„Men kan gemakkelijk van het balkon het dak bereiken, met be

LORD LISTER

GENAAMD RAFFLES

DE GROOTE ONBEKENDE.

NO. 385 DE HOTELRATTEN.

DE HOTELRATTEN.

HOOFDSTUK I.

RAADSELACHTIGE DIEFSTALLEN.

Sedert eenigen tijd werd Scotland Yard, het befaamde hoofdbureau van

politie te Londen, bezig gehouden door een eigenaardige reeks

diefstallen, die allen in hetzelfde hotel hadden plaats gehad en die

zich in de laatste weken op een wijze begonnen te vermeerderen, die

groote ontsteltenis had gewekt bij den eigenaar van het hotel in

kwestie, die zich des te meer ongerust maakte, daar zijn inrichting nog

sedert korten tijd was geopend en hij wel moest vreezen een groot

aantal klanten te zullen verliezen.

In den aanvang had Carington, zoo was de naam van den eigenaar van het

hotel, de diefstallen zorgvuldig verzwegen, en hij had zichzelf het

offer opgelegd, zijn bestolen logeergasten althans gedeeltelijk

schadeloos te stellen voor het geleden verlies.

Maar de derde maal gelukte dit niet, want toen was de bestolene een

zeer slecht gehumeurd Amerikaan, die zich een paar kostbare juweelen

had zien ontfutselen en die doof bleef voor den smeekenden Carington,

maar regelrecht naar Scotland Yard snelde en daar mededeelde, wat hem

was overkomen en zulks in een toestand, die niet veel verschilde van

razernij.

Van dat oogenblik af had het volstrekt geen doel meer, eenige

geheimhouding te bewaren, want de Amerikaan haastte zich, elders een

onderdak te zoeken en hij liet niet na, aan iedereen die het hooren

wilde, zijn beklag te doen.

Dit was nu zeer onaangenaam voor den heer Carington en hij had zich dan

ook voorgenomen, nu iedere geheimhouding te laten varen en de politie

in den arm te nemen.

Omstreeks drie maanden geleden was zijn hotel, het Kensington-Hotel,

geopend.

De naam duidt reeds aan dat het gelegen was in de wijk van Kensington

in het noorden van de reusachtige wereldstad.

Aan de Highgate-road, waaraan het nieuwe hotel gelegen was, had een

combinatie van rijke ondernemers een paar jaren geleden een complex

oude huizen gekocht, dank zij eenige intriges, die nog geruimen tijd

stof opleverden voor perscommentaren, en die van vele kanten kritiek

uitlokten, met het oog op den nog steeds heerschenden woningnood.

De combinatie van geldmannen had echter den hotelnood als tegenmotief

aangevoerd en had de vier of vijf huizen met bekwamen spoed laten

sloopen, die vervolgens plaats maakten voor een modern hotel, van alle

gemakken voorzien en dat vooral zeer gewaardeerd zou worden door de

reizigers die uit het noorden des lands kwamen en afstapten aan het

Kensington-Hotel.

Het duurde dan ook niet lang, of het hotel, met zijn drie honderd

kamers en bijna even zooveel badkamers, dat waarlijk weelderig was

ingericht, mocht zich in een druk bezoek verheugen.

En toen kwam nauwelijks een maand na de opening dat betreurenswaardige

voorval, de eerste diefstal.

De heer Carington was volslagen leek op het gebied van hoteldiefstallen

en om de waarheid te zeggen begreep hij er volstrekt niets van.

De beroofde had een kamer gehad op de bovenste verdieping van het

hotel, die toch altijd nog een half pond sterling per dag deed. Hij had

zijn portefeuille met geldswaarde, naar hij stijf en sterk volhield, op

de tafel in het midden van het vertrek laten liggen, hij had de

gangdeur op slot gedaan en gegrendeld. Zijn kamer had geen andere

deuren, behalve die op het balkon uitkwamen, en niettemin was den

volgenden morgen de portefeuille verdwenen, alsof ze nooit bestaan had.

En toch viel er in het geheele vertrek geen spoor van braak waar te

nemen.

Men zou hebben kunnen denken, dat de dief wellicht langs den kant van

het balkon was binnen gedrongen, maar dat was totaal onmogelijk, want

het bevond zich op een hoogte van minstens dertig meter van den beganen

grond, en bovendien viel er aan de beide deuren geen spoor van braak te

ontdekken, geen krasje, geen deukje. De ruiten zaten behoorlijk in de

sponningen, de stopverf was hard als een bikkel. In het hout was

nergens een klein gaatje te ontdekken, waardoor de dief wellicht een

ijzerdraad met een haakje aan het eind had kunnen steken, hetgeen hem

echter in dit geval ook weinig zou hebben geholpen, daar de espagnolet

van het dubbele raam een hefboom en geen kruk had, die men trouwens met

een dun ijzerdraad toch onmogelijk had kunnen omdraaien.

Kortom het was eenvoudig een raadsel, hoe de dief kon zijn binnen

gedrongen, en vooral, hoe hij de kamer weder had verlaten om zich met

zijn buit in veiligheid te brengen. Met den tweeden diefstal was het

evenzoo gesteld, maar met dit onderscheid, dat de beroofde een kamer

had op de vierde verdieping, dat wil zeggen op een na de hoogste

verdieping.

Ook hier tastte de beklagenswaardige Carington volkomen in het duister

aangaande de wijze, waarop de brutale dief was binnen gedrongen en

niemand kon het hem euvel duiden, dat hij ook den tweeden keer aan een

bedrog van den kant van den beroofde begon te gelooven.

Maar de Amerikaan kon hem niet langer in twijfel laten.

Ook deze had een kamer op de bovenste verdieping gehad en behalve zijn

juweelen had men hem een bedrag van ongeveer twee duizend dollar in

bankpapier ontstolen, welke hij in zijn portefeuille op zijn

nachtkastje had gelegd.

Maar ook deze derde maal was het volkomen onverklaarbaar hoe de dief

kans had gezien het vertrek binnen te dringen, waarvan de twee deuren

stevig van binnen gesloten waren, het geld en de juweelen weg te nemen,

zonder dat het slachtoffer er iets van bemerkte en tenslotte weder te

verdwijnen op dezelfde wijze als hij gekomen was, dat wil zeggen op een

wijze, die niemand begreep.

Scotland Yard zond onmiddellijk zijn beste detectives, die in het

geheim een uitgebreid onderzoek begonnen in te stellen.

Het spreekt vanzelf dat het niet lang duurde, of de verdenking begon

zich te richten tegen het hotelpersoneel.

Weliswaar was Carington zeer kiesch in het uitzoeken van zijn kellners,

zijn portiers, zijn kamermeisjes, koks, liftboys, kruiers en ander

personeel, maar het zou voldoende zijn, als er onder die vele een

enkele bedrieger was geweest om althans eenigermate te kunnen verklaren

hoe de diefstal had plaats gevonden.

Maar zelfs dan bleef nog altijd het een raadsel van de knippen op de

deur.

Hieraan wijdden de detectives het eerst hun aandacht.

Het waren mannen met koele koppen, die niet aan bovennatuurlijke dingen

geloofden, en die er vast van overtuigd waren, dat de dader een middel

had bezeten om de kamers binnen te dringen, want men kon het wel als

vaststaande aannemen, dat alle drie de diefstallen moesten worden

toegeschreven aan een en dezelfde persoon.

De heeren detectives begonnen dus met een zeer nauwkeurig onderzoek van

de sluitingen der kamerdeuren die op de breede gang uitkwamen en wel

speciaal met de knippen.

Het waren stevige stalen schuifknippen, die wegens hun nieuwheid

tamelijk stroef werkten en waarvan er zich twee aan iedere deur

bevonden.

Met hun vergrootglazen gewapend, onderzochten de politiebeambten zeer

zorgvuldig het hout van de deur in de buurt van de knippen, maar zij

konden volstrekt niets ontdekken, wat op een doorboring van de deurpost

wees.

Met een goed buigzaam staaldraadje door een klein gaatje gestoken, ware

het wellicht mogelijk geweest den knop van den grendel te bereiken, en

deze op die wijze terug te trekken, maar er was niets te vinden, dat

daarop wees, niet het kleinste krasje op de koperen grendelknoppen,

geen spoor van doorboring van het hout.

Bovendien twee van de drie beroofden verklaarden zeer pertinent, dat

zij om hun kamer te verlaten, nadat zij den diefstal ontdekt hadden,

den sleutel in het slot hadden moeten omdraaien, en deze waren zoo

vervaardigd, dat men van buiten af onmogelijk het slot had kunnen

omdraaien, wanneer daarop aan de binnenzijde de sleutel stak.

Het duurde niet lang of de heeren van Scotland Yard moesten tot de

erkentenis komen, dat ze hier voor een raadselachtig geval stonden.

Ook zij helden al spoedig tot de meening, dat de dader onder het

hotelpersoneel moest worden gezocht, maar zelfs al was dit zoo, dan zou

daardoor toch nog altijd niet het geheim van het binnendringen der

kamer zijn opgelost.

Toch begon men aanstonds alle leden van het personeel, onverschillig of

zij in het hotel overnachtten of niet, in het geheim te bestudeeren,

zonder het minste resultaat evenwel.

En dat niet alleen, vier dagen na de berooving van den Amerikaan had er

in hetzelfde Kensington-Hotel opnieuw een diefstal plaats, die onder

juist dezelfde omstandigheden als de drie anderen gepleegd werd.

De politiebeambten waren woedend, dat men als het ware onder hun neus

door ging met de geheimzinnige berooving en hun ijver verdubbelde nog.

Maar hoe goed zij ook opletten, zij slaagden er niet in, den dief op

heeterdaad te betrappen.

Een paar der detectives namen hun intrek in het hotel, als reizigers

vermomd, maar dat hielp ook al niet, de dief scheen er lucht van te

hebben gekregen en de detectives goed te kennen, want er gebeurde hen

volstrekt niets.

Wel echter had er in den derden nacht van hun aanwezigheid in het hotel

de vijfde diefstal plaats.

Carington was de wanhoop nabij en loofde een zeer hooge premie uit voor

de aanhouding van den brutalen hoteldief, die binnen een paar weken

tijd voor een waarde van ongeveer negen duizend pond sterling had

gestolen.

Maar het zag er volstrekt niet naar uit, alsof hij deze premie binnen

afzienbaren tijd zou moeten betalen.

Toen nam hij tot een ander middel zijn toevlucht.

Een oberkellner, wiens betrouwbaarheid boven iederen twijfel verheven

was, kreeg de opdracht, de uiterste waakzaamheid te betrachten en de

oogen goed open te zetten, in de hoop dat hij er wellicht in zou

slagen, den geheimzinnigen hoteldief te vinden en op heeterdaad

betrappen.

Bovendien stelde men een aantal detectives en rechercheurs verdekt op

verschillende punten van het groote hotel op, en met name op de vierde

en vijfde verdieping, waar tot dusverre alle beroovingen hadden plaats

gevonden.

Het hielp echter niets.

Op een nacht werd er opnieuw een diefstal gepleegd in het

logeervertrek, in welks onmiddellijke nabijheid zich toevallig den

geheelen nacht een detective had opgehouden.

Dat was bijna meer dan Carington kon verdragen.

Hij dacht er over om de vloeren en zolderingen te laten onderzoeken, om

het behang van de wanden te laten rukken, teneinde zich te overtuigen,

dat er zich geen geheime deuren in de muren bevonden, ofschoon hij in

zijn binnenste zeer wel wist dat dit volkomen ondenkbaar was.

Toch werden hier en daar de kleeden opgenomen en de vloeren werden

zorgvuldig onderzocht, maar overal waren de planken behoorlijk

vastgespijkerd, nergens viel een luik te bespeuren. De kalk van de

plafonds was smetteloos en vlak als een biljardlaken, nergens vertoonde

het behang een reet.

En steeds bleven de diefstallen voortgang hebben.

Men begon nu de logeergasten te verdenken, hetgeen ook niet kon

uitblijven.

Van iedereen verlangde men zijn papieren en iedereen moest zich

behoorlijk legitimeeren, waarbij de hoteldirecteur zich in duizend

verontschuldigingen uitputte.

Scotland Yard kwam met haar misdadigersalbum aanzetten, afdeeling

„hotelratten”, dat prijkte met honderden afbeeldingen van bekende

internationale hoteldieven. Er begon als het ware een vergelijkende

studie, maar veel logeergasten moesten volstrekt niets hebben van deze

onderzoekingen en vertrokken zoo spoedig zij konden naar aangenamer

oorden.

In stilte hoopte Carington, dat onder degenen die vertrokken, misschien

de dief was, maar ook daarin kwam hij spoedig tot een andere

overtuiging, toen de berooving met angstwekkende regelmaat meestal eens

in de week voortgang bleek te hebben.

Natuurlijk had zich de pers reeds lang op dit smakelijke hapje geworpen

en de Head Line-schrijvers, dat zijn de journalisten, wier eenige taak

het is pakkende opschriften boven de artikelen te plaatsen, trachtten

elkander een vlieg af te vangen in het bedenken van sensationeele

„kopjes”.

Toen brak er een tijd aan, waarop de reeks diefstallen even plotseling

werd afgebroken, als zij een aanvang had genomen en reeds meende

Carington rustig te kunnen adem halen.

Maar zijn opluchting was maar van korten duur. Nog geen volle maand

later werd een Russische grootvorstin, die een tamelijk groot fortuin

had kunnen redden en die juist drie dagen te voren haar intrek in het

hotel had genomen, des nachts in haar kamer, zonder dat zij er iets van

bemerkte, van een bedrag van bijna drie duizend pond beroofd.

HOOFDSTUK II.

RAFFLES STELT BELANG IN DE ZAAK.

Het was in den morgen, volgende op dezen nieuwen brutalen diefstal,

toen John Raffles en zijn trouwe vriend Charly Brand aan het ontbijt

gezeten waren in de lichte fraai gemeubileerde eetkamer van het huis,

hetwelk de Gentleman-Inbreker reeds sedert vele jaren onder den naam

van Lord William Aberdeen in de Regentstreet bewoonde.

De heeren hadden juist het ontbijt beëindigd en Raffles was verdiept in

de lezing van de Daily Mail.

Plotseling riep hij uit:

„Hij begint weer.”

„Wie begint weer? Waarmee begint hij?” vroeg Charly Brand verbaasd,

terwijl hij Raffles onderzoekend aankeek.

„Vraag je dat nog? De geheimzinnige dief van het Kensington-Hotel. Je

weet dat ik bijzonder veel belang in de zaak stel.”

„En niet zonder reden, Edward,” kwam Charly Brand. „Het gaat er zeer

geheimzinnig in zijn werk, dat is zeker.”

„Het lijkt maar zoo, mijn waarde,” hernam Raffles glimlachend.

„Natuurlijk zal achteraf blijken, dat alles heel gewoon in zijn werk is

gegaan, ik wil echter toegeven, dat alles wel een zeer geheimzinnigen

indruk maakt, en dat is ook niet te verwonderen. Ik zelf heb mij niet

kunnen onttrekken aan den indruk dat we hier met een knappen kop te

doen hebben. Dat is waar ook, ik las gisteren voor het eerst ergens,

dat John Raffles wel de dader zou blijken te zijn.”

„Dat is wel het grootste compliment dat men den dader had kunnen maken

en hij zal er danig mee in zijn nopjes zijn,” riep Charly uit. „Maar je

zeide zooeven dat de man weder begonnen is, na bijna een maand rust,

wie is het slachtoffer ditmaal?”

„Een Russische grootvorstin.”

„Rijk?”

„Dat gaat nog al naar het schijnt.”

„Wat voert zij hier uit?”

„Wat zou ze hier uitvoeren? Niets natuurlijk. Je kunt het tenminste

geen bezigheid noemen, geloof ik, wanneer men zich uit de handen der

Bolsjewiki tracht te houden.”

„In het land zelf zou het dat zeker zijn,” merkte Charly lachend op.

„Ik zal je eens wat zeggen, Charly,” hernam Raffles na eenigen tijd te

hebben nagedacht. „Ik gevoel grooten lust dien geheimzinnigen dief eens

van nabij in zijn verrichtingen gade te slaan. Daarmee wil ik volstrekt

niet zeggen, dat ik mede wil helpen om hem te vangen, dat moet de

politie zelf maar opknappen. Natuurlijk zoolang de man zich niet te

buiten gaat aan geweldplegingen, want dan zal ik natuurlijk handelend

optreden. Ik wil echter van nabij zijn methode eens bestudeeren.”

„Hoe denk je dat te doen?”

„Wel, heel eenvoudig. Wij zullen onzen intrek nemen in het

Kensington-Hotel. Je hebt toch zeker wel lust om mij te vergezellen?”

„Wat een vraag. Ik zou je zeker niet alleen laten gaan. Ik zelf ben er

zeer nieuwsgierig naar hoe de man te werk gaat.”

„Om je de waarheid te zeggen ben ik nog nieuwsgieriger naar de kamers,”

merkte Raffles glimlachend op. „Ik heb veel respect voor de detectives

van Scotland Yard, waaronder inderdaad schrandere mannen zijn, maar het

kan dunkt mij niet anders of zij hebben ditmaal hun onderzoek niet op

de goede wijze ingericht. Het is immers duidelijk, dat er iets aan de

kamers moet zijn, dat tot dusverre aan hun aandacht is ontgaan.

Onverschillig of de dader onder het personeel moet worden gezocht,

onder de logeergasten, of buiten het hotel, er kan niet aan getwijfeld

worden, of de kamers, waar de diefstallen plaats vonden moeten ergens

toegankelijk zijn.”

„Wanneer wil je er heen gaan?”

„Wel, vandaag nog.”

„Onder welk uiterlijk?”

„Dat komt er volstrekt niet op aan. Alleen zou het verstandig zijn,

wanneer ik mijn uiterlijk als Lord Aberdeen maar afleg! Wel is waar

zijn er in de wijk niet veel armen, die mijn uiterlijk kennen, maar men

kan toch nimmer te voorzichtig zijn. Kom, laten wij maar aanstonds werk

van de zaak gaan maken—ik ben werkelijk benieuwd, wat wij daarginds

zullen zien.”

De beide vrienden stonden van de tafel op, en begaven zich naar hun

slaapkamers, die aan elkander grensden, en waar zij ruimschoots

gelegenheid vonden hun uiterlijk geheel te veranderen.

Er bevonden zich daar verscheidene kasten vol kleeren, pruiken en

baarden, en de beide vrienden wisten daarvan een uitstekend gebruik te

maken.

Er was nog geen half uur verloopen, of zij waren volkomen onherkenbaar.

Niet alleen was hun gelaatskleur veranderd, maar ook hadden zij door

verschillende middelen den vorm van hun gezicht weten te veranderen, en

in deze twee reizigers met hun Galicische typen zou men stellig niet

Lord Aberdeen en zijn altijd zoo keurig gekleeden jongen secretaris

herkennen.

De beide vrienden hadden een valies met goed gepakt en verlieten nu het

huis aan de tuinzijde, waar een kleine tuinpoort toegang verleende tot

een stille zijstraat, waar zich nimmer een levende ziel vertoonde.

Zij moesten de zware valiezen naar de Regentstreet dragen, maar daar

hadden zij spoedig een huurauto gevonden, waarvan de chauffeur last

kreeg hen naar het Kensington-Station te rijden.

Daar gekomen stapten zij uit, dankten den chauffeur af, en namen een

tweede auto, die juist kwam aanrijden, en waarvan de chauffeur niet

anders kon denken of zij waren zooeven met den trein aangekomen.

Na een rit van een kwartier ongeveer stond de auto stil voor het

prachtige nieuwe hotel, wat het toneel was geweest van de geheimzinnige

diefstallen, welke de gelederen der logeergasten reeds aanzienlijk

hadden gedund.

Die gebleven waren konden wel onverschillig of zeer stoutmoedig genoemd

worden, die als het ware het lot tartten of er vast van overtuigd

waren, dat men in hun kamers niet zou binnen dringen.

Daar de diefstallen merkwaardig genoeg allen op de vierde of vijfde

verdieping hadden plaats gehad, was er een groote vraag naar de kamers

op de drie andere etages en de portier moest dan ook aan Raffles en

Charly mededeelen dat er alleen een kamer op de vierde en vijfde

verdieping te krijgen was.

Terwijl hij dit zeide keek de man de beide reizigers schuw aan, want

hij had het gevoel, alsof reeds iedereen wist van de reeks beroovingen,

zelfs twee reizigers, die blijkbaar regelrecht uit een of andere stad

in het hartje van den Balkan kwamen.

Maar Raffles haalde eenvoudig de schouders op en antwoordde

onverschillig:

„Het laat ons volkomen koud. Een kamer met twee bedden, wat ik je

verzoeken mag, portier, of anders twee kamers naast elkander met een

combinatiedeur.”

„Zou ik om de paspoorten der heeren mogen verzoeken?” vroeg de portier.

„Gij zijt immers geen Engelschen.”

Nu had Raffles ook hierop gerekend, en zoo konden de beide mannen een

paar voortreffelijk nagemaakte paspoorten laten zien, voorzien van alle

mogelijke officieele stempels.

Nadat deze plechtigheid was afgeloopen, konden de beide vrienden een

zeer gemakkelijke, voortreffelijk ingerichte kamer op de bovenste

verdieping betrekken.

Een der hotelkruiers sjouwde de zware valiezen naar boven, kreeg daar

zijn fooi en verdween.

Zoodra zij alleen waren, plantte Raffles zich, na overjas en hoed op

zijn bed te hebben geworpen, midden in het vertrek, steunde de beide

handen in de zijden en liet zijn blikken glimlachend in het rond waren.

„Daar zijn we dus in het hol van den leeuw,” zeide hij zachtjes, alsof

iemand hem had kunnen hooren, buiten Charly. „Wie weet is het zelfs wel

een van deze kamers, waar een diefstal heeft plaats gehad, maar

natuurlijk zou de portier er zich wel voor hebben gewacht, om dit te

openbaren.”

Zachtjes fluitend, trad hij op een der wanden toe en klopte er op

verscheidene plaatsen op. „Een massieve muur, van verborgen deuren is

geen sprake, en dat is toch ook immers iets onmogelijks. Ik kan

aannemen, dat er in zulk een groot hotel clandestien het een of ander

gemaakt is, dat er niet hoort, en dat niet door den architect is

voorzien, maar zeker geen geheime tusschendeuren.”

„En evenmin luiken in den vloer dunkt mij.”

„Dat klinkt tenminste al zeer weinig waarschijnlijk,” hernam Raffles.

Hij had zijn vergrootglas uit zijn zak gehaald en was op de gangdeur

toegetreden.

Met eindeloos geduld onderzocht hij de deurpost in de buurt van den

grendel en na ongeveer een kwartier zeide hij zich tot Charly wendend:

„Niets te zien. Wanneer hier ergens een gat was geboord, als was het

niet grooter dan om een naald door te laten, dan zou ik het met dit

vergrootglas moeten zien en al zou het met stopverf zijn dicht gemaakt,

dan zou ook dat mij niet ontgaan. Bovendien gaan deze grendels

bijzonder stroef en ik kan ook volstrekt niet merken, dat zij

bijvoorbeeld overdag door den dief zelf of een handlanger hier in het

hotel geolied zijn, om het schuiven te vergemakkelijken. Ik acht het

volstrekt buitengesloten, dat men met een dun ijzerdraad dezen zwaren

grendel zou kunnen terugtrekken, om nog niet eens van den sleutel in

het slot te spreken. Je zult je namelijk wel herinneren, dat op zijn

minst twee der bestolenen pertinent hebben verklaard, den sleutel in

het slot te hebben moeten terugdraaien, voor zij in den morgen na den

diefstal de kamer konden verlaten. Ik heb te veel kennis van sloten, om

niet te zien, dat men deze dingen hier onmogelijk aan den kant van de

gang kan openen als van binnen de sleutel er op steekt.”

„Maar zouden alle kamers zoo zijn ingericht?”

„Er is volstrekt geen reden om daaraan te twijfelen. Natuurlijk zijn al

die deuren en al deze sloten als massa-fabricatie gemaakt, en zij

lijken op elkander als druppels water.”

„Dan ben ik er benieuwd naar, Edward, hoe jij het denkt te kunnen

verklaren op welke wijze de dief hier is binnen gedrongen.”

„Wij zullen ons niet overhaasten, Charly. Wij zijn nu tot de

overtuiging gekomen, dat het niet ging door de gangdeur, dan kan het

niet anders of het moet aan de zijde van het balkon zijn geschied.”

„Maar het is dertig meter van den grond, Edward,” riep Charly uit.

„Die opmerking hebben de detectives ook gemaakt, mijn waarde. En ik kan

niet zeggen, dat ze van groote schranderheid getuigt,” hernam Raffles

schouderophalend. „Het is nog al duidelijk, dat de dief niet tegen het

balkon is opgeklommen.”

„Hoe heeft hij het dan bereikt, volgens jou?”

„Op de eenige andere manier. Hij heeft zich van het dak er op laten

neer zakken, een afstand die heel wat korter is dan dertig meter.”

„Hoe kwam hij op het dak?”

„Van een der aangrenzende huizen natuurlijk.”

„Goed, ik wil een oogenblik aannemen, dat de dief op het balkon is.

Daar staat hij dus, achter de gesloten deur. Vertel me nu eens, hoe hij

de deuren opent, en vooral hoe hij ze weer sluit achter zich, zonder de

ruiten te vernielen en ook zonder dat er een spoor van te zien valt?”

„Wij zullen ons eens op het balkon begeven, mijn waarde, en zien wat

het is,” zeide Raffles bedaard.

Hij trad op de beide balkondeuren toe, maar opende ze niet dadelijk en

onderzocht de sluiting aan de binnenzijde.

Het was een gewoon dubbele balkondeur, met een groote smalle ruit er in

en aan de onderzijde uit hout bestaande.

Zij werd gesloten door middel van een van die ijzeren stangen, welke

door middel van een klein tandrad, hetwelk aan een ijzeren, met hout

bekleede greep bevestigd is, grijpt in een tandrad, welke zich aan den

stang bevindt, waardoor de beide heften van dezen stang onder en boven

aan de deur in een stevig ijzer oog grijpen, waardoor de deur gesloten

wordt.

Raffles duwde den greep naar beneden, de beide heften van de sluitstang

maakten zich los uit de oogen en hij kon de deur naar zich toetrekken.

Langzaam trad hij op het balkon, dat over een lengte van bijna dertig

meter langs den voorgevel liep, die uitkwam op de breede Highgate-road.

Hij bukte zich over de ijzeren leuning van het balkon, en zag dat er op

de vierde verdieping juist zoo een zich uitstrekte.

De balkons op de andere verdieping liepen niet door, maar waren allen

afzonderlijk.

„Men kan gemakkelijk van het balkon het dak bereiken, met behulp van

een ladder die niet langer dan twee meter behoeft te zijn,” zeide hij

tot Charly, die naast hem was komen staan.

„Dus de dief zou een ladder bij zich gehad moeten hebben?” vroeg

Charly.

„Hij kan zeer wel van een touwladder gebruik hebben gemaakt, die geeft

geen indrukken, die verliest geen houtspaanders, die kan men

gemakkelijk om het lichaam wikkelen en onder jas of mantel verbergen.

Die hindert niet in de bewegingen en die maakt tenslotte volstrekt geen

geraas.”

„Waarde Edward, ik zeide je reeds dat ik gaarne wil aannemen, dat de

dief over de daken heen tot vlak boven dit balkon komt, zich laat

zakken, en veilig voor de balkondeur belandt, welke hij zich heeft

uitgezocht, de vraag is nu maar hoe hij de deur opent. Dat is alles,

wat ik wil weten.”

„Je zult moeten erkennen, dat het tevens de hoofdzaak is,” zeide

Raffles glimlachend. „Wij zullen echter eens zien, in hoeverre er een

antwoord kan worden gegeven op je vraag.”

Hij trok de beide helften van de balkondeur zoover hij kon dicht en

zeide toen tot Charly:

„Het volgende staat vast. Zelfs wanneer men bij voorbeeld met behulp

van een in hout gedraaide boor of een trapoog de deur geheel zou kunnen

dicht trekken, dan nog zou het volkomen onmogelijk zijn, de greep weder

in zijn oorspronkelijken toestand terug te brengen. Even onmogelijk als

het mij overigens toeschijnt, haar door de dichte deur heen neer te

drukken, als men op het balkon staat.”

„Die meening ben ik ook toegedaan,” riep Charly uit. „Dat de ruiten er

uit zijn genomen en naderhand weer ingezet, is ook buitengesloten.”

„Volkomen. Niet alleen bevindt de stopverf zich aan de binnenzijde van

de deur, maar ook luiden de verklaringen eenparig, dat die stopverf

volkomen hard was, met een laag verf bedekt, en dus onmogelijk enkele

uren van te voren kon zijn aangebracht. Stopverf heeft minstens een dag

of zes noodig en in dit jaargetij toch nog altijd vier om volkomen hard

op te drogen. Dat men de ruit naast de stopverf heeft uitgesneden en er

naderhand weer heeft ingezet, is al even ondenkbaar. Bij de minste

beweging zou zij immers vallen?”

Raffles had zich gebukt, zoodat hij bijna met het gelaat op den vloer

van het balkon lag en trachtte onder de deur van het balkon te zien.

„Wat doe je daar?” vroeg Charly nieuwsgierig.

„Ik probeer om onder de deurreet door te kijken.”

„Waarom?”

„Omdat ik mij wil overtuigen dat de kier niet groot genoeg is, om er

een zeer lang ijzerdraad door te steken, in een rechten hoek gebogen en

aan het einde voorzien van een oog, om daarmede den knop van de greep

van de spagnolet te vatten en die omlaag te trekken. Maar ik zie al dat

dat volstrekt onmogelijk is. Een ijzerdraad van de noodige lengte en

dikte zou men onmogelijk onder de kier kunnen door krijgen en in het

beste geval zou de inbreker uren en uren noodig hebben, voor hij

eindelijk als bij toeval de greep beet had en daarop kan natuurlijk

geen dief, die zijn vak verstaat het laten aankomen.”

„Dan geef ik het op,” riep Charly uit.

„Daaraan denk ik nog zoo spoedig niet, mijn waarde,” hernam Raffles.

Hij was het vertrek weder binnen getreden en begon de deuren opnieuw

aan een nauwkeurig onderzoek te onderwerpen. Na eenigen tijd zeide hij

langzaam:

„Ik kan niet aanstonds zeggen wat het is, maar er is aan deze deur iets

eigenaardigs.”

„Bedoel je misschien dat de stang van de spagnolet rond is, terwijl zij

in verreweg de meeste gevallen plat zijn.”

„Dat heb je goed ingezien, ronde spagnoletstangen komen maar weinig

voor, platte zijn meestal steviger, maar ik heb nog iets meer ontdekt,

mijn waarde. De scharnieren van de deuren zitten namelijk niet aan de

binnenzijde, zooals meestal het geval is, maar aan den buitenkant van

de deur.”

„Daar had ik nog niet op gelet,” riep Charly uit. „Dat komt ook maar

zelden voor geloof ik, want de meeste balkondeuren gaan naar binnen

open.”

Raffles was opnieuw op het balkon gegaan, had zijn vergrootglas weder

ter hand genomen en bukte zich, teneinde een der onderste scharnieren

van de deur met groote aandacht te bezien.

Teneinde het scharnier zoolang mogelijk tegen roest te beschermen was

het geschilderd met dezelfde kleur van de deuren.

Maar aanstonds zag Raffles, dat de pen, welke de beide helften van het

scharnier verbond, en waarom het draaide, van boven voorzien was van

een ronden kop, die haar belette door het gat van de scharnier te

vallen.

Hij tuurde aandachtig door zijn vergrootglas en toen ontsnapte een

lichte kreet van zegepraal aan zijn mond.

Dadelijk kwam Charly vol belangstelling naderbij.

„Heb je iets ontdekt?” vroeg hij.

„Ik geloof tenminste dat ik reeds heel wat verder ben. Kom eens hier en

zeg me eens, wat je van dat scharnier denkt?”

Charly kwam op het balkon, hurkte naast Raffles neder, bekeek het

scharnier aandachtig en zeide toen:

„Het lijkt op een van die scharnieren, zooals men ze vaak vindt aan

gewone kamerdeuren en waarvan de pen al zeer gemakkelijk er

uitgetrokken kan worden.”

„Zoo is het, mijn waarde. In ieder geval is dat scharnier er bepaald op

gemaakt, om er de pennen gemakkelijk uit te nemen. Zie maar eens hoe

goed zij geolied zijn.”

Raffles had onder het spreken zijn zakmes te voorschijn gehaald, waarin

zich verschillende kleine instrumentjes bevonden, en had met behulp van

een schroevendraaiertje, dat hij tegen den ronden kop van de pen zette,

deze laatste met het grootste gemak uit de scharnier genomen.

Maar dadelijk stak hij er de ijzeren stift weder in, stond op en zeide

tot Charly:

„Ga eens naar binnen en doe de deur dicht.”

Charly ging het vertrek binnen en draaide de greep van de spagnolet

naar boven, zoodat de ronde stangen in de gaten grepen en de deur

gesloten was.

Toen keek hij vol aandacht naar wat Raffles deed.

Hij zag, hoe deze vlug de twee pennen uit het bovenste en onderste

scharnier van de linker deurhelft nam en tot zijn groote verbazing

duwde Raffles de deurhelft langzaam open, en stond het volgende

oogenblik naast hem.

„Dat is....,” riep Charly stom verbaasd uit.

„Het is weinig minder dan geniaal, Charly. De spagnoletstang is van

bestemming veranderd en fungeert nu als scharnier. Je ziet wel, dat het

goed beschouwd het ei van Columbus is.”

HOOFDSTUK III.

OP HET SPOOR VAN DE HOTELRATTEN.

Charly bleef een oogenblik verwonderd en zwijgend naar de geopende

deurhelft kijken, alsof hij zijn oogen nog altijd niet kon vertrouwen

en daarop bekeek hij de deur wat nauwkeuriger.

Het was zoo. De ronde stangen, waaruit de sluiting bestond, waren in

een soort scharnier veranderd, waarom een van de deurhelften zeer

gemakkelijk kon draaien.

Gemakkelijk en geruischloos, want ook de uiteinde van de stangen bleken

goed geolied te zijn.

Volkomen onhoorbaar draaide de deurhelft, nadat de werkelijke

scharnieren buiten dienst waren gesteld.

Wanneer de dief weder heen ging, trok hij de deurhelft aan de

scharnieren naar zich toe, stak er de ijzeren pen weder in en nu was er

volstrekt niet te zien dat iemand door de deur was binnen gegaan.

„En toch is er iets, wat ik volstrekt niet begrijp,” barstte Charly na

eenige oogenblikken uit. „Hoe is het mogelijk dat de dief al deze

deuren zoo heeft ingericht, zonder dat men er in het hotel iets van

bemerkte?”

Maar Raffles schudde glimlachend het hoofd en zeide:

„Daarvan is natuurlijk in het geheel geen sprake. Ik wil je wel zeggen

wat ik er van denk, maar eerst zullen we de deur weder in normalen

stand terug brengen.” Raffles ging weder op het balkon, trok de

deurhelft naar zich toe, stak de pennen in de scharnieren en daarop

opende Charly aan den binnenkant de balkondeur en Raffles trad weder

binnen.

Wel waren eenige voorbijgangers blijven stil staan, toen ze de beide

mannen bezig zagen, maar allen daar in de buurt wisten, dat het hotel

sedert eenigen tijd letterlijk krioelde van politiebeambten en ze zagen

de beide heeren natuurlijk voor detectives aan.

Ook konden zij wegens de hoogte waarop de kamers gelegen waren, en de

tamelijke breedte van het balkon zelfs aan de overzijde van de straat

niet waarnemen, wat er met de balkondeur geschied was.

Zoodra Raffles weder was binnen getreden en de balkondeur had gesloten,

begon hij:

„Ik herhaal je, Charly, er kan geen sprake van zijn, dat al deze deuren

door den dief zoo zijn ingericht, nadat het hotel gebouwd was en ik ben

nu ook zeker, dat wij hier met een heel complot te doen hebben en dat

er minstens drie of vier personen bij deze diefstallen zijn en die

personen hebben allen iets te maken met het bouwvak, of zij hebben er

zich tijdelijk ingedrongen, met het doel, dat je kent. De balkondeuren

zijn, zooals wij ze nu zien, reeds bij den bouw van het hotel zoo

aangebracht en wel door dezelfde lieden, die naderhand de diefstallen

pleegden. De deuren bevinden zich alleen op de vierde en vijfde

verdieping en daarom hadden de beroovingen ook alleen op die etages

plaats.”

„Maar hoe konden deze deuren aangebracht worden, zonder dat de

architect, of tenminste de bouwopzichter het merkte,” riep Charly uit.

„In welk opzicht wijken deze balkondeuren dan af van de gewone?” was de

wedervraag van Raffles. „Alles goed beschouwd, valt er niet veel

bijzonders aan op te merken en wij wilden er eenmaal iets bijzonders

aan vinden, omdat we niet wilden aannemen, dat de dief door een

sleutelgat was gekropen. Het spreekt echter vanzelf, dat degene, die

deze deuren maakte, verkocht, of misschien veranderde, medeplichtig is

aan de diefstallen. Balkondeuren vormen natuurlijk slechts een zeer

onbeteekenend onderdeel van zulk een groot bouwwerk en de bouwopzichter

heeft er volstrekt geen acht op geslagen.

„Hij heeft dat overgelaten aan den man, den timmerman waarschijnlijk,

die de deuren leverde. Hij zag dat ze voortreffelijk werkten en het was

hem blijkbaar volmaakt onverschillig of de spagnolet rond of vierkant,

of de scharnieren buiten, of binnen waren.

„Maar in dat geval kan Scotland Yard de dieven over een paar uren in

handen hebben.”

„Dat kan zij, indien wij haar inlichten,” zeide Raffles droogjes.

„Ben je dat dan niet voornemens?”

„Voorloopig niet. Ik wil eerst eens zelf op onderzoek uitgaan. Mijn

concurrenten hebben al voor een flink bedrag in dit hotel gestolen en

ik zou het een zeer opwindend tijdverdrijf achten, wanneer ik hen dien

buit kon afhandig maken.”

„Een gevaarlijk werkje, Edward. Die lieden zijn natuurlijk lid van een

of ander machtig dievengenootschap.”

„Dat denk ik ook wel, maar dat kan mij niet weerhouden. Wanneer wij met

een weinig beleid en voorzichtigheid te werk gaan, kunnen wij

waarschijnlijk een goeden slag slaan, de stelers bestelen, ik ken geen

sport, die zoo opwindend is.”

„Blijven wij nu hier?”

„Meer dan ooit. Ik zal wel zorgen, dat het spoedig ruchtbaar wordt, hoe

rijk wij Galiciërs zijn.”

„Waarom?”

„Om de dieven tot ons te trekken, in geval wij hen niet mochten

ontdekken.”

„Zou je den hotelhouder in ieder geval niet in het geheim nemen?”

„Niet voordat wij zekerheid hebben. Wij moeten nu eerst eens

onderzoeken, Charly, wie de aannemer van dit gebouw is geweest, wie de

materialen, wie de arbeiders heeft geleverd.”

„Het zal een langdurig onderzoek worden.”

„Ongetwijfeld, het hotel is zeer groot, het is in betrekkelijk korten

tijd gebouwd en er zullen wel een paar honderd werklieden op zijn minst

bij betrokken zijn geweest. Toch wordt ons arbeidsterrein aanmerkelijk

beperkt door de omstandigheid, dat we ons volstrekt niet te bekommeren

hebben om de metselaars, de loodgieters, de schilders of de dakdekkers,

maar uitsluitend om de timmerlieden, want zij zetten er de deuren en

vensters in, en dan natuurlijk om de leveranciers van de balkondeuren.

Kom, wij zullen maar dadelijk aan het werk gaan.”

De beide vrienden ontpakten nu hun valies, hingen hun goed op, sloten

hun kamers, brachten de sleutels, zooals het gebruik wilde, aan de

jonge dame, die in haar vestibule in haar loge zat met een reusachtig

bord met sleutels achter haar en knoopte toen een praatje aan met den

portier, die dadelijk goed op de hoogte bleek te zijn met alles, wat

met den bouw van het hotel in verband stond.

Hij kon hem om te beginnen den naam noemen van de aannemersfirma,

Talbot en Pearson, Holbornstreet 37.

Natuurlijk waren de beide mannen wel zoo verstandig hem geen

bijzonderheden te vragen, daar zij volstrekt geen achterdocht wilden

wekken en zij verlieten het hotel, riepen op straat een huurauto aan,

en lieten zich aanstonds naar het kantoor van de aannemers brengen.

De heeren dreven de zaken op grooten voet, dat was aanstonds te zien

aan den omvang van hun kantoorgebouw en aan de weelderige wijze, waarop

het was ingericht.

Raffles en Charly hadden zich uitgegeven voor detectives, zooals zij

bij vroegere gelegenheden reeds menigmaal met succes hadden gedaan en

zij werden, ofschoon de kantoortijd reeds voorbij was, dadelijk

toegelaten bij de beide firmanten.

De een zoowel als de ander was van heel klein af zijn loopbaan begonnen

en dat was nog duidelijk merkbaar in de wijze, waarop zij hun stijven

vilthoed, dien zij zelfs binnenshuis zelden afzetten, achter op het

hoofd droegen en hun uitgesproken voorliefde voor zware rooktabak.

Het waren twee stoere, door een langdurig verblijf in de buitenlucht

gebruinde heeren, die Raffles en Charly ontvingen.

„U is voor vandaag nummer acht en negen,” riep Talbot uit, nadat zijn

beide bezoekers hadden plaats genomen.

„Wilt gij zeggen, dat gij vandaag reeds zeven van mijn collega’s hebt

ontvangen?” vroeg Raffles.

„Niet meer en niet minder. Wat de heeren van mij willen, is mij niet

recht duidelijk,” hernam Talbot. „Natuurlijk komt u ook in de zaak van

het Kensington-Hotel, nietwaar?”

„Zoo is het, mijnheer.”

„Nu, dan weet ik al wat u komt vragen. Gij denkt zeker ook, juist als

die andere heeren, dat er ergens geheime luiken, deuren, wat weet ik

moeten zijn.”

Maar Raffles schudde glimlachend het hoofd en zeide:

„Wij weten wel beter, mijnheer. Dat willen we volstrekt niet van u

weten. Wij weten wel, dat een modern hotel geen spookslot is, of een

ruïne uit een film. Wij wenschen eenvoudig te weten van u, wie u de

balkondeuren voor het hotel geleverd heeft.”

Talbot en Pearson zagen elkander verbaasd aan en toen herhaalde de

laatste:

„De balkondeuren, wel ik geloof dat het Plumkett was, ik zal het

aanstonds eens voor u opzoeken.”

Hij trad op zijn schrijftafel toe, sloeg een geweldig register open,

zocht eenigen tijd, zachtjes voor zich heen fluitend en zeide toen na

eenigen tijd:

„Ja, alle deuren, de balkondeuren zoowel als de andere zijn door

Plumkett geleverd in Waltonstreet.”

„Ik dank u zeer, mijnheer,” kwam Raffles, die het adres aanstonds had

opgeschreven. „Nu nog eenige vragen: Wilt gij mij zeggen hoeveel

arbeiders gij ongeveer in dienst had?”

„Drie honderd en zeven en tachtig,” antwoordde Talbot zonder aarzelen.

„Dat is nog meer dan ik dacht. Wie leverde u die?”

„Wij hebben een vaste kern van driehonderd man, die geregeld voor ons

werken en als wij daaraan niet genoeg hebben, dan levert onze agent,

Turner. Hij kan er nog altijd zooveel krijgen als hij wil.”

„Doet Turner onderzoek naar de menschen die zich bij hem komen

aanbieden?”

„Wat bedoelt gij? Naar hun bekwaamheid? Dat zou maar tijd vermorsen

zijn. Dat is immers na tien minuten wel op het werk te zien? En ik

verzeker u dat die methode heel wat beter is dan vragen stellen, want

iedere arbeider zegt toch altijd van zichzelf, dat hij bekwaam is, dat

deed ik zelf ook, toen ik nog steenenkruier was. Een arbeider, van wien

na een kwartier blijkt, dat hij zijn vak niet kent, gaat er aanstonds

uit.”

„Heel practisch. Zeg mij eens, mijnheer Talbot. Is het tijdens den bouw

voorgekomen, dat u om die reden arbeiders hebt moeten weg zenden?”

„Slechts eenmaal. Het gold een loodgieter, die zich als heel bekwaam

had aangemeld, en die zich verbeeldde, dat je ijzer met koper kunt

samen soldeeren.”

„Nu dit nog: wie zette de ramen en deuren in? Doen dat uw eigen

timmerlieden, of geschiedt dat door speciale arbeiders van Plumkett.”

„Dat hangt er van af. Gewone kamerdeuren stuurt hij op het werk, en dan

hangen onze timmerlieden ze in de scharnieren. Een kwestie van

niemendal. Maar als het bijvoorbeeld nog al ingewikkelde constructies

zijn, zooals draaideuren, of balkondeuren met espagnolet, dan stuurt

Plumkett een paar van zijn eigen menschen.”

„Was dat ook nu het geval?”

„Ja, dat weet ik zeker. Maar zeg mij eens, mijnheer, waarom stelt u mij

al die vragen?” kwam Talbot verbaasd.

„Het spijt mij, dat ik u daarop geen antwoord kan geven, mijnheer

Talbot. Later zal u dat wel duidelijk worden.”

Raffles was reeds opgestaan, na Charly een wenk te hebben gegeven en

had zijn hoed gegrepen.

Nu wendde hij zich weder tot de beide aannemers en zeide:

„Ik hoop, mijne heeren, dat gij voorloopig het stilzwijgen zult bewaren

over ons gesprek. Wij zijn particuliere detectives en wij zouden niet

gaarne de vruchten van onze inspanning zien ontgaan, als Scotland Yard

hoorde van ons gesprek en de bedoeling raadde van de vragen, welke ik u

reeds gesteld heb.”

„Mijnheer, u hebt groot gelijk,” riep Talbot op jovialen toon. „Niemand

laat zich graag de kaas van het brood eten. U kunt er van op aan, dat

we niets zullen zeggen.”

En met deze toezegging konden Raffles en Charly heen gaan.

„Waar nu heen?” vroeg Charly, toen de beide mannen weder op straat

stonden.

„Naar Plumkett.”

„Dat is een heel eind uit de buurt. Het is ook de vraag of wij hem

thuis zullen treffen.”

„Dat moeten wij dan maar probeeren, maar ik begrijp het al, Charly. Je

maag begint te jeuken. Welnu, hier aan de overzijde is toevallig een

lunchroom. Wij zullen ons versterken met een kop bouillon en de helft

van een koude kip.”

„Ik wil niet verzwijgen, dat ik blij ben met deze oplossing.” zeide

Charly lachend. „De zaak interesseert me bijzonder, maar ik ben het

volkomen eens met den grooten Napoleon, die zeide, dat een soldaat met

een leege maag geen veldslag kan winnen.”

De beide mannen stapten de lunchroom binnen, gebruikten haastig iets,

en stonden een kwartier later weder buiten, om rond te zien naar een

huurauto waarvan de chauffeur bereid zou zijn, den langen weg naar de

Waltonstreet af te leggen.

Het duurde inderdaad eenigen tijd, voor zij een chauffeur hadden

gevonden die onzelfzuchtig genoeg was, om hen, al was het dan tegen een

zeer groote fooi, naar de genoemde straat te brengen.

De rit duurde ruim een uur, en eindelijk hield de auto stil voor een

fraai huis, dat deel scheen uit te maken van een groot fabriekscomplex.

Op een koperen bordje op de deur was de naam Plumkett gegraveerd.

Raffles belde aan, en vernam van den huisknecht, die de deur opende,

dat mijnheer Plumkett juist van tafel was opgestaan, maar dat hij hem

zou vragen of hij twee particuliere detectives in een belangrijke zaak

wilde ontvangen.

De heer Plumkett was zeker in een goede bui, want hij stond het verzoek

toe en een oogenblik later stonden de beide vrienden tegenover een

kleinen, mageren man, met doordringende zwarte oogen en een intelligent

gelaat. Het gelaat van den pienteren, ondernemenden zakenman.

„Waarmee kan ik de heeren dienen?” vroeg Plumkett, nadat hij Raffles en

Charly met een gebaar tot zitten had genoodigd.

„Wij zullen u niet lang ophouden, mijnheer Plumkett,” antwoordde

Raffles. „Wij komen in de zaak van het Kensington-Hotel, waarin den

laatsten tijd een groot aantal even stoutmoedige, als geheimzinnige

diefstallen heeft plaats gehad.”

„Daar heb ik van gelezen,” hernam Plumkett verwonderd. „Maar ik kan met

den besten wil van de wereld niet inzien, wat ik daarmee te maken heb!

Verdenkt gij mij soms?”

„Neen, mijnheer Plumkett!” antwoordde Raffles glimlachend. „Maar gij

zoudt ons misschien eenige waardevolle inlichtingen kunnen geven.”

„Als gij dat denkt mijnheer, vraag dan slechts!”

„Ik dank u voor deze toestemming, en ik kom ter zake. Gij hebt de

deuren en ramen geleverd voor het hotel wat ik zooeven noemde,

nietwaar?”

„Ja.”

„Zijn de balkondeuren, welke gij geleverd hebt, van een courant model?”

„Welzeker zijn ze dat! Ik heb er al zoo duizenden geleverd!”

„Met ronde spagnoletstangen?”

„Met ronde spagnoletstangen?” herhaalde Plumkett, terwijl hij zijn

wenkbrauwen hoog optrok. „Wel neen, die maak ik nooit, die zijn minder

sterk dan platte! In mijn deurenfabriek gebruiken wij nooit anders dan

platte spagnoletten.”

„Het is zeker onmogelijk, dat in uw fabriek, waar zooveel vervaardigd

wordt, bijvoorbeeld van een veertigtal deuren de stangen rond gemaakt

worden, zonder dat gij dat bemerkt?”

„Dat is volkomen buitengesloten, mijnheer!” antwoordde Plumkett kortaf.

„Dat is onbestaanbaar! Vergeet niet dat men aan de ronde stangen alleen

niet genoeg heeft, maar dat er dan natuurlijk ook ronde oogen noodig

zijn, en geen vierhoekige!”

„Worden de stangen ook in uw fabriek gesmeed?”

„Alles gebeurt hier. Wij draaien zelf de schroeven, wij verven onzen

deuren en ramen zelf, wij leveren de raamgewichten, en het eenige dat

wij van andere fabrieken krijgen is het touw en de verf. Natuurlijk zou

er op mijn fabriek wel eens door dezen of genen een ronde stang gesmeed

kunnen worden, maar zelfs dat zouden de werkbazen onmiddellijk zien en

ik zou het weten, maar dat men voor dertig of veertig deuren ronde

spagnolettes zou maken, dat wil zeggen een lengtje van bijna tachtig

meter, ik herhaal u dat het volkomen is uitgesloten. Wilt u mij niet

zeggen, waarom u mij dat vraagt?”

„Kan ik op uw stilzwijgen rekenen, mijnheer Plumkett?”

„Volkomen.”

„Welnu, in het Kensington-Hotel zijn op de vierde en vijfde verdieping

alle balkondeuren voorzien van ronde spagnoletstangen. De scharnieren

zitten aan den buitenkant en zij hebben losse pennen, die zeer

gemakkelijk uitgetrokken kunnen worden.”

„Pennen met koppen?” vroeg Plumkett, die zijn ooren niet scheen te

vertrouwen.

„Ja.”

„Weet ge dat volkomen zeker?”

„Ik heb mij er persoonlijk van overtuigd.”

„Daar staat mijn verstand bij stil,” riep Plumkett uit. „Ik kan u

verzekeren, mijnheer, dat ik weliswaar een groote fabriek heb, maar dat

ik toch op een spijker na weet, wat er om gaat. Zonder dat ik de

teekeningen behoef na te gaan, kan ik u al zeggen, dat de deuren, welke

ik voor het hotel leverde weliswaar de scharnieren aan de buitenzijde

hadden, maar dat de pennen zonder koppen waren. Zulke scharnieren breng

ik altijd alleen maar op binnendeuren, omdat de menschen dergelijke

deuren soms wel eens willen uitnemen en vervangen door portières. Ik

moet u zeggen, dat ik er volstrekt niets van begrijp.”

„Het zal u wel spoedig genoeg duidelijk worden, mijnheer Plumkett, maar

eerst nog eens een paar vragen: Zijn al uw arbeiders volkomen

betrouwbaar?”

„Dat is een vraag, mijnheer, waarop ik u niet zoo gemakkelijk kan

antwoorden,” riep Plumkett uit. „Ik heb negen honderd vijftig arbeiders

in dienst, in de smederij, de bankwerkerij, de glassnijderij, de

zagerij en de timmermanswerkplaats en ik zou er niet graag mijn hand

voor in het vuur willen steken, dat al die menschen van een

onberispelijken levenswandel zijn, dat kan geen enkel fabrikant.”

„Dat ben ik volkomen met u eens, mijnheer Plumkett,” gaf Raffles toe.

„Mijn vraag was misschien niet zoo heel verstandig en toch ben ik er

zeker van dat onder uw werklieden, en waarschijnlijk ook onder enkele

werkbazen elementen te vinden zijn, die gij ongetwijfeld op staanden

voet zoudt ontslaan, als gij wist, of althans vermoedde, wat zij op hun

kerfstok hebben,”

„Wat dan wel, mijnheer,” vroeg Plumkett verbaasd.

„Hebt ge dat nog niet afgeleid uit mijn vragen? Het is dunkt mij

volkomen duidelijk, dat, daar de balkondeuren, die zich thans in het

hotel bevinden, niet in uw fabriek vervaardigd zijn, tenminste wat de

onderdeelen der sluiting betreft, zij op weg van uw fabriek naar het

bouwwerk een verandering moeten hebben ondergaan en het is duidelijk,

dat die alleen door uw werklieden kan zijn aangebracht.”

„Gij maakt mij aan het schrikken, mijnheer,” riep Plumkett uit, „en

toch, zoo moet het wel gegaan zijn. Een andere oplossing is er niet.”

„Ik ben overtuigd, mijnheer Plumkett, dat het zoo en niet anders in

zijn werk is gegaan,” hernam Raffles kalm.

„Maar dan moeten die lieden onmiddellijk onschadelijk worden gemaakt,”

riep de fabrikant woedend uit.

Lord Lister No. 0385: De Hotelratten · 第 1 / 4 段