DE WAAR: ARBEIDSKRACHT.

Zooals de voortbrenging der waren verschilt in de eene

maatschappelijke periode met die van de andere, zoo zal ook die van

den voortbrenger daarvan verschillend moeten zijn in de verschillende

produktietijdvakken.

Zoo was de positie van den voortbrenger, den arbeider, een geheel

andere in de periode van de oorspronkelijke naturalwirthschaft,

dan in die van het feodale Handwerk voor den engeren markt; in die

van de Manufaktuur anders dan onder die van de heerschappij der

op kapitalistische leest geschoeide fabriek of der kapitalistische

huis-industrie.

Onder dit kapitalistisch systeem nu, dat waarin den arbeider gescheiden

is van het produkt, dat noch hem toebehoort, noch hem ten goede komt,

maar den ondernemer, den bezitter, kan men ten zijnen opzichte niet

spreken van zijn arbeid, maar van de geschiktheid die hem eigen

is om te arbeiden. Hij is niet de man van den arbeid, die behoort

zijnen meester, maar alleen de bezitter van de arbeidskracht. "Onder

arbeidskracht of arbeidsvermogen", zegt Marx, "verstaan wij, het

totaal physieke en geestelijke geschiktheid, dat in de lichamelijkheid

van de levende persoonlijkheid eens menschen bestaat en dat hij

in beweging brengt zoodra hij gebruiksnuttigheden van welken soort

vervaardigt."....

Deze arbeidskracht komt als een zuivere Waar aan de markt. Wat

beteekent dat? De ruil der waren in het algemeen heeft tot voorwaarde,

dat de bezitters tegenover elkander komen te staan als vrije

menschen. Datzelfde moet dus óók kunnen gelden voor den bezitter van

die waar welke arbeidskracht heet.

De bezitter dezer waar moet dus ook een vrij man zijn, die zijn waar

niet voor eeuwig maar voor een bepaalden tijd verkoopt, anders wordt

hij een slaaf en wordt hij, van een warenbezitter zelve een waar,

gelijk de arbeiders, in de samenleving van de grieksche en romeinsche

oudheid dat waren.

Nog een andere voorwaarde moet vervuld zijn. Een gebruiksnuttigheid,

moet geen gebruikswaarde hebben voor zijnen bezitter. De arbeider die

de beschikking heeft over de produktiemiddelen, verkoopt niet zijn

arbeidskracht, maar zijn arbeidsprodukt. De van zijn productiemiddelen,

van grond en den bodem gescheidene arbeider evenwel, heeft alleen zijn

arbeidskracht om ter markt te brengen. Daar vindt hij den ondernemer,

die haar koopt of huurt.

De waarde dezer waar, arbeidskracht, wordt eveneens bepaald door de ter

harer voortbrenging en wedervoortbrenging maatschappelijk-noodwendige

hoeveelheid arbeidstijd. Het bestaan van de arbeidskracht, heeft

natuurlijk tot voorwaarde, het bestaan en de voortplanting van den

arbeider. Dit bestaan is neêrgelegd en wordt verstoffelijkt, in

een zekere som van levensmiddelen, die de arbeider daartoe noodig

heeft. Deze laatste verschilt ook alweder naar tijd en oord. Maar

ook kunnen hier nog bovendien allerlei geestelijke redenen in het

spel zijn. "In tegenstelling tot die van andere waren," zegt Marx

zeer duidelijk, "bevat (dus) de waardebepaling der arbeidskracht,

een historisch en een moreel element." Het geestelijk niveau van den

arbeider, de ontwikkelingshoogte van zijne organisatie enz., vormen

die elementen.

Maar ook zijn onder de produktiekosten der arbeidskracht te rekenen, de

kosten benoodigd voor leertijd, in eene bepaalde tak van arbeid. Deze

laatsten worden natuurlijk minder, naarmate de arbeid meer en meer

een machinale wordt.

Al deze gronden bewerken, dat de waarde van de arbeidskracht, van

eene bepaalde arbeidersklasse, in een bepaald land levend en in een

bepaald tijdstip, eene bepaalde grootte is.

Men moet nadrukkelijk in 't oog houden, dat hier sprake is van de

waarde van de arbeidskracht en niet van haren prijs. De laatste toch,

wordt uitgedrukt in het arbeidsloon, het reële geldloon, dat de

arbeider, krachtens zijne overeenkomst met den kapitalist van dezen

bekomt, na gedanen arbeid. Marx wijst erop, dat de beschouwingswijze

der burgerlijke economie, krachtens welke de ondernemer den arbeider

zijn loon vóórschiet, omdat hij hem betaalt, alvorens het produkt

verkocht is, eene verkeerde voorstelling van zaken is, die met

de werkelijke economische verhoudingen in strijd is. Onder het

huidige systeem, riskeeren niet alleen de arbeiders hun loon, maar

zijn zij ook gedwongen op borg te leven. En daarom zijn zij ook de

grootste slachtoffers van de vervalsching en de verslechtering der

levensmiddelen, die door de tusschenhandelaren, rustig kan worden

bedreven.

Maar ook streng economisch gesproken is het valsch. "De eigenaardige

zijde dezer specifieke waar, die der arbeidskracht, brengt het met

zich mede, dat met het afsluiten van het contrakt tusschen kooper

en verkooper, hare gebruikswaarde nog niet werkelijk, in de handen

van den kooper is overgegaan. Hare waarde, gelijk aan die van elke

andere waar, werd bepaald, alvorens zij in circulatie trad, want een

bepaald kwantum van maatschappelijken arbeid, werd er tot voortbrenging

aan ten koste gelegd, maar hare gebruikswaarde bestaat eerst in de

achterna komende krachtsinspanning.".....

"Overal schiet hierom de arbeider, den kapitalist de gebruikswaarde

der arbeidskracht voor; hij laat ze door den kooper consumeeren,

alvorens zij haren prijs betaald heeft gekregen, overal crediteert

daarom de arbeider den kapitalist.".....

Hieruit blijkt dus, dat kapitalist en arbeider, als ruilers van twee

gelijke waren, toch niet in gelijke conditie verkeeren.

Maar ook nog in een ander voornaam opzicht is de waar arbeidskracht,

eene andere als de gewone waar, gelijk wij later zullen zien. Wij

moeten eerst weder terug tot de eenvoudige ruil en de funktie van

het geld daarbij.

Karl Marx en zijne voorgangers · 第 43 / 72 题