Geef, zooveel de uitspraak toelaat, aan een zelfde woord en aan ieder
deel, waaruit het bestaat, steeds denzelfden vorm, wanneer daardoor
de herkenning en juiste opvatting van het woord kan bevorderd worden.
De laatste voorwaarde maakt het noodzakelijk den regel in twee deelen
te splitsen, waarvan het eerste de woorden in hun geheel, het laatste
hunne bestanddeelen betreft. De regel wordt dan:
a. Schrijf hetzelfde woord, zooveel de uitspraak en de verbuiging of
vervoeging toelaten, steeds met dezelfde letters.
b. Geef in afgeleide woorden aan het grondwoord en in samengestelde
aan de samenstellende deelen, zooveel de uitspraak toelaat, steeds
dienzelfden vorm, waaronder zij buiten de afleiding en samenstelling
voorkomen; wel te verstaan, indien die grondwoorden of deelen nog
als afzonderlijke woorden in gebruik zijn en dan dezelfde beteekenis
hebben als in de afgeleide of samengestelde woorden.
a. Overeenkomstig het voorschrift a) spelt men dag, des dags, ten
dage, dagen; glad, gladde, gladder, gladst; zeg, zegt, gezegd,
zeggen; niet dach, des dachs; glat, glatst; zech, zecht, gelijk
oudtijds wel placht te geschieden.
b. Overeenkomstig het voorschrift b) schrijft men vijlsel
van vijlen; verleiding van verleiden; raadzaam van raad, door
aanhechting van zaam; hoofddeel uit hoofd en deel; niet veilsel,
verlijden, raatsaam, hoofdeel, omdat de juiste opvatting door de
laatste schrijfwijze zou belemmerd worden.
c. Het voorschrift b) ontraadt te spellen weereld voor wereld,
Duidsch voor Duitsch, diedsch voor diets, begicht voor biecht,
omdat deze spelling, hoewel door de afleiding geboden, tegen andere
regels aandruischt, en de woorden weer (man), died of duid (volk),
giën (zeggen) niet meer in gebruik zijn, zoodat de beteekenis
door het wijzen op de grondwoorden niet duidelijker gemaakt,
maar veeleer verduisterd zou worden.
d. De bepaling »zooveel de uitspraak toelaat" is aan beide deelen
gemeen en stelt den geheelen regel onder dien der Beschaafde
Uitspraak. Zij verbiedt te schrijven: andbacht voor ambacht en
ambt; heertog voor hertog; paarlemoeder voor paarlemoer; gezoekt,
gekoopt, voor gezocht, gekocht enz., omdat die vormen met de
uitspraak in strijd en daardoor onduidelijk zijn.
e. Men zie vooral niet voorbij, dat de gestelde regel grootendeels
dezelfde is, als die, welken men gewoonlijk den Regel der Afleiding
noemt. Immers, onder meer, schrijft hij ook voor, de afleiding
in acht te nemen. De benaming Regel der Gelijkvormigheid verdient
echter de voorkeur; vooreerst omdat zij, op de bedoeling van den
regel zinspelende, zijne strekking beter uitdrukt, en ook het
in a) bedoelde omvat, hetwelk door den naam Regel der Afleiding
buitengesloten wordt; en vervolgens, omdat men deze laatste
uitdrukking noodig heeft als de benaming van een anderen regel,
die werkelijk uitsluitend op de afleiding gegrond is.
f. De Regel der Gelijkvormigheid, ofschoon eigenlijk de
bevordering der apperceptie ten doel hebbende, vult te gelijk
meer dan ééne leemte in den Regel der Uitspraak aan, doordien
hij in vele gevallen, waar deze niet beslist, het gebruik der
medeklinkers bepaalt. Dit heeft plaats, wanneer de sluitletters
der veranderlijke woorden tot de verwante medeklinkers behooren,
en wanneer in afleidingen en samenstellingen twee gelijke of
verwante medeklinkers samentreffen; vergelijk boven a en b.
50. Waar de Regel der Gelijkvormigheid voor de bepaling der
sluitletters te kort schiet of zijne toepassing geheel nutteloos zou
zijn, voornamelijk bij onverbuigbare woorden, wier vorm dikwijls ook
niet uit de afleiding blijkt, is het rationeel die letters te kiezen,
die het naast aan de uitspraak komen. Daar nu de zachte medeklinkers
aan het einde der woorden geheel of bijna aan de verwante scherpe
gelijk worden, eischt de Regel der Beschaafde Uitspraak het gebruik
der scherpe in de onverbuigbare woorden. Daarom de t in ooit, voort,
voorts, want, de ch in doch, toch, enz.
Door onverbuigbare woorden (indeclinabilia) worden hier
verstaan alleen die woorden, die van nature onverbuigbaar zijn,
als bijwoorden, voorzetsels, voegwoorden en tusschenwerpsels,
niet de zoodanige, die tot eene klasse van verbuigbare woorden,
als de zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden behoorende,
alleen door toevallige omstandigheden niet verbogen worden. Het
substantief was (cera) en het adjectief kwijt b.v. behooren niet
tot de indeclinabilia, ofschoon beide geene verbuiging ondergaan.
51. De doelmatigheid zou nog een anderen regel voorschrijven, wier
opvolging de vlugge herkenning der woorden zeer zou bevorderen en
dien men den Regel der Onderscheiding zou kunnen noemen. Deze zou
eischen, dat gelijkluidende, maar in beteekenis verschillende woorden
(homoniemen) door de spelling werden onderscheiden. Die eisch is echter
in vele gevallen volstrekt onuitvoerbaar, en zou in andere tot eene
geheel willekeurige spelling aanleiding geven, waardoor bovendien
meestal tegen andere erkende regels zou worden gezondigd. Het is
b.v. niet mogelijk arm (niet rijk) anders te schrijven dan arm
(lichaamsdeel); het zou doenlijk zijn zugt (zware ademhaling)
te onderscheiden van zucht (begeerte), maar hoe dan zugt of zucht
(ziekte) als van beide verschillend te kenmerken? Waaren (koopgoederen)
en (wij) waren zou, op zich zelf beschouwd, kunnen gaan, maar de
aa strijdt tegen een erkenden regel, terwijl de willekeur hieruit
blijkt, dat het evenzeer mogelijk zou zijn het eerste waren met ééne,
het tweede met twee a's te schrijven. Doch hoewel de onderscheiding
der homoniemen niet als regel kan voorgeschreven worden, is zij toch
belangrijk genoeg om met recht te eischen, dat woorden, die tot nu
toe verward zijn, voortaan, in weerwil van het gevestigd gebruik,
verschillend worden gespeld, wanneer zulks buitendien reeds door
een anderen regel gevorderd wordt. B.v. delen (planken) en deelen
(gedeelten), beren (verscheurende dieren) en beeren (varkens), sleepen
(doen slepen) en slepen (gesleept worden).
52. De beide opgegeven regels, die der Beschaafde Uitspraak en die
der Gelijkvormigheid, vloeien, gelijk wij gezien hebben, onmiddellijk
uit de natuur en de bestemming van het schrift voort. De bijzondere
spelregels zijn òf toepassingen van die twee, òf zijn er onafhankelijk
van. De beschouwing der voorschriften, die onmiddellijk uit de
algemeene spelregels voortvloeien, ligt buiten het bestek van een
programma, dat niet bestemd is om het geheele spellingstelsel te doen
kennen, maar alleen om de grondslagen te leggen, waarop het stelsel
behoort opgetrokken te worden, en bestaande geschillen te beslissen.
53. Ook de voorschriften, welke niet in een onmiddellijk verband
staan met de algemeene regels, kunnen hier niet ter sprake komen,
dan voor zooverre zij door één beginsel, door een hoogeren regel,
beheerscht worden, die wel is waar evenzeer als de bijzondere regels
willekeurig is aangenomen, doch moet worden geëerbiedigd, indien
men de spelling tegen stelselloosheid en tallooze inconsequenties
behoeden wil. Die voorschriften betreffen de keus uit de paren van
gelijkluidende letterteekens bij het schrijven van grondwoorden. Daar
die letters, opgenoemd in § 47, voor veler oor en mond volkomen
denzelfden klank vertegenwoordigen, kan de Regel der Beschaafde
Uitspraak niet beslissen; terwijl de Regel der Gelijkvormigheid alleen
eischt, dat men in een zelfde woord steeds dezelfde letters bezige,
zonder de letters zelve te bepalen.
54. Wanneer men de meeste dier bijzondere voorschriften onderling
vergelijkt, dan blijkt het, dat het Nederlandsch den volgenden regel
heeft aangenomen, dien men om den grondslag, waarop hij geheel steunt,
den Regel der Afleiding kan noemen:
Bij de keus der gelijkluidende letterteekens beslist de afleiding of
de oudere vorm uit den tijd, toen de nu gelijk geworden klanken nog
duidelijk onderscheiden konden worden, in die gevallen, waarin geene
andere regels of bijzondere omstandigheden die keus onraadzaam maken.
55. Het kan hier de vraag niet zijn, of men niet beter zou gehandeld
hebben met een der gelijkluidende letterteekens als overtollig weg te
werpen; het is genoeg te weten, dat men zulks niet gedaan heeft en nu
met het bestaande moet voortwerken. Het strikt genomen overtollige
als ballast over boord te werpen, zou eene omwenteling zijn, wier
nasleep niet te overzien ware; het verstandigst is den bestaanden
toestand te eerbiedigen.
56. Buitendien heeft die overvloed ook zijne goede zijde. Het bestaan
van gelijkluidende letterteekens stelt dikwijls in staat om homoniemen
door de spelling te onderscheiden; men denke aan weken, mv. van week,
en weeken, ww.; aan kolen en koolen, lijden en leiden.
57. Indien het schrijven overeenkomstig den ouderen vorm alleen een
noodmiddel is, dat door de natuur van het schrift niet gevorderd,
veeleer ontraden wordt, omdat het de spelling voor niet-taalkundigen
moeilijk maakt, dan mag dat beginsel vooral niet worden toegepast in
strijd met den Regel der Beschaafde Uitspraak.
58. Doch hoewel de uitspraak steeds de hoogste wetgeefster in de
spelling is en blijft, waartegen men zelfs ten gerieve der apperceptie
niet zondigen mag, bestaan er eenige weinige gevallen, waarin het
raadzaam is uitzondering te maken. In zeldzaam voorkomende woorden,
waarin eene bijna niet merkbare verandering zou moeten plaats grijpen,
mag de afleiding den boventoon hebben, wanneer daardoor de ware
uitspraak en de juiste opvatting der woorden hersteld kan worden;
b.v. kerstmis voor kersmis, bestje voor besje, amechtig voor aamechtig,
slaphakken voor slabbakken. Dit mag te eer geschieden, wanneer het
volk de ware of eene minder bedorven uitspraak bewaard heeft. Op
dien grond is Dinsdag, oudtijds Disendag (verbasterd uit Diesdag),
van den krijgsgod Die, te verkiezen boven Dingsdag, dat ten onrechte
aan ding of geding doet denken.
59. De laatst gestelde algemeene regel (die der Afleiding) is
natuurlijk niet toereikend bij die woorden, wier afleiding of oudere
vorm geheel onbekend of onzeker is. Dit maakt een vierden algemeenen
regel noodzakelijk, die door de Aesthetica ter wering van willekeur of
onordelijkheid en ter bevordering van regelmaat wordt voorgeschreven:
te weten den Regel der Analogie. Deze zal in de spelling aldus
moeten luiden:
Waar de drie bovengenoemde algemeene spelregels zwijgen, handelt men
overeenkomstig de analogie; d.i. de woorden wier spelling noch door
de uitspraak, noch door de gelijkvormigheid, noch door de afleiding
wordt bepaald, worden op dezelfde wijze geschreven als andere,
wier spelling met zekerheid bekend is en die oogenschijnlijk op
overeenkomstige wijze gevormd zijn.
60. Daar de Regel der Analogie niet uit de natuur van het schrift
voortvloeit, maar op gronden steunt, die buiten het gebied der
grammatica liggen, zou het verkeerd zijn dien te laten gelden in
strijd met een der vorige regels.
61. De Aesthetica geeft nog een regel aan de hand, die in enkele
twijfelachtige gevallen den doorslag kan geven en de balans naar de
eene of andere zijde doen overhellen. In § 14 is reeds aangemerkt,
dat het schrift, ofschoon zelf op de uitspraak gegrond en daarvan
afhankelijk, omgekeerd op de uitspraak, vooral van hen die eerst
leeren lezen, terugwerkt en eenen invloed oefent, die zich veelal ook
later doet gevoelen. De leerling toch ziet al de bestanddeelen van
den woordklank even duidelijk vertegenwoordigd, en is daarom vanzelf
geneigd al de letters even sterk te articuleeren, ook die welke in
de gewone spreektaal maar flauw gehoord worden. Het schrift geeft
dus uit zijnen aard aanleiding tot eene gedeeltelijk onnatuurlijke en
gedwongene, dat wil zeggen onwelluidende, uitspraak. Waar de spelling
vaststaat en door algemeen erkende regels bepaald is, kan het schrift
zulk eene wanspraak niet voorkomen, en moet het aan den onderwijzer
blijven overgelaten er zijne leerlingen tegen te waarschuwen, en
te zorgen, dat zij geene gewoonte worde. Doch wanneer eene in dit
opzicht betere spelling mogelijk is, en--dit moet op den voorgrond
blijven--door goede schrijvers is aangenomen; in die gevallen dus,
waar geene eenparigheid in het schrijven bestaat en eene keus moet
gedaan worden, is het ongetwijfeld rationeel die spelling te kiezen,
die het minst tot eene verkeerde en wanluidende uitspraak aanleiding
geeft. Op dat beginsel, welks deugdelijkheid wel door niemand zal in
twijfel getrokken worden, laat zich een regel bouwen, welken men dien
der Welluidendheid zou kunnen noemen. Vooraf dient echter uitgemaakt
te worden, hoe ver deze reiken mag, en dit hangt ten deele af van
het begrip, dat hier aan het woord welluidend moet gehecht worden.
62. Het woord welluidend is hier natuurlijk niet in zijn algemeensten
zin op te vatten; de vraag is slechts: wat is binnen de grenzen onzer
eigene taal relatief welluidend te achten? Nu is in het oor van het
beschaafde publiek elk woord betrekkelijk welluidend, wanneer het
zóó wordt uitgesproken, als men gewoon is het door beschaafden te
hooren uitspreken. Wat van die gewoonte afwijkt, klinkt òf plomp en
dialectisch, òf gemaakt en pedant. Er kan dus geene sprake zijn van
eene welluidendheid, de beschaafde uitspraak overtreffende, of van
een regel, die leeren zou anders te spreken dan de gewoonte medebrengt.
Een regel voor de welluidendheid kan derhalve slechts eene aanvulling
zijn van den Regel der Beschaafde Uitspraak, en mag geen ander
doel hebben dan op de naleving der voorschriften van dezen meer
bepaaldelijk aan te dringen, die uitspraak te bevorderen en elke
andere tegen te gaan. Wanneer men dit in het oog houdt, zal men den
Regel der Welluidendheid in de volgende bewoordingen vervatten:
Waar twee of meer verschillende spellingen in gebruik zijn, waarvan
geene zich door een der vroeger behandelde regels geheel laat
rechtvaardigen, is die te verkiezen, welke de beschaafde uitspraak
het best vertegenwoordigt.
63. Hieruit vloeit bepaaldelijk voort, dat men buiten overwegende
redenen, b.v. blootelijk om eene afleiding te doen kennen, die de
duidelijkheid, de apperceptie, niet bevordert, in het schrift geene
letters herstellen mag, die in de beschaafde uitspraak niet meer
gehoord worden.
Volgens den Regel der Welluidendheid zijn b.v. de volgende
schrijfwijzen goed te keuren: thans, bijkans, Parijsche, Friesche,
wijste, frischte, meisje, handje enz., voor thands, bijkants,
Parijssche, Friessche, wijsste, frischste, meisjen, handtje enz.
64. Eene letter, die niet afzonderlijk wordt uitgesproken, moet
toch geacht worden aanwezig te zijn, indien zij invloed heeft op
eene voorafgaande of volgende letter, zoodat deze bij gemis der
eerstgenoemde anders zou luiden. Zoo moet men b.v. rekenen, dat in
straffen de beide f's gehoord worden, omdat strafen de uitspraak
strá-fen voorstelt; in geenszins wordt, hoewel niemand geens-zins
uitspreekt, de s toch gehoord, dewijl zij de volgende z verscherpt,
zoodat het woord als geensins luidt.
65. De bijzondere spelregels bestaan in voorschriften, die leeren, hoe
men in de bijzondere gevallen te handelen heeft om getrouw te blijven
aan de grondbeginselen, in de algemeene spelregels uitgedrukt. Daar
die grondregels geput zijn uit de natuur en de bestemming van het
schrift, kan hunne consequente toepassing schijnen eene volstrekte
noodzakelijkheid te zijn, die het stellen van verscheidene nieuwe
regels zou gebieden. Wanneer men echter in aanmerking neemt, dat het
toepassen van nieuwe regels van de schrijvenden altijd eene grootere
of geringere inspanning vordert, altijd lastig is, en dat eene
ongewone spelling steeds een onaangenamen indruk maakt, dan blijkt de
onmogelijkheid eener strenge consequentie en de noodzakelijkheid eener
beperking van de toepassing der grondbeginselen. Het zou derhalve,
gelijk reeds in § 27 en 28 is aangemerkt, eene dwaasheid wezen, indien
een grammaticus meende, dat hij als het ware eene geheele omwenteling
in een spellingstelsel zou kunnen te weeg brengen. Te recht heeft dan
ook reeds Siegenbeek, toen er nog geen gevestigd stelsel bestond,
een regel gesteld, die de strekking had het aantal wijzigingen te
beperken, en die gebood »acht te geven op het Gebruik". Die regel,
of dat beginsel, zal in onzen tijd nagenoeg aldus moeten luiden:
De toepassing der beginselen, in de grondregels geleerd, is ondoenlijk
in die gevallen, waarin zij eene veelomvattende wijziging der
gebruikelijke spelling ten gevolge zou hebben. Door iedereen erkende
en aangenomen regels, die de spelling bepalen van een groot aantal
woorden, of van dezulke die, om zoo te zeggen, in elken volzin
terugkeeren, al zij het ook dat zij door geenen der grondregels
volkomen worden gerechtvaardigd, behooren geëerbiedigd te blijven,
zoolang het gebruik niet vanzelf verandert.
66. Het spreekt vanzelf, dat deze regel evenmin onbepaald mag
worden toegepast, maar beperkt blijft tot die gevallen, waar het
Gebruik steunt op deugdelijke gronden, geldig in den tijd, toen het
ontstond. Waar zulke gronden ontbreken, waar het Gebruik slechts een
uitvloeisel is van begripsverwarring, van eene valsche etymologie
of van eene verkeerde toepassing der analogie, daar heeft het van
den aanvang af geene rechten gehad, maar staat met misbruik gelijk,
en wordt ook door lengte van tijd niet gewettigd.
a. Zoo is b.v. de spelling thans (uit te hande), met eene h, die
niet meer gehoord wordt, door het Gebruik gewettigd, en thands, met
eene d er in, zou het ook wezen, indien men algemeen zóó schreef,
omdat men in hand eene h en eene d hoort. De ch in tusschen
is door het Gebruik gewettigd, omdat men, toen men begon zóó te
schrijven, in dit woord werkelijk eene ch uitsprak. Niet gewettigd
daarentegen is de schrijfwijze Dingsdag, als steunende op eene
valsche etymologie, die den Dinsdag voor den dag der rechtsgedingen
hield. Evenmin is de spelling te samen te verdedigen, ofschoon
men misschien algemeen zoo uitspreekt, omdat die uitspraak slechts
eene verkeerde toepassing is der analogie met samenkomst, samenzijn
enz., waarin de s wettig is, als ontstaan zijnde uit tz.
b. Men heeft dit grondbeginsel tot de algemeene spelregels gerekend
en den Regel van het Gebruik genoemd. Wel beschouwd echter voldoet
het niet aan de eischen van een regel. Het beginsel heeft alleen
voor den grammaticus waarde, niet voor het publiek; het Gebruik
schrijft geene bepaalde regels voor, maar onderstelt, dat men
eenparig zekere schrijfwijze volgt, die het niet aanbeveelt,
maar slechts toestaat, en alleen gedwongen wettigt.
67. Uit het lastige, dat het toepassen van ongewone regels inheeft,
vloeit nog een beperkend beginsel voort, dat de grammaticus niet
roekeloos verzaken mag. Onze spelling levert reeds een aantal
moeilijkheden op, die even onloochenbaar als, zonder eene algeheele
omwenteling, onvermijdelijk zijn. Vereischt nu het schrijven van
het Nederlandsch vrij wat oplettendheid, dit bezwaar mag niet
willekeurig en zonder eenig nut nog grooter gemaakt worden. Nieuwe
spitsvondige onderscheidingen in de spelling, die geen practisch
voordeel aanbrengen, niet met de beteekenis of het gebruik in verband
staan, of niet door een erkenden regel geëischt worden, mogen niet
worden aanbevolen.
Van een geheel anderen aard zijn de gevallen, waarin eene keuze
moet plaats hebben tusschen twee gebruikelijke nagenoeg even goede
schrijfwijzen; alsdan kan het uit den aard der zaak slechts eene
kleinigheid, een onbeduidend iets wezen, dat den doorslag moet geven.
68. Uit het vorenstaande volgt, dat er ten opzichte van de uitspraak
drieërlei spelling bestaat:
1. eene spelling, geheel overeenkomstig met de uitspraak, naar of
volgens de uitspraak, d.i. geheel en al door den Regel der Beschaafde
Uitspraak voorgeschreven, b.v. die van al, as, bal, bast enz., welke
woorden met onze letters niet anders zouden kunnen geschreven worden;
2. eene spelling, niet geheel volgens de uitspraak, niet juist zóó
door haar voorgeschreven, doch ook niet met haar in strijd, maar
met haar vereenigbaar, doordien de ware, gebruikelijke uitspraak,
ten gevolge van den wederzijdschen invloed der letters op elkander,
vanzelve volgt; vergelijk § 42 en het slot van § 43. Tot deze soort
van spelling behooren b.v. abt, werelddeel, staatdame, geenszins; en
3. eene spelling, gedeeltelijk volstrekt strijdig en onvereenigbaar
met de hedendaagsche uitspraak, maar door een wettig gebruik volstrekt
gewild; b.v. menschen, tusschen, thans, vijftig, zestig.
69. De volgorde, waarin de Algemeene Spelregels ontvouwd zijn, is de
natuurlijke; eene geheele omzetting zou zelfs onmogelijk wezen.
De regel der Uitspraak moet noodwendig de rij openen. Daar het schrift
de reproductie der woordklanken ten doel heeft (zie § 2 en 3), is
een letterschrift, dat den klank, de uitspraak, aanvankelijk althans,
niet afbeeldt, iets volstrekt ondenkbaars, een onding. De Regel der
Uitspraak is derhalve met het schrift gegeven, is de Natuurwet der
Spelling. De eerste schrijvenden volgden dien noodwendig, ook omdat
er geene woordenboeken of spraakkunsten bestonden, die hen leerden,
geene gezaghebbende schrijvers, die hen noopten, anders te handelen.
De Regel der Uitspraak is niet slechts de eerste en oorspronkelijk
de eenige, maar ook thans nog de algemeenste. Geen woord, welks
spelling niet òf geheel en al, òf grootendeels door de uitspraak
wordt geregeld; en al de regels, die moeten dienen om den Regel der
Beschaafde Uitspraak, waar die te kort schiet, aan te vullen of te
verklaren, ontleenen van dezen hunne kracht en beteekenis. Zelfs
wanneer het Gebruik dwingt in strijd daarmede te handelen, geschiedt
zulks op grond der uitspraak, namelijk ten gevolge eener verouderde.
a. Van tallooze woorden, als af, bel, doek, enz., waarvan geene
andere spelling denkbaar is, wordt deze geheel door de uitspraak
geregeld. Van de overige woorden, waarbij ook andere regels moeten
gehoord worden, bepaalt zij de groote meerderheid der letters;
b.v. van boekbindersknechten, kuipershandwerk, worden alleen de
ch en de d niet rechtstreeks door de uitspraak voorgeschreven,
dewijl ook g en t daaraan zouden beantwoorden.
b. De Regel der Gelijkvormigheid is op dien der Uitspraak gegrond
en wil niets dan hetgeen de uitspraak wil. Hij eischt in dag
eene g, en in hoofddeel twee d's, alleen omdat men in dagen
eene g, en in hoofd en deel beide eene d hoort.--De Regel der
Afleiding steunt op de uitspraak. Hij wil twee e's in deelen
(gedeelten), doch ééne in delen (planken), alleen omdat die
woorden voorheen verschillend luidden, het eene dail, het andere
dil.--De Regel der Analogie ontleent zijne kracht aan dien der
Afleiding, en berust dus middellijk op de uitspraak; terwijl
die der Welluidendheid eeniglijk uitgaat van de onderstelling,
dat het schrift de uitspraak voorstelt.--Zelfs in die gevallen,
waarin het niet raadzaam is het gevestigd Gebruik te trotseeren,
doet de uitspraak zich gelden. Men schrijft tusschen met eene
ch, en thans met eene h, alleen omdat men vroeger die ch en h
werkelijk uitgesproken heeft, dus inderdaad alweder op grond der
uitspraak. Deze doet derhalve allerwegen hare kracht gevoelen.
70. De Regel der Uitspraak overheerscht ook alle andere regels,
zoodra deze eene spelling voorschrijven, volstrekt onvereenigbaar
met de uitspraak; hij wijkt alleen voor het onverzettelijk Gebruik
(vergel. § 68, nº, 3).
Men schrijft volgens den Regel der Beschaafde Uitspraak: abdij,
ambt, herberg, behendig, overtollig, gekocht, wierook, bruiloft,
hoewel de Regel der Gelijkvormigheid of die der Afleiding abtij,
andbacht, heerberg, behandig, overtallig, gekoopt, wijrook,
bruidloopt zou vorderen.
Een strijd tusschen den Regel der Analogie en dien der Beschaafde
Uitspraak is uit den aard der zaak ondenkbaar, dewijl de eerste
alleen dan spreekt, als de laatste zwijgt. Hetzelfde is het
geval met den regel der Welluidendheid, die eeniglijk strekt om
de overeenstemming van het schrift met de uitspraak te bevorderen.
71. Aan den Regel der Gelijkvormigheid komt èn om zijn uitgestrekt
gebied èn om zijne nuttigheid de tweede rang toe. Men zal dit
gereedelijk erkennen, als men bedenkt, dat hij de spelling van alle
afgeleide en samengestelde woorden, en van alle verbuigbare woorden op
b, p, d, t, g en ch regelt, dus wijd en zijd heerscht, en dat hij moet
strekken om de duidelijkheid, de gemakkelijke herkenning der woorden
en hunner beteekenis te bevorderen, en derhalve van uitgebreid nut is.
Men vergete vooral niet, dat de Regel der Gelijkvormigheid, onder
meer, ook gebiedt de afleiding te volgen in al die gevallen,
waarin zulks aan de duidelijkheid kan bevorderlijk wezen, en dat
hij uit dien hoofde ook de regels omvat, die men voorheen onder
den Regel der Afleiding stelde. Inderdaad wordt derhalve aan de
Afleiding de tweede rang toegekend, namelijk voor zooverre hare
inachtneming nuttig is.
72. Is het volgen van den Regel der Uitspraak volstrekt onvermijdelijk
en de naleving van dien der Gelijkvormigheid hoogst nuttig, van een
anderen aard is het in acht nemen der drie volgende grondregels. Dit
zou niet volstrekt noodzakelijk zijn, en het nut daarvan bestaat
slechts in de regeling van zaken, die tamelijk onverschillig zouden
wezen, indien orde en regelmaat niet ook in de Spelling wenschelijke
eigenschappen waren. De Regel der Afleiding, zooals deze hier beperkt
is, die der Analogie en der Welluidendheid, vervullen geene onmisbare
behoeften, brengen geene gemakken aan, maar leveren de voorwerpen
van weelde, die eene doelmatig ingerichte woning tot een aangenaam
verblijf kunnen maken, en die van de beschaving en den smaak der
bewoners getuigen.
Onder deze komt aan den Regel der Afleiding de eerste plaats toe,
omdat zijn gebied, ook na aftrek van alles wat onder den Regel
der Gelijkvormigheid is gebracht, nog groot blijft. Hij regelt
o.a. de spelling der vele woorden, waarin ij's en ei's, en in opene
lettergrepen heldere e's en o's voorkomen. Dan moet de Regel der
Analogie volgen, omdat deze zich op de Afleiding beroept en van haar
al zijne kracht ontleent; zoodat voor den Regel der Welluidendheid,
welke, evenals die der Analogie, slechts zelden te pas komt, de
laatste rang overblijft.
Van het Gebruik, dat, hoe machtig ook, geen regel is, maar de
toepassing der eigenlijke regels beperkt, kon natuurlijk eerst
melding worden gemaakt, nadat men de kracht en strekking van deze
had leeren kennen.