Het was tamelijk onregelmatig van vorm, als gevolg van de bouworde van

het hotel, en niet overal even hoog.

Maar nergens was het verschil zoo groot, dat men het niet gemakkelijk

kon overklimmen.

In de duisternis rezen hier en daar schoorsteenpijpen op, logge,

vierkante gevaarten van baksteen.

Sommige schoorsteenpijpen waren zoo hoog, dat zij geschoord moesten

worden door ijzeren steunstangen, stevig in het metselwerk verankerd.

„Nu zul je wel inzien,” begon Raffles fluisterend, „op welk een

betrekkelijk gemakkelijke wijze de dieven zich konden laten zakken,

door het einde van hun touwladdertje te bevestigen aan een van die

sterke ijzeren steunsels. En kom nu mede naar het einde van het dak,

waar wij ons verdekt zullen opstellen, en de heeren dieven zullen

opwachten!”

De beide mannen begaven zich, moeite doende om hun schreden zooveel

mogelijk te dempen, op het dunne laagje grint, waarmede het zink van

het dak bedekt was, naar het einde van het dak, waar zich het huis

bevond, hetwelk den drie mannen tot punt van uitgang diende, wanneer

zij op rooftocht uitgingen.

Zoo bereikten zij den rand van het dak, en toen Charly zich daarover

heenboog, zag hij daar het kleine laddertje staan, hetwelk hij reeds

bij een vroegere gelegenheid had ontdekt.

Hij wilde een sigaret opsteken, maar snel legde Raffles zijn hand op

zijn arm, met de waarschuwing:

„Niet rooken, Charly! Bedenk dat wij hier als het ware onder het oog

van den vijand in een vooruitgeschoven stelling op wacht zitten. Wij

hebben stellig niet met ezels te doen, en al verschuilen wij ons achter

dezen schoorsteen, zij zouden den rook van je sigaret toch kunnen

zien—en haar kunnen ruiken ook, want de wind is van ons af!”

Charly gehoorzaamde zuchtend, en daarop posteerden de beide vrienden

zich achter een der zware schoorsteenen, zoodat slechts hun hoofd er

boven uitstak en tuurden aandachtig naar het dak van het huis, waar

Deary verblijf hield.

Er verliep een half uur, waarin weinig gesproken werd.

Maar eensklaps hieven zij bijna tegelijker tijd het hoofd op,—hun

scherp oor had eenig gerucht ontvangen.

Ingespannen tuurden zij in de duisternis.

Het kon niet worden geloochend—er klonken ergens gedempte schreden,

niet ver van hen af.

En eensklaps fluisterde Charly:

„Daar komen zij aan—zij kruipen juist achter dien schoorsteen vandaan.”

Hij had goed gezien—daar naderden de drie hotelratten, allen met

donkere kleederen aan, ten einde zoo weinig mogelijk in het oog te

vallen.

Maar de maan, welke dien avond vol was, scheen hen juist in het gelaat

en zelfs op dien afstand herkende Raffles hen aanstonds.

Behoedzaam kwamen de drie schelmen naderbij—en het zou niet lang duren

of zij zouden het kleine laddertje bereikt hebben.

Maar eensklaps had er iets plaats, hetwelk een volslagen ommekeer

bracht in den toestand.

Want plotseling, voor Raffles en Charly er op verdacht waren, verhieven

zich drie gedaanten achter hen, en een stentorstem riep op bevelenden

toon:

„Handen op, en geef u over! Gehoorzaam of wij schieten!”

In het maanlicht schitterden de loopen van drie revolvers, die een even

duidelijke als onweerstaanbare taal spraken.

HOOFDSTUK VII.

WIE HET LAATST LACHT....

Er behoefde niet aan te worden getwijfeld—de drie mannen die zoo

onverhoeds ten tooneele waren verschenen, behoorden tot de politie—het

was een inspecteur, door twee detectives vergezeld.

Een gevoel van woede en spijt maakte zich van Raffles meester, dat hij

niet kon onderdrukken.

Door de schuld van deze drie domkoppen zou hem wellicht een prachtige

gelegenheid ontgaan, om een goeden slag te slaan, ten koste van de

hotelratten.

„Ezels!” kwam het sissend over zijn lippen. „Je hebt de verkeerde

voor!”

„Maak geen praatjes, en volg ons, of wij gebruiken geweld!”

„Schreeuw niet zoo hard! Je jaagt de werkelijke dieven op den loop!”

kwam Raffles, die veel lust had de drie agenten te oorvegen.

Het was maar al te waar, de drie dieven hadden het stemgerucht gehoord,

wat niet te verwonderen viel, want de inspecteur had hard genoeg

geschreeuwd, toen hij Raffles het bevel gaf de handen op te steken en

zij kozen nu ijlings het hazenpad. Hun gestalten waren zeer duidelijk

zichtbaar, zooals zij daar over het platte dak heensnelden.

Maar de inspecteur liet slechts een kort lachje hooren en zeide:

„Jullie medeplichtigen! Dacht je dat ik je spelletje niet doorzag,

vriend? Maak geen beweging of het zou je berouwen!”

„Ik denk er niet aan om beweging te maken!” riep Raffles ongeduldig.

„Ik denk er alleen maar aan, als mijn overtuiging te kennen te geven,

dat ik menigmaal leeghoofden onder de politie heb aangetroffen, maar

gij tot dusver het record slaat! Zult gij die mannen laten ontsnappen?”

„Wij zullen hen wel krijgen! Je zult wel zoo verstandig zijn je

medeplichtigen te verraden!” liet de inspecteur op korten toon zich

hooren. „En nu vooruit, en niet langer tegenstribbelen of getracht mij

om den tuin te leiden met onnoozele praatjes, want je bederft er je

zaak maar mee! ’t Was toch maar een goed denkbeeld van mij vannacht

maar eens op het dak te gaan neuzen!”

Raffles haalde de schouders op, en zeide op zachten toon eenige woorden

tot Charly, in een voor den inspecteur en zijn mannen volkomen

onbegrijpelijke taal.

„Wat zeg je daar?” vroeg de inspecteur dreigend.

„Niets van beteekenis, inspecteur!” antwoordde Raffles op hoffelijken

toon. „Ik zeide slechts tot mijn vriend dat hij zich in acht moet nemen

voor de scherpe nachtlucht!”

En hierop werd de tocht aanvaard.

De inspecteur liep vooraan, daarop volgden Raffles en Charly, en de

beide detectives sloten den stoet, en de twee vrienden voelden

onophoudelijk de bedreiging van de beide revolverloopen in hun rug.

Zoo bereikten zij het nog steeds openstaande zolderluik.

De inspecteur zette het eerst zijn voet op de ladder, de revolver nog

altijd in de rechtervuist geklemd en begon haar af te dalen.

Raffles volgde hem, na hem kwam Charly en vervolgens de beide

detectives.

Deze opstelling bleek maar al te spoedig strategisch verkeerd te

zijn....

Want juist toen de inspecteur zich ongeveer halverwege de ladder

bevond, en de eerste detective dit voorwerp wilde gaan afdalen, zette

Raffles zijn voet in de lendenen van den politiebeambte, en deed hem

sneller dan zijn bedoeling was, de ladder aftuimelen, terwijl Charly

met een vlugge beweging en terwijl hij zich snel bukte, teneinde het

zware voorwerp niet op zijn hoofd te krijgen, de stang onder het luik

weg trok, dat met een luiden klap dicht viel.

En het zou niet zoo gemakkelijk weder open zijn te krijgen, want er

bevond zich aan de buitenzijde geen ring, of iets dergelijks.

De inspecteur had in zijn val onwillekeurig beide handen voor zich

uitgestrekt met het natuurlijke gevolg, dat hij zijn revolver moest

missen die een eind verder neer kwam. In ieder geval buiten zijn

bereik.

De inspecteur krabbelde spoedig overeind; een weinig verdoofd, maar

woedend en vol strijdlust, maar de arme man zou dien nacht geen kans

meer krijgen.

Hij stormde vol van drift, met opgeheven vuisten op Raffles toe en hij

was een sterk man, wiens vuisten zeker kwaad genoeg konden aanrichten.

Maar de Groote Onbekende wist zich voortreffelijk aan de omstandigheden

aan te passen, en hij werd op dat merkwaardige oogenblik tot

stierenvechter.

Met een vlugge beweging had hij een van de groote lakens van de

drooglijn getrokken en toen de inspecteur op hem toestormde liep hij

als een snoek in de fuik, en zag zichzelf als het ware gevangen in de

plooien van het beddelaken.

Hij struikelde er over, slaakte een vloek, die iedere kaaiwerker hem

had moeten benijden, en een onderdeel van een seconde later had Raffles

en Charly de punten van het laken kruiselings over den gevallen man

heen geslagen en bakerden hem nu vliegensvlug in, alsof hij een

zuigeling was.

„Het is verwonderlijk, welk een remmende kracht een nieuw sterk

beddelaken kan hebben op de beweging van een krachtig man als gij zijt,

mijnheer de inspecteur,” kwam Raffles glimlachend. „Men zou het niet

gelooven, maar gij zoudt op zijn minst wel een kwartier noodig hebben,

om u uit dit laken weder te bevrijden. Het schreeuwen zullen we u maar

niet beletten, want dat heeft toch geen doel. Ik hoorde daar reeds

voetstappen naderen, men heeft zeker het lawaai van het luik reeds

vernomen. Kom mede, amice.”

Dit laatste was gericht tot Charly Brand, die de punten van het laken

met een paar stevige knoopen had dicht gebonden, zoodat de inspecteur

zich als in een dwangbuis bevond, dat ook zijn beenen tot

onbewegelijkheid doemde.

Raffles snelde intusschen naar de zolderdeur en wist deze op behendige

wijze af te sluiten met behulp van een zwaren droogstok, dien hij er

schuin voor plaatste en schoor zette tegen een uitstekende plank in den

vloer.

Daarop haalde hij zijn touw te voorschijn, ging op de vensterbank van

de ramen staan, en sloeg den stalen haak om den sterken ring van het

hijschblok.

Hij wierp het touw naar beneden, en liet zich aanstonds zakken, terwijl

hij tot Charly riep:

„Volg mij. Er is niet veel tijd te verliezen.”

Een oogenblik later was zijn hoofd onder den rand van de vensterbank

verdwenen, terwijl de inspecteur brulde op een wijze, zooals hij

waarschijnlijk nog nimmer gebruld had.

Charly zwaaide zich op zijn beurt over de vensterbank en liet zich

langs een touw naar beneden glijden.

Maar Raffles liet zich niet geheel en al naar omlaag glijden, zooals de

jonge man gedacht had, maar sprong op het balkon van de bovenste

verdieping, haalde snel de pennen uit de scharnieren van de eerste de

beste deur, en duwde de helft van het raam voorzichtig open. Charly

volgde hem op den voet.

„Groote hemel, welk een noodlottige vergissing,” zeide Raffles

zachtjes, terwijl hij een spottenden blik in het rond wierp. „Het is

niet onze eigen kamer.”

„Welke kamer is het dan?”

„De kamer van een dame, en nog wel van een dame, die zeer veel zorg aan

haar uiterlijk besteed. Zie maar eens naar al die potjes, doosjes en

flaconnetjes, naar het fijne ondergoed, en naar de zilveren

toiletgarnituren. Charly, ik geloof, dat de voorzienigheid met me is.

De vergissing is lang niet zoo noodlottig, als ik eerst dacht. Wij zijn

hier in de kamer van een zeer rijke dame, en daar staat het kistje met

juweelen, dat ons als het ware tegenlonkt.”

Juist toen Raffles het voorwerp greep en in zijn zak liet glijden, werd

de dame wakker, richtte zich met een schreeuw in haar bed op, en riep:

„Wie zijt gij? Wat wilt gij?”

„Het is van weinig belang, madame, en uw laatste vraag komt te laat.

Wat ik wilde heb ik reeds verricht. Het spijt mij, dat wij u in uw

slaap hebben gestoord. Doe vooral geen moeite om ons uit te laten. We

vinden den weg wel.”

En Raffles sprong op de deur toe, schoof de grendels terug, draaide den

sleutel om en stond in de gang.

Snel als de wind liepen zij de gang teneinde, renden een kellner

ondersteboven, die juist den hoek omkwam, stormden de trappen af en

bereikten ongehinderd de vestibule.

Daar was alles in de meest volkomen rust, want het was onmogelijk hier

iets te hooren van hetgeen er op het dak of de bovenste verdieping

plaats vond. En zoo schreden Raffles en Charly heel kalm langs den

slaperigen nachtportier en bereikten de straat. Geen volle vijf

minuten, nadat voor het eerst de dreigende stem van den inspecteur in

hun ooren had geklonken.

Raffles zette twee vingers in den mond, en een schril gefluit klonk

door de nachtelijke stilte.

Bijna aanstonds kwam er een auto aanrijden die bestuurd bleek te worden

door Henderson, den geweldig sterken chauffeur van Lord Aberdeen.

„Waar gaan wij heen?” vroeg Charly.

„Naar het andere huis van Deary.”

„Om wat te doen?”

„Om de drie schelmen daar op te wachten.”

„Denk je dan dat ze daar heen zullen gaan?”

„Dat zou volstrekt niet verwonderlijk zijn. Zij hebben door het

intermezzo op het dak begrepen, dat men hen in de kaart heeft gezien en

daar zij vreezen dat men hen kent, zullen zij zich haasten te vluchten.

Maar niet nadat zij den buit zijn gaan halen en ik denk wel haast, dat

die in het oude huis van Deary verborgen is.

„Hoe het ook zij, zij zullen ons niet meer ontsnappen, komen ze daar

niet, dan vinden wij hen wel elders.”

Hij wendde zich tot Henderson en zeide:

„Rijd zoo snel als je kunt. Het adres heb ik je reeds gegeven. Bedenk

dat we vijf minuten achter zijn.”

De reus knikte. Raffles en Charly sprongen in de auto, en deze zette

zich in beweging, om na een zeer snellen rit van een half uur stil te

staan voor het huis van Deary.

De twee vrienden stapten uit, Henderson ging de auto stallen in een

nachtgarage op een dertig pas afstand en kwam zich toen bij de anderen

voegen.

Reeds was op het schellen van Raffles de deur geopend door een

slaperigen portier, die hem echter aanstonds binnen liet, toen Raffles

hem zijn penning als detective toonde en hem een pond sterling in de

hand had gedrukt.

Nadat de man bevel had gekregen, alle lichten weder te dooven, en zich

te houden alsof hij sliep, begaven de drie mannen zich snel naar de

woning van Deary, waar zij nadat Raffles de deur met zijn looper

geopend had, binnentraden en zich verscholen achter de gordijnen en

achter een zware boekenkast.

Zij behoefden niet lang te wachten, want een kwartier later klonken er

schreden, de deur werd geopend, het electrische licht werd ontstoken,

en Deary en zijn beide medeplichtigen traden binnen.

Zij schenen groote haast te hebben, want Deary verloor volstrekt geen

tijd, maar liep op de boekenkast toe, opende ze, nam er een geweldig

zwaar en dik boek uit, en toen hij dit openklapte, na de koperen sloten

te hebben geopend, vertoonde zich een menigte sieraden, diamanten

ringen, oorhangers, kostbare colliers, en ook eenige pakken

bankbiljetten.

„Dat zou ik zonder uw hulp zeker zoo spoedig niet gevonden hebben!”

liet eensklaps de stem van Raffles zich hooren, die met opgeheven

revolver van achter zijn gordijn te voorschijn kwam.

Met een schreeuw van woede en wraakzucht wilden de drie hoteldieven

zich op hem werpen, maar Henderson sprak een woordje mee, en in een

ommezien was nu het pleit beslecht!

De drie kerels rolden als kegels door de kamer, en voor zij konden

overeind krabbelen, waren zij al stevig gebonden en gekneveld.

Raffles stak den buit met een koel glimlachje bij zich, en zeide, met

een blik op de drie gevangen bandieten:

„Het was een goede dag, mijne heeren! En nu zal ik u kans laten! Want

ik ben van oordeel, dat men ook anderen gelegenheid moet geven om weg

te loopen! Ik zal over een uur de politie waarschuwen, en hier heen

zenden! Hebt gij u binnen dien tijd weten te bevrijden, des te beter

voor u! Zijt gij er dan echter niet in geslaagd, het spijt mij, maar

dan zal het uw eigen schuld zijn. Ik wensch u het beste toe, mijne

heeren, ik geef u mijn oprechte bewondering te kennen over uw geniale

vondst met die hoteldeuren, en ik heb de eer u te groeten!”

Lord Lister No. 0385: De Hotelratten · 第 4 / 4 段