40. De Regel der beschaafde Uitspraak zal nagenoeg aldus luiden:

Stel in uw schrift de beschaafde uitspraak voor; d.i. geef door

letterteekens al de bestanddeelen op, die in een woord gehoord worden,

wanneer het door beschaafde lieden zuiver wordt uitgesproken; en kies

in gevallen, waarin de juiste uitspraak niet kan worden voorgesteld,

het naastbijkomende letterteeken.

a. De bedoeling der woorden beschaafd en zuiver is duidelijk.--De

beperking van den regel tot het volgen van de beschaafde

uitspraak ziet natuurlijk alleen op die woorden, waarvan naast

de betrekkelijk algemeene, d.i. door het gansche land bij velen

en juist bij de beschaafdsten gebruikelijke uitspraak nog eene

plaatselijke of gewestelijke bestaat. De regel wil, dat men alsdan

de algemeene uitspraak zal volgen, op grond, dat het bijzondere

voor het algemeene moet wijken, en eene schrijfwijze, die eene

slechts plaatselijke uitspraak voorstelt, dikwijls niet overal

zou begrepen worden.--Van vele woorden bestaat slechts ééne,

en dus eene volstrekt algemeene uitspraak; deze is dan vanzelve

tevens de beschaafde, waarop de regel doelt. Wanneer technische

woorden, uitsluitend bij kunstenaars, werklieden enz. in gebruik,

maar bij het algemeen niet bekend, slechts op ééne wijze worden

uitgesproken, dan is deze vanzelve de normale. Doch worden

zij--doorgaans bastaardwoorden--verschillend uitgebracht,

dan is natuurlijk de minst verbasterde als de beschaafdste te

beschouwen. Zoo heet b.v. het leder achter in laarzen of schoenen,

dat dient om aan de hielen stevigheid te geven (fr. contrefort),

bij de schoenmakers komfoor, komfoord of komfoort; volgens den

regel moet de laatste uitspraak, mv. komfoorten door de spelling

voorgesteld worden.

b. Het woord zuiver moet dienen om aan eene uitspraak, die ten

gevolge van organische gebreken of verkeerde gewoonten letters

verwisselt, weglaat of invoegt, en dus onzuiver is, allen invloed

op de spelling te ontzeggen.

Gemaakt, pedant, lispelend of galmend spreken is, hoezeer ook

af te keuren, iets anders dan onzuiver spreken. Zoolang in

eene gemaakte uitspraak dezelfde bestanddeelen worden gehoord

als in eene natuurlijke, heeft zij geen nadeeligen invloed

op de spelling. Waarschuwingen daartegen behooren te huis

in eene Uitspraakleer (Orthoëpie), niet in eene Spellingleer

(Orthographie).

Eerst wanneer zij letters weglaat, invoegt of verwisselt, houdt

zij op zuiver te zijn, en verliest zij het recht om zich in eene

spellingleer te doen gelden.

c. De Regel der Uitspraak vloeit geheel en onmiddellijk voort uit

het wezen en het doel van het schrift. Hij is daarom de hoofd-

en grondregel der Spelling. Alles wat met dien regel strijdt, is

tevens strijdig met het wezen en de bestemming van het schrift. Uit

dien hoofde kan hij wel door andere regels verklaard en nader

bepaald, maar niet weersproken worden, en is elke regel, die

tegen dezen strijdt, van het theoretische standpunt, te verwerpen.

De practijk echter kan gewichtige redenen hebben om zoodanige

regels, wanneer zij eenmaal bestaan, als geldig te erkennen.

41. Uit de verhouding der beschaafde uitspraak tot de overige dialecten

volgt, dat alleen zij beslist, en dat de andere dialecten slechts in

twijfelachtige gevallen eene raadgevende stem kunnen hebben. Wanneer

eene plaatselijke of gewestelijke uitspraak in strijd is met de

afleiding, de regelmaat of wel met eenigen anderen regel, uit dien

der beschaafde uitspraak afgeleid, dan mag zij op de spelling geen

invloed oefenen.

De noodzakelijkheid dezer bepaling vloeit reeds voort uit den

strijd der dialecten. Het is vanzelf onmogelijk gelijktijdig

aan de eischen van alle te voldoen; en één bijzonder dialect te

bevoorrechten, verbiedt de billijkheid.

42. Bij eene oppervlakkige beschouwing schijnt eene volkomen

nauwkeurige afbeelding der beschaafde uitspraak door het schrift zeer

wenschelijk en ook wel mogelijk. In de practijk echter blijkt spoedig,

dat het ondoenlijk is, eenig dialect, welk ook, volkomen juist voor

te stellen. Reeds terstond ziet men, dat de eigenaardigheden in de

spraak der bijzondere personen, die ook in de beschaafde uitspraak

blijven bestaan, onmogelijk kunnen aangeduid worden. Het schrift stelt

dus van niet één individu de uitspraak geheel nauwkeurig voor; het kan

uit zijnen aard slechts een middelweg houden tusschen de individueele

eigenaardigheden. Doch ook op dezen weg ontmoet het schrift bijna

onoverkomelijke zwarigheden in de wijzigingen der meeste letterklanken,

veroorzaakt deels door den invloed der naburige letters, deels door

hunne plaats vooraan, achteraan of in het midden der woorden.

a. De letters, bij welke die invloeden zich het duidelijkst doen

gevoelen, zijn de n en de zachte onder de zoogenaamde verwante

medeklinkers, met name de b, d, g, v, en z.

b. De n klinkt geheel anders in zoon en mijn dan in tang en dank,

of in franje, kransje, hondje.

c. De b, d, g, v, en z worden aan het einde eener lettergreep en

in de nabuurschap van sommige andere, inzonderheid van scherpe

letters, zóózeer verscherpt, dat zij geheel of nagenoeg als p, t,

ch, f en s luiden, de v en z meestal zelfs in f en s overgaan. Men

vergelijke been met schub, krab, hebt, hebzucht; daar met raad,

gids en blijdschap; goot met oog, oogtand en zegt; vel met diev

(dief), leevt (leeft) en ontvangen; zeel met leez (lees), vreezt

(vreest), raadzaam en ontzinken.

d. De g wordt geheel gewijzigd, wanneer haar in hetzelfde woord

eene n voorafgaat, b.v. in tang, hij zingt.

e. Bij andere letters hebben veel fijner wijzigingen plaats, die

somtijds alleen voor een geoefend gehoor waarneembaar zijn. Men

vergelijke de w in wijn, flauw, schuw en schuwer; de s in saai,

stijfsel en raadsel; de m in man, kom, hemd, en komt; de l in land,

stoel en melk; de f in fraai en straf; de i in inkt en koning.

43. Doch is het niet mogelijk de spraak in het schrift volkomen juist

weder te geven, het is ook onnoodig en zou buitendien ondoelmatig zijn.

Eene volkomen juiste afbeelding der woordklanken is onnoodig, omdat

men in den regel schrijft voor lieden, die de taal verstaan en de

uitspraak der bedoelde woorden kennen, en die dus uit hunne kennis het

ontbrekende weten aan te vullen. De wijziging der letters volgt bij

het samenvoegende uitspreken vanzelve en behoeft daarom niet aangeduid

te worden, evenmin als in eene chemische formule de verandering der

elementen, die door hunne vermenging vanzelve ontstaat.

Het doel van het schrift wordt reeds bereikt, wanneer de lezer het

bedoelde woord herkennen kan.

44. Uit het gezegde in § 9 blijkt a priori, en de ondervinding leert

a posteriori, dat geen schrift in staat is om de ware uitspraak eener

taal voor den vreemdeling kenbaar te maken. Alle schrijfwijzen, die

uitsluitend daartoe zouden moeten strekken, zijn als vruchtelooze

pogingen te verwerpen. De spelling mag niet gewijzigd worden ten

behoeve van den vreemdeling.

45. Eene aan de uitspraak volkomen adaequate spelling zou om

verschillende redenen ondoelmatig zijn.

a. Zij zou voor velen het schrijven onmogelijk maken. Immers, indien

men al de wijzigingen, die de letters ten gevolge van hare plaats en

nabuurschap ondergaan, door het schrift wilde uitdrukken, dan zou

het alphabet met een aanzienlijk getal letters moeten vergroot, of

er zouden diacritische teekens moeten uitgedacht worden. Het gebruik

dier nieuwe letters of teekens zou een fijner oor vereischen dan velen

bezitten, zoodat dezen niet zouden weten, welke teekens te kiezen.

b. Het zou voor allen, zonder uitzondering, het schrijven en

lezen noodeloos hoogst moeilijk maken. Immers, ten gevolge der

vele wijzigingen, die de letters in verschillende omstandigheden

ondergaan, zouden de voornaamste woorden der taal, namelijk al de

veranderlijke, zich telkens onder geheel verschillende vormen aan

het oog vertoonen. Geen vorm zou zich in het geheugen prenten,

en daardoor zou het gebruik der vele letters en teekens groote

oplettendheid vereischen. Een geoefende schrijft thans zonder aan

zijn schrift te denken; de letters ontvloeien als vanzelve aan zijne

pen. Zulks zou dan onmogelijk wezen. Wie schreef, zou hardop moeten

spreken om zich zelven te beluisteren, ten einde den waren klank

te kunnen treffen. Een lezer zou altijd hardop moeten lezen om het

woord te hooren, eer hij aan het geschrevene eene voorstelling wist te

verbinden, terwijl thans een telkens wederkeerende, licht herkenbare

vorm hem in staat stelt zich het bedoelde woord te denken.

c. In derivata zou de vorm der grondwoorden, in composita de vorm der

samenstellende deelen noodeloos onkenbaar worden gemaakt. Het schrift

zou dus al de voordeelen missen, die een verwijzen op de etymologie

der woorden kan opleveren.

46. De waarheid, dat het schrift de uitspraak niet volkomen juist

behoeft voor te stellen, geeft echter in geenen deele de vrijheid om

een geheel anderen klank af te beelden, dan in de beschaafde uitspraak

gehoord wordt, al ware het dat een andere spelregel, b.v. die der

Gelijkvormigheid, zulk eene afwijking scheen te vorderen. De Regel

der Beschaafde Uitspraak overheerscht uit zijnen aard alle andere

regels; daarom schrijft men b.v. koninklijk, afhankelijk, gezocht,

van koning, afhangen en zoeken; gracht voor graft, van graven.

47. Ofschoon het doel van het schrift door de eenvoudige opvolging

van den Regel der Beschaafde Uitspraak kan bereikt worden, is die

regel geenszins voldoende om in alle gevallen tot richtsnoer te

dienen. Vooreerst toch doet de doelmatigheid strengere eischen dan het

slechts mogelijke bereiken van het doel. Zij wil, dat een woord zoo

vlug doenlijk, en niet eerst na lang wikken en wegen, met zekerheid

herkend worde. Vervolgens maakt de bestaande toestand van de taal en

het letterschrift een aantal bijzondere regels noodzakelijk, die de

keus uit zoogenaamde gelijkluidende letterteekens moeten bepalen. De

Regel der Beschaafde Uitspraak behoeft derhalve andere regels onder

zich, die hem verklaren en aanvullen.

a. De regelmatigheid zou vorderen, dat men voor iederen letterklank

maar één letterteeken had, en dat ieder letterteeken slechts ééne

waarde bezat en altijd denzelfden klank vertegenwoordigde. De

bestaande toestand beantwoordt in vele opzichten niet aan die

eischen.

b. Vooreerst zijn onze letterteekens niet voor het Nederlandsch

uitgedacht; ons alphabet is van de Latijnen ontleend, en bezat

reeds bij de overneming eenige gelijkluidende letters, namelijk

de i en y, c en k, c en s, x en ks; terwijl ph, th en qu door

ons gelijkgesteld worden met f, t en kw. Vervolgens zijn eenige

oorspronkelijk zeer verschillende klanken in den mond van velen

allengs geheel gelijkluidend geworden, waardoor sommige teekens,

voor de zoodanigen althans, dezelfde waarde hebben gekregen, te

weten de zachte e en o en de scherpe ee en oo, en de tweeklanken ij

en ei. Er zijn dus voorschriften noodig, die de keus der genoemde

letters bepalen.

c. Dezelfde behoefte bestaat bij het kiezen der zoogenaamde

verwante medeklinkers, wanneer zij als sluitletters moeten

voorkomen. De zachte, de b, d en g, worden dan verscherpt en

naderen zoozeer tot de scherpe, tot de p, t en ch, dat zij in de

uitspraak niet meer van deze te onderscheiden zijn.

d. Omgekeerd moeten sommige letterteekens dienen om meer dan éénen

klank voor te stellen; gelijk blijkt ten opzichte van de a uit de

vergelijking van dàg met dágen; van de e, uit de, bèd en dégen;

van de i, uit pìn, títel en zandig enz.

e. Ofschoon het opgenoemde evenzeer tegen de doelmatigheid als

tegen de regelmatigheid aandruischt, is er nagenoeg niets aan te

veranderen. Volstrekt ongeoorloofd is het echter die gebreken

uit loutere spitsvondigheid te vermeerderen, door b.v. aan een

zelfde letterteeken noodeloos meer dan ééne waarde toe te kennen.

f. De voorschriften, die strekken moeten om een schrijver bij

het kiezen uit geheel of nagenoeg gelijkluidende letterteekens

te besturen, zijn hoofdzakelijk gegrond op den tweeden en derden

algemeenen spelregel, op dien der Gelijkvormigheid en dien der

Afleiding.

48. Wanneer een persoon steeds dezelfde kleeding draagt, en de

exemplaren eener soort van voorwerpen, b.v. werktuigen, steeds

denzelfden vorm hebben, dan zal men dien persoon en de soort, waartoe

een voorwerp behoort, lichtelijk overal en onder alle omstandigheden

herkennen. Het omgekeerde geschiedt, wanneer de persoon geheel

anders gekleed is en de gedaante van een voorwerp van den gewonen

vorm afwijkt; de herkenning heeft dan òf in het geheel niet, òf eerst

na eenig weifelen plaats. Met de woorden is het evenzoo gelegen. Wie

het woord consequentie nooit anders dan zóó gespeld heeft gezien, zal

eenige oogenblikken in twijfel staan, als hij konzekwency geschreven

vindt. Op deze psychologische waarheid steunt de tweede algemeene

spelregel, die der Gelijkvormigheid, welke in onze spelling steeds

meer en meer is geëerbiedigd geworden.

De grondbeginselen der Nederlandsche spelling Regeling der spelling voor het woordenboek der Nederlandsche taal · 第 12 / 30 题