SAINT-JUST.

Deze, die in 1794 na Danton's val aan de regeering kwam, meende, dat

zoolang er nog armen en behoeftigen waren, de zaak van de vrijheid,

van de Republiek, in gevaar was. "Duldt in den Staat noch eene

ongelukkige, noch eene arme: alleen tot dien prijs zult gij eene ware

republiek kunnen in stand houden!" De economische gelijkstelling is

de levensvoorwaarde voor de republiek; de rijkdom der "aristokratie"

is voor de republiek evenzoo gevaarlijk als de ellende des volks. "Er

behooren noch rijken, noch armen te bestaan.... Daar waar er te groote

bezitters bestaan daar vindt men louter armen.... De rijkdom is een

infamie", enz., ziedaar zijn meeningen.

De ellende, die wel het naast, volgens Saint-Just, een gevaar oplevert

voor de republiek, moest in de eerste plaats dan ook uitgeroeid

worden. Dit was te vinden door zeer strenge agrarische wetten: "Ten

einde de zeden te hervormen en den nood te bevredigen, moest men

beginnen, met een ieder wat land te geven. Het bedeldom moet worden

tegengegaan door verdeeling van de nationale goederen onder de armen."

Voorál moest het volk zich op den landbouw kunnen toeleggen, daar

alleen een landbouwend volk een "deugdzaam" en een vrij volk kan wezen.

De mogelijkheid om de maatschappij gelukkig te maken, zag

Saint-Just, evenals zoovele hervormers uit het midden der 18e eeuw

dan ook gelegen in de wetgeving en die wel uitsluitend van uit een

streng gecentraliseerden Staat. Saint-Just viel echter spoedig met

Robespierre, wiens handlanger en vriend bij was, en hiermede ging

ook zijn plan te gronde.

Maar het eerst en het voornaamst werden communistische denkbeelden,

te midden van de Fransche Revolutie verkondigd door een man, die niet

aarzelde, zelfs niet onder het Schrikbewind, met zijn meeningen voor

den dag te komen. Die man was:

Karl Marx en zijne voorgangers · 第 9 / 72 题