Tot nu toe, hebben wij gezien hoe de kapitalist zijn meerwaarde
vormt: uit onbetaalden arbeidstijd. Deze nu noemt Marx de: absolute
méérwaarde. Maar het spreekt van zelf, dat er nog een andere soort
moet bestaan; dit bleek ons reeds uit het exposé van de gansche
warencirculatie. Wij hebben gezien, dat de meerwaarde voortkomt uit
den onbetaalden arbeidstijd. Hare bron zit in den arbeidsdag. De
arbeidsdag kan echter niet tot in het oneindige verlengd worden. Aan
het streven der kapitalisten, hem te verlengen, worden grenzen gelegd,
zoowel van moreelen, als van politieken aard. "De door verlenging
van den arbeidsdag voortgebrachte meerwaarde noem ik," zegt Marx,
"absolute meerwaarde; de meerwaarde daarentegen, die uit de verkorting
van den noodwendigen arbeidstijd en de daarmede overeenstemmende
verandering, in de hoegrootheidsverhouding der beide bestanddeelen
van den arbeidsdag voortkomt: relatieve meerwaarde.
"Om de waarde van de arbeidskracht te doen dalen, moet de stijging der
produktiekrachten die industrietakken aangrijpen, welker produkten de
waarde der arbeidskracht bepalen; die dus noch tot den kring van de
door de gewoonte vastgestelde levensmiddelen behooren, noch daarvoor in
de plaats kunnen treden. De waarde eener waar, wordt echter niet alléén
bepaald door het kwantum arbeid, hetwelk haar den laatsten vorm doet
verkrijgen, maar evenzoogoed, door de massa der produktiemiddelen,
die zij in zich bevat. Bijv. de waarde van een paar schoenen,
wordt niet alleen door den arbeid des schoenmakers, maar ook door
de waarde van het leder, het pek, draad enz. bepaald. Stijging van
de produktiekracht en de daarmede gepaard gaande goedkoopermaking
der waren, in de industrieën welke de stoffelijke elementen van
het constant-kapitaal, de arbeidsmiddelen en het arbeidsmateriaal,
tot voortbrenging der noodzakelijke levensmiddelen leveren, doen dus
eveneens de waarde van de arbeidskracht dalen."....
"De goedkooper geworden waar, doet natuurlijk de waarde der
arbeidskracht, slechts pro tanto, d. w. z. alleen maar in die
verhouding, waarin zij in de reproduktie van de arbeidskracht
overgaat, dalen. Hemden bijv., zijn een noodzakelijk levensmiddel,
maar een van de velen. Hunne goedkoopermaking, vermindert alleen de
uitgaven der arbeiders voor hemden. De totaalsom van de noodzakelijke
levensmiddelen bestaat echter uit verschillende waren, louter produkten
van de bijzondere industrieën, en de waarde van ieder dier waren,
vormt steeds een zich gelijkverdeelend deel, van de waarde der
arbeidskracht. Deze waarde neemt af, met de tot hare reproduktie
noodzakelijken arbeidstijd, welker totaalverkorting gelijk is
aan de som van hare verkortingen, in alle bijzondere takken van
voortbrenging."....
"De waarde der waren, staat in omgekeerde verhouding tot de
produktiekracht van den arbeid. Evenzoo,--omdat zij door de waarde der
waren bepaald wordt,--de waarde der arbeidskracht. Daarentegen staat
de relatieve meerwaarde, in direkte verhouding tot de produktiekracht
van den arbeid. Zij stijgt met stijgende- en daalt, met dalende
produktiekracht. Een maatschappelijke doorsneê-arbeidsdag van 12
uren, geldswaarde als gelijkblijvend verondersteld, produceert steeds
hetzelfde waardeprodukt van 6 Shilling, hoe deze som van waarden zich
ook immer moge verdeelen, tusschen het aequivalent voor de waarde
der arbeidskracht en de meerwaarde. Dalen evenwel, ten gevolge van de
gestegen produktiekracht der waarden, de dagelijksche levensmiddelen
en dientengevolge, de dagelijksche waarde der arbeidskracht van 5
shilling op 3 sh., dan rijst de meerwaarde van 1 sh. op 3 sh. Ten
einde de waarde der arbeidskracht te reproduceeren, waren er 10 en
zijn er thans nog slechts 6 arbeidsuren vrij gekomen en kunnen deze
bij de domeinen van den meerarbeid worden ingelijfd. Het is daarom
de immanente drijfveer en de gestadige tendens van het kapitaal, de
produktiekracht der arbeid te doen stijgen, en te dien einde de waar,
en door de goedkoopermaking van de waar, den arbeider-zelve goedkooper
te maken."
Een verhooging van de produktiekracht van den arbeid, die
van verkorting van den arbeidsdag het noodwendige gevolg moet
zijn, is echter alleen mogelijk, door eene verandering van de
produktiewijze, door verbetering van de arbeidsmiddelen en van de
arbeidsmethoden. Produktie van relatieve meerwaarde, heeft dus tot
voorwaarde, eene revolutie van het arbeidsproces.
"De produktie van de absolute meerwaarde," zegt Marx verder, "draait
zich slechts om de lengte van den arbeidsdag; de produktie van de
relatieve meerwaarde, revolutioneert door en door de technische
processen van den arbeid en de maatschappelijke groepeeringen.
"Zij veronderstelt dus eene specifiek-kapitalistische produktiewijze,
die, met hare methoden, middelen en voorwaarden zelven eerst op den
grondslag van de formeele subsumtie van den arbeid onder het kapitaal,
op natuurlijke wijze ontstaat en verder ontwikkeld wordt"....
"Wij zien dan ook bij stijgende produktiekracht van den arbeid, het
percentage van de meerwaarde aanhoudend stijgen, terwijl de waarde van
het produkt daalt. Zoo zien wij in de kapitalistische produktiewijze,
in hare specifiek groot-industrieele uiting, den oogenschijnlijken
tegenspraak zich ontwikkelen, dat de kapitalisten onophoudelijk zich
moeite geven, steeds goedkooper te produceeren, d. w. z. de waarde
der waren steeds te doen dalen, terwijl zij daarbij steeds meer
waarde, zich toe-eigenen kunnen. Wij zien ook dat, hoe grooter de
produktiekracht van den arbeid, des te grooter wordt de meerwaarde,
de overschietende arbeidstijd van den arbeider. De kapitalistische
produktiewijze streeft er naar, de produktiekracht van den arbeider
reusachtig te doen stijgen, den noodwendigen arbeidstijd tot op een
minimum te reduceeren, maar gelijktijdig evenwel, den arbeidsdag zoo
veel als mogelijk is te verlengen."