Gelijk wij zagen, heeft de Waar ten doel te worden geruild tegen
een andere. Zij kan slechts aan dit doel beantwoorden onder de
voorwaarde, dat door haar eene menschelijke behoefte, van welken
aard ook, bevredigd wordt. Voor Marx maakt het geen verschil, of die
behoefte, eene werkelijke of een ingebeelde is; of het brood is of
katoen of een behoefte naar luxe. Deze onderscheidingen, door sommige
spitsvondige economen wel eens gemaakt, gelden in de werkelijkheid
dan ook inderdaad niet.
De Waar moet dus een nuttig ding zijn: zij moet gebruikswaarde
bezitten. Deze laatste eigenschap, die de Waar noodzakelijk hebben
moet, wordt bepaald door de physieke eigenschappen van het lichaam
van de Waar. Gebruiksnuttigheid vormt de stoffelijke inhoud
van den rijkdom, hoedanig zijne maatschappelijke vorm ook zijn
mag. Gebruikswaarde is dus geene, der waren alléén aanklevende
eigenschap. Er zijn gebruiksnuttigheden die géén waren zijn,
bijv. produkten van een op communistischen grondslag ingericht
gemeenschapswezen, zooals die der oude indische dorpsgemeenten. Ja,
er zijn gebruikswaarden die niet eens arbeidsprodukten zijn, zooals
bijv. de vruchten van een oerwoud, water van een vloed enz. enz. Maar,
er kan geen Waar bestaan die niet gebruikswaarde heeft.
Doordien de Waren worden wat zij zijn en waartoe zij bestemd zijn,
verkrijgen zij een tweede eigenschap, die van te worden geruild: hunne
ruilwaarde dus. De verhouding waarin zich de Waren tegen elkander
doen ruilen, wordt door hunne waarde bepaald.
Wij hebben hier niet met abstrakte begrippen van waarde van een of
ander te doen. Wij hebben hier de Waar als maatschappelijk ding, wier
produktie aan bepaalde maatschappelijke verhoudingen en voorwaarden en
aan de aanwezigheid van bepaalde maatschappelijke krachten is gebonden.
Wat bepaalt dus de waarde dier Waar? De waarde der Waar is niet
gelijk aan haren prijs. De laatste is alleen maar hare ruilwaarde
in geld uitgedrukt. Daardoor kan dus, als gezamenlijke produkten
van menschelijken arbeid, hunne waarde niet worden uitgemaakt. Als
gebruikswaarden worden zij slechts daarom tegen elkander geruild,
omdat zij juist verschillende, niet-gemeenschappelijke, natuurlijke
eigenschappen hebben, die wel de beweegredenen tot hunnen ruil,
maar in geen geval de verhouding van dien ruil, bepalen kunnen.
Het raadsel laat zich slechts oplossen, zegt Marx, wanneer men
de algemeene eigenschap der Waren heeft ontdekt, n.l. deze, dat
zij arbeidsprodukten, d. w. z. produkten van menschelijken arbeid
überhaupt zijn.
Een Waar heeft dus daardoor waarde, omdat in haar, menschelijke arbeid
überhaupt, is neêrgelegd.
Die waarde-grootte van de Waren, hoe is die nu te meten? De
waarde-meter daarvan, is de hoeveelheid van de waarde-vorming die
zij in zich bevatten, van den menschelijken arbeid die in haar is
gekristalliseerd. En deze hoeveelheid kan op haren beurt, door niets
anders gemeten worden, dan door den arbeidstijd die er noodig was,
om de Waar voort te brengen.
Maar niet den individueelen arbeidstijd. Immers dan zou, hoe luier
een arbeider was, zooveel te meer waarde zijnen arbeid hebben. Deze
arbeidstijd laat zich, volgens Marx, niet anders opvatten dan als
eene maatschappelijke faktor van de voortbrenging. In eene bepaalde
samenleving zijn deze voorwaarden eveneens gegevene en bepaalde;
blijven zij aan elkander gelijk, dan blijft ook de in de produktie
eener Waar neêrgelegde hoeveelheid arbeids gelijk; wijzigen zich deze,
dan veranderen gene eveneens. Want het totaal van de maatschappelijke
verhoudingen, waaronder de produktie plaats vindt, is van de
produktiviteit van den arbeid afhankelijk. Onder deze is mede te
rekenen, de oogenblikkelijke vorming der arbeiders, de hoogte die
de techniek bereikt heeft, de manier van samenwerking van de organen
der produktie, de natuurverhoudingen van menigvuldigen soort, zooals
daar zijn: rijkdom van den bodem, meteorologische invloeden etc. Al
deze omstandigheden zijn aan wisseling onderhevig en daarmede ook
de produktiviteit van de maatschappelijke arbeidsopbrengst in een
bepaald tijdperk.
Tegelijk hiermede veranderen ook de arbeidshoeveelheden, die noodig
zijn om het gelijke produkt voort te brengen, en mede ook deszelfs
waarde-grootte.
De waarde-grootte van tweeërlei waren staan dientengevolge in de
verhouding van kwantiteiten van den maatschappelijk noodzakelijken
arbeid, die tot hunne produktie gevorderd worden. Kan dus
de hoeveelheid arbeid, noodig tot de voortbrenging van een
warensoort, ingekrompen worden tot op de helft, door opvoering van de
produktiviteit van den arbeid, invoering van machinerie ter vervanging
van handenarbeid, volkomener maken van de machinerie enz., dan daalt
ook de waarde van die waren tot op de helft. Zoo is de waarde van
stalen veren bijv., binnen 60 à 70 jaren, gedaald tot op nog minder
dan het honderdste gedeelte harer oorspronkelijke waarde.
Dit is dus het begrip maatschappelijk-noodwendige arbeidstijd, gelijk
dit bij Marx geldt.
Reeds was die algemeene waardewet der arbeidsprodukten, hunne
bepaling door den arbeid, oorspronkelijk eene ontdekking van de
klassieke engelsche economie en in embryonalen vorm was zij reeds
bij den engelschen econoom Sir William Petty te vinden. Zij is later
door Adam Smith overgenomen en ten slotte op de kapitalistische,
half nog manufaktuurlijke, half groot-industrieele produktiewijze,
gelijk zij in het Engeland dier dagen (1772-1823) te vinden was,
toegepast door den staathuishoudkundige David Ricardo.
Alleen, wat nòch Adam Smith nòch Ricardo zagen en doorschouwen konden,
dat doorzag Marx, die als econoom eene latere periode toebehoort,
n.l. die der groot-industrie met de stoom en de maatschappelijke
massa-produktie. Marx was het gegeven om het maatschappelijk karakter
van den arbeid-zelve te doorzien.
Men moet bij de beoordeeling van deze waarde-theorie zich hoeden voor
vergissingen. Marx zelf wees hierop reeds. Een dier voornaamste is wel
de verwisseling van waarde met rijkdom. De waarde, zegt Marx duidelijk,
is eene historische categorie, slechts geldig voor de periode van
de warenproduktie; zij is eene maatschappelijke verhouding. De
rijkdom daarentegen, is iets stoffelijks en wordt samengesteld
uit gebruikswaarden. "Arbeid", zegt Marx, "is niet de eenige bron
der door hem voortgebrachte gebruikswaarden voor den stoffelijken
rijkdom. De arbeid is zijn vader, gelijk William Petty zegt de aarde
zijn moeder is!"