Wij zagen, dat de waardegrootte eener Waar wordt bepaald
door de tot hare voortbrenging benoodigde hoeveelheid,
maatschappelijk-noodzakelijken arbeidstijd. Maar daarin drukt zich de
waardegrootte evenwel niet uit. Men zegt niet: deze jas is veertig
arbeidsuren waard, maar hij is zoo en zooveel waard, bijv. zooveel
als 20 el linnen of als 10 gram goud. De waardegrootte wordt dus wel
bepaald, door de hoeveelheid van de maatschappelijk-noodzakelijken
arbeid, die er aan moet worden besteed, maar zij wordt uitgedrukt in
en door hare ruilverhouding. Er moet dus ook een zekere maat zijn,
een zeker medium, waardoor de ruil der waren kan geschieden en
die de uitdrukking der verhouding, van de waren onderling, in zich
belichaamt. Marx noemt dit het aequivalent, en den vorm waarin de
verhouding van de gebruikswaarden, als ruilprodukten zich wederzijds
uitdrukken, de aequivalentvorm der waren.
Dit aequivalent treedt het minst naar den voorgrond in de perioden der
eenvoudigen warenruil; maar hoe ingewikkelder de produktieverhoudingen
worden, zooveel te minder kunnen waren als zulke aequivalentvormen
voldoen, zooals dat in primitieve maatschappijen, met primitieve
produktiewijzen: eenvoudige vorm van landbouw en bedrijf, eenvoudige
warenhandel enz., het geval is geweest.
Hoe langer hoe meer dus de warenruil zich ontwikkelde, hoe meer
arbeidsprodukten tot waren werden, des te noodzakelijker werd een
algemeen aequivalent. In den aanvang van den ruil, ruilt een elk
datgene wat hij niet noodig heeft, onmiddellijk tegen datgene in
wat hij wèl noodig heeft. Dat wordt natuurlijk steeds moeilijker,
naarmate de warenproduktie steeds meer de algemeene vorm werd van de
maatschappelijke produktie. Er moest door deze ontwikkeling dus een
Waar komen, die een ieder gebruiken kon, een algemeene aequivalent
dus, eene onmiddellijke belichaming tevens van de waarde, die tevens
a priori gebruikswaarde voor elkeen bezit. En die ontstond in den
geldvorm.
In den loop der tijden zijn verschillende dingen in dezen rol
opgetreden, bijv. vee, slaven, wapens enz., het laatst: edele
metalen. Dat de geldvorm van goud en zilver, ten slotte de meest
bruikbare werd voor eene, reeds op eene zekere hoogte van beschaving
staande samenleving, met een reeds ontwikkelde warenproduktie en een
vrij omvangrijk warenverkeer, vindt hare oorzaak in verschillende
omstandigheden. Voor een deel mag dit hieraan te wijten zijn geweest,
dat pronk en pronkvoorwerpen reeds van oudsher als gewichtige
ruilvoorwerpen dienst hebben gedaan; maar hoofdzakelijk besliste
hier de omstandigheid, dat goud en zilver, door de maatschappelijke
funkties, die zij als algemeen waren-aequivalent bezitten, het best
aan dat doel beantwoordden, door hunne natuurlijke eigenschappen. Ten
eerste zijn de edele metalen steeds van gelijke kwaliteit en lossen
zij zich, noch in lucht, noch in water op; zij zijn dus praktisch
niet veranderlijk. Ten tweede kunnen zij naar willekeur gedeeld en
samengesteld worden.
Goud en zilver, konden het monopolie van als algemeen aequivalent
te dienen, slechts daardoor verkrijgen, doordien zij als waren,
tegenover de andere waren, konden komen te staan. Zij konden dus
alleen geld worden, omdat zij waren vertegenwoordigden. Het geld
is dus, noch uitgevonden door zekere soorten van menschen, noch is
het geld een bloot waardeteeken. De waarde van het geld en zijn
bepaalde maatschappelijke funkties, zijn niet willekeurig in het
leven geroepen. De edele metalen werden tot geldwaren, door de rol,
die zij als waren in het ruilproces speelden en nog spelen.
De eerste funktie van het geld, bestaat dus hierin, als waardemaatstaf
te dienen. De waren worden niet door middel van het geld aan
elkander gelijk en met elkander te vergelijken; maar, doordien
zij waarde-belichamingen zijn van menschelijken arbeid, kunnen
zij als zoodanig, gemeenschappelijk door dezelfde bepaalde waarde
worden gemeten. Het geld als waardemeter, is dus de noodzakelijke
verschijningsvorm, van den in alle waren zich bevindende waardemaat,
de arbeidstijd namelijk.
De uitdrukking eener waar in geldwaar, is de geldvorm der waar of haren
prijs. Dit laatste, is dus de tweede funktie van het geld, n.l. de
maatstaf van de prijzen te zijn. Als waardemeter zet het geld de waarde
der waren om, in bepaalde, aanschouwelijke hoeveelheden gelds. Als
maatstaf van de prijzen, meet het de verschillende hoeveelheden gelds
aan ééne bepaalde hoeveelheid goud, die als munteenheid aangenomen
wordt, bijv.: een pond goud.
Het verschil is dus, dat de prijs de geldnaam voor de waarde-grootte
der waren is, maar tegelijkertijd óók de uitdrukking is van de
ruilverhouding der waar met de geldwaar, het goud of het zilver. De
waarde evenwel, kan nooit op zich zelf, voor zich alleen te voorschijn
komen en niet van de waar geabstraheerd worden, maar zit steeds,
aan de ruilverhouding met andere waren vast. Hierdoor is dus eene
afwijking mogelijk geworden, tusschen den prijs van de waren en
hunne waarde-grootte, gelijk die dan ook in de werkelijkheid steeds
voorkomt. De balans van het verschil tusschen beiden schept de
kapitalistische concurrentie. Met de volgende woorden van Engels is
dit duidelijk te maken: "In de huidige kapitalistische maatschappij,
produceert elke industrieele kapitalist op eigen hand, wat, hoe- en
zooveel, hij wil. De maatschappelijke behoefte evenwel, blijft voor
hem eene onbekende grootte, zoowel wat de kwaliteit en de soort van
de benoodigde voorwerpen, als de kwantiteit daarvan aangaat. Wat heden
niet snel genoeg geleverd kan worden, wordt in den tegenwoordigen tijd,
wordt morgen, verre boven de vraag aangeboden. In weerwil daarvan,
wordt ten slotte toch in de behoefte, hetzij slecht of goed, hoe 't ook
zij voorzien, en de produktie richt zich in het algemeen genomen, ten
slotte toch op de benoodigde voorwerpen. Hoe komt nu hier de verevening
van die tegenspraken tot stand? Door de concurrentie. En hoe speelt
de concurrentie deze oplossing klaar? Eenvoudig, doordien zij de
naar soort of hoeveelheid, voor het oogenblikkelijk maatschappelijk
verbruik niet benoodigde waren, ontwaardigt, d. w. z. beneden hunne
arbeidswaarde doet dalen, en langs dezen omweg den producenten het
voelbaar maakt, dat zij òf onbruikbare, òf op-zich-zelf bruikbare
artikelen in eene onbruikbare, overtollige hoeveelheid voortgebracht
hebben. Hieruit spruit dus tweeërlei voort:
"Ten eerste, dat de voortdurende afwijkingen der warenprijzen van de
warenwaarde, de noodzakelijke voorwaarden zijn, waaronder en waardoor
alleen, de warenwaarde haar bestaan kan erlangen. Alleen door de
schommelingen van de concurrentie en hiermede die van de warenprijzen,
zet zich de waardewet onder de warenproduktie door; wordt de bepaling
van de waarde der waren door den maatschappelijk noodzakelijken
arbeidstijd, tot werkelijkheid. Dat daarbij de vereffeningsvorm van
de waar, haren prijs, in den regel iets of wat anders er uitziet, dan
de waarde die zij te voorschijn brengt, is een noodlot, dat de waarde
deelt met de meeste maatschappelijke verhoudingen. De koning ziet er
meestendeels gansch anders uit, dan de monarchie die hij voorstelt.
"Ten tweede. Terwijl de concurrentie, in eene samenleving van met
elkander ruilende warenproducenten, de waardewet der warenproduktie
tot hare geldigheid doet komen, zet zij juist dáármede, de
onder die omstandigheden eenig mogelijke organisatie en orde,
der maatschappelijke produktie door. Alleen door middel van de
waardevermindering en de opvoering ervan boven hunne waarde, worden
de individueele warenproducenten er als het ware met hunnen neus
voorgezet, wat en hoeveel de samenleving van hunne waren noodig heeft,
of niet noodig heeft."
De waren die aan de markt komen, veranderen daar in geld, daarna
weder in waren. Deze beweging is de eenvoudige warencirculatie,
W-G-W. Maar de waar, aan het einde van dit gansche proces, is
eene andere, dan die van aan het begin daarvan. De eerste was
niet-gebruikswaarde voor haren bezitter, de laatste is gebruikswaarde
voor hem geworden. De nuttigheid van de eerste Waar, bestond voor hem
in hare eigenschap als waarde, als produkt van algemeen-menschelijken
arbeid; in hare uitruilbaarheid met een ander produkt van algemeen
menschelijken arbeid, met geld. De nuttigheid van de andere Waar,
bestaat voor hem in hare lichamelijke eigenschappen, niet als produkt
van algemeen menschelijken arbeid, maar van een bepaalden vorm van
arbeid. De bovengenoemde formule is dus die van Waren,-Geld,-Waren:
verkoopen om te koopen. Elke verkoop is een koop en omgekeerd. Marx
schildert wat er nu vervolgens gebeurt aldus, onder wat hij noemt:
"De methamorphose der Waren": "W-G." Eerste methamorphose der Waar
of verkoop. Het overspringen van de warenwaarde uit het lijf van
de waar in het lijf van het goud is,.... de salto mortale van de
waar. Mislukt zij, dan is wel-is-waar de Waar niet in benauwdheid,
wel echter is dat de warenbezitter. De maatschappelijke verdeeling
van den arbeid, maakt zijnen arbeid evenzoo éénzijdig, als zij zijne
behoeften véélzijdig maakt. Maar juist daarom, doet het produkt voor
hem slechts als ruilwaarde dienst. Algemeen maatschappelijk geldige
aequivalentvorm, bezit het alleen slechts in het geld en dat geld
bevindt zich in eens andermans zak. Om het eruit te krijgen, moet
de Waar voor alles dus gebruikswaarde voor den geldbezitter hebben,
de aan haar ten koste gelegden arbeid dus in maatschappelijk-nuttigen
vorm er aan besteed zijn of zich in het verband van de maatschappelijke
verdeeling van den arbeid kunnen handhaven. Maar die verdeeling van
den arbeid, is een uit de natuur voortkomend produktie-organisme,
welker draden gesponnen worden, achter den rug van den warenproducent
om, en die zich aldaar voortweven. Wellicht is de Waar, produkt van
eene nieuwe arbeidsmethode, die aan eene nieuw opgekomen behoefte
bevrediging zoekt te geven, of op eigen gelegenheid, deze behoefte
eerst te voorschijn roepen wil. Gisteren nog een funktie, onder de
vele funkties van een en dezelfde warenproducent, rukt zich eene
bijzondere arbeidsverrichting heden wellicht los van deze samenhang,
verzelfstandigt zich en zendt juist deswegens, haar deelprodukt als
zelfstandige Waar ter markt..... "Onze warenbezitters bespeuren
daaruit, dat dezelfde verdeeling van den arbeid, welke hen tot
onafhankelijke particuliere voortbrengers, het maatschappelijke
produktieproces en zijne verhoudingen in dit proces van hen-zelf
afhankelijk maakt; dat de onafhankelijkheid der personen van
elkander, zich vervolkoment, in een systeem van alzijdige zakelijke
afhankelijkheid van elkander.
"De verdeeling van den arbeid verandert het arbeidsprodukt in een Waar
en maakt dáármede zijne verandering in Geld tot eene noodzakelijkheid."
"Wij kennen tot dusver geenerlei economische verhouding der menschen,"
gaat Marx voort, "buiten dat van warenbezitters, een verhouding,
waarin zij vreemde arbeidsprodukten zich toeëigenen, doordien zij
eigene van zich vervreemden. De eene warenbezitter kan derhalve, den
andere dan ook slechts als geldbezitter tegemoet treden, hetzij omdat
zijn arbeidsprodukt van nature den geldvorm bezit, dus geldmateriaal
is, goud enz., hetzij omdat zijn eigene waar reeds van huid veranderd
is en haar oorspronkelijken gebruiksvorm afgestroopt heeft. Ten einde
als geld te kunnen funktioneeren, moet het goud natuurlijk een zeker
punt hebben, van waaruit het op de warenmarkt op kan treden. Dit
punt ligt in zijne produktiebron, waar het zich, als onmiddellijk
arbeidsprodukt, met een ander arbeidsprodukt van dezelfde waarde kan
doen ruilen. Maar van af dit oogenblik, stelt het gedurig gerealiseerde
warenprijzen voor. Afgezien van den ruil van het goud met waren, aan
zijne produktiebron, is het goud in de handen van elk warenbezitter,
de blootgelegde gestalte van de van hem vervreemde Waar, het produkt
van den verkoop of van de eerste waren-metamorphose: W-G. Ideaal
geld of waardemeter werd het goud, omdat alle waren hunne waarde in
hem maten en het, aldus tot het handtastelijke tegendeel van hunne
gebruiksgestalte, tot hunne waardegestalte maakten. Reëel geld werd
het, doordien de waren, door hunne alzijdige vervreemding, het tot aan
hem werkelijk vreemde of veranderde gebruiksgestalte en daardoor tot
hunne werkelijke waardegestalte maakten. In hare waardegestalte stroopt
de Waar, elk spoor van haar oorspronkelijke gebruikswaarde en van de
in 't bijzonder nuttigen arbeid, waaraan zij haren oorsprong te danken
heeft, af, om zich in de gelijkvormige maatschappelijke stoffelijkheid
van niet te onderscheiden menschelijken arbeid, weder te ontpoppen.
"Men kan het 't Geld daarom niet aanzien, van welk slag de in hem
veranderde Waar is. De eene Waar ziet in haren geldvorm precies zoo
uit als de andere. Geld mag slijk zijn, hoewel slijk nog geen geld
is. Wij nemen aan, dat de twee geldwolven waaraan de linnenwever
bijv., zijne waar vervreemdt, de veranderde gestalten zijn van een
mud tarwe. De verkoop van het linnen: W-G, is tegelijk haren koop: G-W.
"Maar als verkoop van linnen, vangt dit proces met eene beweging
aan, welke in haar tegendeel eindigt, met den koop van een bijbel
bijv.; als koop van het linnen, eindigt het met eene beweging die
met haar tegendeel aanving, met den verkoop van de tarwe bijv. W-G
(linnen-geld) deze eerste phaze van W-G-W (linnen-geld-bijbel),
is tegelijk G-W (geld-linnen), de laatste phaze van eene andere
beweging: W-G-W (tarwe-geld-linnen). De eerste metamorphose eener
Waar, hare verandering uit den warenvorm in geld, is steeds tegelijk
de tweede, haar tegenovergestelde metamorphose der andere waar;
hare terugontwikkeling van uit den geldvorm in den warenvorm.
"G-W. Tweede of slot-metamorphose der waar: koop.--Dewijl het de
vervreemde gestalte is, van alle andere waren of het produkt hunner
algemeene ontvreemding, is geld, de absoluut vervreemde Waar. Het leest
alle prijzen achterwaarts en spiegelt zich aldus, in alle warenlichamen
terug, als de opofferende materie zijner eigene warenwording. Tegelijk
toonen de prijzen, de lonkjesoogen waarmede hem de waren wenken, hem
ook de grenzen zijner veranderingsgeschiktheid, namelijk die van zijn
eigen kwantiteit. Daar de Waar in hare geldwording ondergaat, ziet men
het 't geld niet aan, hoe het in de handen van zijn bezitter gekomen
is, of wat er zich in omgezet heeft. Non olet, hoe ook deszelfs
oorsprong moge wezen. Wanneer het aan den eenen kant, verkochte
Waren vertegenwoordigt, aan den anderen kant vertegenwoordigt het,
verkoopbare Waren.
"G-W, de koop is tegelijktijd verkoop: W-G; de laatste metamorphose
eener Waar, is dus tegelijk de eerste metamorphose eener andere
Waar. Voor onzen linnenwever sluit de levensloop van zijnen waar af met
de gekochte bijbel, waarin hij de 2 pond St. terug omgezet heeft. Maar
de bijbelverkooper, zet de van den linnenwever gebeurde 2 pond St.,
in brandewijn om.
"G-W, de slotphaze van W-G-W (linnen-geld-bijbel) is tegelijk W-G, de
eerste phaze van W-G-W (bijbel-geld-brandewijn). Daar de warenproducent
slechts een eenzijdig produkt levert, verkoopt hij het dikwijls in
grootere hoeveelheden, terwijl zijn veelzijdige behoeften hem ertoe
dwingen, den gerealiseerden prijs of de gebeurde geldsom, gestadig in
talrijke koopen te versplinteren. Een verkoop mondt daarom, in vele
koopen van verschillende waren, uit. De slotmetamorphose eener Waar,
wordt dus door de som van eerste metamorphosen van andere waren,
gevormd.
"Beschouwen wij nu de totaal-metamorphose eener Waar, bijv. van
linnen, dan zien wij in de eerste plaats, dat zij uit twee elkander
tegenovergestelde en elkander aanvullende bewegingen bestaat. W-G
en G-W. Deze twee, tegenoverelkander staande veranderingen der
Waar, voltrekken zich, in twee aan elkander tegenovergestelde
maatschappelijke processen der warenbezitters, en reflekteeren
zich, in twee elkander tegenovergestelde economische karakters
derzelven. Als agent van den verkoop, wordt hij verkooper, als agent
van den koop, kooper. Zooals echter in elke verandering der Waar,
hare beide vormen, warenvorm en geldvorm gelijktijdig bestaan, alleen
op elkander tegenovergestelde polen, zoo staat dezelfde warenbezitter
als verkooper, tegenover een andere kooper en als kooper, tegenover een
andere verkooper. Het zijn derhalve dus geen vaste, maar binnen het
raam der warencirculatie, gestadig van persoonlijkheid verwisselende
karakters.
"De warencirculatie is niet alleen formeel, maar ook wezenlijk
verschillend van de onmiddellijke produktenruil. Men werpe slechts
een terugblik op hetgeen voorgevallen is. De linnenwever heeft,
zonder voorbehoud, linnen geruild tegen bijbels, eigen waren tegen
eene vreemde Waar. Maar dat verschijnsel bestaat slechts voor hem. De
bijbelagent, die heet aan koud de voorkeur geeft, dacht er niet aan
linnen te ruilen voor bijbels, gelijk de linnenwever er niets van wist,
dat er tarwe was ingeruild tegen zijn linnen enz. De Waar van B. komt
in plaats van de Waar van A; maar A en B, ruilen niet wederzijdsch
hunne waren tegen elkander. Het kan werkelijk voorkomen, dat A en B
wisselsgewijs van elkander koopen, maar zulke bijzondere betrekkingen,
zijn geenszins de voorwaarden tot de algemeene verhoudingen
der warencirculatie. Aan den eenen kant ziet men hieruit, hoe de
warenruil de individueele en lokale grenzen van den onmiddellijken
produktenruil doorbreekt en de stofwisseling der menschelijken arbeid
doet ontwikkelen. Aan den anderen kant, ontwikkelt zich hierdoor een
geheele kring van door de handelende personen, niet te controleeren,
maatschappelijke natuursamenhangsels. De wever kan slechts linnen
verkoopen, omdat de boer tarwe verkocht; de heethoofd den bijbel,
omdat de wever het linnen, de distillateur slechts gebrand water,
omdat de andere, het water des eeuwigen levens verkocht had, enz. enz.
"Het circulatieproces lost zich deswegens ook niet, gelijk de
onmiddellijke produktenruil, op, in de plaats- of de handsverwisseling
van de gebruikswaarden. Het geld verdwijnt niet, omdat het
ten slotte uit de metamorphosenreeks eener Waar uitvalt. Het
slaat voortdurend weder neer, op een door de waren zelf voor hem
ingeruimde circulatie-plek. Bijv. van de totaal-metamorphoze van
het linnen--linnen-geld-bijbel--valt eerst het linnen buiten de
circulatie, het geld komt in zijn plaats; daarna valt de bijbel buiten
de circulatie en het geld treedt in zijn plaats. De vervanging van
waren door waren, doet tegelijkertijd in de derde hand, de geldwaren
hangen blijven. De circulatie zweet gestadig geld uit."