelling

door den aard en de samenstelling dier woorden gevorderd wordt.

De woorden op -lei en -hande, ofschoon thans als afleidingen te

beschouwen, zijn eigenlijke samenstellingen of koppelingen van een

bepalend woord, als één, twee, al, veel enz. met de zelfst. naamw. lei

(ofr. ley) en hand, die beide vrouwelijk zijn, en hier soort of

gesteldheid beteekenen. Eenerlei, eenerhande, allerlei, allerhande

staat gelijk met van ééne soort of gesteldheid, van alle soorten of

gesteldheden. Voorheen bezigde men ook goederhande voor van eene goede

soort; en zoo ook goedertiere, quadertiere, allertiere, velertiere,

menigertiere of -tieren, waarvan wij ons hedendaagsche goedertieren,

met de bekende bepaalde beteekenis, hebben overgehouden. Bij de woorden

op -lei en -hande heeft men dus afwisselend met een enkelvoud of met

een meervoud te doen, naar gelang van het getal, dat het bepalende

woord medebrengt, waarop echter, gelijk bij andere samenstellingen,

die in afleidingen zijn overgegaan (vergelijk die op -halve en -wege),

geen acht meer geslagen wordt. Men zegt in het meervoud evenzeer

allerlei, voor aller leien, als in het enkelvoud eenerlei; daarentegen

eenerhande, met hand in den ouden meervoudsvorm op e, evengoed als

velerhande. Intusschen treft men altijd een vrouwelijken 2den naamval

aan, waaruit volgt, dat de bepalende woorden steeds op -er moeten

eindigen. Regelmatig zijn dus, wat het eerste lid betreft: eener-,

geener-, eeniger-, meniger-, veler-, aller-, achter-, twintiger-,

honderder-, duizenderlei en -hande enz.; doch onregelmatig vierder-,

vijfder-, zesder-, zevender-, negender-, tienderlei en -hande enz.,

omdat men daarbij aan het bepalende woord den vorm van een ranggetal

geeft. Dat zulks ten onrechte geschiedt, volgt reeds uit de beteekenis

dier woorden, en blijkt bovendien uit eenerlei, driederlei, achterlei,

twintigerlei, honderderlei, niet eersterlei, derderlei, achtsterlei,

twintigsterlei, honderdsterlei enz. De ingeschoven d is trouwens ook

niets anders dan eene vergroving der uitspraak van eene toonlooze

lettergreep achter vloeiende letters, gelijk r en n zijn. Bij

vierderlei, zevenderlei, negenderlei, tienderlei enz. heeft hetzelfde

plaats als bij zwaarder, duurder, hoorder, scheerder, diender, boender,

spaanders enz., en bij vilder, helder, kelder, zolder enz. van villen,

hel, cellarium, solarium. Zoo zei men voorheen, en zegt men nog wel,

ook eenderlei, alderhande, waarin aan de d wel geene beteekenis kan

gehecht worden. Ofschoon men nu, door verkeerde gevolgtrekking, geheel

ten onrechte de d ook achter andere letters dan vloeiende, namelijk

in vijfderlei, elfderlei, twaalfderlei en zesderlei heeft ingevoerd,

hebben evenwel eenerlei, achterlei, twintigerlei, honderderlei,

duizenderlei enz. den grammaticaal onberispelijken vorm behouden. Aan

een practisch gemakkelijken regel: de achtervoegsels -lei en -hande

treden achter ranggetallen, valt dus niet te denken, zelfs niet

bij driederlei. De Redactie meent daarom in de beide twijfelachtige

gevallen aan de meer beschaafde uitspraak zonder de d, waarbij de

ware natuur der woorden meer uitkomt, de voorkeur te moeten geven. Zij

schrijft derhalve: tweeërlei, tweeërhande, drieërlei, drieërhande.

94. Vervolgens doet zich de vraag voor omtrent de spelling van den

geadspireerden keelklank vóór de t. Waar moet men cht spellen? waar

gt? Den regel, dienaangaande in 1804 gesteld, dat de woorden,

afgeleid van stammen, waarin blijkbaar eene g voorkomt, b.v. in klagt

van klagen, met g, de overige met ch behooren geschreven te worden,

meenen wij niet te mogen behouden. Vooreerst toch is de afleiding van

sommige woorden, welke in die categorie vallen, geheel onbekend of ten

minste onzeker. Ten andere is de g in sommige stamwoorden slechts eene

aan het Nederlandsch, evenals aan het Deensch, in het bijzonder eigene

verzachting van de oorspronkelijke ch, b.v. in vliegen, wij zagen, wij

tegen, aangetogen en andere, zoodat door vlugt, gezigt, togt enz. toch

niet de ware vorm dier woorden voorgesteld wordt. De genoemde regel

is ook moeilijk in de toepassing en is tot nu toe zeer willekeurig

en onregelmatig toegepast. Zoo berust b.v. de spelling regt, regter,

rigten, berigten, op eene verkeerde afleiding; geslacht (van slag,

soort), tucht, tuchtigen (van tiën, toog enz.), (be)tichten, van

(aan) tijgen, zouden evenzeer eene g vorderen als slagter, geslagt,

togt enz. Eindelijk, de regel is, gelijk blijken zal, kennelijk in

strijd met ons taaleigen.

Het is om genoemde bedenkingen, dat wij ons den volgenden regel

stellen:

De geadspireerde keelletter, die zich vóór eene steeds in het woord

blijvende en steeds onmiddellijk volgende t bevindt, welke tot dezelfde

lettergreep behoort, wordt, zonder op de afleiding te letten, door ch

voorgesteld. Doch wanneer het woord eene g heeft, die, afwisselend,

nu al dan niet onmiddellijk door de t wordt gevolgd, of wanneer deze

tot de volgende lettergreep behoort, dan blijft de g onveranderd.

Hoe willekeurig deze regel met zijne uitzonderingen bij den eersten

aanblik ook schijnen moge, bij eene nadere beschouwing blijkt, dat

hij door ons taaleigen gebiedend wordt gevorderd. Wanneer een vaste

medeklinker (eene zoogenaamde muta) reeds van oudsher onmiddellijk,

d.i. zonder tusschenstaanden klinker, door eene t gevolgd werd, dan

zijn beide medeklinkers zoo innig samengesmolten, dat zij eene soort

van eenheid uitmaken, die met eenen verdubbelden, d.i. versterkten,

medeklinker gelijkstaat. De samensmelting blijkt duidelijk uit de

verscherping van den eersten medeklinker, die vervolgens meestal in

ch overging; en uit de verkorting of verscherping van den voorgaanden

helderen klinker, welk laatste verschijnsel ook bij eene verdubbeling,

b.v. in stòtteren van stóóten, in verhèffen naast verhéven, plaats

vindt. Zoo ontstonden gràft en gràcht van gráven; schàft en schàcht

van scháven; echt van ehe; gìft (mnl. ook gìcht) van géven; plìcht van

plégen; kòcht en bruilòft van kóópen en lóópen; gewrocht van worken;

gezòcht, gerùcht en kluft van zóéken, róépen en klieven; vernuft voor

vernumbt van vernemen, vernomen. Doch men zegt en schrijft: hij graaft,

schaaft, geeft, pleegt, koopt, loopt, zoekt, roept, verneemt, niet

hij gracht, schacht, gift of gicht, enz., omdat deze zelfde woorden de

vormen graven, ik graaf, schaven, ik schaaf enz., zonder t, nevens zich

hebben. Het beurtelings af- en aanwezig zijn liet de samensmelting niet

toe. Evenzoo zeggen en schrijven wij laagte, leegte, hoogte, drukte,

goedkoopte, diepte, niet lachte, lechte, hochte, druchte, goedkochte,

dichte, alleen omdat de t, tot de volgende lettergreep behoorende,

zich niet zoo nauw aan den voorgaanden medeklinker kon aansluiten,

dat hij met dezen samensmolt. Immers, waar de volgende e ontbreekt,

daar openbaart zich de ineensmelting weder, zooals blijkt uit de

vergelijking van luwte met lucht, ziekte met (water)zucht. Ook in de

woorden, waarin oudtijds tusschen de beide medeklinkers een klinker

werd aangetroffen, die eerst in betrekkelijk laten tijd is uitgevallen,

is de ineensmelting door dien klinker verhinderd geworden, zoodat

de voorgaande medeklinker niet veranderd, en een voorgaande heldere

klinker niet verscherpt is. Dit blijkt uit abt (mnl. abbet), dat niet

in aft of acht is overgegaan; uit ambt (ambacht), niet aft, gelijk

vernuft zou doen verwachten; uit kreeft en ooft (bij Kiliaan krevet

en ovet), niet krecht en ocht; uit markt (lat. mercatus), niet marcht.

Het is uit dien hoofde geheel overeenkomstig ons taaleigen, dat wij

ons ten regel stellen:

De g blijft in de regelmatige vervoeging der werkwoorden, wier stam

op eene g eindigt, en in de zelfst. naamw., door achtervoeging van

-te gevormd van bijvoegl. naamw. op g uitgaande.

Wij schrijven derhalve: dracht, jacht, klacht, macht, slachten

(dooden), geslacht (en gemaal), plecht, plechtig, licht (niet zwaar),

plicht, gewicht, gezicht, gedrocht, tocht, lucht, tucht, vlucht, zucht

(diepe ademhaling) evenzeer met ch, als nacht, geslacht (familie),

slachten (gelijken), echt, recht, licht(straal), lucht, vrucht

enz. Daarentegen: hij draagt, jaagt, vraagt, legt, zegt, pleegt,

weegt, droogt, zoogt, enz., en graagte, laagte, leegte, droogte,

hoogte, menigte enz.

De verkorte eigennaam Aagt behoort ook de g te behouden, dewijl er

een klinker is uitgestooten, die zich nog heden ten dage in den vollen

vorm Agatha vertoont. Dat het woord met den helderen klinker en niet

als Acht wordt uitgesproken, bewijst, dat er geene samensmelting der

medeklinkers in plaats heeft.

De onregelmatige onvolm. verled. tijden en deelw. bracht, gebracht,

mocht, van brengen en mogen, verkeeren in het geval, dat de ch

eischt. In die vormen heeft de tijdsuitgang -de (-te) de e verloren,

ten gevolge waarvan de overblijvende t zich aan den voorgaanden

medeklinker heeft aangesloten. Bracht en mocht staan voor brachte en

mochte, en deze vormen voor bragde (of brengde) en moogde, gelijk de

analogie van zengde, leegde en zoogde zou medebrengen. De overgang der

regelmatig vereischte d in t bewijst voldingend de samensmelting en

dus ook de verscherping der voorgaande medeklinkers. Wij schrijven uit

dien hoofde: hij bracht, mocht, gebracht, nevens hij en gij brengt,

gij moogt. Evenzoo hij placht, oudtijds plach (plag), waarin de

bijgevoegde t met de sluitletter g evenzeer is samengesmolten als in

gedrocht voor gedrog.

Wij aarzelen te minder tot de genoemde verandering over te gaan,

omdat de voorgenomen spelling beter dan die met g aan de uitspraak

beantwoordt en reeds door vele onzer beste schrijvers gevolgd wordt,

terwijl de regel gemakkelijk toe te passen is en aan veel willekeurigs

en onregelmatigs een einde maakt, en het wijzen op de afleiding bij

de meeste woorden dezer categorie volstrekt geen nut heeft. Immers

de beteekenis van plecht, plechtig, gedrocht, tucht, tuchtigen wordt

niet opgehelderd door het verwijzen op plegen, (be)driegen en toog

(van tiën); men verstaat het woord macht niet beter, als men weet, dat

het van mogen komt, sedert dit de beteekenis van kunnen verloren heeft;

en de kracht van het woord plicht wordt vooral niet beter gevoeld als

men verneemt, dat plegen het grondwoord is, nu dit meest van moord

en roof gebezigd wordt.--Bij de meeste andere woorden is de g niet

toereikend om den lezer aan het grondwoord te herinneren. Bij dragt,

(de) jagt, klagt met g zal men misschien iets eerder aan dragen,

jagen en klagen denken, dan wanneer men dracht enz. schrijft; doch

geen onkundige zal vermoeden, dat (het) jacht, slachten en slachter,

aangezicht, vluchten en zuchten samenhangen met jagen, slaan (sloeg),

zien (zag), vliegen en zuigen, al spelt men die woorden ook met g;

evenmin als hij bij boeten en schuit aan baten en schieten denkt. Waar

zulk een groot verschil in klank bestaat, en de beteekenissen slechts

eenigszins uiteenloopen, wordt geene verwantschap meer gevoeld. De

toepassing van den Regel der Gelijkvormigheid brengt hier derhalve

geen nut aan; vergel. ook § 50.

95. Lang heeft de Redactie in bedenking gestaan bij de vraag: moet de

ch na kort afgebroken klinkers al of niet verdubbeld worden? en, zoo

ja, hoe dan?--moet men kachel, kagchel of kachchel enz. schrijven? De

thans meest gebruikelijke spelling kagchel, rigchel, bogchel enz. is

onregelmatig en kan reeds daarom niet in alle opzichten worden

verdedigd. Bovendien doet de verbinding van twee verschillende,

doch verwante letterteekens, als g en ch, aan eene samenstelling

denken, terwijl de meeste der hier bedoelde woorden, alleen lichaam

uitgezonderd, slechts afleidingen zijn, waarin eene enkelvoudige

g of k door den invloed der volgende l tot ch verscherpt is;

b.v. bochel van buigen, boog; tichel van tegel; kachel van kakel,

bij Kiliaan kaeckel. Lichaam, uit lijk en haam, door de spelling als

een samengesteld woord te kenmerken, en b.v. lich-haam te schrijven,

zou echter geheel nutteloos wezen, omdat in lich het woord lijk

toch niet zou herkend worden, terwijl dit bovendien, evenals haam,

in deze samenstelling met eene beteekenis voorkomt, die thans bij de

meerderheid der sprekenden en schrijvenden onbekend is.

Wanneer de Redactie daarbij in aanmerking neemt, dat de verdubbeling

door middel eener g bij de netste schrijvers steeds grooten weerzin

heeft gevonden, en dat de spelling met eene enkele ch misschien leiden

kan tot eene verfijning van den zoo harden keelklank, die door gch

wordt vertegenwoordigd (vergel. § 61 en 62), dan meent zij aan die

schrijfwijze de voorkeur te moeten geven en dus lichaam, kachel,

richel te moeten spellen, ofschoon zij gaarne erkent, dat ook deze

niet onberispelijk is. De regelmatigheid zou ongetwijfeld lichchaam,

kachchel enz. vorderen; doch deze spelling ware thans eene ongehoorde

nieuwigheid, die zeker niemands goedkeuring zou wegdragen. Er schoot

dus niets anders over dan van de twee gebruikelijke schrijfwijzen de

minst gebrekkige te kiezen, die dan ook het langst en algemeenst in

gebruik is geweest [6].

Voor de spelling met de enkele ch pleit, behalve de welluidendheid,

ook nog de analogie met de meeste eigennamen, als Jochem, Kochem,

Lochem, Mechelen, Vechel, Zwichem; die met echel, en vooral die

met echo, welke woorden nooit met gch geschreven worden. Alleen

de uitspraak van de bij ons gebruikelijke namen Rachel en Michiel

past er niet in. Het onderwijs zou dus inderdaad bij de spelling met

de enkele ch aan gemak winnen. In de plaats van den thans geldigen

regel: De ch wordt na onvolkomene klinkers door de voorvoeging eener g

verdubbeld, waarbij de bovengenoemde woorden en andere dergelijke als

uitzonderingen moeten opgegeven worden, heeft men slechts te leeren:

Alle enkelvoudige klinkers hebben vóór de ch den onvolkomen klank,

mee uitzondering van de eigennamen Rachel en Michiel. Vergel. het

opstel: De Spelling en het Lager Onderwijs, van den Heer J. A. van

Dijk, in den Taalgids, VI, blz. 73 vlgg.

96. Van een geheel anderen aard dan de verdubbeling der ch door middel

van de g is die der s in wasschen, flesschen, visschen, mosschen of

musschen, tusschen enz., die door sommigen daarmede op ééne lijn wordt

gesteld. Niet de letter, die verdubbeld wordt, niet de s, maar de ch,

die stom is, zou een punt van geschil kunnen uitmaken. Deze toch doet

thans niets meer aan de uitspraak af, maar is alleen een graphisch

overblijfsel uit den tijd, waarin zij, uit k ontstaan, werkelijk

gehoord werd. Toen men eerst visk, mosk, en later inderdaad visch,

mosch, d.i. met ch, uitsprak, bleef de eerste lettergreep ook in de

meervouden vis-ken, vis-chen, mus-ken, mus-chen gesloten, en werd de

tweede s natuurlijk niet gevorderd; thans echter, nu er alleen eene

s is overgebleven, is hare verdubbeling in vis-sen, mus-sen evenzeer

noodig en regelmatig als in mos-sel, vroeger mos-chel. De dubbele

s levert dan ook niet het minste bezwaar op, kan nooit medewerken

om de uitspraak te bederven. Dit is integendeel wel te vreezen van

de spelling vis-chen, mus-chen enz., die alleen strekken kan om de

thans ondraaglijk pedante uitspraak, welke de ch in de genoemde en

dergelijke woorden laat hooren, meer in zwang te brengen. Men is

buitendien te zeer gewoon de geheele sch bij de tweede lettergreep

te voegen, gelijk blijkt uit Pa-schen, zij he-schen, kre-schen,

gehe-schen, gekre-schen, welke woorden men toch wel niet gaarne

noodeloos met dubbelen klinker, Paas-chen, hees-chen, krees-chen,

gehees-chen en gekrees-chen, zou geschreven zien. Wij kennen derhalve

geene enkele reden om de ééne s weg te laten, maar redenen te over

om haar te behouden, namelijk het gevestigde gebruik en de voorkoming

eener wanluidende uitspraak. Wij blijven derhalve wasschen, lesschen,

wisschen, tusschen enz. schrijven met de dubbele s.

97. Bilderdijk's spelling nogthands steunde op eene verkeerde

afleiding: nochtans is samengesteld uit nog en dan (mnl. nochtan of

nodan) met de adverbiale s, en heeft dus niets met thans of thands

(te hande) te maken. Aan de invoering eener h en d in dit woord valt

derhalve niet te denken. Doch men zou in twijfel kunnen staan bij de

keuze tusschen nochtans en nogtans. Ofschoon de Redactie het raadzaam

oordeelt, de gebruikelijke onderscheiding van nog (daarenboven, tot

nu toe) en noch (ook niet), hoewel niet op de afleiding gegrond,

om den wille der duidelijkheid te behouden, meent zij echter in

nochtans de voorkeur aan de ch te moeten geven, vermits wel deze

scherpe keelletter, maar niet de zachte g, den overgang der d van

dan in de t van tans heeft kunnen veroorzaken, en het woord voor ons

gevoel eene eenheid geworden is, waarbij aan de samenstellende deelen

niet meer gedacht wordt, zoodat hier alleen de Regel der Uitspraak

behoort gevolgd te worden.

98. Het algemeen gebruik wil, op grond der uitspraak, sedert

lang koninklijk, aanvankelijk, afhankelijk, jonkheer, jonkvrouw,

sprinkhaan. Dezelfde reden geldt voor de spelling koninkrijk, jonkheid,

koninkje, woninkje, kettinkje en lankmoedig. Daarenboven zou de

schrijfwijze koningrijk, koningje, jongheid enz. bij voortduring

aanleiding geven tot eene uitspraak, die met ons taaleigen in strijd

is. De Redactie aarzelt daarom niet hier den Regel der Welluidendheid

te laten gelden en in de genoemde woorden de g door de k te vervangen.

99. Het gebruik der tongletters d en t, wanneer zij door eene s worden

gevolgd, heeft eenige overeenkomst met dat der g en ch vóór eene t,

waarover in § 94 is gehandeld. De gevallen staan echter niet geheel

gelijk. De taal eerbiedigt bij de s, nu althans, de grondvormen op d en

t meer dan voorheen die op ch en g, en zij handelt hier lang niet zoo

regelmatig als bij cht en gt. Oudtijds smolt de scherpe keelletter ch

geheel weg in de volgende s, b.v. in as, das, vlas, was, mest, zes,

wisselen, os, vos, uit achs, dachs enz.; de zachte keelletter g,

die als de Fransche gu werd uitgesproken, werd tot k verscherpt in

heks van hag, reeks van reghe, fluks van vlug; een heldere klinker

onderging soms ook verkorting, b.v. in dissel, hd. deichsel.

Die regelmatigheid treft men niet aan bij de tongletters, die vóór de s

staan. Ook deze smolten soms, b.v. in thans, volgens, bijkans enz. voor

thands, volgends, bijkants, in de s weg; doch geenszins altijd,

b.v. niet in bits, spits enz. Vandaar niet zelden tweeërlei vormen, de

eene met, de andere zonder de tongletter, nevens elkander, b.v. spiets

en spies van mnl. spiet; klits en klis van klit; lits en lis, ook luts

en lus uitgesproken, van lat. licium; en in de volksspraak klussen,

mussen enz. naast klutsen en mutsen in de schrijftaal. Evenmin werd

de klinker altijd verkort: maetselen werd wel is waar metselen, maar

naast ketsen hield kaatsen stand; koorts en rots bleven, naast het

vroegere kortse en rootse, de eenige gebruikelijke vormen; plaats,

schaats, taats, koets, toets, zijn nooit tot plats, kots enz. verkort

geworden, ofschoon er geen klinker is uitgevallen, die, gelijk bij

de t, de samensmelting verhinderde. Ook de spelling was evenzeer

ongelijk en onzeker, en niet zelden vindt men ds, waar de afleiding

ts zou hebben doen verwachten, b.v. in guds, ridsen, ridsig.

Uit het een en ander blijkt, dat de woorden op ds en ts niet volkomen

parallel loopen met die op gt en cht; en dat de regel eenigszins

anders zal moeten luiden dan die in § 94. Daar de Regel der Uitspraak

hier niets beslist, moet die der Gelijkvormigheid gelden, en, waar

de afleiding onbekend of onzeker is, die der Analogie. Van een groot

aantal woorden kan de spelling niet twijfelachtig zijn. Vooreerst

is het rationeel, dat die welke uit het Fransch ontleend zijn, ten

tijde dat ch nog als tch (tsj), en c nog als ts luidde, met ts worden

geschreven; te weten koets in de beide beteekenissen, toets, flits,

rots, toorts, fr. couche en coche, touche, flèche, roche, torche;

plaats, rantsoen, fatsoen, fr. place, rançon, façon. Daarentegen

moet de fr. g, vroeger als dg (dzj) uitgesproken, bij ons ds worden,

namelijk in loods (houten gebouw), fr. loge. De afleiding eischt

stellig eene t in guts (holle beitel, waarmede onder andere ook goten

uitgehold worden) van goot; in ritsen, ritsig, verwant met wrijten,

alsmede in gutsen, uit het oudere gussen vervormd met ingevoegde

t. Ook is het thans verkieslijk aan knots de t van knotten te geven,

nu knodde en knodden verouderd zijn. In ridselen, ofschoon misschien

van rijden, heeft de d in allen gevalle geen nut meer, nu rijden

niet langer in de beteekenis van beven gebruikt wordt. Voor de

spelling kodsen bestaat geene enkele reden; het is waarschijnlijk

een klanknabootsend woord; en Kiliaan schreef reeds kotsen, Plantijn

kotzen. Loods (persoon) en gids behooren volgens de afleiding eene

d te hebben, als zijnde gevormd van looden en fr. guide. In smidse,

van smid, kan de s in geen geval geacht worden de d verscherpt te

hebben, dewijl zij tot de volgende lettergreep behoort. Omtrent de

spelling der overige woorden, als kaats, schaats, taats, schets,

scherts, koorts enz., wier afleiding òf onbekend, òf onzeker is,

òf niet strekken kan om de beteekenis op te helderen, heeft nooit

verschil van gevoelen bestaan; er is dan ook geene reden te bedenken,

waarom zij anders zouden geschreven worden, dan tot nu toe geschied

is. Trekt men alles samen, dan krijgt men den volgenden practischen

regel, op dien der Gelijkvormigheid en der Analogie gegrond:

Wanneer de s door eene tongletter wordt voorafgegaan, dan is deze

de scherpe t; uitgezonderd in den 2den naamw. der woorden op d,

in de bijvoegl. naamw. en bijwoorden door aanhechting van sch en

s van woorden op d gevormd; en eindelijk in loods (in de beide

beteekenissen), gids en smidse.

Wij schrijven derhalve trots, schertsen, plaats, schaats, toorts

enz.; maar Gods, des bloeds, goedsmoeds, steedsch en steeds, kindsch,

gindsch en ginds van gind(er), sinds van sed(ert).

100. De woorden op -aard en -erd leveren geene moeilijkheid op;

zij vereischen zonder bedenking eene d. Het achtervoegsel -aard is

oorspronkelijk het bijvoeglijk naamwoord hard, dat oudtijds sterk

beteekende, en dezen zin nog heeft in uitdrukkingen als hard draven,

loopen, werken. In samenstellingen beteekende het sterk als datgene,

of ten aanzien van datgene, wat door het stamwoord werd uitgedrukt,

b.v. Beranhard, Burchard, Everhard, Wolfhard, sterk als een beer,

burg, ever, wolf; Ecgehard, Gêrhard, sterk met het zwaard, met de

speer; Meginhard, Reginhard, Snelhard, sterk in kracht, in raad

of list, in vlugheid; Sigihard, Wic-hard, sterk in de zege, in den

strijd. Als tweede lid in de samenstelling verloor het al spoedig

de h, evenals -helm, -hilde, -haftig, en soms -hande, b.v. Anselmus,

Willem, Machteld, deelachtig, en mnl. menigherande, voor Anshelmus,

Wilhelm, Machthilde, deelhaftig, menigerhande. Vandaar, dat men

naast eigennamen op -hard, mlat. hardus, ohd. -hart, oudtijds

vormen op -art en -aert aantreft, die thans op -ard, -erd en -ert

uitgaan. Zoo b.v. Athalhardus, Bernhardus, Burchardus, Everhardus,

Folchardus, Gêrhardus, Meginhardus, Reginhardus enz., mnl. Adelaert,

Bernaert, Burchaert, Everaert, Volcaert, Meinaert, Reinaert; thans

Allard en Aldert, Bernard, Everard en Evert, Volkert, Meindert,

Reindert. Daar de vormen op -hard, -hardus, ohd. hart, in overoude

stukken voorkomen, maar die op -ard, -aert en -erd alleen in latere,

zoo is het duidelijk, dat de laatste uit de vroegere ontstaan zijn,

en niet -hard uit -erd.--In het Mhd. werden met -hart ook gemeene

namen gevormd, alle met ongunstige beteekenis, als lügehart, sterk in

het liegen; naghart, knaaglustig; selphart, zelfzuchtig; slinchart,

slokop; trügenhart, sterk in het bedriegen; vrîhart, ongebondene.

De grondbeginselen der Nederlandsche spelling Regeling der spelling voor het woordenboek der Nederlandsche taal · 第 14 / 30 题