„Er liggen in de auto nog tamelijk goede kleeren, maar die mag je voor

jezelf behouden. Wij zullen ze waarschijnlijk niet meer noodig hebben.”

Weer grijnsde de chauffeur en daarop reed hij voor goed heen.

Raffles en Charly traden de bar binnen, waar zij wegens het

betrekkelijk vroege uur slechts zeer weinig gasten zagen en namen voor

een der ramen plaats.

Toen de kellner kwam om de bestelling op te nemen, wendde Raffles zich

tot hem met de vraag:

„Ben je hier lang in dienst, kellner?”

„Zeventien jaar, mijnheer,” antwoordde de man niet zonder trots.

„Dan ken je de buurt zeker goed?”

„Dat zou ik meenen, mijnheer.”

„Je hebt natuurlijk het hotel aan den overkant van de eerste steen af

zien bouwen?”

„Zoo is het, mijnheer.”

„En het huis dat op een vijftigtal passen meer hier naartoe ligt, staat

dat er al lang?”

„Dat huis van roode baksteenen? O ja.”

„Wat is het voor een soort huis?”

„Ik geloof een soort pension, mijnheer,” antwoordde de kellner wiens

verbazing gewekt werd door de vragen welke de vreemdeling hem stelde.

Raffles die op het gelaat van den kellner las als in een open boek stak

hem glimlachend een banknoot van een pond toe en zeide:

„Ik vraag het niet louter uit nieuwsgierigheid, goede vriend. Ik behoef

er geen geheim van te maken, tenminste niet tegenover jou, als je weet

te zwijgen. Ik ben van de politie en ik stel bijzonder veel belang in

het huis met de roode baksteenen.”

„Zoo, mijnheer,” kwam de kellner verbaasd. „Er is anders niet veel

merkwaardigs aan.”

„Aan het huis zelf niet, mijn vriend, daarentegen wel aan sommige van

zijn bewoners,” hernam Raffles bedaard. „Zeg mij eens, in deze bar zijn

natuurlijk ook wel stille uren, en wat doet een kellner dan al anders

dan een weinig naar buiten kijken, nietwaar?”

„Zoo is het, mijnheer, dat doen wij,” antwoordde de man lachend.

„Je hebt dus ook wel eens acht geslagen op de bewoners van dat pension,

of wat het dan mag zijn.”

„Zeker, mijnheer.”

„Je kent hen zoo’n beetje?”

„Als mijn vader en mijn moeder, mijnheer.”

„Het kan niet mooier. Welnu dan, mijn vriend. Is er sedert een paar

weken iemand in het huis getrokken, klein en tenger, vaak gekleed met

een licht grijze sportpels en een ceintuur en een kraag van beverbont

met een heel grooten gebogen neus en kleine zwarte oogjes?”

„Dat is mijnheer Deary, dien ge daar beschrijft, mijnheer,” riep de

kellner uit. „Wel, hij woont er reeds langer dan een maand, zou ik

zeggen. Het kunnen misschien zes weken zijn.”

Het antwoord stelde Raffles niet geheel en al tevreden, want het was

hem bekend, dat de drie arbeiders pas veertien dagen geleden hun

ontslag hadden gevraagd van de fabriek.

Het was dus bijna niet aan te nemen, dat Deary hier gewoond had en toch

zijn werk had verricht op de fabriek.

Maar de volgende opmerking van den kellner stelde hem spoedig gerust.

„Hij woonde er mijnheer, en hij woonde er toch weer niet,” hernam de

man. „’s Ochtends heel vroeg ging de man al uit en hij kwam pas laat

terug.”

„En dan bleef hij zeker meestal thuis?”

„Niet altijd, mijnheer, maar toch zeker wel een paar keer in de week.”

„Ontving hij dan ’s avonds wel bezoek?”

„Damesbezoek, bedoelt u?” vroeg de kellner met een knipoog. „Ja,

mijnheer, dat gebeurde ook wel.”

„Goed zoo, maar dat bedoelde ik op dat oogenblik niet.”

„Heeren kwamen ook wel.”

„Heb je die ooit weder zien vertrekken?”

„Neen, nooit, het waren zeker geweldige plakkers.”

„Hoe laat ga je hier ’s nachts weg?”

„Om een uur, mijnheer.”

„Ik dank je voor je inlichtingen, vriend, die voor ons van groot belang

zijn,” zeide Raffles, terwijl hij den man opnieuw een bankbiljet in de

hand drukte. „Ik behoef je zeker niet te zeggen, dat ik er staat op

maak, dat dit alles tusschen ons blijft, anders zou je mij beletten de

diefstallen in het hotel tot klaarheid te brengen.”

„Dus u gelooft, mijnheer....” riep de kellner verbaasd uit.

Maar Raffles legde hem met een gebaar het stilzwijgen op en zeide

glimlachend:

„Op het oogenblik geloof ik nog niets anders dan dat het het beste is,

over deze zaak nog niet te praten. Ik heb nog slechts vermoedens en

misschien worden die vannacht reeds bewaarheid.”

Terwijl Raffles met den kellner sprak, had Charly voortdurend zijn

blikken gevestigd gehouden op het huis van baksteen aan den overkant.

Toen de kellner wilde heen gaan met een diepe buiging, vroeg Charly

haastig:

„Op welke verdieping woont mijnheer Deary, kellner?”

„Op de bovenste, mijnheer. Hij komt wel eens voor zijn venster staan.”

Nog een hoofdknikje en daarop verwijderde de man zich, zeer gelukkig

met de goede fooi, die hij op zulk een gemakkelijke wijze verdiend had.

Van dat oogenblik af begonnen de beide vrienden het huis met het geduld

van een kat te bespieden.

Zij lunchten in de bar en bleven trouw op dezelfde plek zitten, slechts

nu en dan een paar woorden wisselend.

Maar om drie uur in den middag had er eindelijk een verandering van

tooneel plaats. De drie gewaande arbeiders verlieten het huis weder,

wachtten eenigen tijd op een huurauto en reden toen weg.

„Laat je hen gaan?” vroeg Charly verwonderd, die reeds was

opgesprongen.

„Natuurlijk. Ik heb voorloopig niet hen noodig, maar hun woning. Kom

spoedig mee.”

Raffles betaalde de vertering en beide vrienden verlieten haastig de

bar.

Zij staken de straat over en belden aan de deur van het huis van roode

baksteenen.

Een dienstmeisje deed hen open en vroeg hen wat zij wenschten.

„Wij wenschen je meesteres te spreken, kindlief,” antwoordde Raffles.

Het dienstmeisje liet de beide bezoekers in een soort ontvangkamertje

en ging toen heen.

Eenige minuten later werd de deur weer geopend en een corpulente dame

trad binnen, wie het was aan te zien, dat zij zich liefst zoo weinig

mogelijk bewoog.

„Verlangen de heeren kamers?” vroeg zij een weinig ongeduldig. En

Raffles begreep dadelijk, dat zij in haar middagdutje gestoord was.

„Daaraan kan ik u tot mijn spijt niet helpen.”

„Wij zoeken geen kamers, madame, wij zoeken een paar dieven,”

antwoordde Raffles laconiek.

„Dieven? Dieven, in mijn huis,” riep de pensionhoudster verontwaardigd

uit.

„Het spijt mij, dat ik het u moet zeggen, madame, maar wij gelooven

inderdaad dat zich onder uw dak een zeer gevaarlijk signeur ophoudt,

die van hier uit strooptochten onderneemt op het Kensington-Hotel.”

De corpulente dame slaakte een kreet van afkeer en woede en riep toen:

„Dat moet een vergissing zijn, mijnheer. Dat is onmogelijk.”

„Er is niets onmogelijk, madame,” hernam Raffles kalmpjes. „Wij zullen

u daar spoedig genoeg van overtuigen. Hier is mijn aanstelling als

particulier detective. Zoudt gij de goedheid willen hebben, ons naar de

bovenste verdieping te willen vergezellen?”

„Wilt gij mij vier trappen laten beklimmen, mijnheer,” riep de dame op

klagenden toon. „Dat kunt gij toch niet meenen. Als gij een onderzoek

wilt instellen, kunt gij dat heel goed alleen doen, daarvan ben ik

overtuigd. Waar moet gij zijn?”

„O, wij willen alleen maar even den zolder onderzoeken,” antwoordde

Raffles luchtig. „Geef u maar geen moeite mevrouw, wij zullen het zelf

wel vinden.”

En voor de corpulente dame nog iets had kunnen opmerken, waren Raffles

en Charly de trap reeds op.

Zonder zich ergens op te houden, bereikten zij de bovenste verdieping.

Juist kwam er uit een der woningen een eenvoudig gekleed man, die

beleefd zijn hoed af nam en de trap wilde afgaan.

„Pardon, mijnheer,” zoo hield Raffles hem aan, „kunt u mij ook zeggen,

waar de woning van mijnheer Deary is?”

„Gij staat er juist voor, mijnheer,” antwoordde de heer die daarop

nogmaals zijn hoed af nam en zich verwijderde.

Raffles wachtte tot de voetstappen van den bewoner zich hadden

verwijderd en trachtte den knop van de deur om te draaien maar zooals

hij vermoedde was de deur op slot.

Dit was echter voor een man als Raffles wel het kleinste van alle

bezwaren.

Hij had hierop voorbereid moeten zijn, en zich voorzien van een klein

bosje loopers, die spoedig uit een achterzak te voorschijn kwam en

binnen enkele seconden hun dienst hadden verricht.

Raffles en Charly slopen binnen, lieten de deur op een kier staan,

gingen de kleine gang teneinde, openden een tweede deur, stonden toen

in een goed gemeubeld vertrek, hetwelk door een combinatiedeur in

verbinding stond met een even fraai gemeubeld slaapvertrek.

„Voor een voormalig fabrieksarbeider ziet het er hier heel schappelijk

uit,” zeide Raffles glimlachend, terwijl hij zijn blikken om zich heen

liet dwalen, „en nu zullen wij eens zien, of het inwendige van al die

fraaie meubeltjes ons niets onthult. Neem jij de wandkast maar voor je

rekening, dan zal ik eens beginnen met dat fraaie bureau.”

Het duurde niet lang of de kast zoowel als het bureau waren geopend en

van beiden werd de inhoud zorgvuldig onderzocht.

Raffles vond een aantal compromitteerende papieren, die zeer duidelijk

wezen op het bestaan van een tamelijk wijd vertakte dievenbende, die

zich speciaal bezig hield met de berooving van hotels, en Charly was de

gelukkige ontdekker van een tasch met uitmuntende inbrekerswerktuigen,

die zelfs de bewondering gaande maakte van een kenner als de

Gentleman-Inbreker.

De beide mannen vonden verder nog een paar doozen met scherpe

browningpatronen, een spits geslepen dolk in schede, een gummi

ploertendooder, en nog enkele andere wapens, benevens in een houten

kistje verborgen een fleschje met een of ander bedwelmend middel,

hoogstwaarschijnlijk chloroform.

Dit alles werd zeer behoedzaam juist weder op dezelfde plaats gezet.

Alles werd weder gesloten en daarop verlieten Raffles en Charly de

woning, zooals zij gekomen waren.

Het was intusschen donker geworden en overal in huis waren de lichten

ontstoken.

„Nu zullen we eens gaan zien, of de zolder ons niet iets nieuws kan

leeren, ofschoon ik het niet denk,” merkte Raffles op toen zij op het

portaal stonden.

Zij beklommen nog een trap, bereikten heel gemakkelijk den zolder,

zonder een enkele deur te moeten openen en zagen aanstonds, dat er een

gemakkelijk te beklimmen ladder voerde naar het zolderluik.

Zij bestegen deze ladder, duwden het luik open, bereikten het platte

dak, en konden een eind verder, afstekend tegen den half donkeren

hemel, den rand zien van het hoteldak, dat bijna twee meter hooger was

gelegen.

„Hoe komen zij daar tegen op?” vroeg Charly op zachten toon.

„Ik denk dat zij telkens een ladder meenemen, niet langer dan

anderhalve meter, die ik in een hoek van den zolder heb zien staan,”

antwoordde Raffles.

„Vind je het niet vreemd, Edward, dat je in het bureau van Deary maar

een zeer geringe som geld hebt gevonden?”

„Dat is zoo bijzonder niet. Het is zeer wel mogelijk, dat hij al het

geld al heeft opgemaakt dat zijn diefstallen hem opleverde, maar het

kan ook zeer goed zijn, dat hij het geld verborgen heeft in zijn andere

woning in Hounsditch. Kom, laten we nu maar weer gaan. Er valt nu niet

meer aan te twijfelen, of wij hebben een bezoek gebracht bij de lang

gezochte hoteldieven.”

De beide vrienden daalden de ladder weder af, na het luik zorgvuldig,

zooals zij het gevonden hadden weder op de ijzeren pen te hebben gezet

en zochten vervolgens de pension-houdster op in haar eigen kamer.

„Geen woord over ons bezoek, mevrouw,” begon Raffles op ernstigen toon,

„want dat zou onaangename gevolgen voor u kunnen hebben.”

„U maakt me aan het schrikken, mijnheer. Hebt u werkelijk dieven in

mijn huis gevonden?” riep de corpulente dame uit.

„Nog niet mevrouw en misschien zullen wij hen hier ook niet vinden,

maar daarvoor is het noodig dat gij de grootste bescheidenheid en

stilzwijgendheid in acht neemt. Morgen zult gij wel nader van ons

hooren. Bovendien moogt gij aan niemand van uw huurders, aan niemand,

verstaat ge, omtrent onze komst iets mededeelen.”

„Ik beloof het u, mijnheer,” antwoordde de kamerverhuurster op bevenden

toon. „Dat ik dat nog moet beleven op mijn ouden dag.”

„Het zal zoo’n vaart niet loopen, mevrouw. Gij behoeft u volstrekt niet

ongerust te maken,” hernam Raffles glimlachend. „In ieder geval zult ge

natuurlijk vrij uit gaan en geen overlast ondervinden.”

Nog een buiging en daarop waren de beide mannen uit het vertrek

verdwenen en een oogenblik later stonden zij op straat.

„Wat doen we nu?” vroeg Charly.

„Dineeren, mijn waarde,” antwoordde Raffles laconiek.

„Waar?”

„In ons eigen hotel.”

„In dit uiterlijk?”

„Neen, we zullen eerst even onze vermomming maken, welke wij droegen

toen wij onze kamers bestelden.”

Het was daartoe noodig, dat de beide vrienden zich begaven naar de

Victoriastreet, waar Raffles een huis in eigendom had, hetwelk geheel

was ingericht voor dergelijke verkleedingen en dat twee ingangen boven

den grond en daarenboven nog een in den kelder had.

Zoodra zij zich weder het uiterlijk van rijke, Slavische handelaars

hadden gegeven, lieten zij zich in een huurauto weder naar het hotel

rijden, waar zij juist bijtijds aankwamen om in de groote eetzaal nog

een paar onbezette plaatsen te kunnen vinden.

Terwijl zij zwijgend hun soep nuttigden, stootte Raffles Charly

zachtjes aan met den elleboog en zeide:

„Kijk eens naar dien jeugdigen, hoogblonden kellner daar ginds. Hij

loopt juist met een koelemmer en een paar flesschen champagne voorbij.”

Charly wendde zijn blik in de aangewezen richting, en vroeg toen:

„Wat is er met hem?”

„Dat is de kellner, met wien Deary vanmorgen snel eenige woorden

wisselde, welk gesprek mij op het denkbeeld heeft gebracht, dat de

heeren hedennacht hun slag denken te slaan.”

„Hij is dus de medeplichtige, dien de hotelratten hier hebben?”

„Ja, hij is als het ware de impresario, de man die alles schikt, die de

noodige inlichtingen verstrekt, en die hen waarschijnlijk moet

waarschuwen als er onheil dreigt en dat laatste zal hem moeilijk genoeg

vallen, want de politie is zeer voorzichtig, wantrouwt iedereen in het

hotel en zou het zeker niet aan de groote klok hangen, wanneer zij

voornemens is iets te doen, teneinde de daders in hun netten te laten

loopen.”

„En wat zijn jouw plannen voor vanavond, Edward?”

„Ik ga op mijn beurt mijn vallen uitzetten, Charly.”

„En waar zal die val worden opgezet?”

„Voor hedennacht op het dak, het is maar voor een keer en wanneer het

vannacht niet lukt, dan beloof ik je, dat de voorstelling niet zal

worden herhaald.”

„O, mij kan het niet veel schelen. Ik begrijp alleen maar niet goed,

wat je op het dak wilt uitvoeren.”

„Het is toch tamelijk eenvoudig. Ik wil hen kalm hun slag laten slaan,

ik wil hen ook rustig den terugtocht laten aanvaarden, en daarop wil ik

hen volgen, teneinde te zien, waar zij met den buit blijven. Zij zullen

dien ongetwijfeld aanstonds bij de rest van het gestolene gaan brengen

en zoo zullen zij zelf de speurhond zijn, die ons het wild onder schot

brengt.”

HOOFDSTUK VI.

OP HET DAK.

Raffles liet zich volstrekt niet beïnvloeden door het vooruitzicht, dat

hij waarschijnlijk uren in de koude op het dak moest doorbrengen en at

met den grootsten smaak, opgewekt door het denkbeeld, dat hij misschien

in de gelegenheid zou zijn, de hotelratten op hun beurt te ontlasten

van hetgeen zij in dit hotel en wie weet waar nog meer hadden buit

gemaakt.

Terwijl hij kalm een peer zat te schillen zeide hij tot Charly:

„Het is geen groote kunst goede sier te slaan van andermans geld,

waarvan men zich meester heeft gemaakt, het stelen zelf is veel

moeilijker en onder alle andere omstandigheden zou ik er waarschijnlijk

niet aan denken, de heeren concurrenten lastig te vallen en in de

wielen te rijden, maar uit het kleine arsenaal, dat wij in de woning

van Deary hebben gevonden, blijkt in de eerste plaats, dat zij voor

geweld blijkbaar niet terug deinzen. Daarop wijst in ieder geval de

dolk en de ploertendooder. Van de browning zal ik nu maar niet spreken,

evenmin als van de chloroform. Dat is mij al weinig sympathiek en ook

lijkt het mij heel onwaarschijnlijk, dat het edele drietal het gestolen

goud op dezelfde wijze zal aanwenden, als ik reeds sedert jaren doe. Ik

maak er dus volstrekt geen gewetenszaak uit, een klein spelletje met

die heeren te spelen. Een spelletje, dat ik hoop te winnen.”

„Maar, veronderstel nu eens, Edward, dat ze het vannacht juist op ons

voorzien hebben?”

„Wel, dan vangen zij natuurlijk bot,” zeide Raffles glimlachend.

„Maar zij zullen onze kamer leeg vinden.”

„Wat zou dat. Denk je dat ze daaruit onmiddellijk afleiden, dat wij

boven hun hoofd op het dak zitten om op hen te wachten?”

„Dat nu niet, maar zij zullen misschien aanstonds rechts om keert

maken, onverrichterzake, en zij zullen zich dus ook niet naar de plek

begeven, waar zij hun buit bewaren.”

„Daar moeten wij het op aan laten komen, Charly. Ik voor mij geloof

niet, dat zij, als zij eenmaal den tocht begonnen zijn, met leege

handen zullen terug keeren. Als zij ons vertrek ledig vinden, of liever

zonder geldswaarde, want onze persoon zal hen wel volkomen

onverschillig zijn, dan zullen zij het eenvoudig een weinig verder

beproeven en zeg me nu eens, wat je denkt over een bezoek aan het

Garricktheater, waar zij vanavond een stuk van Pinero vertoonen?”

„Ik heb er volstrekt niets op tegen,” antwoordde Charly. „Als wij maar

bijtijds terug zijn.”

„Maak je daaromtrent niet bezorgd. Ik weet zeker, dat we ons niet

behoeven te haasten. De kellner die in het complot is, zal hen wel op

de een of andere wijze met lichtseinen, of iets dergelijks, of

eenvoudig per huistelefoon, waarvan de draden over het dak kunnen

loopen, waarschuwen, als het slachtoffer zich ter ruste heeft begeven.

Wanneer de drie heeren inderdaad het op ons voorzien hebben, dan zou de

zaak zich wel ongeveer als volgt toedragen. De medeplichtige kellner

houdt zijn oogen goed open en bewaakt meer speciaal onze kamers. Zoodra

wij het hotel zijn binnen gegaan, wijdt hij zijn bijzondere aandacht

aan ons en wanneer wij ons in onze slaapvertrekken hebben begeven,

waarschuwt hij zijn kornuiten, die dan een aanvang kunnen maken met hun

kleine onderneming. Maar daar zij wel een uur op zijn minst zullen

laten verloopen tusschen de ontvangst van het waarschuwingssein en

inbraak, als men het zoo noemen mag, want van braak in eigen,

rechtskundigen zin van het woord is geen sprake, zullen wij gelegenheid

in overvloed hebben ons naar het dak te begeven.”

„Alles goed en wel, maar dan zullen zij des te meer achterdocht

koesteren als zij ons niet meer in de kamers aanwezig vinden.”

Raffles dacht een oogenblik na en hernam toen:

„Je kunt misschien wel gelijk hebben. In ieder geval moeten we daarmee

rekening houden. Dan zouden wij wellicht beter doen, wanneer wij ons

dadelijk maar meester maken van de schelmen, maar dan toch pas, wanneer

zij op den terug weg zijn. Ik laat het er liever op aankomen, dat zij

aan een plotseling vertrek van de beide Galiciërs gelooven, en laten

wij ons nu gereed maken voor de voorstelling, het is laat.”

Een half uur later ongeveer bevonden de beide vrienden zich in het

Garricktheater, waar Raffles sedert eenigen tijd een vaste loge had en

genoten van het voortreffelijk spel de beide hoofdpersonen in Pinero’s

tragisch spel van liefde en wraakzucht „Mid-Channel”.

Zooals gewoonlijk was de geheele aandacht van Raffles bij het spel en

niets verried op het gelaat van dezen merkwaardigen man dat hij zich

binnen weinige uren ging begeven in een avontuur dat wel eens niet

zonder gevaar kon zijn.

Zooals steeds „leefde” hij het oogenblik, zooals hij het placht te

zeggen, want wat later kwam was van later zorg.

Om ruim elf uur verlieten de beide vrienden den schouwburg en lieten

zich met een huurauto naar hun hotel terug rijden.

Zij gebruikten een klein souper in de eetzaal op hun eigen verdieping,

en hadden daarbij de gelegenheid op te merken, dat de blonde kellner

inderdaad tamelijk veel aandacht aan hen wijdde.

Het was bijna half een voor zij hun slaapkamer gingen opzoeken.

Raffles sloot zorgvuldig de gordijnen voor de balkondeuren en begon de

weinige kostbaarheden, die de schijnbaar schatrijke Galiciërs hadden

mede genomen, in zijn valies te pakken. Het kon wel eens noodzakelijk

zijn, het hotel sneller te verlaten dan waarop hij gerekend had.

Daarna werden de revolvers goed nagezien, men moest op alle

gebeurlijkheden voorbereid zijn en de drie schavuiten konden wel

voornemens zijn, zich gewapenderhand te weer te stellen.

Van te voren had Charly er zich deugdelijk van overtuigd, dat de

sleutel zoodanig in het slot stak, dat het onmogelijk was door het

sleutelgat te kijken.

Nu zocht Raffles een lang en zeer sterk touw uit zijn bagage, aan het

einde voorzien van een stalen haak en rolde dit zorgvuldig op.

„Waarvoor dient dit touw?” vroeg Charly nieuwsgierig.

„Ter vervanging van de trap, wanneer wij snel naar beneden moeten

gaan,” antwoordde Raffles. „Men kan nooit genoeg voorzorgsmaatregelen

nemen. Dat is een beginsel, waarbij ik me altijd goed heb bevonden.

Voor touwen vooral heb ik steeds een bijzondere voorliefde gehad. Een

touw is werkelijk van buitengewoon nut, vooral wanneer het van een

voortreffelijke hoedanigheid als dit is. Het is niet te dik, doch

ijzersterk en kan gemakkelijk het gewicht van drie mannen tegelijk

dragen. Men kan twintig meter touw om het middel winden, onder de

kleederen, zonder dat het opvalt.”

Hij had onder het spreken een blik op zijn horloge geworpen en

vervolgde:

„Het is niet ver van half twee en wij zijn reeds een kwartier in onze

kamer. Het wordt dus langzamerhand tijd, onze observatiepost op het dak

te gaan innemen. Trek je dikke pels aan want het zal daarboven nijpen.”

Charly gaf aanstonds gehoor aan deze uitnoodiging en trok een dik

gevoerde korte pels aan die warm zat en hem toch niet zou hinderen in

zijn bewegingen.

Terwijl hij het kleedingstuk dicht knoopte, vroeg hij:

„Dat is waar ook. Weet je den weg naar het dak te vinden?”

Raffles keek Charly een oogenblik zwijgend en hoofdschuddend aan en

zeide toen op bestraffenden toon:

„Wij werken al eenige jaren samen, Charly. Je hebt ruimschoots

gelegenheid gevonden, je met mijn methoden vertrouwd te maken. Je weet

dat ik slechts weinig van het toeval laat afhangen en je vraagt of ik

den weg naar het dak weet. Maar mijn waarde, de weg naar het dak is in

ieder vreemd huis steeds de eerste weg dien ik verken. Je weet niet

welke mogelijkheden er schuilen in een behoorlijk begaanbaar dak. Lees

er de bladen maar eens over. Wanneer de politie een inbreker op het

spoor is en de man weet niettemin te ontvluchten uit het huis waar hij

des nachts een bezoek bracht, dan zal die ontvluchting negen van de

tien keer over de daken plaats vinden, maar dat lukt slechts dan

wanneer de dief zich van te voren goed op de hoogte heeft gebracht van

de plaatselijke gesteldheid.”

„Dan heb ik niets meer op te merken, Edward, en ik maak je mijn

verontschuldiging, dat ik je die vraag stelde.”

„Dan nu naar het dak en ik hoop, dat wij niet te lang meer behoeven te

wachten.”

Raffles doofde het licht, trad op de kamerdeur toe, en luisterde eenige

oogenblikken met de grootste aandacht.

Daar het echter buiten in de gang volkomen stil was, opende hij

behoedzaam de deur, keek naar buiten, luisterde nogmaals en wenkte

Charly.

Zoodra de beide mannen op de gang waren, sloot Raffles de kamerdeur van

buiten, liet den sleutel in den zak glijden, en liep onhoorbaar en zeer

snel voort, zoo dat Charly eenige moeite had, hem in de halve

duisternis, die hier heerschte, bij te houden.

Aan het einde van deze dwarsgang opende Raffles een deur en nu bevonden

de twee mannen zich op een smal portaal, slechts flauwtjes verlicht

door een kaarslantaarn, en waar een ijzeren wenteltrap begon, die naar

de zolderverdieping voerde.

Zonder meer gerucht te maken, dan katten gedaan zouden hebben,

beklommen Raffles en Charly deze trap, die bleek uit te komen op een

ruimen droogzolder, waar zich een mangelpers van geweldige afmeting

bevond, met een wit geschuurde tafel, waarop naar alle

waarschijnlijkheid het tafelgoed van het hotel behandeld werd.

Over een aantal drooglijnen hingen tallooze stukken linnengoed,

beddenlakens, tafellakens en servetten.

De zolder had twee vensters, waarboven zich twee hijschbalken bevonden.

Charly kon dit echter slechts als het ware in vogelvlucht opmerken,

want Raffles trok hem met zich mede, en beklom een ladder, die toegang

bleek te geven tot het zolderluik.

Een oogenblik later bevonden de beide vrienden zich op het dak.

Lord Lister No. 0385: De Hotelratten · 第 3 / 4 段