2) Wanneer bij de vereeniging der deelen òf een van beide, òf beide
hunne beteekenis hebben gewijzigd om te zamen een nieuw begrip ie
vormen, zoodat de beteekenis der vereenigde uitdrukking eene andere
is dan die, welke de bloote som der op elkander volgende deelen
zou medebrengen.
Zoo is b.v. iets goedmaken zooveel als iets herstellen; iets goed
maken zou beteekenen iets zoo vervaardigen, dat het goed is. Deug niet
zou de negatieve imperativus zijn van deugen, het bevel om slecht te
wezen; een deugniet daarentegen is een persoon die niet deugt. Een
boos wicht is een klein kind, en wel bepaaldelijk een meisje, dat
stout is; maar een booswicht is een volwassen manspersoon, die alle
deugd met voeten treedt.
3) Wanneer de woorden verouderde grammatische vormen bevatten, die als
overblijfsels der oudheid in vroeger gevormde en door de overlevering
geijkte woorden kunnen geduld worden, doch die bij eene scheiding
der deelen eene zelfstandigheid zouden erlangen, waarop zij bij den
tegenwoordigen toestand der taal geene aanspraak meer kunnen maken.
Tot opheldering diene het woord goedsmoeds, waarin het adjectief goed
in den thans verouderden sterken genitief voorkomt. De uitdrukking
is ontstaan in den tijd, toen men regelmatig den tweeden naamval van
het enkelvoud ook aldus vormde: des goeds mans, ons liefs Heeren,
der heiliger Kerken, onser liever Vrouwen, des heiligs sacraments,
enz. Nu echter deze vorm van den genitief der bijvoeglijke naamwoorden
geheel verouderd is en als zoodanig niet meer verstaan wordt, kan goeds
niet langer als een op zich zelf staand woord gelden, maar behoort
goedsmoeds als eene door het Gebruik geijkte vereenigde uitdrukking,
als eene eenheid derhalve, te worden aangemerkt.