FRANÇOIS NOËL BABEUF,

of, gelijk hij zich-zelf gaarne noemde, met eene herinnering aan de

Romeinsche geschiedenis, Grachus Babeuf, werd in 1760 te Saint-Quentin

uit Calvinistische ouders geboren.

Op 16-jarigen leeftijd als schrijver bij een landmeter werkzaam, werd

hij daarna ambtenaar bij het kadaster in Roije (Picardië). In deze

positie leerde hij den slimmen nood waarin het landvolk zich bevond

van nabij kennen en het is wel daaraan te wijten, dat hij zich reeds

in 1887 onledig hield met de studie van de werken van Meslier, Morelly

en Mably, en met het vraagstuk van de afschaffing van den eigendom.

Na de bestorming der Bastille, waaraan hij deel had genomen, bekleedde

hij verschillende ambten in dienst van den Staat. In 1794 stichtte

hij het "Journal de la liberté de la presse", dat later in "Tribun du

peuple" werd omgedoopt. Na den val van Robespierre en zijnen aanval op

degenen welke dezen ten val hadden gebracht, de Thermidoristen, werd

hij, tezamen met een aantal eveneens radikale republikeinsch-gezinden,

in de gevangenis geworpen. Hier was het, dat Babeuf de gelegenheid

kreeg, om met hen van gedachten te wisselen, over het beginsel van

de gelijkheid en te onderzoeken of de gelijkheid, zooals die tot nog

toe was verstaan, wel eene grondstelling voor het maatschappelijk

leven kon heeten van genoegzame waarde, om het geluk en het leven

daarvoor te wagen. Zij werden tot twijfel daaraan gedreven, door de

gebeurtenissen van den laatsten tijd, en kwamen tot de slotsom, dat

het simpele politieke axioma van de gelijkheid alléén, geen ideaal

kon zijn waarmede de menschheid gelukkig te maken was. Zij trokken

uit de theorieën van Jean Jacques Rousseau, die in die dagen, wel

de bron waren van alle hervormers van voor en in 1789, de verdere

consekwenties en de conclusie, dat ook het onderscheid in bezit

moet worden weggenomen, wil de politieke gelijkheid geen chimère,

geen denkbeeldig iets blijken te zijn.

In October 1795 weder vrijgelaten, ging Babeuf dadelijk aan het

agiteeren voor zijne denkbeelden, die communistisch waren en de

natuurrechtelijke politieke gelijkheids-ideën van Rousseau ten

grondslag hadden. "De mensch is van nature goed" gelijk Rousseau

leerde; "deze goede en onbedorven mensch werd eigenlijk nog maar

vertegenwoordigd door die uit de onderste standen der samenleving,

die van de weelde en de verdorvenheid daarmede gepaard gaande, bevrijd

waren gebleven. Daarom moest door de toekenning van alle politieke

rechten het volk tot de regeering brengen," omdat, gelijk men in 1793

zeide: "le but de la société est le bonheur commun" (het doel van de

maatschappij is het gemeenschappelijk geluk.) Robespierre verklaarde:

"Nous voulons un ordre des choses, où toutes les passions basses

et cruelles soient enchainées, toutes les passions bienfaisantes

et généreuses éveillées par les lois.... Nous voulons substituer

dans notre pays, la morale à l'égoïsme, la probité à l'honneur, les

devoirs aux bienséances, le mépris du vice au mépris du malheur." (Wij

willen een orde van zaken, waarin alle lage en slechte hartstochten

zullen worden vastgelegd, alle edele en weldadige hartstochten

zullen worden opgewekt door de wetten... Wij willen in ons land de

moraal stellen in de plaats van de zelfzucht, de braafheid voor de

eer, de plichten voor de zeden, de smaad van de gebreken voor die

van het ongeluk). Babeuf wilde uitgaande van deze gedachten, als

grondstellingen voor een ideale maatschappij, de arbeidsplicht van

allen, wettelijke vaststelling van het getal arbeidsuren; leiding van

de produktie door eene, door het volk direkt gekozen opperste macht;

verdeeling van den noodzakelijken arbeid onder de burgers onderling;

afdoening van den onaangenamen arbeid door de burgers naar de rij

af; het recht van alle burgers op gezamenlijk genot, en diensvolgens

gezamenlijke verdeeling der gebruiksgoederen--welker voortbrenging,

door de algemeene deelname daaraan natuurlijk zeer zoude stijgen--onder

de individuen, naar de mate hunner behoeften.

Dit communistisch stelsel verkreeg eene hoogere wijding bij Babeuf,

dewijl hij het verdedigde, niet zoozeer met wetenschappelijke,

als wel met godsdienstig-bijbelsche uitspraken en stellingen. Het

communisme zou daarnaar een wil van God, de aardsche gelukzaligheid

en de voorbereiding zijn tot de hemelsche; en de eenige drijfveer

tot dat alles, zal de "deugd" zijn.

Maar daar deze phantazie niet zoo dadelijk te verwerkelijken was,

gelijk ook Babeuf wel begreep, zoo waren er een aantal maatregelen

noodig voor het tegenwoordige, opdat in de toekomst de menschheid

dit ideaal bereiken kon. In de eerste plaats dan moest er worden

ingesteld eene "groote nationale gemeenschap van goederen", waartoe

zullen moeten behooren alle staatseigendommen, al het vermogen van de

"vijanden der volkszaak" zoowel als alle goederen, welker aanbouw

door de eigenaren derzelven, niet werd uitgevoerd. Elke franschman

zal tot deze gemeenschap kunnen toetreden, doordien hij zijn vermogen

ten haren dienste stelt en haar zijne arbeidskracht aanbiedt. Dan zal

de gemeenschap de erfgename moeten zijn van elke private erfenis. De

medeleden arbeiden gezamenlijk en krijgen daarvoor voedingsmiddelen

in ruil, zooals eene "matige en sobere keuken, die plegen op te

leveren"; zoowel alles wat noodig is voor het leven. Wie met schulden

de gemeenschap bijtreedt, wordt van alle zijne verplichtingen ontheven.

Dit zijn in 't kort, de denkbeelden waarvoor Babeuf in 1795 de agitatie

in zijn "Tribun du peuple" ondernam; die hij predikte in stad en land

en daar hij een meester van het woord was in alle opzichten, zoowel

door zeggingskracht als door woordenkeus zijn gehoor wist mede te

sleepen, maakte zijne propaganda een geweldigen indruk. Vooral na den

val der Jacobijnen, richtte hij er al zijne krachten op, dezen weder

uit hunne verstrooidheid en tot hereeniging te brengen. Hij richtte

weder een dier geheime genootschappen op--in de dagen van de 1789

eene zoo geweldige kracht,--die hij het genootschap van de "Gelijken"

noemde. Daarnevens werden een aantal kleine "clubs" gesticht over

het geheele land; zoodat naar men meende in vrij korten tijd Babeuf

méér dan 17.000 aanhangers van zijne sociale theorieën om zich heen

had verzameld.

Alsnu trad de regeering handelend op. De poging die er zoude worden

gedaan om zich meester te maken van de macht in den staat, teneinde

eene andere sociale orde van zaken in te stellen, was namelijk

verraden geworden. In het begin van Mei 1796, werd Babeuf zelf in

hechtenis genomen, nadat zijne vrienden reeds eerder gevat waren

en terecht waren gesteld. De rechtbank veroordeelde hem wegens

samenzwering tegen den staat ter dood, welk vonnis hij heldhaftig

den 8ste prairial 1797, op de place de la Vendôme onderging met

zijn vriend Darthé. Van zijn medestanders waren er enkelen gevlucht,

anderen tot deportatie veroordeeld.

Dit was het einde van een man die in armoede geboren en in

armoede geleefd heeft, en meende, dat het aan den goeden wil van

een betrekkelijk klein aantal menschen lag, om de leuzen, die in

de Revolutie van 1789, eene zoo geweldigen dienst hadden gedaan,

tot werkelijkheid te maken. En hiermede hadden de socialistische

pogingen in de Fransche Revolutie geboren, en die welke ten doel

hadden deze hervorming tot eene radikale te doen zijn, voor goed

schipbreuk geleden.

De geheele Revolutie verliep verder in het Keizerrijk van Napoleon

Bonaparte, die van eersten Consul der Republiek, weldra Keizer

werd. En onder diens regeering had Frankrijk te veel oorlogen te

voeren en genoot te veel eene betrekkelijken voorspoed, dan dat er

aan de verwerkelijking der leuzen van 1789 kon worden gedacht.

Eerst in de periode van het herstel, die der "Restauratie", doken er

weder plannen op, die er op doelden eene grondige sociale vervorming

van de maatschappij, van eene kapitalistische in eene socialistische,

in het leven te roepen.

De moderne socialistische Utopisten, of gelijk men ze noemt de

"groote Utopisten" kwamen als nu ten tooneele. De aanvang van de

negentiende eeuw zag de socialistische denkers opstaan; zag den

graaf de Saint-Simon en Charles Fourier in Frankrijk en Robert Owen

in Engeland aan den arbeid gaan, ten einde het menschelijk ideaal,

de algemeene welvaart en de grootste som van menschelijk geluk,

te trachten tot werkelijkheid te maken.

Karl Marx en zijne voorgangers · 第 10 / 72 题