maken, moet men hen kennen,” hernam Raffles glimlachend. „En gij zult
zelf wel inzien dat dit met eenige moeilijkheden gepaard gaat. Al uw
werklieden van de deurenafdeeling te laten aantreden en hen een voor
een te laten vragen, of zij soms iets uitstaande hebben met de brutale
diefstallen in het Kensington-Hotel.... Ik vrees dat ons dat niet veel
verder zou brengen.”
„Gij hebt gelijk, maar wat is er dan te doen?”
„Er is een heel eenvoudig middel, mijnheer Plumkett. Gij neemt ons
eenvoudig als zoogenaamde arbeiders in dienst. Onze handen zullen niet
verkeerd staan, zooals gij spoedig zult merken en ik geloof, u wel te
mogen verzekeren, dat wij binnen weinige dagen de daders zullen hebben
uitgevonden. Wilt gij ons daartoe verlof geven?”
Plumkett dacht slechts een oogenblik na en antwoordde toen:
„Toegestemd, mijne heeren. Van dit oogenblik af maakt gij deel uit van
mijn personeel.”
HOOFDSTUK IV.
LICHT IN DE DUISTERNIS.
Raffles en Charly namen onmiddellijk de noodige maatregelen.
Zij besloten des nachts in het hotel te blijven logeeren onder de
vermomming welke zij daar tot dusver hadden aangenomen en de dag en de
avond zouden er aan besteed worden om onderzoek te doen naar de brutale
diefstallen.
Het hotel wilden zij voorloopig niet verlaten, teneinde aldus niet de
kans te missen, dat zij zelve wellicht het slachtoffer zouden worden
van de brutale hoteldieven, welke kans des te grooter was, daar het
gerucht van hun grooten rijkdom reeds in breede kringen de ronde had
gedaan.
Men kon gerust aannemen, dat de daders in het hotel althans een of twee
medeplichtigen hadden en deze zouden niet nalaten, hen nauwkeurig op de
hoogte te houden aangaande de finantieele positie van de logeergasten,
die hun intrek in het hotel namen.
Raffles begreep, dat hij deze kans niet mocht laten voorbijgaan en
daarom werd het besluit genomen, den nacht in ieder geval in het hotel
door te brengen.
Het zou tamelijk vermoeiend zijn, maar hij moest voor de goede zaak
iets over hebben.
Reeds den volgenden dag, vroeg in den morgen, kwamen Raffles en Charly
zich als arbeiders aanmelden.
Zoo voortreffelijk was hun vermomming, zoozeer geleken ze op hetgeen ze
moesten voorstellen, dat het geruimen tijd duurde, voor Plumkett wilde
gelooven, dat zij dezelfde personen waren, die zich den avond te voren
bij hem kwamen aanmelden, en dat Raffles verplicht was, het geheele
verhaal van de diefstallen en van zijn vermoedens nogmaals te doen,
alvorens de waardige fabrikant zich liet overtuigen.
„Ik moet zeggen, heeren, dat ge mij verbaasd doet staan,” riep Plumkett
uit, terwijl hij Raffles en Charly beurtelings aangaapte. „Ik heb wel
eens vernomen, dat detectives zich vermommen, maar ik heb altijd in de
veronderstelling verkeerd, dat die vermomming voor iemand, die goede
oogen in het hoofd had, al heel doorzichtig was. Ik ben nu verplicht
van die meening terug te komen, want ik zou eerder aan mijn eigen
persoonlijkheid getwijfeld hebben, dan dat ik u beiden zou hebben
gehouden voor de beide detectives, die mij gisteravond kwamen
bezoeken.”
„Wij danken u voor uw compliment, mijnheer Plumkett,” zeide Raffles met
een lichte buiging. „Is alles in orde?”
„Ja, gij kunt aanstonds aan het werk gaan. Het is een gelukkig toeval
dat ik eenige arbeiders ben kwijt geraakt, die zelf een zaak gingen
beginnen.”
„Arbeiders van de deuren- en ramenafdeeling?”
„Ja, het speet me genoeg. Het waren bekwame werklieden. Ze hadden wat
geld over gespaard, zeiden zij me, en nu wilden zij het zelf eens gaan
probeeren.”
„Een gevaarlijk begin in dezen tijd,” zeide Raffles hoofdschuddend.
„Wees zoo goed en schrijf mij de namen van die arbeiders eens op, als
het kan met hun adressen er bij.”
„Waarom, mijnheer? Gij denkt toch niet dat....”
„Ik denk voor het oogenblik niets, maar ik acht het verstandig met alle
mogelijkheden rekening te houden.”
Plumkett was op zijn bureau toegetreden, nam een klein register uit een
lade, bladerde er een oogenblik in, nam een stukje papier en schreef er
drie namen uit over met de adressen er achter, hetwelk hij aan Raffles
ter hand stelde.
Een oogenblik later waren de beide gewaande arbeiders naar hun
afdeelingen vertrokken, welke zich bleken te bevinden in een groote
ruime werkloods, waar een honderdtal arbeiders druk aan het werk waren.
In de loods stonden een aantal cirkelzagen, machines om gaten in de
posten van de deuren te hakken, schaafbanken, een paar draaibanken, en
in een hoek bevond zich een kleine smidse, waar klein ijzerwerk gesmeed
werd.
De arbeiders hadden slechts even nieuwsgierig van hun werk opgekeken,
toen de beide nieuwelingen binnen traden en daarop bogen zij zich weder
over hun werk.
Er was juist een bestelling van een ander groot hotel, dat in het
centrum der stad zou worden gebouwd, onder handen.
In een der hoeken van de werkplaats lagen reeds een dertigtal
kamerdeuren opgestapeld, nog ongeschilderd en die ook nog van sloten en
knoppen moesten worden voorzien. Daarnaast waren een paar dozijn ramen
opgestapeld, die nog slechts op de ruiten wachten en de verfkwast.
Raffles en Charly waren door den opzichter, die hen in ontvangst had
genomen, naar een groote schaafbank geleid, waar zij dadelijk aan het
werk konden gaan, dat bestond in het gladschaven van deurposten.
Het was een tamelijk eentonig werkje en heel veel kennis en aandacht
vereischte het niet, maar zelfs al zou het dat wel hebben gedaan, dan
zouden Raffles en Charly toch niet verlegen hebben gestaan, want zij
waren gewend met houtbewerkingsmachines, zoowel als met draai- en
fraisbanken om te gaan, waarvan er zich eenige bevonden in de geheime
werkplaats, die zich bevond onder het tuinhuis in den grooten tuin, die
zich achter het huis van Lord Aberdeen in de Regentstreet uitstrekte.
Maar juist omdat de arbeid niet veel toezicht vorderde en de beide
mannen eigenlijk weinig anders te doen hadden, dan de ruwe balken,
waarvan een groote stapel naast de werkbank lag, telkens op nieuw onder
de ronde schaaf te schuiven en deze te verstellen, tot de juiste dikte
van de deurpost was verkregen, konden ze al hun aandacht wijden aan hun
omgeving.
Voorloopig echter viel er weinig anders te doen dan de gezichten te
bestudeeren van de werklieden, die hier bezig waren.
Er waren jongen zoowel als ouden en op dit oogenblik kon men alleen
zeggen dat ze hard aan het werk waren.
Te hooren viel er niets. De machines maakten zulk een geweldig lawaai,
dat de werkbaas alle aanwijzingen met luide stem moest schreeuwen en
nog liever met gebaren zijn toevlucht nam.
Het schaftuur naderde tamelijk snel en de arbeiders begaven zich naar
de ruime heldere schaftkamer, waar zij voor weinig geld een zeer goeden
maaltijd konden krijgen en dus bij slecht weder niet genood waren, de
fabriek te verlaten.
Ook Raffles en Charly namen in deze schaftzaal plaats en zetten hun
ooren thans goed open.
Maar de arbeiders hadden het over niets anders dan over de groote
staking die toen juist in de metaalnijverheid was uitgebroken en geen
enkel oogenblik konden de beide mannen een snel gewisselden blik van
verstandhouding, een paar gefluisterde woorden, of iets anders
verdachts opmerken.
Zij stonden tamelijk spoedig weder op en op de groote binnenplaats
hadden zij gelegenheid een paar woorden tot elkander te kunnen
wisselen.
„Het werkje zal ons niet meevallen, geloof ik, Charly,” begon Raffles.
„Maar toch hoop ik aan een halve week genoeg te hebben. Er zijn acht en
negentig werklieden op de afdeeling, daarvan zijn zestien jongens en
nog twaalf gezellen die nog geen zestien jaar zijn, en die dus ook niet
in aanmerking komen. Die acht en twintig kunnen wij er dus afrekenen.
Bovendien heb ik een achttiental zeer oude werklieden opgemerkt, die al
evenmin in aanmerking komen. Ik denk dat Plumkett hen meer uit
medelijden houdt. Er blijven er dus twee en vijftig over, dat is dus
voor ons ieder zes en twintig, Charly. Van die zes en twintig moeten
wij zoo spoedig mogelijk de levensomstandigheden te weten zien te komen
en daarbij kan Plumkett zelf ons natuurlijk goed helpen. Wanneer je de
fabriek uitgaat zullen we scheiden en wij nemen ieder zooveel arbeiders
voor onze rekening, als wij maar kunnen afdoen, maar eerst vragen wij
natuurlijk aan Plumkett de namen van degenen die door hun geheele
gedrag en hun verleden reeds bij voorbaat van iedere verdenking zijn
vrij gesteld. Dat zal onze onderzoekingen aanzienlijk bekorten.”
In den loop van den middag vond Raffles gelegenheid den directeur nog
eens te spreken en deze beschreef hem een aantal werklieden, wier namen
hij opgaf en die reeds vele jaren in zijn dienst waren volgens zijn
meening onmogelijk schuldig konden zijn aan den diefstal in het
Kensington-Hotel.
Dat was alweer zooveel gewonnen en toen de bel om half vijf luidde, die
voor dien dag de beëindiging van het werk aankondigde, verlieten
Raffles en Charly de fabriek, voorzien van een lijstje met namen en
adressen en bezield met de beste voornemens om zoo spoedig mogelijk met
eenig tastbaar resultaat terug te keeren.
Daarin echter zouden zij bedrogen uitkomen.
Zij onderzochten ieder dien avond de levensomstandigheden van een
zevental arbeiders die allen in dezelfde wijk woonden, hetgeen al weder
veel tijd bespaarde en al die menschen waren brave, eenvoudige kerels,
die heel kalmpjes leefden, vrouw en kinderen hadden, van wie zij veel
hielden, des Zondags vischten, of naar een voetbalwedstrijd gingen,
Zaterdagsmiddags op de Theems roeiden, of een uitstapje maakten in de
omstreken, ’s avonds in een café soms een partijtje domino speelden en
er een glas bier bij dronken, en die lid van de een of andere zang-,
gymnastiek- of voetbalvereeniging waren. Kortom volkomen onschadelijke
leden van de maatschappij, die zeker geen seconde zouden wenschen, zich
te vergrijpen aan een andermans goed.
Den volgenden dag ging het niet veel beter.
Toen troffen zij wel eenige minder soliede heerschappen aan, die wel
eens te diep in het glaasje keken, en waarvan er een zelfs een
geregelde sport van maakte, tweemaal in de week zijn vrouw af te
rossen, maar al die lieden gedroegen zich volstrekt niet als
misdadigers, die in korten tijd een zeer hoog bedrag bijeen hadden
gestolen, waar zij desnoods jaren lang van zouden kunnen leven.
Integendeel, de lichtmissen onder de arbeiders verkeerden in tamelijk
belabberde omstandigheden en zij waren op de geheele fabriek berucht om
de geniale wijze, waarop zij onder allerlei voorwendsels geld wisten te
leenen dat maar bij hooge uitzonderingen werd terug betaald.
En het scheen wel, of het vervaardigen van deuren en ramen een
heilzamen invloed had op het zedelijke peil van de arbeiders, want den
derden avond had Raffles en Charly weder met louter degelijke en
fatsoenlijke werklieden te doen, waarvan er zelfs vier als brave
Hendrikken befaamd waren.
Toen de beide vrienden zich om twaalf uur in den nacht van den derden
avond tamelijk vermoeid van hun zwerftochten in hun hotelkamer
bevonden, zeide Charly mismoedig:
„Nu blijven er nog maar twee of drie over en je zult zien, dat
leerlingen, die pas van een Zondagsschool komen, niet braver kunnen
zijn.”
„Zoo is het ook, Charly,” kwam Raffles kalm. „Ik heb er den werkbaas al
naar gevraagd, onder een voorwendsel natuurlijk en als de twee brave
kerels, die er nog overschieten het hemelrijk niet beërven, dan hebben
millioenen anderen hier te Londen geen schijn van een kans.”
„Dus wij moeten het opgeven?”
„Dat kan ik nog niet toegeven.”
„Maar wij hebben alle arbeiders nu afgewerkt.”
„Op drie na, die er niet meer zijn.”
„Je bedoelt de drie werklieden die er uit zijn getrokken om zelf een
zaak te beginnen?”
„Zoo is het. Om je de waarheid te zeggen is het mij aanstonds een
weinig vreemd voorgekomen, dat drie werklieden gezamenlijk een nieuwe
zaak opzetten. Een doet het wel eens, twee doen het samen, maar zelden,
en drie doen het nooit want zij kennen elkaar en weten, dat zij
waarschijnlijk zeer spoedig ruzie zouden krijgen. In ieder geval is het
wel de moeite waard, de gangen van die drie verdwenen arbeiders eens na
te gaan. Ik heb nog altijd hun namen en adressen.”
„En de werkbaas? Komt die niet in aanmerking?”
„Dat geloof ik niet. Hij is pas een week op de afdeeling, ter
vervanging van een baas die daar tot dusverre het toezicht uitoefende,
en die ernstig ziek is geworden naar het schijnt. Morley heet de man.
Wij zullen morgen eens dadelijk een onderzoek gaan instellen.”
„Weet je wat ik daar bedenk, Edward?”
„Laat eens hooren?”
„Als wij eens kalm afwachten, tot de kerels onze eigen kamer binnen
dringen en hen dan pakken.”
„Ten eerste zou dat nog zeer lang kunnen duren en ten tweede moet ik
vreezen, dat zij het geld, hetwelk zij in dit geval hebben buit
gemaakt, niet in hun zak bij zich dragen en ik wil je niet verbergen,
dat mij dat een groote teleurstelling zou zijn, want het is me niet in
de laatste plaats om hun geld te doen.”
„Dan zal ik zeker ook geen succes hebben met mijn voorstel om
bijvoorbeeld op het dak in hinderlaag te leggen en te zien waar zij
blijven?”
„Dat klinkt al anders, Charly. Het is echter niet bepaald een
ontspanning in dit jaargetij, om nachten achtereen op het dak te
blijven overnachten, of liever, om daar een geheelen nacht wakker te
blijven. Wel ben ik voornemens zoodra het mogelijk is, het dak eens te
onderzoeken. Misschien vinden wij wel het huis, vanwaar de dieven hun
sluiptochten beginnen en voor het oogenblik gevoel ik er nog het
allermeeste voor naar bed te gaan.”
De volgende dag was het Zondag en Raffles en Charly hadden dus alle
gelegenheid een onderzoek in te stellen naar de drie arbeiders, die
eenigen tijd geleden de fabriek hadden verlaten.
Ze heetten Hammond, O’Reilly en Deary, en toen ze nog op de fabriek
werkzaam waren woonden ze alle drie in de wijk van Hounsditch.
Aan het eerste adres wachtte de beide vrienden een teleurstelling. Op
hun los daarheen geworpen vraag deelde een van de buren hen mede, dat
Hammond, die daar geruimen tijd gewoond had, omstreeks veertien dagen
geleden was verhuisd en niemand kon zeggen, waarheen.
Dat was een tegenslag die nog geen half uur later gevolgd werd door een
tweede, want ook O’Reilly bleek niet meer te wonen op de vijfde
verdieping van het oude huis, waar hij zich vroeger had opgehouden en
niemand kon zeggen, waarheen hij gegaan was.
Maar zij werden schadeloos gesteld voor hun teleurstelling, toen zij
aan het derde adres kwamen.
Een paar kinderen, die in de nauwe straat aan het spelen waren, deelden
mede, dat Deary een kamer bewoonde op de derde verdieping.
Hij was thuis, maar hij zou wel spoedig uitgaan. „Hij had in de loterij
gewonnen en hij was een fijne man geworden,” babbelden de kinderen,
terwijl Raffles met een glimlach om de lippen toeluisterde.
Toen hij genoeg naar zijn zin wist nam hij met Charly plaats achter het
eenige raam van een klein Italiaansch wijnhuis, vanwaar hij de deur van
het huis, aan de overzijde, waar Deary woonde, goed in het oog kon
houden.
Na verloop van een half uur kwam de man te voorschijn.
En wel was het dadelijk aan hem te zien, dat het fortuin hem blijkbaar
gunstig was geweest want hij droeg een splinternieuw costuum,
parelgrijze slobkousen over zijn lichtgele schoenen, een dure sportpels
en een deukhoed van fijn vilt.
Raffles betaalde aanstonds de vertering, en daarop verlieten de beide
vrienden het café en begonnen den man te volgen.
„Weet je wel zeker, dat hij het is?” vroeg Charly na eenige
oogenblikken.
„Vergissen is niet mogelijk. Plumkett heeft mij een zeer goede
beschrijving omtrent den man gegeven en alles klopt: klein, tenger, met
een ontzaglijk sterk gebogen neus, een echte Cyrano de Bergerac neus,
zwarte wenkbrauwen, die elkander bij de neuswortels ontmoeten, en een
ongezonde, vale kleur. Zie je wel hoe alles aan den man glimt van
nieuwheid. Kijk hem eens loopen, zoo trots als een pauw, en merk eens
op hoe zijn prachtige kleeren contrasteeren met deze armoedige
volksbuurt en haar bewoners.”
„Wat zou hij voornemens zijn?”
„Misschien wel een van zijn aanstaande compagnons bezoeken,” zeide
Raffles spottend. „Wij zullen het spoedig genoeg zien.”
Na ongeveer een kwartier te hebben geloopen, riep Deary een huurauto
aan en Raffles en Charly prezen zich gelukkig dat ook zij zich van zulk
een voertuig konden meester maken, dat juist voorbij reed. De chauffeur
kreeg bevel, de andere auto te volgen en nu begon er een rit, die bijna
een uur duurde, en die tot groote verbazing van Charly voor het
Kensington-Hotel eindigde.
Raffles scheen evenwel volstrekt niet verbaasd te zijn. Het was alsof
hij niet anders had verwacht.
De beide vrienden, die de auto op een twintigtal meters afstand hadden
laten stil staan, zagen hoe Deary uit het open portier leunde, en hoe
er daarop een der kellners kwam toesnellen, met wien hij eenige woorden
scheen te wisselen, waarop de kellner in het hotel verdween, Deary zijn
hoofd terug trok, na iets tot den chauffeur te hebben gezegd en de auto
daarop weder verder reed.
Maar de tocht duurde thans maar een minuut of tien en toen bracht de
chauffeur zijn voertuig opnieuw tot stand.
De auto bevond zich nu voor een fraai groot huis, blijkbaar een
pension, waar de prijzen wel niet zeer laag zouden zijn, naar het
uiterlijk van het huis te oordeelen. Deary stapte uit, dankte zijn
chauffeur af, betaalde den man en ging binnen.
Raffles en Charly waren op hun beurt uitgestapt en de eerste stond in
beraad wat hij doen zou.
Toen scheen hem iets in te vallen.
Hij wendde zich tot Charly en zeide op zachten toon:
„Wacht een oogenblik bij de auto en houd die nog eenigen tijd vast,
misschien hebben wij haar nog noodig. Ik zal eens zien, wat Deary in
dat huis zoekt.”
Hij liep op de huisdeur toe, die open stond, en kwam tegenover den
portier te staan, een zwaarlijvig man, die den op zijn Zondags
gekleeden werkman tamelijk achterdochtig beschouwde.
„Wat is er van je dienst, vriend?” vroeg hij.
„Kun je mij ook zeggen portier, of hier iemand woont, die Raymond
heet?”
„Raymond, neen man, we hebben wel iemand in huis, die Hammond heet.
Moet je dien soms hebben?”
„Neen, neen, ik geloof niet dat die het moet zijn,” zeide Raffles
hoofdschuddend.
Hij haalde een papiertje uit den zak, waarop iets gekrabbeld stond,
scheen het te bestudeeren en hernam toen op een toon van aarzeling:
„Op welke verdieping woont hij?”
„Op de derde, de rechtsche gang, de laatste deur aan je linkerhand.
„Mijnheer Hammond is hier pas ingetrokken met een vriend van hem
O’Reilly. Is dat nu de man dien je hebben moet?”
„Ik weet het niet. Ik durf hem eigenlijk niet goed lastig te vallen. Ik
denk dat ik nog wel eens terug zal komen.”
En Raffles nam zijn bolhoedje af en verwijderde zich weder. Hij wist nu
wat hij weten wilde. De drie mannen waren daar bij elkaar.
„Hammond en O’Reilly wonen dus in dat huis?” vroeg Charly opgewonden.
„Zoo is het en Deary is hen komen opzoeken. Wij zullen hen nog eenigen
tijd nagaan en dan zien, waar zij blijven.”
„Als zij ons maar niet gaan verdenken. Ze kunnen ons wel hebben gezien
in onze Zondagsche spullen.”
„Dat bezwaar is te ondervangen, Charly. We hebben niets anders te doen,
dan onze arbeidskleeren af te werpen, en een weinig aan ons gezicht te
veranderen, een schoone boord om te doen, die wij bij ons dragen,
benevens een paar manchetten en dan zullen wij er als heeren uitzien.”
„Maar dan moet je den chauffeur in het geheim nemen, want die zou zeer
verbaasd zijn, als twee gegoede arbeiders, die hij in zijn auto nam,
bij het verlaten daarvan deftige heeren blijken te zijn.”
„Dat behoeft niet meer, Charly. Ik heb den man al voor wij instapten
gezegd, dat wij detectives waren, en hij stelt al bijna evenveel belang
in de zaak als ik zelf.”
„Geloof je dan, dat we op dit oogenblik op het goede spoor zijn?”
„Dat geloof ik. Je geeft me zeker wel gewonnen, dat het gedrag van die
drie signeurs al heel eigenaardig is. Dat gewonnen loterijlot is
natuurlijk een praatje, alleen bedacht als voorwendsel om de
plotselinge weelde van onzen vriend Deary aannemelijk te maken. Het is
een zeer oude truc en getuigt niet van veel originaliteit. Ook van de
nieuwe zaak, welke die heeren willen beginnen, geloof ik niets. Neen,
ik meen wel te mogen verzekeren, dat wij op het oogenblik het wild op
het spoor zijn. Vergeet niet dat Deary zooeven met een van de kellners
gesproken heeft, dat beteekent ook niet veel goeds, hoe het ook zij,
wij zullen nu spoedig genoeg weten, waaraan wij ons te houden hebben,
en kom nu weder in de auto dan zullen wij ons snel verkleeden.”
De beide vrienden stapten in, nadat Raffles den chauffeur met enkele
woorden op de hoogte had gebracht, die zijn auto een eindje terug reed,
en ontdeden zich nu snel van hun overkleederen, die hun eigen keurig
gesneden wandeltoilet bedekten.
Zij haalden hun boorden te voorschijn, deden ze aan, zetten hun pruiken
af, borstelden zorgvuldig hun haar, lieten hun trekken snel een
grondige verandering ondergaan en voor er tien minuten verloopen waren
was het onmogelijk uit deze beide chique gekleede heeren de werklieden
van zooeven te herkennen.
En van dat oogenblik af wachtten de beide vrienden met het geduld van
een kat, op wat er verder zon geschieden.
Hun geduld zou niet lang op de proef worden gesteld, want er was nog
nauwelijks een kwartier verloopen sedert zij hun vermomming hadden
afgelegd, of de deur van het pension ging open, drie mannen verschenen.
Het waren Hammond, O’Reilly en Deary.
De chauffeur, die zijn instructies reeds gekregen had, lette goed op en
toen de drie mannen na eenige vergeefsche pogingen eindelijk een auto
hadden gevonden, ging hij deze weder na. Na een tocht van tien minuten
ongeveer bevonden Raffles en Charly zich in de Highgateroad, waar het
Kensington-Hotel gelegen was.
De auto minderde vaart en stond eindelijk stil op nauwelijks vijftig
pas afstand van het hotel.
Raffles en Charly keken voorzichtig naar buiten.
Zij zagen hoe de drie mannen, die zij gevolgd waren, uit de auto stegen
en den chauffeur weg zonden en hoe zij vervolgens een huis binnen
gingen, dicht bij het hotel gelegen, waarvan Deary de deur met zijn
eigen sleutels opende.
Toen de deur achter hen was dicht gevallen keek Raffles Charly
glimlachend aan en zeide meesmuilend:
„Twijfel je er nu nog aan, Charly, of wij het goede spoor hebben?”
HOOFDSTUK V.
DE VAL WORDT UITGEZET.
Charly wachtte eenigen tijd voor hij antwoordde:
„Ik moet erkennen, dat de nabuurschap van het huis, waarvan Deary een
sleutel schijnt te hebben al zeer toevallig is.”
„Al te toevallig, mijn waarde, om daarmee rekening te moeten houden,”
zeide Raffles hoofdschuddend. „Neen, het is nu wel bijna zeker, dat we
zooeven de drie stoutmoedige hotelratten het huis hebben zien binnen
gaan. Ik ga verder en ik zeg, dat zij zeer waarschijnlijk voor vanavond
weder een nieuwe berooving hebben beraamd.”
„Waarom denk je dat?”
„Omdat Deary zooeven een kort gesprek met een van de kellners had, die
waarschijnlijk wel in het complot zal zijn en omdat zij nu dat huis
zijn binnen gegaan. Er kan niet aan getwijfeld worden, of vandaar uit
beginnen zij hun strooptochten. Het moet niet zeer moeilijk zijn, van
het dak van het huis dat van het hotel te bereiken. Dat zullen we
trouwens spoedig genoeg zien, want ik ben voornemens eens een onderzoek
in dat huis in te stellen.”
„Terwijl zij daar zijn?”
„Als het moet zeker. Maar ik wacht natuurlijk liever totdat zij
verdwenen zijn.”
„Dat kan een lange grap worden.”
„Ongetwijfeld, maar dat moeten wij er voor overhebben. Wij zouden
desnoods in de buurt kunnen blijven en hier lunchen en als het moet ook
dineeren. Nu ik eenmaal op hun spoor ben, denk ik er natuurlijk niet
aan, hen zoo spoedig weer uit het oog te verliezen. Wacht eens, daar
aan de overzijde is een bar, die er nog al goed uit ziet. Daar zouden
we kunnen gaan zitten en vandaar zouden wij ook het huis in het oog
kunnen houden.”
De twee vrienden stapten uit de auto en nu werd de chauffeur, met een
fooi, die hem van genoegen deed grijnzen, weg gezonden.
De man was blijkbaar van oordeel dat het in sommige gevallen geen
windeieren legt, wanneer men detectives moet rijden.
Maar Raffles riep hem nog eens terug en zeide op zachten toon: