geboren te Joijeux in Vivarais in 1728, die in 1753 advokaat van het
parijsche Parlement werd, later naar het eiland St. Domingo ging, maar
in 1789 bij het uitbreken van de Revolutie, naar Frankrijk terugkeerde.
Hij trad in 1799 op, met een "Catechismus van het menschelijk
geslacht", waarin hij zeer koene conclusies trok uit de in 1789
geproklameerde "Rechten van den Mensch" en zijne ideën bloot gaf
omtrent eene hervorming van de maatschappij.
De voorwaarde om te komen tot eene maatschappij, waarin geen
eigenbelang zal heerschen, en den eigendom niet eene private zaak,
zag Boissel wel voornamelijk in eene sociale opvoeding. De kinderen
moesten derhalve door de gemeenschap worden opgevoed meende hij.
Als overgangsmaatregel stelt Boissel, en dit is voor hem als
fransch socialist van de 18e eeuw typisch, eene "progressieve
inkomstenbelasting" voor, die den rijken ten-slotte zóó belasten zal,
dat voor hen het privaat-bezit elke waarde verliest. Uit de opbrengst
zullen pensioenen moeten worden bestreden voor ouden en invaliden. Ook
sloeg Boissel het oprichten van staatsmagazijnen van agricole produkten
voor, en publieke werkinrichtingen voor werkeloozen van staatswege.
Na hem, komt hier in aanmerking als maatschappelijk hervormer,
Robespierre's vriend en volgeling