Stel in uw schrift de beschaafde uitspraak voor; d.i. geef door
letterteekens al de bestanddeelen op, die in een woord gehoord worden,
wanneer het door beschaafde lieden zuiver wordt uitgesproken; en kies
in gevallen, waarin de juiste uitspraak niet kan worden voorgesteld,
het naastbijkomende letterteeken.
a. De bedoeling der woorden beschaafd en zuiver is duidelijk.--De
beperking van den regel tot het volgen van de beschaafde
uitspraak ziet natuurlijk alleen op die woorden, waarvan naast
de betrekkelijk algemeene, d.i. door het gansche land bij velen
en juist bij de beschaafdsten gebruikelijke uitspraak nog eene
plaatselijke of gewestelijke bestaat. De regel wil, dat men alsdan
de algemeene uitspraak zal volgen, op grond, dat het bijzondere
voor het algemeene moet wijken, en eene schrijfwijze, die eene
slechts plaatselijke uitspraak voorstelt, dikwijls niet overal
zou begrepen worden.--Van vele woorden bestaat slechts ééne,
en dus eene volstrekt algemeene uitspraak; deze is dan vanzelve
tevens de beschaafde, waarop de regel doelt. Wanneer technische
woorden, uitsluitend bij kunstenaars, werklieden enz. in gebruik,
maar bij het algemeen niet bekend, slechts op ééne wijze worden
uitgesproken, dan is deze vanzelve de normale. Doch worden
zij--doorgaans bastaardwoorden--verschillend uitgebracht,
dan is natuurlijk de minst verbasterde als de beschaafdste te
beschouwen. Zoo heet b.v. het leder achter in laarzen of schoenen,
dat dient om aan de hielen stevigheid te geven (fr. contrefort),
bij de schoenmakers komfoor, komfoord of komfoort; volgens den
regel moet de laatste uitspraak, mv. komfoorten door de spelling
voorgesteld worden.
b. Het woord zuiver moet dienen om aan eene uitspraak, die ten
gevolge van organische gebreken of verkeerde gewoonten letters
verwisselt, weglaat of invoegt, en dus onzuiver is, allen invloed
op de spelling te ontzeggen.
Gemaakt, pedant, lispelend of galmend spreken is, hoezeer ook
af te keuren, iets anders dan onzuiver spreken. Zoolang in
eene gemaakte uitspraak dezelfde bestanddeelen worden gehoord
als in eene natuurlijke, heeft zij geen nadeeligen invloed
op de spelling. Waarschuwingen daartegen behooren te huis
in eene Uitspraakleer (Orthoëpie), niet in eene Spellingleer
(Orthographie).
Eerst wanneer zij letters weglaat, invoegt of verwisselt, houdt
zij op zuiver te zijn, en verliest zij het recht om zich in eene
spellingleer te doen gelden.
c. De Regel der Uitspraak vloeit geheel en onmiddellijk voort uit
het wezen en het doel van het schrift. Hij is daarom de hoofd-
en grondregel der Spelling. Alles wat met dien regel strijdt, is
tevens strijdig met het wezen en de bestemming van het schrift. Uit
dien hoofde kan hij wel door andere regels verklaard en nader
bepaald, maar niet weersproken worden, en is elke regel, die
tegen dezen strijdt, van het theoretische standpunt, te verwerpen.
De practijk echter kan gewichtige redenen hebben om zoodanige
regels, wanneer zij eenmaal bestaan, als geldig te erkennen.
41. Uit de verhouding der beschaafde uitspraak tot de overige dialecten
volgt, dat alleen zij beslist, en dat de andere dialecten slechts in
twijfelachtige gevallen eene raadgevende stem kunnen hebben. Wanneer
eene plaatselijke of gewestelijke uitspraak in strijd is met de
afleiding, de regelmaat of wel met eenigen anderen regel, uit dien
der beschaafde uitspraak afgeleid, dan mag zij op de spelling geen
invloed oefenen.
De noodzakelijkheid dezer bepaling vloeit reeds voort uit den
strijd der dialecten. Het is vanzelf onmogelijk gelijktijdig
aan de eischen van alle te voldoen; en één bijzonder dialect te
bevoorrechten, verbiedt de billijkheid.
42. Bij eene oppervlakkige beschouwing schijnt eene volkomen
nauwkeurige afbeelding der beschaafde uitspraak door het schrift zeer
wenschelijk en ook wel mogelijk. In de practijk echter blijkt spoedig,
dat het ondoenlijk is, eenig dialect, welk ook, volkomen juist voor
te stellen. Reeds terstond ziet men, dat de eigenaardigheden in de
spraak der bijzondere personen, die ook in de beschaafde uitspraak
blijven bestaan, onmogelijk kunnen aangeduid worden. Het schrift stelt
dus van niet één individu de uitspraak geheel nauwkeurig voor; het kan
uit zijnen aard slechts een middelweg houden tusschen de individueele
eigenaardigheden. Doch ook op dezen weg ontmoet het schrift bijna
onoverkomelijke zwarigheden in de wijzigingen der meeste letterklanken,
veroorzaakt deels door den invloed der naburige letters, deels door
hunne plaats vooraan, achteraan of in het midden der woorden.
a. De letters, bij welke die invloeden zich het duidelijkst doen
gevoelen, zijn de n en de zachte onder de zoogenaamde verwante
medeklinkers, met name de b, d, g, v, en z.
b. De n klinkt geheel anders in zoon en mijn dan in tang en dank,
of in franje, kransje, hondje.
c. De b, d, g, v, en z worden aan het einde eener lettergreep en
in de nabuurschap van sommige andere, inzonderheid van scherpe
letters, zóózeer verscherpt, dat zij geheel of nagenoeg als p, t,
ch, f en s luiden, de v en z meestal zelfs in f en s overgaan. Men
vergelijke been met schub, krab, hebt, hebzucht; daar met raad,
gids en blijdschap; goot met oog, oogtand en zegt; vel met diev
(dief), leevt (leeft) en ontvangen; zeel met leez (lees), vreezt
(vreest), raadzaam en ontzinken.
d. De g wordt geheel gewijzigd, wanneer haar in hetzelfde woord
eene n voorafgaat, b.v. in tang, hij zingt.
e. Bij andere letters hebben veel fijner wijzigingen plaats, die
somtijds alleen voor een geoefend gehoor waarneembaar zijn. Men
vergelijke de w in wijn, flauw, schuw en schuwer; de s in saai,
stijfsel en raadsel; de m in man, kom, hemd, en komt; de l in land,
stoel en melk; de f in fraai en straf; de i in inkt en koning.
43. Doch is het niet mogelijk de spraak in het schrift volkomen juist
weder te geven, het is ook onnoodig en zou buitendien ondoelmatig zijn.
Eene volkomen juiste afbeelding der woordklanken is onnoodig, omdat
men in den regel schrijft voor lieden, die de taal verstaan en de
uitspraak der bedoelde woorden kennen, en die dus uit hunne kennis het
ontbrekende weten aan te vullen. De wijziging der letters volgt bij
het samenvoegende uitspreken vanzelve en behoeft daarom niet aangeduid
te worden, evenmin als in eene chemische formule de verandering der
elementen, die door hunne vermenging vanzelve ontstaat.
Het doel van het schrift wordt reeds bereikt, wanneer de lezer het
bedoelde woord herkennen kan.
44. Uit het gezegde in § 9 blijkt a priori, en de ondervinding leert
a posteriori, dat geen schrift in staat is om de ware uitspraak eener
taal voor den vreemdeling kenbaar te maken. Alle schrijfwijzen, die
uitsluitend daartoe zouden moeten strekken, zijn als vruchtelooze
pogingen te verwerpen. De spelling mag niet gewijzigd worden ten
behoeve van den vreemdeling.
45. Eene aan de uitspraak volkomen adaequate spelling zou om
verschillende redenen ondoelmatig zijn.
a. Zij zou voor velen het schrijven onmogelijk maken. Immers, indien
men al de wijzigingen, die de letters ten gevolge van hare plaats en
nabuurschap ondergaan, door het schrift wilde uitdrukken, dan zou
het alphabet met een aanzienlijk getal letters moeten vergroot, of
er zouden diacritische teekens moeten uitgedacht worden. Het gebruik
dier nieuwe letters of teekens zou een fijner oor vereischen dan velen
bezitten, zoodat dezen niet zouden weten, welke teekens te kiezen.
b. Het zou voor allen, zonder uitzondering, het schrijven en
lezen noodeloos hoogst moeilijk maken. Immers, ten gevolge der
vele wijzigingen, die de letters in verschillende omstandigheden
ondergaan, zouden de voornaamste woorden der taal, namelijk al de
veranderlijke, zich telkens onder geheel verschillende vormen aan
het oog vertoonen. Geen vorm zou zich in het geheugen prenten,
en daardoor zou het gebruik der vele letters en teekens groote
oplettendheid vereischen. Een geoefende schrijft thans zonder aan
zijn schrift te denken; de letters ontvloeien als vanzelve aan zijne
pen. Zulks zou dan onmogelijk wezen. Wie schreef, zou hardop moeten
spreken om zich zelven te beluisteren, ten einde den waren klank
te kunnen treffen. Een lezer zou altijd hardop moeten lezen om het
woord te hooren, eer hij aan het geschrevene eene voorstelling wist te
verbinden, terwijl thans een telkens wederkeerende, licht herkenbare
vorm hem in staat stelt zich het bedoelde woord te denken.
c. In derivata zou de vorm der grondwoorden, in composita de vorm der
samenstellende deelen noodeloos onkenbaar worden gemaakt. Het schrift
zou dus al de voordeelen missen, die een verwijzen op de etymologie
der woorden kan opleveren.
46. De waarheid, dat het schrift de uitspraak niet volkomen juist
behoeft voor te stellen, geeft echter in geenen deele de vrijheid om
een geheel anderen klank af te beelden, dan in de beschaafde uitspraak
gehoord wordt, al ware het dat een andere spelregel, b.v. die der
Gelijkvormigheid, zulk eene afwijking scheen te vorderen. De Regel
der Beschaafde Uitspraak overheerscht uit zijnen aard alle andere
regels; daarom schrijft men b.v. koninklijk, afhankelijk, gezocht,
van koning, afhangen en zoeken; gracht voor graft, van graven.
47. Ofschoon het doel van het schrift door de eenvoudige opvolging
van den Regel der Beschaafde Uitspraak kan bereikt worden, is die
regel geenszins voldoende om in alle gevallen tot richtsnoer te
dienen. Vooreerst toch doet de doelmatigheid strengere eischen dan het
slechts mogelijke bereiken van het doel. Zij wil, dat een woord zoo
vlug doenlijk, en niet eerst na lang wikken en wegen, met zekerheid
herkend worde. Vervolgens maakt de bestaande toestand van de taal en
het letterschrift een aantal bijzondere regels noodzakelijk, die de
keus uit zoogenaamde gelijkluidende letterteekens moeten bepalen. De
Regel der Beschaafde Uitspraak behoeft derhalve andere regels onder
zich, die hem verklaren en aanvullen.
a. De regelmatigheid zou vorderen, dat men voor iederen letterklank
maar één letterteeken had, en dat ieder letterteeken slechts ééne
waarde bezat en altijd denzelfden klank vertegenwoordigde. De
bestaande toestand beantwoordt in vele opzichten niet aan die
eischen.
b. Vooreerst zijn onze letterteekens niet voor het Nederlandsch
uitgedacht; ons alphabet is van de Latijnen ontleend, en bezat
reeds bij de overneming eenige gelijkluidende letters, namelijk
de i en y, c en k, c en s, x en ks; terwijl ph, th en qu door
ons gelijkgesteld worden met f, t en kw. Vervolgens zijn eenige
oorspronkelijk zeer verschillende klanken in den mond van velen
allengs geheel gelijkluidend geworden, waardoor sommige teekens,
voor de zoodanigen althans, dezelfde waarde hebben gekregen, te
weten de zachte e en o en de scherpe ee en oo, en de tweeklanken ij
en ei. Er zijn dus voorschriften noodig, die de keus der genoemde
letters bepalen.
c. Dezelfde behoefte bestaat bij het kiezen der zoogenaamde
verwante medeklinkers, wanneer zij als sluitletters moeten
voorkomen. De zachte, de b, d en g, worden dan verscherpt en
naderen zoozeer tot de scherpe, tot de p, t en ch, dat zij in de
uitspraak niet meer van deze te onderscheiden zijn.
d. Omgekeerd moeten sommige letterteekens dienen om meer dan éénen
klank voor te stellen; gelijk blijkt ten opzichte van de a uit de
vergelijking van dàg met dágen; van de e, uit de, bèd en dégen;
van de i, uit pìn, títel en zandig enz.
e. Ofschoon het opgenoemde evenzeer tegen de doelmatigheid als
tegen de regelmatigheid aandruischt, is er nagenoeg niets aan te
veranderen. Volstrekt ongeoorloofd is het echter die gebreken
uit loutere spitsvondigheid te vermeerderen, door b.v. aan een
zelfde letterteeken noodeloos meer dan ééne waarde toe te kennen.
f. De voorschriften, die strekken moeten om een schrijver bij
het kiezen uit geheel of nagenoeg gelijkluidende letterteekens
te besturen, zijn hoofdzakelijk gegrond op den tweeden en derden
algemeenen spelregel, op dien der Gelijkvormigheid en dien der
Afleiding.
48. Wanneer een persoon steeds dezelfde kleeding draagt, en de
exemplaren eener soort van voorwerpen, b.v. werktuigen, steeds
denzelfden vorm hebben, dan zal men dien persoon en de soort, waartoe
een voorwerp behoort, lichtelijk overal en onder alle omstandigheden
herkennen. Het omgekeerde geschiedt, wanneer de persoon geheel
anders gekleed is en de gedaante van een voorwerp van den gewonen
vorm afwijkt; de herkenning heeft dan òf in het geheel niet, òf eerst
na eenig weifelen plaats. Met de woorden is het evenzoo gelegen. Wie
het woord consequentie nooit anders dan zóó gespeld heeft gezien, zal
eenige oogenblikken in twijfel staan, als hij konzekwency geschreven
vindt. Op deze psychologische waarheid steunt de tweede algemeene
spelregel, die der Gelijkvormigheid, welke in onze spelling steeds
meer en meer is geëerbiedigd geworden.