bekleedt, waaraan bij Marx een zevental beschrijvende hoofdstukken zijn
gewijd, die historisch en economisch zeker behooren, tot het grootste
wat op dit gebied is verricht. Zijne onderzoekingen daaromtrent,
benevens die omtrent de verdeeling van den arbeid, haar ontstaan en
hare ontwikkeling in de periode der Manufaktuur, de machinerie en de
groot-industrie, vormen de klassieke gedeelten uit het eerste deel
van "Das Kapital". Hunne economische en historische waarde, wordt
door geen staathuishoudkundige van eenig gezag meer ontkend. In dat
opzicht, is zijn groote werk dan ook eene voortzetting geweest, van
Adam Smith's beroemde "Wealth of the Nations" (Rijkdom der volkeren).
"De kapitalist,"--zegt Marx, aan den aanvang van de behandeling der
"Arbeidsdag",--"heeft de arbeidskracht tot hare dagwaarde gekocht. Hem
behoort dus hare gebruikswaarde toe, gedurende een arbeidsdag. Hij
heeft dus óók het recht verkregen den arbeider, gedurende dien dag,
voor zich te laten arbeiden. Maar wat is een arbeidsdag? In elk geval
minder dan een natuurlijken levensdag. En hoeveel minder? De kapitalist
(natuurlijk is hier sprake van den ondernemer in het algemeen), heeft
zijn eigen inzichten omtrent dit ultima thule, de noodzakelijke grenzen
van den arbeidsdag. Als kapitalist is hij slechts gepersonifieerd
kapitaal. Zijn ziel is de kapitalistenziel. Het kapitaal kent
slechts één levensaandrift, de aandrift zich in waarden om te
zetten; méérwaarde voort te brengen, en met zijn konstant gedeelte,
de produktiemiddelen, de grootst mogelijke massa meerarbeid in zich
op te zuigen. Kapitaal is gestorven arbeid, die op vampyr-achtige
wijze opleeft, door opzuiging van levenden arbeid en er zoo veel te
meer van leeft, naarmate het meer daarvan in zich opzuigt. De tijd
waarin de arbeider werkt, is de tijd waarin, door den kapitalist de
van hem gekochte arbeidskracht, wordt verbruikt"....
..."Van zeer elastische grenzen hier afgezien, worden er door
den aard der warenruil zelf, geen grenzen van den arbeidsdag, dus
ook geen grenzen van de meerwaarde getrokken. De kapitalist staat
op zijn recht als kooper, wanneer hij den arbeidsdag zoo lang als
mogelijk is maakt, en, zoo mogelijk uit eenen arbeidsdag, er twee
tracht te maken. Aan den anderen kant, houdt de specifieken aard van
de verkochte waar (arbeidskracht) een grens van haar verbruik door
den kooper in, terwijl de arbeider op zijn recht staat als verkooper,
wanneer hij den arbeidsdag tot op eene bepaalde minimum-grootte tracht
te beperken. Hier is dus een antimonie voorhanden; recht tegenover
recht, beiden gelijkmatig bezegeld door de wet van den warenruil. En
zoo is dan ook in de geschiedenis der kapitalistische produktiewijze,
de normeering van den arbeidsdag, tot een strijd om de grenzen van den
arbeidsdag geworden; een strijd tusschen de gezamenlijke kapitalisten,
d. w. z. tusschen de klasse der kapitalisten en de gezamenlijke
arbeiders of de arbeidersklasse."
Voor het eerst is men in Engeland, en wel in 1843, begonnen den
arbeidsdag wettelijk vast te stellen, nadat bijna een halve eeuw lang
de arbeiders in dat land daarvoor gestreden hadden en het bitterst
daarin door de economen zijn tegengewerkt geworden.
"Desniettemin," zegt Marx, "heeft het principe gezegevierd en in
de groot-industrietakken, die zelve de schepping zijn der moderne
produktiewijze, was zijne wondervolle ontwikkeling, die hand aan
hand is gegaan, met de moreele wedergeboorte der fabrieksarbeiders,
zelfs voor blinden te zien."
De economische beteekenis van den arbeidsdag voert ons tot eene
beschouwing van