1) Wanneer zij tot de eigenlijke samenstellingen behooren (zie § 135).

2) Wanneer bij de vereeniging der deelen òf een van beide, òf beide

hunne beteekenis hebben gewijzigd om te zamen een nieuw begrip ie

vormen, zoodat de beteekenis der vereenigde uitdrukking eene andere

is dan die, welke de bloote som der op elkander volgende deelen

zou medebrengen.

Zoo is b.v. iets goedmaken zooveel als iets herstellen; iets goed

maken zou beteekenen iets zoo vervaardigen, dat het goed is. Deug niet

zou de negatieve imperativus zijn van deugen, het bevel om slecht te

wezen; een deugniet daarentegen is een persoon die niet deugt. Een

boos wicht is een klein kind, en wel bepaaldelijk een meisje, dat

stout is; maar een booswicht is een volwassen manspersoon, die alle

deugd met voeten treedt.

3) Wanneer de woorden verouderde grammatische vormen bevatten, die als

overblijfsels der oudheid in vroeger gevormde en door de overlevering

geijkte woorden kunnen geduld worden, doch die bij eene scheiding

der deelen eene zelfstandigheid zouden erlangen, waarop zij bij den

tegenwoordigen toestand der taal geene aanspraak meer kunnen maken.

Tot opheldering diene het woord goedsmoeds, waarin het adjectief goed

in den thans verouderden sterken genitief voorkomt. De uitdrukking

is ontstaan in den tijd, toen men regelmatig den tweeden naamval van

het enkelvoud ook aldus vormde: des goeds mans, ons liefs Heeren,

der heiliger Kerken, onser liever Vrouwen, des heiligs sacraments,

enz. Nu echter deze vorm van den genitief der bijvoeglijke naamwoorden

geheel verouderd is en als zoodanig niet meer verstaan wordt, kan goeds

niet langer als een op zich zelf staand woord gelden, maar behoort

goedsmoeds als eene door het Gebruik geijkte vereenigde uitdrukking,

als eene eenheid derhalve, te worden aangemerkt.

De grondbeginselen der Nederlandsche spelling Regeling der spelling voor het woordenboek der Nederlandsche taal · 第 16 / 30 题