VERANDERING VAN GELD IN KAPITAAL.

Wij hebben de ontwikkeling van de warencirculatie uit de produktenruil

nagegaan en eveneens hebben wij den kringloop dier beweging

gadegeslagen. Welke is evenwel hare drijfkracht? De beweegreden

der kringloop: Waar-Geld-Waar, is duidelijk; is daarentegen die van

Geld-Waar-Geld niet zinneloos? Neen, zij zou zinneloos zijn, wanneer

de geldsom aan het einde van de transaktie, niet eene andere was,

dan die aan het begin daarvan. De kringloop G-W-G, heeft dus maar

één doel: de geldsom waarmede hij eindigt grooter te doen worden,

dan die, waarmede hij aanving. Deze vermeerdering is inderdaad het

drijvende motief in dien kringloop.

Wij komen dus, nadat het proces zijn bekenden gang is gegaan, voor

de formule:

G-W - (G + g) te staan.

Dit "g", de toegevoegde waarde die boven en uit de oorspronkelijk

voorgeschoten waarde, aan het einde van den kringloop voor den

dag komt, noemt Marx: de Meerwaarde. Die laatste moet met hare

verschijningsvorm en winst, rente etc. evenmin verward worden, als de

waarde eener waar, met haren prijs. Want evenals daar, gaat het hier om

de grondslagen en niet om de uiterlijke vormen, de verschijningsvormen,

waaronder de economische verhouding aan het daglicht treedt.

"De waarde wordt aldus tot processeerende waarde, processeerend geld

en als zoodanig tot kapitaal. Dit komt uit de circulatie vandaan,

gaat weder in haar onder en verveelvoudigt zich in haar; keert

vergroot uit haar terug en begint denzelfden kringloop weder van

voren af aan. G-G, geldbarend geld--"money which begets money",--zoo

luidde de beschrijving van het kapitaal, in den mond van zijn eerste

wegwijzers, de merkantilisten reeds, zegt Marx.

"Koopen om te verkoopen, of vollediger, koopen om duurder te verkoopen,

G-W-G, schijnt wel-is-waar slechts eene vorm aan het koopmanskapitaal

eigen, maar ook het industrieele kapitaal is geld, dat zich verandert

in waren en door den verkoop de waren, in meer geld terug-verandert."

Wij zien hieruit en ook uit hetgeen voorafging, dat dus niet alle

geld, niet elke Waar kapitaal is; dat deze dingen alleen dan tot

kapitaal worden, wanneer zij een bepaalde beweging doormaken; wanneer

zij dienen om een méér-produkt in het leven te roepen: méér-waarde

geboren te doen worden. Deze beweging heeft ook op haren beurt,

weder bepaalde historische voorwaarden.

Wat Marx ons hier ook heeft doen zien, dat is, dat het niet waar is,

gelijk het in den gewonen akademisch-staathuishoudkundigen vorm luidt,

dat opgehoopte arbeid en produktiemiddelen, kapitaal zijn tout court,

maar dat dezen dan eerst tot kapitaal worden, als zij voldoen aan

zekere voorwaarden van historische en van maatschappelijken aard,

waaronder de voornaamste deze is: dat zij in beweging worden gezet,

om méérwaarde voort te brengen.

Uit welken bron ontspringt nu deze méérwaarde? Men zou zoo oppervlakkig

zeggen, doordien de een van zijn macht (slimheid, ervaring enz.),

gebruik maakt om zijn tegenpartij te misleiden; overmacht van welken

aard ook. Zulk eene verklaring, die op zich-zelf al zeer weinig

bewijst, is bovendien economisch van niet de minste beteekenis,

daar een ieder, gelijk wij gezien hebben, bij afwisseling kooper en

verkooper is. Bovendien kan toepassing van overmacht enz. wel de een

voor een oogenblik zich-zelve doen verrijken, maar zij is absoluut

niet in staat de door beiden bezeten totaal-som, alzoo de som van

de circuleerende waarden, te doen vermeerderen. Wij verklaren er

dus niet anders mede, dan eene verplaatsing van de te deelen som

aan waarden, zonder meer. "De verandering van geld in kapitaal,"

concludeert Marx, "moet worden verklaard, op den grondslag van de

in den warenruil zich bevindende immanente wetten, zóó, dat de ruil

van aequivalenten, ons daarbij steeds als uitgangspunt dient. Onze,

nog slechts als kapitalistenrups aanwezig zijnde geldbezitter, moet

de waren tegen hunne waarde koopen, tegen hunne waarde verkoopen

en desniettegenstaande moet hij aan het einde van dit proces, méér

waarde eruit halen, dan dat hij erin wierp."......

De oplossing dier vraag, is nevens die der waardetheorie, de spil van

het systeem van analyse, dat Marx toegepast heeft bij het onderzoek

van de kapitalistische produktiewijze. Zij bevat de ontdekking van een

faktor, die de waarde voortdurend vergroot; bron van waarde is, terwijl

zij zelve tegen hare waarde wordt gekocht door den kapitalistischen

ondernemer, die op de warenmarkt komt, om deze eigenaardige Waar op

te doen, alwaar hij den verkooper van die Waar te ontmoeten weet, die

dezen aan niemand anders, dan aan hem slijten kan. Deze Waar is die

der arbeidskracht namelijk, die wij vroeger reeds hebben leeren kennen.

De bron der meerwaarde nu is te vinden, in den arbeidstijd, welke

de ondernemer, de kapitalist, den arbeider voor zich laat arbeiden,

boven den tijd welke noodig is om de waarde voort te brengen, die

hij zelf kostte.

"Het kapitaal", zegt Marx "heeft de meerarbeid niet

uitgevonden. Overal, waar een deel der samenleving het monopolie

der produktiemiddelen bezit, moet de arbeider, vrij of onvrij, aan

de tot zijn onderhoud noodzakelijke arbeidstijd een overschot van

arbeidstijd toevoegen, ten einde de levensmiddelen voor de eigenaars

der produktiemiddelen voort te brengen."

"Méérarbeid, arbeid boven den tot zelfbehoud van den arbeider

noodzakelijken tijd, en toeëigening van het produkt dezer méérarbeid

door anderen, uitbuiting van den arbeid dus, is aan alle tot nu

bestaan hebbende maatschappelijke vormen, voor zoover zij zich in

klassetegenstellingen bewogen hebben, gemeenzaam geweest. Maar eerst

wanneer het produkt dezer meerarbeid, de vorm van meerwaarde aanneemt,

wanneer de eigenaar der produktiemiddelen, den vrijen arbeider--vrij

van sociale banden en vrij van eigen bezit!--als voorwerp van

uitbuiting tegenover zich vindt en hem uitbuit, tot het doel van

de produktie van waren, eerst dàn neemt dit produktiemiddel, het

specifieke karakter van kapitaal aan. En dit is op groote schaal eerst

geschied, aan het einde van de 15e, en aan het begin van de 16e eeuw."

Karl Marx en zijne voorgangers · 第 46 / 72 题