HOE MÉÉRWAARDE KAPITAAL WORDT.

Het geval dat de méérwaarde, in haar geheel, door den kapitalist

individueel wordt geconsumeerd, is uitzondering. De meerwaarde

verandert, minstens voor een deel, weder in kapitaal. "Aanwending

van méérwaarde of terugverandering van méérwaarde in kapitaal, is:

akkumulatie van kapitaal.

"Beschouwen wij dit proces, in de eerste plaats van het standpunt van

den individueelen kapitalist. Een spinner heeft bijv. een kapitaal van

10,000 pd. St. uitgelegd, waarvan 4/5 in katoen, machines etc., het

laatste vijfde in arbeidsloon. Hij produceert jaarlijks 240,000 pond

garen, ter waarde van 12,000 pd. St. Bij een percentage van méérwaarde

van 100 proc., steekt de méérwaarde in het meerprodukt of nettoprodukt

van 40,000 pond garen, een zesde gedeelte van het brutoprodukt, tot

een waarde van 2000 pd. St., dat door den verkoop gerealiseerd moet

worden. Een waardesom van 2000 pd. St., is gelijk een waardesom van

2000 pd. St. Men kan het echter, noch dat geld aanzien noch kan men

het eraan ruiken, dat het méérwaarde is. Het karakter van een waarde

als méérwaarde toont aan, hoe het tot zijn eigenaar kwam, maar het

verandert daardoor niets, aan den aard van die waarde of van het geld.

"Om nu de nieuw gewonnen som van 2000 pd. St., in kapitaal

om te zetten, zal dus de spinner,--alle andere omstandigheden

gelijkblijvend,--vier-vijfde daarvan uitleggen in den aankoop van

katoen etc. en een vijfde in den aankoop van nieuwe spinners, die

op de markt, de levensmiddelen vinden zullen, welker waarde hij

hen voorgeschoten heeft. Dan fungeert dat nieuwe kapitaal van 2000

pd. St. in de spinnerij, en brengt zijnerzijds weder een méérwaarde

van 400 pd. St. voort."...

"Het is dus de oude geschiedenis: Abraham gewan Izaäk, Izaäk gewan

Jakob enz. Het oorspronkelijke kapitaal van 10,000 pd. St., brengt

een méérwaarde van 400 pd. St. voort, deze, wederom gekapitaliseerd,

aldus in een tweede toegevoegd kapitaal veranderd, brengt een nieuwe

méérwaarde van 80 pd. St. voort, enz."

"De oorspronkelijke verandering van geld in kapitaal, voltrekt zich

alzoo in de nauwkeurigste overeenstemming, met de economische wetten

van de warenproduktie en met het uit hen afgeleid eigendomsrecht. In

weerwil daarvan, leidt zij tot het volgende resultaat:

"1) Dat het produkt den kapitalist toebehoort en niet den arbeider;

"2) Dat de waarde van dit produkt, buiten de waarde van het uitgelegde

kapitaal, eene méérwaarde bevat die den arbeider arbeid, maar den

kapitalist niets gekost heeft en die, desniettegenstaande het eigendom

van den kapitalist wordt;

"3) Dat de arbeider zijn arbeidskracht behouden heeft en ze opnieuw

verkoopen kan, zoodra hij daarvoor een kooper vindt."....

"Dit resultaat wordt onvermijdelijk, zoodra de arbeidskracht door

den arbeider-zelf, als waar, dus vrij wordt verkocht. Maar ook

van deze stonde af aan, wordt de warenproduktie de algemeene--en

wordt zij de typische produktievorm; eerst van hier af aan, wordt

elk produkt a priori voor den verkoop geproduceerd, en gaat alle

geproduceerde rijkdom door de circulatie heen. Eerst van daar, waar

de loonarbeid haren basis is, dwingt de warenproduktie zich aan

de geheele samenleving op. Maar ook eerst daar is het, dat zij al

hare verborgene krachten ontvouwt. Te zeggen, dat de tusschenkomst

van den loonarbeid de warenproduktie vervalscht, wil zeggen, dat de

warenproduktie wil zij onvervalscht blijven, zich niet ontwikkelen

mag. In dezelfde mate, zooals zij zich volgens hare eigene, immanente

wetten voortontwikkelt tot kapitalistische produktie, in diezelfde

mate slaan de eigendomswetten der warenproduktie om in wetten der

kapitalistische toe-eigening."

Marx keert zich vervolgens tegen die economisten, welke de akkumulatie

van het kapitaal verklaarden uit de "onthouding" of de "spaarzaamheid"

der kapitalisten; de z.g.n.: abstinentie- of onthoudingstheorie

van de officieele economie, door den Engelschen econoom W. Nassau

Senior het eerst geformuleerd. Deze laatste verklaarde, zegt Marx,

"ik vertaal het woord kapitaal, als produktie-instrument beschouwd,

door het woord onthouding!"

"Een deel der meerwaarde," zegt Marx, "wordt door de kapitalisten

als revenue verteerd, een ander deel als kapitaal aangewend of

geakkumuleerd.

"Bij een bepaalde hoeveelheid méérwaarde, zal een dezer deelen

zooveel te grooter zijn, naar mate het andere kleiner is. Alle

andere omstandigheden, als gelijkblijvend vooropgesteld, bepaalt

de verhouding waaronder deze verdeeling zich voltrekt, de grootte

der akkumulatie. Wie evenwel deze verdeeling onderneemt, dat is de

kapitalist. Zij is dus de handeling van zijnen wil. Van dat deel

van de door hem geheven schatting, dat hij akkumuleert, zegt men,

hij bespaart het, omdat hij het niet opeet, d. w. z. omdat hij zijne

funktie als kapitalist ermede uitoefent, n.l. de funktie om zich te

verrijken, die hem is opgelegd.

"Slechts in zooverre, als de kapitalist gepersonifieerd kapitaal is,

heeft hij eene historische waarde, en dat historische recht van

bestaan, als waarvan de geestige Lichnowsky zegt: "er geen datum

van bestaat". Slechts in zooverre, steekt zijn eigene transitive

noodzakelijkheid, in de transitive noodzakelijkheid der kapitalistische

produktiewijze. Maar in zooverre zijn dan ook, niet de gebruikswaarde

en het genot, maar de ruilwaarde en derzelver vermeerdering, de

hem voortstuwende motieven. Als fanatikus van de tot-waarde-making

der waarden, dwingt hij onbarmhartig de menschheid tot produktie,

om der produktie wille; daarvandaan dus, tot eene ontwikkeling van

de maatschappelijke produktiekrachten en tot de voortbrenging van

materieele produktievoorwaarden, welke alleen de reale basis voor eene

hoogere ontwikkelingsvorm kunnen vormen, wier grondslag de volle en de

vrije ontwikkeling van elk individu is. Slechts als personifikatie van

het kapitaal, is de kapitalist respectabel. Als zoodanig, deelt hij

met den schattenverzamelaar, de absolute tendens naar verrijking. Wat

evenwel bij dezen, eene individueele manie schijnt te zijn, is bij

den kapitalist, de werking van het maatschappelijk mechanisme, waarin

hij niets dan een drijfrad is. Buitendien maakt de ontwikkeling

der kapitalistische produktie, eene voortdurende verhooging, van

het in eene industrieele onderneming vastgelegd kapitaal, tot eene

noodzakelijkheid, en de concurrentie legt aan elken individueelen

kapitalist, de immanente wetten van de kapitalistische produktiewijze,

als uitwendige dwangwetten op de schouders. Zij dwingt hem voortdurend,

zijn kapitaal uit te breiden, ten einde het te behouden en uitbreiden

kan hij dit alleen, door middel van eene progressieve akkumulatie.

"In zooverre als zijn doen-en-laten, slechts funkties zijn van het

in hem levend, met een wil en bewustzijn begaafd zijnd kapitaal,

geldt voor hem, zijn eigen private consumptie als een roof aan de

akkumulatie van zijn kapitaal, gelijk in de italiaansche boekhouding,

privaat-uitgaven op de débetzijde van den kapitalist tegenover het

kapitaal figureeren. De akkumulatie, beteekent de verovering van de

wereld, door den maatschappelijken rijkdom. Zij breidt met de massa

van het geëxploiteerde menschen-materiaal, tegelijk, de direkte en

de indirekte heerschappij van het kapitaal uit.

"Maar deze erfzonde werkt overal door. Met de ontwikkeling der

kapitalistische produktiewijze, van de akkumulatie en van den

maatschappelijken rijkdom, houdt de kapitalist op eene bloote

incarnatie van het kapitaal te wezen."

Hij voelt een "menschelijk roeren" voor zijn eigene Adam en wordt er

zoodoende toe gestemd, de dweperij voor ascese, als een vooroordeel

van den ouderwetschen schattenverzamelaar te belachen. Terwijl de

klassieke kapitalist, de individueele consumptie als een zonde aan

zijne funktie en tegen de "onthouding" van de akkumulatie brandmerkt,

is de meer moderne kapitalist in staat, de akkumulatie als een

"ontzeggen" van het drijven naar genot, op te vatten. "Twee zielen

wonen er, ach! in zijn borst, de eene wil zich van de andere scheiden!"

"In het historische begin van de kapitalistische produktiewijze,--en

ieder kapitalistisch parvenu maakt zulk een historisch stadium,

individueel door,--zijn de drang naar verrijking en de gierigheid,

als absolute hartstochten overheerschend. Maar de vooruitgang van de

kapitalistische produktie, schept niet alleen een wereld van genot,

zij opent met de speculatie, benevens het credietwezen, duizenderlei

bronnen voor plotselinge verrijking. Op een bepaalde hoogte van

ontwikkeling, wordt eene conventioneele graad van verkwisting, die

tevens te-pronk-stelling van rijkdom en daarvandaan credietmiddel

is, zelfs tot eene noodzakelijkheid voor de affaire van den

"ongelukkigen" kapitalist. De weelde wordt een onderdeel, dat in

de representatiekosten van het kapitaal opgaat. Buitendien verrijkt

de kapitalist zich niet, gelijk de gierigaard, naar verhouding van

zijnen persoonlijken arbeid en zijne persoonlijke niet-consumptie,

maar in die mate, waarin hij vreemde arbeidskracht uitzuigt en den

arbeider onthouding van levensgenot opdwingt. Alhoewel daarom de

verkwisting van den kapitalist, niet het bona fide karakter van de

verkwisting der feodale heeren bezit, maar in haren achtergrond,

veel meer smerige gierigheid en angstiger berekening op den loer

liggen, groeit desniettegenstaande zijne verkwisting met zijne

akkumulatie aan, zonder dat de een den ander afbreuk behoeft te

doen. Daardoor ontwikkelt zich gelijktijdig in den trotschen borst

van het kapitalistisch individu, een faust-achtig conflikt, tusschen

den drang naar akkumulatie en den drang naar genot."

Marx stelt in het licht, hoe tal van omstandigheden de akkumulatie

in de hand kunnen werken en doen toenemen, door de expansiekracht van

het kapitaal te doen vergrooten, zooals de exploitatie van mijnwerken,

die van den bodem etc.

Algemeen resultaat: Terwijl het kapitaal de beide oer-vormen van den

rijkdom,--arbeidskracht en bodem--bij zich inlijft, verwijdt het zijne

expansiekracht, die hem veroorlooft de elementen zijner akkumulatie uit

te breiden ook naar de overzijde van de, schijnbaar door zijn eigen

grootte getrokken grenzen, getrokken door de waarde en de massa der

reeds geproduceerde produktiemiddelen, uit welke het zijn bestaan put.

Een andere gewichtige faktor in de akkumulatie van het kapitaal,

is de produktiegraad van den maatschappelijken arbeid.

"Met de produktiekracht van den arbeid groeit de produktenmassa aan,

waarin zich eene bepaalde waarde, alzoo ook de méérwaarde van eene

gegeven grootte, vertoont. Bij gelijkblijvende en zelfs bij dalende

voet van de méérwaarde,--in zooverre zij slechts langzamer daalt,

als de produktiekracht van den arbeid stijgt,--groeit de massa van

het meerprodukt aan. Bij gelijkblijvende verdeeling derzelve, in

revenue en toeslagkapitaal, kan daarvandaan de consumptie aangroeien,

zonder afname van het akkumulatiefonds. De proportioneele grootte

van het akkumulatiefonds kan zelfs op kosten van het consumptiefonds

aangroeien, terwijl de goedkoopermaking der waren, voor de kapitalisten

even zoo vele of meer genotmiddelen als voorheen, ter beschikking

stelt. Maar met de aangroeiende produktiviteit van den arbeid,

gaat, zooals men gezien heeft, de goedkoopermaking van den arbeider,

alzoo een aangroeiend percentage van de méérwaarde hand aan hand,

zelfs wanneer het reële arbeidsloon ook stijgt. Dit stijgt niet in

verhouding tot de produktiviteit van den arbeid. Hetzelfde variabel

kapitaal, zet alzoo meer arbeidskracht en daardoor meer arbeid in

beweging. Dezelfde constante kapitaalwaarde, belichaamt zich in méér

produktiemiddelen, d. w. z. in meer arbeidsmiddelen, arbeidsmateriaal

en hulpstoffen, levert dus zoowel meer produkten vormers, als meer

waardevormers of arbeidsopslurpers. Bij gelijkblijvende en zelfs

afnemende waarde van het toegezet kapitaal, vindt daarom bespoedigde

akkumulatie plaats. Niet alleen breidt zich de ontwikkelingstrap van

de reproduktie stoffelijk uit, maar de produktie van de méérwaarde

groeit ook sneller aan dan de waarde van het toegezet kapitaal."....

"Bij een bepaalde exploitatiegraad van de arbeidskracht"--zoo

eindigt Marx deze beschouwing--"wordt de hoeveelheid van de méérwaarde

bepaald door het getal van de gelijktijdig uitgebuite arbeiders en dit

beantwoordt, hoewel in afwisselende verhouding, aan de hoegrootheid

van het kapitaal. Hoe meer het kapitaal dus door middel van de

successievelijke akkumulatie aangroeit, des te meer groeit ook de

som van waarden aan, die zich in consumptiefonds en akkumulatiefonds

splitst. De kapitalist kan daarom flinker leven en tegelijkertijd

zich meer "ontzeggen". En tenslotte werken alle springveeren van de

produktie zooveel te energieker, naarmate hare ontwikkelingshoogte

zich, met de hoeveelheid van het voorgeschoten kapitaal, meer en

meer verwijdt."

Men zal uit deze beschouwingen bemerkt hebben, dat bij Marx, het

kapitaal geen vaste grootte heeft, maar integendeel zéér elastisch

is. Dit, in tegenoverstelling met de klassieke staathuishoudkunde die

van oudsher ervan hield om het maatschappelijk kapitaal op te vatten

als zijnde van een vaste grootte en van eene vaste werkingsgraad.

Als de typische vertegenwoordigers van die opvatting, noemt Marx

in de eerste plaats, de staathuishoudkundige Jeremias Bentham. Maar

zoowel Robert Malthus als James Mill, (de vader van John Stuart Mill)

en MacCulloch, hielden aan dit dogma van de staathuishoudkunde

vast. Zoodoende kwam de officieele economie na Adam Smith, tot

de theorie van het "arbeidsfonds". "Tot welke tautologie het voeren

moet", zegt Marx, "om de kapitalistische grenzen van het arbeidsfonds,

om te dichten in zijn maatschappelijke natuurgrenzen," leert ons

Prof. Fawcett: "Het circuleerende kapitaal van een land is zijn

arbeidsfonds. Om daarom het doorsneê-geldloon dat elke arbeider bekomt

te berekenen, hebben wij slechts eenvoudig dit kapitaal te deelen door

het getal dat de arbeidersbevolking groot is", zoo zegt deze professor.

Van den grootsten invloed was deze theorie van het "arbeidsfonds" zeer

zeker op de stelsels die men er op heeft gebouwd. Als het variabel

kapitaal van een vaste grootte is, dan is het begrijpelijk, dat er

maar een zekere hoeveelheid levensmiddelen enz. onder de twee klassen,

onder kapitalisten en arbeiders te verdeelen valt. Theoretiseert men

nu nog verder, dat van die hoeveelheid er een gedeelte afgaat, bestemd

voor het loon van de arbeiders, dat eveneens zijn vaste grootte heeft,

dan spreekt het van zelve, dat men tot conclusies kan komen gelijk

Robert Malthus er als volgt trok:

"Het getal arbeiders, dat in een land aan den arbeid kan worden

gesteld, en de hoogte van hun loon, hangen af van de hoeveelheid

der voorradige levensmiddelen. Is het loon te laag of kunnen vele

arbeiders werk vinden, dan zal dit alleenlijk daarheen leiden, dat

het getal der arbeiders zich sneller vermeerdert, dan de voorraad

levensmiddelen. Het is de natuur, niet de produktiewijze, waaraan de

ellende der arbeidersklasse moet worden geweten."

Uit deze theorie, is de z. g. n. "bevolkingswet van Malthus" geboren,

die nagenoeg door de gansche economische wetenschap echter sedert jaren

is opgegeven. In den tijd waarin Marx evenwel schreef, was zij een

dogma van de officieele staathuishoudkunde, waaraan niet mocht worden

getwijfeld. Marx is haar het eerst, en wel zoo grondig te lijf gegaan,

dat men kan zeggen, dat al wat nà hem over die "wet van Malthus" in

kritischen zin is geschreven, slechts min of meer bedekt plagiaat is

geweest, van de wijze waarop Marx aantoonde, hoe élke produktiewijze

haar eigen bevolkingsleer heeft en hoe élke phaze in de kapitalistische

produktiewijze, hare bevolkingstoestand met zich mede brengt zoo dat

aldus van "natuurlijke bevolkingswetten" geen sprake kan zijn.

In het drie-en-twintigste hoofdstuk van "Das Kapital" gaat Marx de

invloed na, die de aangroeiende akkumulatie van het maatschappelijk

kapitaal op de arbeidersklasse heeft.

"Wasdom van kapitaal," zegt hij, "sluit wasdom van zijn variabel,

of in arbeidskracht omgezet bestanddeel, in zich. Een deel

van de in het toeslagkapitaal omgezette méérwaarde, moet steeds

terug-veranderd worden, in variabel kapitaal of in het voorgeschoten

arbeidsfonds. Veronderstellen wij dat, nevens overigens gelijk gebleven

omstandigheden, de samenstelling van het kapitaal onveranderd blijft,

d. w. z. eene bepaalde massa productiemiddelen of constant kapitaal,

steeds dezelfde massa productiemiddelen vereischen om in beweging

te worden gezet, dan groeit klaarblijkelijk de vraag naar arbeid en

het substitutiefonds der arbeiders, in verhouding tot het kapitaal

zooveel te sneller aan, als het kapitaal te sneller aangroeit. Dewijl

het kapitaal jaarlijks eene méérwaarde produceert, waarvan een deel

jaarlijks tot origineel kapitaal geslagen wordt; daar dit inkrement

[aanwas] zelf jaarlijks aangroeit met den toenemenden omvang van het

bereids in funktie gestelde kapitaal, en daar eindelijk, onder de

bijzondere spoorslag van den drang naar verrijking, zooals bijv. het

openen van nieuwe markten, nieuwe spheren van kapitaalbelegging--als

gevolg van nieuw-ontwikkelde maatschappelijke behoeften enz.--de

ontwikkelingshoogte van de akkumulatie plotseling uitzetbaar kan

worden, door enkel veranderde verdeeling van de méérwaarde of het

meerprodukt in kapitaal en revenue; kunnen de akkumulatie-behoeften van

het kapitaal, de aangroeing van de arbeidskrachten of van het aantal

arbeiders, de vraag naar arbeiders hunnen toevoer overvleugelen, en

zullen daarvandaan de arbeidsloonen stijgen.... "De meer of minder

gunstige omstandigheden, waarin de loonarbeiders zich in het leven

houden en vermeerderen, veranderen niets, aan het grondkarakter van

de kapitalistische produktiewijze. Zooals de eenvoudige reproductie,

voortdurend de kapitaalsverhoudingen zelven reproduceert,--kapitalisten

aan den eenen kant, loonarbeiders aan den anderen,--zoo reproduceert

de reproductie op uitgebreider schaal of de akkumulatie, de

kapitaalsverhoudingen op uitgebreider schaal, in meer kapitalisten,

of grootere kapitalisten aan de ééne pool, meer loonarbeiders aan

de andere. De reproduktie van de arbeidskracht, die zich bij het

kapitaal onophoudelijk als een middel tot waardevorming moet doen

inlijven, die niet van hem loskomen kan, en welker onderhoorigheid aan

het kapitaal alleen verduisterd wordt, door de verwisseling van den

individueelen kapitalist waaraan zij zich verkoopt,--vormt inderdaad

maar een moment in de reproduktie van het kapitaal-zelf. Akkumulatie

van kapitaal is dus tevens vermeerdering van het proletariaat"....

"De wet van de kapitalistische produktie, die klaarblijkelijk aan de

"natuurlijke bevolkingswet" ten grondslag ligt, komt eenvoudig hierop

neer. De verhouding tusschen kapitaal, akkumulatie en de percentage

van het loon, is niets dan de verhouding tusschen den onbetaalden, in

kapitaal omgezetten arbeid en de tot beweging van het toeslag-kapitaal

benoodigde hoeveelheid toegevoegden arbeid. Zij is dus geenszins

een verhouding van twee van elkander onafhankelijke grootheden:

eenerzijds de grootte van het kapitaal, anderzijds het getal van de

arbeidersbevolking; zij is veelmeer in laatste instantie, de verhouding

tusschen den onbetaalden en den betaalden arbeid, van dezelfde

arbeidersbevolking. Groeit de hoeveelheid der door de arbeidersklasse

geleverden, en door de kapitalistenklasse geakkumuleerden onbetaalden

arbeid, snel genoeg aan, om slechts door eene buitengewone toeslag van

betaalden arbeid, zich om te kunnen zetten in kapitaal, dan stijgt het

loon, en, al het andere gelijkgebleven, neemt de onbetaalde arbeid dan

in verhouding af. Zoodra evenwel deze afname het punt beroert, waar de,

het kapitaal voedende méérwaarde, niet meer in normale hoeveelheid

aangeboden wordt, dan treedt er eene reaktie in: een geringer deel

van de revenue wordt gekapitaliseerd, de akkumulatie verlamt en

de stijgende loonbeweging verkrijgt een terugslag. De verhooging

van den arbeidsprijs, blijft dus eng besloten binnen grenzen,

welke de grondslagen van het kapitalistisch systeem niet alleen

onaangetast laten, maar ook nog zijne reproduktie op aangroeiende

schaal blijven verzekeren. Deze in een natuurwet gemystificeerde, wet

van de kapitalistische akkumulatie, wil dus feitelijk slechts zeggen,

dat hare aard, elke zoodanige afname in den exploitatiegraad van den

arbeid of elke zoodanige verhooging van den arbeidsprijs uitsluit,

welke de gestadige reproduktie van de kapitaalsverhoudingen en hunne

reproduktie op steeds uitgebreider schaal, ernstig in gevaar kunnen

doen brengen. Dit kan niet anders zijn, onder een produktiewijze,

waarin de arbeiders voor de behoeften van de waarde-schepping der

voorradige waarden bestaan, in plaats van omgekeerd, dat de belichaamde

rijkdom er voor de ontwikkelingsbehoefte van de arbeiders is. Zooals

de mensch, in den godsdienst door het maaksel van zijn eigen hoofd,

zoo wordt hij onder de kapitalistische produktiewijze, door het

maaksel zijner eigene handen beheerscht."

Karl Marx en zijne voorgangers · 第 62 / 72 题