leeg en koud en vaak wreed van hart, viel de "Nouvelle Héloïse." Het
boek scheen de levensvrucht van een andere planeet, een stem uit andere
sfeeren. Hij, Rousseau, was niet bang belachelijk te worden gevonden.
Hij had niet gepoogd zich aan te passen aan den smaak van den tijd,
lichte, scabreuse, perverse of romaneske avonturen te verhalen in
zwierigen stijl. En ook niet had hij gepoogd een boek te schrijven uit
één stuk, harmonisch van compositie, gemakkelijk overzienbaar in de
schoone verhouding der deelen tot 't geheel. Wat had hij al niet
omvergehaald in die opbruischende behoefte van zijn wezen om alle
levensverhoudingen aan te raken, alle levensproblemen te onderzoeken!
De philosophie, de literaire- en de theater-kritiek, de moraal, de
staatkunde en de staathuishoudkunde, de landbouw en het huishouden, de
paedagogie en de godsdienst, alles kreeg een beurt. Maar tusschen al dit
gebetoog en geredeneer door verhief zich, nu teeder-fluisterend, dan
hartstochtelijk-roepend, de groote trillende stem der liefde. In 't
hart van dit verwonderlijk-rijke, verwikkelde, langwijlige, overladene
en toch onweerstaanbaar-aantrekkelijke boek stond, wat de wereld niet
meer kende en niet meer geloofde te bestaan: het minnend paar, de
Minnaar en de Geliefde. Zij hielden elkaar omvat in teeder verlangen,
verzonken in elkaar, elkanders wereld, verleden en toekomst, uit
elkander drinkend alle kracht en zwakheid, alle geluk en smart. In hen
verhief zich de liefde als een noodlottige elementaire macht, scheppend
haar eigen wetten, scheurend met haar sterke handen het web van
wereldsche konventie en zede stuk. De sociale omheiningen die de
menschen scheiden bestaan niet voor haar, zij ontknoopt de banden
van aangeboren schuchterheid bij den jongeling, van natuurlijke
ingetogenheid bij het meisje, zij brengt tot zwijgen de stemmen van
kinds-liefde en kinderlijk ontzag. Er bestaat niets meer voor de
geliefden dan de liefde: zij hebben den tooverdrank gedronken, zij
kunnen niet weerstaan.
Ja, in hen is wel innerlijke strijd, weifeling vóór het zoete genot van
elkander, wroeging daarna. Julie berouwt het bedriegen van haar zachte
moeder en haar strengen vader; St. Preux voelt zich schuldig om de
onrust en de angsten die hij over de geliefde heeft gebracht. Maar al
berouwen zij, zij kunnen niet betreuren. Diep onder hun spijt, dat zij
ter sluiks hebben gehandeld, hebben bedrogen, leeft een sterke juichende
blijheid, dat zij den heiligen natuurdrang hebben gevolgd. Want de
liefde is heilig; zij wekt in lijf en ziel heilige krachten, zij voedt
de gloeden van die zuivere, opwaarts-strevende vlam: liefde tot de
deugd. Was het zwak dat zij de liefde niet weerstonden? Ja voor de
menschen; neen voor de natuur. Deze zwakheid verlaagt hen niet, maakt
hen niet onwaardig het diepste en warmste medegevoel. Zij gaven elkander
wat elk mensch toebehoort: zich zelven; zij beschikten over hun eigen
persoonlijkheid.
Wat heeft deze liefde gemeen met dat wat de tijd zoo noemt, de luchtige
vluchtige zinnelijke neiging? Niets als de naam. In hen wordt de passie
gelouterd en veredeld door de teerheid der harten, de sympathie der
gedachten, de exaltatie der verbeelding, de sterke drang naar idealen
van goedheid en reinheid waarop zij zich omhoog voelen zweven.
"Ik weet niet of ik mij vergis," schrijft Julie aan haar minnaar, "maar
het komt mij voor, dat de echte liefde de meest kuische van alle banden
is. Haar heilige gloed puurt onze natuurlijke neigingen, door ze op één
voorwerp te concentreeren, zij wendt de verzoeking van ons af, door te
maken dat behalve dit eenige voorwerp, het eene geslacht niets meer voor
het andere is.... Voor de vrouw die liefheeft bestaat de man niet
langer: haar minnaar is meer dan een man, alle anderen zijn minder; zij
en hij zijn eenig. Zij begeeren niet, zij beminnen. Het hart volgt de
zinnen niet, het leidt ze; het bedekt hunne afdwalingen met een
verrukkelijk waas.... De echte liefde is altijd vol schaamte, zij
verovert niet stoutmoedig gunsten, zij neemt ter sluiks. Geheimenis,
zwijgen, schuchtere schaamte, verbergen haar zoete bewegingen. Haar vlam
maakt alle liefkoozingen rein; kuischheid en eerbaarheid vergezellen
haar tot in het zinnelijk genieten, zij alleen weet aan de begeerten
alles toe te staan zonder de ingetogenheid te kwetsen."
Men vergelijke deze sublimatie van het zinnelijk element in de liefde
met de schaamtelooze wellust van Marivaux!
Een benepen kritiek heeft zich aan de vrijmoedigheid geërgerd, waarmee
Julie en haar minnaar elkaar hun sexueele gevoelens bekennen. Deze
kritiek meesmuilt over het oordeel der 18e eeuw, die Julie en St. Preux
beschouwde als ideale minnaars, vervuld van een fijne en zuivere
teederheid; zij vindt hun openhartige zinnelijkheid grof en stuitend
gelijk zij 't grof vindt van Rousseau, om ons te zeggen dat het
temperament van Sophie haar 't wachten op een man moeilijk maakt en
schaamteloos van haar, dat zij haar verloofde onbewust en onwillekeurig,
door een mengeling van teruggetrokkenheid en aanhaligheid prikkelt.
In dit uiteenwijkend oordeel openbaart zich het verschil in standpunt
van de 18e eeuwsche en de modern-burgerlijke samenleving ten opzichte
der sexueele moraal.[47] De eerste gaf de natuurlijke ingetogenheid
prijs, die de sexueele begeerten in het meisje en de vrouw omhult; de
tweede acht het door fatsoen geboden, deze begeerten angstvallig te
verstoppen of te ontkennen. In Rousseau was niets van cynisme of
liederlijkheid: zijn sterk klein-burgerlijk wezen stond te vrij en te
los van de vervallende klassen, om door haar zedelijke ontaarding
aangetast te worden. Maar ook was in hem niets van de huichelarij en
valsche schaamte van den puriteinschen kleinburger. Hij voelde het fijne
waas der natuurlijke schuchterheid dat de jonkvrouw omhing als haar
grootste bekoring, maar hij voelde ook dat in de jonkvrouw zinnelijke
neigingen sluimerden die gewekt werden door de oogen en de stem en het
teeder gebaar van den geliefde. Voor hem bestonden kuischheid en
eerbaarheid niet in het loochenen of verdringen van neigingen die
natuurlijk, dus goed waren, maar in het samengaan van zinnelijken gloed
met diepe teederheid, warme sympathie, verheerlijkende verbeelding.
De liefde is heilig; zij veredelt het hart waarin zij woont, zij maakt
het gemoed rein dat zij aanraakt; zij is verbonden met de deugd, met
elke edele kracht van ons wezen, alle gevoelige harten volgen haar
geboden, door haar kracht ontkiemt, groeit en draagt vruchten het beste
in onze persoonlijkheid.
Maar zoo de liefde heilig is, niet zij alléén is heilig. Zoo de
natuurwet heilig is, ook de maatschappelijke wet is het.
De liefde heeft het recht, het standsverschil en elke konventie te
verbrijzelen, maar zij heeft te buigen voor de heilige instelling,
waarop het gebouw der burgerlijke orde berust: voor het huwelijk. Het
recht der liefde is niet absoluut, het wordt begrensd door een ander
recht, daarvoor moet het wijken: de maatschappij overwint de natuur,
zedelijke plicht de zoete neiging. Deze grondgedachte is het, die
Rousseau in de laatste boeken der "Nouvelle Héloïse" in beeld heeft
gebracht. En hierdoor werd dit boek, meer dan eenig ander zijner werken,
de verzoening van de beide zijden van zijn eigen wezen: het toomeloos
volgen zijner impulsies en aandriften, èn den wil die te overwinnen, te
leven volgens hooge zedelijke beginselen.
Op het oogenblik van Julie's huwelijk met Wollmar--den veel ouderen,
koelen, hartstochtloozen man, bij alles wat hij doet door de rede
gedreven, dien zij niet liefheeft, maar huwt omdat zij zich gebonden
acht door de beschikking van haar vader--gebeurt er een wonder: in haar
voltrekt zich een plotselinge innerlijke verandering. Haar ontwricht
gemoed herstelt zich; zij voelt een dam oprijzen tusschen haar en haar
hartstocht, dien zij nimmer overschrijden zal. Zij kan van nu af aan
haar minnaar denken met een rustig hart; zij heeft hem even lief als
vroeger, maar een nieuw beginsel omsluit dit zwakke hart als een pantser
en beveiligt het er voor meegesleept te worden: het besef van de
heiligheid van het huwelijk. Dankbaar voelt zij zich opgeheven tot een
nieuwen staat van zekerheid en onaanrandbaarheid; zij bidt God in een
uitstorting van alle krachten van haar wezen, haar bij te staan in haar
nieuwe taak. "Ik wil," spreekt zij tot hem, "den echtgenoot liefhebben,
dien ge mij hebt gegeven. Ik wil trouw zijn, omdat trouw de eerste
plicht is, die het huisgezin en de maatschappij bindt. Ik wil alles wat
volgt uit de orde der natuur die gij hebt ingesteld, en uit het wezen
der rede die uw gave in mij is."
Julie voelt geen liefde voor haar echtgenoot, evenmin als hij
zinnelijken hartstocht gevoelt voor haar. Aan hun huwelijk heeft de
betoovering der zinnen geen deel, noch de gloed der verheerlijkende
verbeelding. En juist daardoor wordt het gelukkig. "Het is een dwaling
te meenen," schrijft Julie aan haar minnaar, "dat de liefde noodig is
tot een gelukkig huwelijk. Daartoe zijn voldoende deugd, eerbaarheid,
bepaalde samenstemmingen minder van leeftijd en stand als van karakter
en temperament; het resultaat van dit alles kan een zeer teedere
affektie zijn, niet minder zoet als de liefde zelve, maar blijvender en
rustiger.... Men huwt niet, om altijd en uitsluitend met elkaar bezig te
zijn, maar om te zamen de plichten van het burgerlijk leven te vervullen,
zijn huis met beleid te besturen, zijn kinderen in deugd en eere op te
voeden." Dit alles doet Julie. De plichten van den huwelijken staat tegen
haar man, haar kinderen, haar dienstboden, de arbeiders op het landgoed
nauwgezet te vervullen, wordt haar levensgeluk.
In die ruime patriarchale huishouding ten platte lande, die de
voornaamste levensbenoodigdheden voor alle leden van het groote gezin
(want de dienstboden behooren inderdaad nog tot het gezin) zelve
voortbrengt, is de werkkring der vrouw veel-omvattend en dankbaar. Zij
heeft niet slechts een ideeële roeping als echtgenoote en moeder; zij
staat feitelijk aan 't hoofd van een uitgebreid komplex van bedrijven en
van een talrijk personeel.
Julie volbrengt deze dubbele taak op bewonderenswaardige wijze. Zij is
het middelpunt van den huiselijken kring, de alles-in-stand-houdende,
allen-samenbindende, elke levens-hardheid verzachtende, het tempo des
levens regelende kracht, de vrede, tevredenheid en vergenoegdzaamheid om
zich heen verspreidende goede genius van het huis. Haar trouw wankelt
geen oogenblik, ook niet als haar man, die zich wil overtuigen of hij
't wagen kan zijn lievelingsplan uit te voeren: St. Preux als goeverneur
hunner kinderen aan hun huis te verbinden, haar bijna wreed op de proef
stelt. In het besef van de heiligheid van huwelijk en moederschap vindt
Julie kracht de oude bekoring te weerstaan, al is deze altijd onverzwakt
gebleven. Als de dood haar verlost van den tweestrijd tusschen plicht en
liefde, is zij gelukkig te sterven. Want deze strijd, zoo luidt haar
laatste biecht, zou haar op den duur toch te zwaar gevallen zijn.
Zoo verzoent Rousseau in de "Nouvelle Héloïse" het recht der
persoonlijkheid op liefde met de heiligheid van het burgerlijk huwelijk;
hij stelt Julie voor als een heldin van kuischheid, ofschoon zij als
jonkvrouw een minnaar heeft gehad, en als een heldin van liefde,
ofschoon zij als vrouw het lokken van den hartstocht heeft weerstaan.
Voor de fransche wereld der 18de eeuw beteekende die voorstelling een
zedelijke revolutie, een "Umwertung aller Werte." De jonge meisjes
bleven in den schaduw der kloostermuren verscholen, tot de ouders een
passenden man voor hen hadden gevonden; met het huwelijk begon het
tijdperk der vrijheid. Het gold niet langer als een heilig sakrement of
een eerbiedwaardige maatschappelijke instelling, het werd beschouwd als
een contract tusschen twee partijen gesloten met het doel om wettige
erfgenamen te verwekken, waarop titel en fortuin konden overgaan. Het
denkbeeld, dat het huwelijk verplichtingen van trouw, van wederzijdsche
steun en aanhankelijkheid zou opleggen, was men uiterst belachelijk gaan
vinden en daarbij erg lastig; hoeveel makkelijker was niet de nieuwe
opvatting van elkaar alle vrijheid te laten!
"Men spreekt over de moraal van den goeden ouden tijd," aldus een
schrijver uit die dagen. "Vroeger kwam 't huis op stelten te staan als
de vrouw echtbreuk pleegde; men sloot zijn vrouw op, men sloeg haar. Zoo
de echtgenoot de vrijheid, die hij zich voorbehouden had, gebruikte, was
zijn ongelukkige en getrouwe wederhelft gedwongen de beleediging haar
aangedaan te verduwen, en van uit de huiselijke verborgenheid te
weeklagen als in een donkere gevangenis. Handelde zij evenals haar
wispelturige echtgenoot, dan dreigden haar de ergste gevaren.... In
waarheid, ik vat niet hoe men in die barbaarsche tijden den moed had te
huwen. De huwelijksbanden waren ketenen. Heden heerschen verdraagzaamheid,
vrijheid en vrede in de huisgezinnen. Hebben de echtgenooten elkaar lief,
des te beter: zij leven samen en zijn gelukkig. Verbleekt hun liefde, dan
zeggen zij het elkaar als eerlijke lieden en geven elkaar hun belofte van
trouw terug. Zij zijn niet langer minnaars, zij zijn vrienden. Dit noem ik
zachte en sociale zeden."[48]
Van een werkelijk samenleven van man en vrouw was onder de hoogere
klassen geen sprake. De man had òf een betrekking aan het hof, dan
verwijlde hij in Versailles en werd belast met zendingen in de provincie;
òf hij was officier, dan lag hij hier of daar in garnizoen of moest te
velde trekken in den oorlog. De vrouw had haar sleep van aanbidders, haar
minnaar, haar vriendinnen, haar salon en haar vermaken; voor haar hield
't leven op bij de wallen van Parijs en de omheining der landgoederen en
lustverblijven in den omtrek. Hun mannen te volgen op het half ontvolkte
platteland, in de doodsche atmosfeer der provincie, scheen aan die
wereldsche verwende vrouwen toe levend te sterven, sterven van verveling:
daar hield de echtelijke trouw op. Gebruikelijk werd de opneming eener
clausule in de huwelijks-contracten, waarbij de vrouw zich het recht
voorbehield, haar man niet te volgen als hij op zijn landgoed in de
provincie verblijf hield. Door zijn ideaal-huisgezin te verplaatsen op
het platte land, ver van het groote stads-leven, door Wollmar en Julie
voor te stellen als de weldoeners, voorgangers en raadgevers eener
boerenbevolking, "wier lot zij streefden te verzachten zonder het hun
mogelijk te maken hun staat voor een anderen te verwisselen," ging
Rousseau recht tegen de zeden van de heerschende klassen zijner dagen in.
Niet uit de lucht, niet uit willekeurige droomen schiep Rousseau zijn
huwelijks-ideaal: ook dit ideaal was niet anders dan verheerlijkte
werkelijkheid, de werkelijkheid van het huwelijk in den burgerstand. De
jonge burgerdochters werden niet in het klooster opgevoed, zij genoten
eene, naar den maatstaf dier dagen, tamelijke vrijheid; zij mochten zich
zonder geleide op straat vertoonen, zij ontmoetten op de wandeling,
in de kerk en op partijtjes jonge mannen van hun stand en genoten in
eerbaarheid en onschuld hun jeugd. Zij werden niet verkocht of verhanseld
door eerzuchtige of halfgeruïneerde ouders, en zoo zij niet in alle
vrijheid kozen, zij werden bij die keuze toch gehoord. Maar anders dan
voor de adellijke dametjes, was voor haar 't huwelijk 't graf der vrijheid.
Voorbij waren vermaken en vroolijkheid! het levenstijdperk van zorg en
moeienis, van eentonigen arbeid, verantwoordelijkheid en gebondenheid ging
beginnen, om niet te eindigen dan met den dood.
Deze schrale en grauwe werkelijkheid van het kleinburgerlijke leven
overgoot Rousseau met den toover der poëzie. Hij maakte het ingetogen,
huiselijke bestaan van de vrouw in de burgerlijke sfeer aantrekkelijk,
en gaf aan de deugd een schooner, zoeter glans dan de ondeugd bezat.
Maar om de taak der vrouw in de sfeer van het huiselijk leven voor te
stellen als vol rijke bekoring, om te maken dat het nieuwe ideaal: de
vrouw een zachte lamp in den kring der huisgenooten,--propagandistische
kracht bezat, aantrekkelijk was, moet hij dien huiselijken kring zoo
ruim mogelijk maken, zijn heldin optillen boven de enge sfeer van
kleinburgerlijke verhoudingen, om haar als meesteresse te doen tronen in
de ruime verhoudingen van het patriarchaal grootbedrijf. In géén andere
verhouding vond de vrouw zooveel speelruimte voor haar physieke en
geestelijke krachten, kon zij de goede engel worden van zoovelen,
zoovelen tot zegen zijn.
Ons, kinderen der 20ste eeuw, voldoet de oplossing niet langer waardoor
Rousseau meende de rechten der liefde met de heiligheid van het huwelijk
te verzoenen. Wij achten haar halfslachtig. Wij zijn te lang in de
school geweest van het individualisme, wij zijn te doordrongen van de
rechten der persoonlijkheid en van de rechten van elk opkomend geslacht
om zijn eigen zeden te maken, zijn eigen leven te leven om ons met dit
compromis tevreden te stellen. Waarom, vragen wij, gaf Julie aan den man
dien zij liefhad niet haar hand en haar trouw voor het leven, nadat zij
hem de bloem van haar maagdelijkheid gegeven had? Moest zij zich gebonden
rekenen jegens een ander, omdat haar vader haar aan dien ander had beloofd?
Mag een vader op die wijze over de persoonlijkheid van zijn kind beschikken?
En als dat zoo is, waar blijft dan het recht der persoonlijkheid? Kan
dat goed zijn, trouw jegens wie in trouw mint te breken, om vaderlijke
veroordeelen te ontzien? Eischt dit de deugd? Heeft het jonge geslacht niet
het recht en de plicht, om de moreele banden waarin het vorige het leven
voor goed wil breidelen, door te snijden, zoodra het die als vooroordeelen
voelt? Kan de groei des levens gaan op andere wijze?
Zoo spreken wij, die nu leven. En wij wijzen het dualisme af van liefde
en huwelijk, waarin Rousseau berust, dat hij niet wist te overwinnen.
Wij gelooven in een ander ideaal van de verhouding der geslachten. Niet
eerst het uitvieren van de liefde die hartstocht is, en dan het huwelijk
gegrond op koele overweging, verstandelijk doorzicht, plichtsbesef en
bezonnenheid. Neen, maar liefde èn plicht in een eenheid vereenigd, de
gloed en de teerheid, de verrukking en dronkenheid der liefde allengs
verkeerend voor denzelfde en voor dezelfde, in kalmere meer bezonkene
genegenheid, in diepe vertrouwdheid en rustiger waardeering. Dit, en dit
alleen erkennen wij als het ideaal.
Zoo spreken en zoo willen wij, ontgroeid aan de "oplossing" der
"Nouvelle Héloïse." En dat wij zoo spreken en willen, danken wij, naast
vele andere invloeden en krachten die een deel zijn geworden van ons
zelven, ook aan de kracht en den invloed van Rousseau.
In de "Nouvelle Héloïse" zien wij de vrouw optreden als de genoote van
den man, zijn trouwe helpster, als de opofferende moeder en verstandige
opvoedster, de zachte genius van het gezinsleven. In den "Emile" lezen
wij hoe zij zelve moet worden opgevoed om dit alles te worden.
Rousseau was anti-feminist. De voorstelling dat de grondslag van de
bevrijding der persoonlijkheid van de vrouw haar economisch-sociale
bevrijding moet zijn, lag buiten zijn geestelijken horizon. Hij kon zich
die bevrijding niet anders denken dan door de liefde. Hij zag geen
arbeidsveld voor de vrouw buiten het gezin. Zulk een arbeidsveld
ontstond eerst op groote schaal door de revolutioneering der techniek en
het verdrongen worden der vrouw als producente ten bate van het gezin
door de groot-industrie. De vorm van samenleving die Rousseau als het
ideaal beschouwde: half kleinburgerlijk en kleinboersch, half
patriarchaal nog, bood aan de vrouw geen arbeidsveld in de gemeenschap:
in de stille beslotenheid van het gezinsleven, daar lag haar taak, daar
lag haar akker om te beploegen en te bezaaien, om een heerlijken oogst
van liefde, harmonie en tevredenheid te kweeken.
In den tijd van Rousseau hadden de vrouwen der heerschende klassen zich
aan de vervulling hunner huiselijke plichten geheel onttrokken om, in
zoover zij niet opgingen in dartelheid en vermaken, deel te nemen aan
het geestelijk leven van hun tijd.
Zij liepen college, schilderden, schreven romans, mémoires en tragedies,
deden aan wetenschap en aan politiek. Vele hunner waren begaafd, alle
waren pretentieus, ijdel en eerzuchtig; zij zochten verstrooiing,
vervulling van hun leeg gemoed, of ijdelen roem. De vrouwen van dit
soort stonden Rousseau voor den geest, toen hij de uitspraak deed dat
"de geleerde vrouw haars mans roede is." De geestige blauwkous en
mooi-pratende salondame was hem hartgrondig antipatiek en in zijn oogen
een soort van monster.
De opvoeding der vrouw, meende Rousseau, moest er op gericht zijn, om
de natuurlijke schuchterheid en schroomvalligheid te bewaren, die deze
geëmancipeerde vrouwen hadden afgeworpen. Als meisje behoefde zij niet
veel te leeren: aan den minnaar en echtgenoot viel de taak toe, haar
slapende vermogens te wekken en haar de wereld van den geest--in zoover
dit oorbaar was voor een vrouw--binnen te leiden. Maar één ding moest
haar ingeprent worden van jeugd af aan: gehoorzaamheid, te buigen, te
verdragen, zich niet te verzetten, niet te willen weerstaan. "De vrouw
is geboren om toe te geven aan den man en zijn onrechtvaardigheden te
dulden." En daar zij nimmer geheel aan zich zelve zou toebehooren, nooit
onafhankelijk zou zijn, moest de opvoeding haar vormen om dwang te
verdragen zonder inwendig tegenstreven, zonder wrok.
Maar de gehoorzaamheid der vrouw stelde Rousseau zich niet voor als
slaafsche onderworpenheid. Wel moet de man heersenen over de vrouw,
maar de vrouw kan den man leiden, wanneer zij plooibaar en taktvol
is en gebruik maakt van de wapenen der zwakken. "Haar bevelen zijn
liefkoozingen, haar bedreigingen tranen." In de nauw-omsloten sfeer
van het gezinsleven zal aan de vrouw in ruil voor de vrijheid en de
heerschappij, waarvan zij afstand deed, een rijk opengaan van
waardigheid, glimlachend overwicht en rustig-zekeren invloed, des te
onfeilbaarder, hoe minder zij strijdt om de heerschappij.
Het voortdurend samen zijn van mannen en vrouwen, zooals dat in de
salons regel was, veroordeelde Rousseau uit zedelijk oogpunt. De
natuurlijke ingetogenheid der vrouw, die hare eerbaarheid hoedde, moest
daardoor verloren gaan. Om deze grootste schat en beste kracht van haar
geslacht te behouden, behoorde de vrouw een teruggetrokken leven te
leiden, vervuld met stille, vredige zorgen. Rousseau prees de zede der
oude wereld van de vrouwen te isoleeren in een afzonderlijk deel der
woning, ze ver te houden van het verkeer met vreemde mannen en van het
openbare leven. Hij noemt de zede die de geslachten in het dagelijksch
leven vermengt en onophoudelijk samenbrengt, een vinding der barbaren,
en stelt het engelsche volk ten voorbeeld van de wijze hoe de geslachten
door zich terug te trekken in zichzelven, hun eigendommelijk wezen
verdiepen en versterken. En daarin ligt de goede zede, niet in het
elkander lichtzinnig naäpen, zooals de ijdele kwasten en de malle
salondametjes der heerschende klassen toen deden in Frankrijk, waar het
mode was voor de mannen om handwerkjes te maken en voor de vrouwen om in
geometrie en ontleedkunde te liefhebberen.
Zoo dacht Rousseau over de verhouding der geslachten en de bestemming
van de vrouw. En in zijn denken was zeker een deel waarheid, uitgaande
ver over de grenzen van tijdelijke verhoudingen. Want wel kunnen wij
niet voorspellen of het ideaal dat de vrouw in den man zoekt, te weten
moed, en het ideaal dat de man in de vrouw zoekt, te weten moederlijke
mildheid, zal duren op aarde zoo lang de menschheid bestaat. Maar dit
weten wij, dat wij ons geen samenleving vermogen voor te stellen, waarin
de vrouw in den man niet moed en de man in de vrouw niet mildheid zoeken
en liefhebben zal.
Echter, een deel van de waarheid die voor Rousseau gold als eeuwig en
onveranderlijk, was beperkt tot zijn eigen tijd, een kind van zijn
kleinburgerlijk bewustzijn, dat den onzen niet overleven zal. Hij zag
mildheid en zwakheid in de vrouw als onverbrekelijk verbonden, beide
eigenschappen als trekken van haar diepste wezen, en hierin dwaalde hij.
Hij begreep niet, dat de zwakheid, die tranen en smeekbeden gebruikt om
haar doel te bereiken, de menschelijke waardigheid der vrouw aantast en
in haar aankweekt de ondeugden der slaven: list en onwaarachtigheid. En
hij wist niet, hij kon niet weten, dat de moederlijke zachtheid behouden
zal blijven, maar de zwakheid met haar verlagende werkingen op het
karakter verdwijnen, wanneer de ekonomische afhankelijkheid _der vrouw
van den man_ vervalt doordat een nieuw arbeidsveld voor haar opengaat in
den dienst der gemeenschap.
* * * * *
Verhandelingen over de opvoeding waren er sedert Rabelais in Frankrijk
vele geschreven, vooral in de 18e eeuw. Nadenkende geesten en goede
patriotten zagen vol onrust dat "er geen mannen meer waren" en broeiden
over het beste stelsel om ze te kweeken. Rousseau leerde van vele zijner
voorgangers, van Rabelais natuurlijk, van Fénélon, van Rollin en Fleuri;
maar meer dan van al deze toch van den engelschman Locke. Het
menschenslag van flinke, stevige, pittige, oprechte engelsche squires,
dat Locke door zijn opvoedingsstelsel wilde voortbrengen, was tamelijk
verwant aan het menschen-ideaal van Rousseau. Alleen was zijn ideaal
meer poëtisch en meer philosophisch en algemeener, minder
nationaal-beperkt.
Rousseau zoowel als Locke gingen met hun voorstellen tegen het gewone
opvoeding-stelsel der jongens en meisjes uit de adellijke klassen in.
Deze had tot doel, mannen en vrouwen van de wereld te kweeken, geschikt
om te schitteren in de salons, de eigenlijke brandpunten van het leven
der maatschappelijke parasieten van den tijd; verfijnde en smaakvolle
doenieten, hoffelijke heertjes die door hun gladde tong en hoofsche
manieren aan de dames wisten te behagen, geestige dametjes, die de kunst
verstonden van deze saletjonkers aan te trekken en met ze te spelen.
Heertjes en dametjes moest de opvoeding voortbrengen, geen mannen en
vrouwen, geen menschen.
Om pasklaar gemaakt te worden voor hun maatschappelijke bestemming,
moesten de kinderen natuurlijk al vroeg gedrild en gefatsoeneerd worden.
Spontaniteit, dartelheid, natuurlijke levendigheid, uitbundig-pleizier-
hebben was uit den booze, springen en hollen verboden; hoe sneller en
volkomener de arme wezentjes tot apen der volwassenen werden gemaakt,
des te beter was de opvoeding gelukt. Het familie-leven bestond in de
hoogere kringen feitelijk niet meer, de kinderen kenden hun ouders
nauwelijks; zij werden van af hun geboorte aan de zorgen van vreemden
toevertrouwd: eerst aan een min, later aan gouverneurs en gouvernantes.
Soms mochten ze, keurig gekleed, gekapt, gepoederd, geparfumeerd, de
jongetjes met een miniatuurdegen op zij, de meisjes met de onmisbare
waaier in de hand, een oogenblikje hun opwachting maken bij het
morgentoilet van mama, om zoo spoedig mogelijk weer te verdwijnen,
want erg op hun gemak waren ze met die mooie dame toch niet.
Zoo was de werkelijkheid, waarin Rousseau het beeld der "natuurlijke
opvoeding" oprijzen deed. Het was niet alles nieuw en verrassend wat hij
zeide, maar hoe nieuw en verrassend klonk het, zooals hij het zei, met
zijn diepe, vèrdragende stem vol hartstochtelijke bewogenheid, die in
dit boek een accent had van zoo klare bezonkenheid als nooit voorheen.
Het kind, zei die stem, is geen miniatuur-volwassene; het is een eigen
wezen, wiens eigendommelijke aard een nauwkeurige en liefdevolle studie
vereischt, wil men het geven wat hem toekomt. Geef het kind wat des
kindes is; geef het--en dat is het eerste wat hem toekomt--geef het een
moeder die het zoogt en liefheeft en vertroetelt, geef het een vader die
het recht-buigt en leidt. Vader- en moederliefde, vader- en moederzorg;
die heeft het kind allereerst noodig: geef het die. Beknel zijn
bewegelijk lichaam niet in enge en ongemakkelijke kleeding, pers zijn
spontane levendigheid niet in het keurs uwer gekunstelde beleefdheids-
vormen, richt het niet af om woorden en zinnen te herhalen waarvan 't
niets begrijpt. Al wat de natuur voortbrengt is goed, alles wordt door
de menschen bedorven en verknoeid; laat de natuur het jonge wezen
vormen, weer alleen schadelijke invloeden af. Verweekelijk het kind
niet, behoed het niet angstvallig voor weer en wind, maar hard het door
lucht en water, verhoog zijn weerstandsvermogen, leer het warmte en kou,
honger en dorst zonder ongemak verdragen. Laat het van zijn zevende tot
zijn twaalfde jaar stoeien en springen en spelen naar hartelust als een
jong beestje; laat het alle geluk genieten waarvoor het vatbaar is; denk
niet altijd aan zijn toekomst: wie weet of het den volwassen leeftijd
wel bereikt? Kwel het niet met de studie van 't latijn, giet het geen
abstrakte formules in, prop zijn hersens niet vol met doode geleerdheid
van cijfers en feiten: laat lichamelijke ervaring zijn leermeesteresse
zijn. Maak zijn lijf lenig en krachtig, oefen zijn zintuigen
spelenderwijze, zonder dwang, zoo maakt ge zijn geest geschikt om later
veel te kunnen begrijpen. "Om goed te leeren denken, moeten wij onze
ledematen, onze zintuigen, onze organen oefenen, want zij zijn de
werktuigen van het verstand, en om van die werktuigen het best partij
te trekken moet het lichaam dat ze levert krachtig zijn en gezond."
Zooals alle revolutionaire denkers, allen die het vat des levens willen
vullen met nieuwen inhoud doen en doen moeten, dreef Rousseau zijn
denkbeelden op de spits en ontwikkelde ze tot hun verste konsekwenties.
Zóó alleen kon hij de tegenstelling van zijn opvoedings-stelsel tot de
oude opvattingen en gebruiken scherp en duidelijk zichtbaar maken. Dit
noemde de kritiek zijn "overdrijving." Zij begreep niet dat overdrijving
bij het verkondigen van een nieuw beginsel noodzakelijk is om de
menschengeesten, vastgeroest in oude gedachte-vormen, met een ruk naar
het nieuwe te richten. Tegenover de gebruikelijke verweekelijking van
het kind moest hij, om indruk te maken, zijn bijna spartaansch
hardingssysteem stellen; tegenover de gebruikelijke mechanische oefening
van het geheugen, zijn stelsel van uitsluitend oefening der ledematen en
zintuigen. Door deze en andere "overdrijvingen," dat is door de koenheid
van zijn greep, door zijn aarzellooze stoutmoedigheid, is Rousseau tot
een baanbreker op het gebied der opvoeding geworden.
Men kan, zegt Rousseau aan het begin van den "Emile," den mensch
opvoeden voor zichzelf of voor anderen, tot mensch of tot burger. Onder
mensch verstaat hij hier het zelfstandig individu; onder burgers de
genoot, het lid eener gemeenschap. Burgers worden alleen gekweekt door
een _openbare_ opvoeding, gelijk regel was in de republieken der
oudheid;[49] deze is echter niet mogelijk onder het absolutisme, enkel
in vrije staten. De openbare opvoeding brengt in onze dagen geen burgers
voort, maar slechts bourgeois.
Deze uitlating bewijst hoe Rousseau het individualistisch karakter en
het individualistisch doel van zijn eigen opvoedingsstelsel volstrekt
niet beschouwde als op-zich-zelven het meest begeerlijke, maar eenvoudig
als in de gegeven maatschappelijke omstandigheden het beste. In hem
waren sociale aandriften en gemeenschapszin zeer sterk, de sterkste
trekken misschien van zijn oorspronkelijken aanleg; zijn
individualistische neigingen daarentegen hadden zich ontwikkeld onder
den invloed van maatschappelijke omstandigheden. Het hoogste ideaal der
opvoeding zag hij in de voorbereiding van het kind tot de rechten en
plichten van het burgerschap in den demokratischen staat, het kweeken
van genooten, die zich geen afzonderlijke eenheden gevoelen, maar deelen
van een politiek-sociaal geheel, en altijd gereed staan voor dat geheel
zich zelven te offeren. Vergeleken bij dit ideaal, scheen de
individualistische opvoeding aan Rousseau een armelijk surrogaat. Maar
waar zulk een demokratische gemeenschap niet bestond, gelijk b.v.
Frankrijk, had, meende hij, de opvoeding geen andere keuze dan òf
"bourgeois" voort te brengen (hij bedoelde daarmee maatschappelijke
parasieten, menschen terend op den arbeid van anderen) òf buiten-
maatschappelijke individuen, dat is menschen los van de zeden, de
levenswijze en de vooroordeelen der heerschende klassen. Zooals hij in
het "Contrat Social" den abstrakten staat tot uitgangspunt nam, zoo deed
hij het in "Emile" den abstrakten mensch, om in die abstraktie zijn
revolutionaire idealen tegenover den klasse-mensch en de klasse-
opvoeding der werkelijkheid te belichamen. Emile moest worden opgevoed
tot een persoonlijkheid, die los stond van zijn tijd en zijn omgeving,
die zich overal thuis voelde en alle wisselingen der fortuin verdragen
kon met een ongeschokt gemoed. In aktief opzicht moet hij overal
waarheen het lot hem voerde, zelf zijn levens-onderhoud kunnen
verdienen; daarin juist bestond zijn onafhankelijkheid van de menschen.
In passief opzicht moest hij weten te berusten in elk leed, dat de
overmacht der menschen of de hand der natuur hem aandeed: daarin bestond
zijn onafhankelijkheid van de omstandigheden.
Het kennen van een ambacht beschouwde Rousseau als een onfeilbaar middel
voor den mensch om zijn bestaan op onafhankelijken grondslag te stellen.
Wie een vak kent moge niet behooren tot de schelmen die groote zaken
doen en zich verrijken; in zijn nederigen staat bezit hij de zekerheid,
zijn brood te verdienen en eerlijk man te blijven. "Men gaat slechts de
eerste de beste werkplaats binnen waar het vak wordt uitgeoefend dat men
geleerd heeft: "meester, ik verlang werk." Gezel, zie: hier is werk,
neem uw plaats in. Eer het tijd is voor het middagmaal, hebt ge uw
middagmaal verdiend; zoo ge vlijtig en sober zijt, zult ge eer acht
dagen verloopen zijn genoeg overgespaard hebben om nog acht dagen te
leven; en ge zult een zelfstandig, gezond, waarachtig werkzaam en
rechtvaardig leven hebben geleid."
Het is duidelijk: Rousseau leeft wel in den waan van zijn kweekeling
gereed te maken voor "alle wereldsche landen waarheen het lot hem
voert," maar inderdaad maakt hij hem gereed voor een maatschappij van
kleinbedrijf en kleinburgerlijke verhoudingen van meesters en gezellen.
En nog wel voor eene, waarin de sociale positie van den gezel zóó sterk
is, dat hij den meester dwingen kan hem voor één arbeidsdag een loon uit
te betalen, hoog genoeg om twee dagen van te bestaan, voor een wereld
zonder werkeloosheid, zonder ekonomische krisissen, zonder
grootindustrie,--een wereld die reeds onderging, toen hij schreef.
Als een argument tot het invoeren van den handen-arbeid in de opvoeding,
wees Rousseau op de groote maatschappelijke veranderingen die, iedereen
gevoelde het, in aantocht waren. Wie wist of niet het opgroeiend
geslacht den omkeer der heerschende verhoudingen zou beleven, die aan de
grondbezitters hun voorrechten, aan de rijken hun inkomen zou ontnemen.
Wat moest er dan worden van hem die niet verstond te werken? Wie als
knaap een vak had geleerd, zou gevrijwaard zijn voor gebrek en ellende.
Rousseau zag de maatschappelijke katastrophe vooruit, die vele van de
zonen der verwende aristokraten zou doemen in den vreemde een karig stuk
brood te verdienen met vertalen, lesgeven of handenwerk. Maar wat hij
niet vooruitzag was hoe zijn abstrakte ideaal-mensch, overal bruikbaar
en van alle markten thuis, eenmaal belichaamd zou worden in het zeer
weinig ideale, maar verwonderlijk energieke, praktische en vindingrijke
nationale type der modern-kapitalistische maatschappij bij
uitnemendheid, den burger der Vereenigde Staten van Noord-Amerika. Er
was, voor hem zelve onbewust, ook een sterk groot-burgerlijk element in
zijn abstraktie van dien rappen, algemeen bruikbaren mensch.
Dit dus wat aangaat het aktieve doel der opvoeding. Wat het passieve
betreft: berusting in de natuurlijke en de maatschappelijke
noodzakelijkheid, wij proeven uit haar zijn bewondering der stoicijnsche
wijsbegeerte, wij herkennen den veel-geslingerde, die aan zich zelve
heeft ervaren, hoe geduldig dragen vaak de beste medicijn is tegen
lichamelijke en geestelijke smart, hoe de kunst van niet te handelen,
wanneer wij niet weten wat te doen, de hoogste wijsheid kan wezen." De
levenskunst die de levenswijze zijnen discipel wil leeren is matiging,
het beheerschen zijner driften en aandoeningen. "Wat ons door de natuur
verboden wordt is om onze begeerten verder uit te strekken dan onze
krachten. Wat ons door de rede verboden wordt, is te willen wat wij niet
kunnen verkrijgen, wat ons door het geweten verboden wordt, is
verzoeking niet te kunnen weerstaan." Wie zijn hartstochten beheerscht,
zijn begeerten matigt, de noodzakelijkheid te gehoorzamen aan de wet en
te buigen voor de natuurmachten gevoelt als vrijheid, wie zich thuis
voelt onder de menschen, omdat zij zijn broeders zijn, en in de
eenzaamheid thuis, omdat hij er zichzelven vindt, die alleen leeft
waarlijk onafhankelijk. Dit philosophisch element der opvoeding slaat
zóó in bij Emile; man geworden, gevoelt hij zich zóó los van alle
wereldsche banden, zóó onverschillig voor stand, fortuin, eer en
aanzien, zoo op en top een burger niet van zijn vaderland maar van de
wereld, dat de meester hem tegen overdrijving waarschuwen moet. De
mensch, leert hij hem, heeft verplichting aan zijn geboorteland; daarom
moet hij het liefhebben boven andere landen en er leven. Mocht hij er
geroepen worden tot het vervullen van openbare ambten, dan is hij
verplicht te gehoorzamen, ook al valt 't hem zwaar zijn vrij en
verborgen leven prijs te geven.--Zoo duikt op het einde van den "Emile,"
in den "abstrakten mensch," de burger, het lid eener politieke
gemeenschap toch weer op.
Het doel der opvoeding is dus: een mensch voort te brengen die boven het
leven staat en toch er in. Er boven, doordat hij vrij is van de prikkels
die zijn medemenschen brengen tot handelen: ijdelheid, eerzucht,
winstbejag; er in, doordat plichtsgevoel en meegevoel hem bestemmen,
tusschen zijn naasten te leven en ze te dienen.
Hoe wordt nu dit doel bereikt?
Rousseau stelt zich voor door een leiding, die telkens aansluit bij de
veranderende behoeften en de voortschrijdende vermogens van het kind.
Hij verdeelt den ontwikkelingsgang van de geboorte tot aan den volwassen
leeftijd in vier phasen of tijdvakken, die elk een verschillende
behandeling door den opvoeder vereischen. Tot aan het zevende levensjaar
behoort het kind geheel aan de moeder; vanaf dien tijd tot aan het
dertiende zijn aanschouwing en zintuiglijke ervaring zijn eenige
leermeesters; hoogstens leert het lezen, schrijven en rekenen. Dit is
het tijdperk der lichamelijke vorming. Opzettelijk door den opvoeder
teweeggebrachte omstandigheden, comedietjes waarin het kind een rol
vervult zonder het te weten (waar blijft hier de natuur en de afkeer van
elk positief ingrijpen?) brengen het de abstrakte begrippen, b.v. het
eigendomsbegrip, beter bij, dan de uitvoerigste redeneering zou vermogen
te doen. Geen belooningen, geen prikkels van eerzucht en ijdelheid, geen
straffen, behalve die ontspringen uit de konsekwenties van de eigen
daden van het kind, en die het als zoodanig voelt.
Met het dertiende jaar begint een nieuwe phase in de opvoeding: de
utilitarische. Het verstand van het kind is nu voldoende gevormd, dan
dat het zich bij zijn handelingen kan laten leiden door redelijk
eigenbelang. Bij alles wat het doet en leert, wordt hem ingeprent dat
het dient tot zijn eigen bestwil, want dit kan het begrijpen; zoo leert
Emile het deel der deugd uitoefenen dat betrekking heeft op zijn eigen
ik: vlijt, matigheid, geduld, flinkheid, zelfbeheersching. Dit is het
tijdvak bestemd voor de studie van het praktische leven en der
natuurkunde. Rousseau verwerpt de z.n. "humanistische" studie, de kennis
der oude talen en letterkunde: zij dient slechts tot middel zegt hij, om
mooi-praters te kweeken. Natuurkunde, warenkunde, staathuishoudkunde:
dit is het, wat de jongen leeren moet om een "bruikbaar mensch" te worden.
Men ziet, de algemeene richting der opvoeding is zoo burgerlijk-praktisch
mogelijk, al zijn hare methoden een weinig ongewoon. De "abstrakte ideaal-
mensch" ontpopt zich al meer als de goed-onderwezen kleinburger van de
modernburgerlijke maatschappij. In deze levensperiode moet het kind ook
een ambacht leeren en zich daarin door oefening volmaken.
Wanneer de discipel vijftien jaar oud is, wordt het tijd om een nieuw
beginsel in de opvoeding in te voeren: het medegevoel. Tot dusver heeft
het kind in zijn naïve zelfzucht alleen zichzelven lief gehad; de
opvoeding kan niet op zijn gevoel werken; het heeft nog geen
altruïstische neigingen. Eerst wanneer de sexueele gevoelens ontwaken
beginnen de edele krachten van medegevoel en verbeelding te gisten in
den jongen mensch, eerst dan leeft hij niet meer uitsluitend door de
zinnen en de rede. Dan is de tijd gekomen, om op de altruïstische en
sociale neigingen in te werken en de krachten der geslachtsliefde, die
op het punt zijn in den knaap te ontwaken, te leiden in de bedding van
liefde tot de menschheid. Dan is het ook de tijd om de schoone letteren
te bestudeeren en op den adem der schoone aandoeningen en verbeeldingen
van de dichters en wijsgeeren te stijgen tot den schepper van alle
schoonheid, goedheid en waarheid--tot God. Op zijn 18de jaar verneemt
Emile voor de eerste maal dat hij een ziel heeft en dat die ziel
onsterfelijk is. Zelf heeft hij--in zijn gevoel en zijn rede--de
zedelijke beginselen van zijn handelingen gevonden. Nu aanvaardt hij de
wet der noodzakelijkheid op moreel gebied na naar aanvaard te hebben in
de natuur; hij voelt haar als de wil en de wet van een algoed, almachtig
Schepper, dien hij zegent en aanbidt.
De opvatting dat kinderen geen gevoel en geen verbeelding hebben schijnt
zonderling voor wie als Rousseau uit eigen ervaring weet, dat zij beide
kunnen bezitten in zeer hooge mate. Maar hij hield zich zelf voor een
uitzondering, een unicum onder de stervelingen. Hij kwam tot deze
vreemde opvatting, in tegenstelling tot wat de waarneming der
werkelijkheid hem leeren kon, door de individualistische strekking van
zijn eigen denken, door individualistische vooropstellingen. In de
ontwikkeling der soort was, meende hij, het individueele aan het sociale
leven voorafgegaan: de primitieve mensch placht alleen, onafhankelijk
van anderen, te leven en te werken. Zoo ook waren, in de ontwikkeling
van het individu, de egoïste en egocentrische aandriften de primaire,
aan alle andere voorafgaande; de sociale neigingen ontwikkelden zich
eerst veel later onder den invloed der sexueele gevoelens.
Wij weten dat Rousseau in het een als in het ander dwaalde. Wij weten
dat de oermensch een sociaal-levend wezen is geweest, dat de mensch in
en door het samenleven met zijns gelijken, zijn menschelijkheid veroverd
heeft. Wij weten ook dat de sociale aandriften zich in het jonge kind
gelijktijdig ontwikkelen met de egocentrische, en dat ook een kiem der
sexueele aandriften reeds in zeer jonge kinderen bestaat. En omdat dit
zoo is, daarom kan de opvoeder, zonder de ijdelheid te prikkelen, nog
op andere krachten en vermogens bij het kind inwerken, dan op zijn
redelijke zelfzucht en zijn eigenliefde. In het kind brandt de vonk der
sociale neigingen, der gevoelens van liefde voor anderen, geestdrift
voor menschelijk heil, meegevoel, rechtvaardigheidszin, zelf-opoffering
voor de genooten. De opvoeder kan die vonk aanwakkeren tot krachtigen
gloed; hij kan door de sociale neigingen van het kind te versterken,
de richting van het kinderlijk willen, de inhoud van het kinderlijk
bewustzijn in hooge mate beïnvloeden.[50] Niet eerst na het vijftiende
jaar, neen, van den beginne der opvoeding af aan behoort de opvoeder op
de sociale neigingen van het kind in te werken. Wel is dit niet geheel
mogelijk, zonder dat de prikkels van eerzucht en wedijver in 't spel
komen, maar het is een edele eerzucht, die wil uitmunten in den dienst
der makkers, en een schoone wedijver, die liefde tot de gemeenschap tot
voorwerp heeft.
Rousseau heeft de sociale natuur van den mensch onderschat, gelijk voor
de hand lag te doen in een maatschappij van veldwinnend individualisme.
Zonder deze onderschatting ware hij niet tot het denkbeeld gekomen van
zijn ideaal-kweekeling buiten elken omgang met kinderen te houden, wat
bewijst hoe blind hij was voor de opvoedende kracht van dien omgang.
En evenmin had hij de opvoeding tot aan het zestiende jaar uitsluitend
willen grondvesten op de lichamelijke eigenschappen van het kind en
diens redelijk egoïsme.
De groote socialistische utopisten van een iets later tijdvak, n.l.
Fourier en Owen, waren onder de eersten, die de nieuwe waardevolle
denkbeelden van Rousseau over de opvoeding in zich opnamen en verder
ontwikkelden; Fourier louter theoretisch, Owen ook in de praktijk. Maar
hun socialistisch inzicht bewaarde er deze beide mannen voor, om het
groote beginsel van de bevrijding der kinderlijke persoonlijkheid te
vermengen met de individualistische anti-sociale strekkingen, waartoe
de kleinburgerlijke utopist Rousseau noodlottig verviel.
* * * * *
Het was geheel konsekwent van Rousseau om, toen hij eenmaal aan het kind
gevoel, affektieve neigingen ontzegde, het ook te sluiten buiten de
zedelijke wereld. Want als de grondslag dier wereld, der moreele
verhouding van het ik tot het niet-ik beschouwde hij uitsluitend het
gevoel. "Een gevoelig hart is liefde tot de deugd aangeboren"--dit was
een axioma voor hem. Tegen de Socratische opvatting dat de deugd een
weten is, kwam alles in zijn binnenste op. Niemand heeft hardnekkiger
dan hij zelfkennis gezocht, zichzelven meer geobserveerd, bestudeerd,
ontleed, met onbarmhartiger en roekeloozer hand gewroet in zichzelven
--maar nooit is het een oogenblik bij hem opgekomen, dit zelf-onderzoek
als den weg tot de deugd te beschouwen. Het was voor hem den weg tot
zijn apologie en zijn apotheose; tot zelf-verontschuldiging, zelfbehagen,
zelf-vereering en zelf-vergoding. De deugd daarentegen was een vrucht
van onweerstaanbare en spontane neigingen, opwellingen van warmte en
teederheid, zacht verlangen om menschen goed te doen en geluk te geven,
zich één van hart te voelen met hen. Om het milde wellen van deze
gevoelens in zichzelven vond hij zichzelf "de beste der menschen." Als
hij ze zag werken in andere menschen bewoog zijn hart zachtjes tot hen
heen; als hij in de bloeiende sfeer der verbeelding verrukkelijk werd
meegevoerd door den luwen wind der droomerij, zag hij zulke menschen voor
zich opdoemen, groote, trillende kelken van gevoel. In hun blikken en
woorden, hun gebaren en zwijgende handdrukken, hun gloeiende kussen en
tersluiks afgewischte tranen, brak het nimmer-rustend, nimmer-verstillend
innerlijk bewegen hunner harten uit. Zwijmelend van geluk genoot hij het
verrukkelijk samenleven met deze kinderen zijner fantasie, en met tegenzin
keerde hij tot de kille, schrale, rauwe, harde werkelijkheid en hare
bewoners terug.
In de "Nouvelle Héloïse," het werk waarin hij zich het vrijst heeft laten
gaan,--veel vrijer dan in de "Confessions," waar de achtergedachten van
zelf-apologie en zelf-apotheose den stroom der herinnering in een bepaalde
bedding stuurden,--heeft hij alle uitingen en verhoudingen van het
affektieve leven met groote warmte en innigheid van ontroering afgebeeld.
Hier is zoete min, de bedwelmende bloesem des levens. Hier is de zachte
gelijkmatige affektie tusschen Julie en haar man, als een warm dek van
vertrouwen, achting en aanhankelijkheid over de schamelheid der dagen
geweven. Hier is de ouderliefde,--hoe ontroert ons nog de scène waarin
Julie's vader, een edelman van den ouden stempel, na zijn dochter in drift
barsch en ruw behandeld te hebben, haar met zwijgende liefkoozingen om
vergiffenis vraagt. Hier is de kinderliefde, de zachte overgave van Julie
aan haar oude ouders, haar drang zichzelven te verzaken, opdat de avond
van hun leven helder en vredig zij. Hier is de liefde die vriendschap heet:
tusschen vrouwen: hoe innig in-eengestrengeld zijn Claire en Julie, de
onafscheidelijken;--tusschen mannen: hoe zou St. Preux ooit de kracht
hebben gehad zich los te rukken van de geliefde, als de mannelijke
teederheid van Edouard Bomston hem niet had geschraagd en getroost;
--tusschen een man en een vrouw: Claire en St. Preux genieten die
vriendschap, voller van bekoring maar ook voller van gevaren dan eenige
andere, grensgevoel, uitstralend naar andere werelden; levensvrucht, zoet
van verteedering, wrang van onvervulde begeerten.... In de "Nouvelle
Héloïse" heeft Rousseau een monument opgericht voor de menschelijke
affekties in de stil-besloten sfeer van het burgerlijk huiselijk leven;
hij heeft schatten van reine lieflijke gevoelens omhoog gehaald en doen
flonkeren in het licht der schoonheid, tot dusver verborgen in die
omschaduwde sfeer.
De burgerlijke moraal is als een Janus-hoofd met twee aangezichten; het
eene zacht en innig, het andere barsch en streng. Het eerste aangezicht
is gekeerd tot het gebied der gezins- en private verhoudingen; het
tweede tot dat der produktie-verhoudingen en van het openbare leven. In
dit laatste gebied heerschen de tegenstellingen en botsen de belangen;
de mensch leeft er in concurrentie en onverbiddelijken wedstrijd met
zijn medemenschen, hier verstijft in hem het milde en sterft het
mededoogen, hier wordt hij ijskoud en staalhard voor alles wat niet zijn
eigen heil betreft. In dat gebied is de moraal voornamelijk zaken-moraal,
regelend de verhouding tusschen het ik en de maatschappij als een
verhouding tusschen dingen; eerlijkheid, vlijt, spaarzaamheid, stiptheid,
soberheid, zijn de voornaamste deugden;[51] de onmisbare eigenschappen en
hoedanigheden der warenproduceerende maatschappij. In die sfeer druischen
plicht en neiging vaak tegen elkaar, het hart kan den weg tot de deugd
niet zonder geleide vinden: het gevoel moet dikwijls onderdrukt worden,
de impulsie te volgen is vaak gevaarlijk, naar de stem der menschelijkheid
te luisteren dwaas. Daar heerscht gij, koele rede, en gij, streng geweten,
over de trillende diepten van het gevoel. Daar heerscht--Kant: hij was het,
die de grondslagen der burgerlijke moraal in de sfeer der produktie klaar
en principieel formuleerde.
In dat andere gebied, de sfeer niet van verwerven maar van verbruiken,
niet van arbeid maar van ontspanning, valt een milder licht van de
aangezichten, de stemmen klinken zachter, de oogen hebben een zachteren
glans. Daarheen zijn de affektieve neigingen der menschen gevlucht, daar
hebben zij zich teruggetrokken en geconcentreerd, toen zij werden verjaagd
uit het gebied van den arbeid en van de maatschappelijke verhoudingen.
Daar ontspant de mensch zich, zijn trekken ontspannen zich, hij ontdekt
zijn hart. Daar kan men luisteren naar het gevoel en de stem van het hart
volgen; daar bloeien bloemen van affektie, verteedering en innigheid, die
te koesteren deugd en wijsheid, die te vertreden roekelooze dwaasheid en
zonde is. In die sfeer heerschen liefde, weekheid des harten, spontane
gemoedsbewegingen, zachtmoedigheid; daar heerscht de moraal der "Nouvelle
Héloïse."
Wel schildert Rousseau in de "Nouvelle Héloïse" ook verhoudingen uit het
gebied der produktie in dienzelfden milden gloed van openbloeiende
menschelijkheid. Maar het arbeidsgebied waarheen hij ons voert is het
vrede-omwuifde van produktie voor eigen gebruik en patriarchale
verhoudingen. De wetten der warenproduktie heerschen er niet, de duivel
van den winsthonger raast er niet; de meesters zien hun dienaren niet
aan met denzelfden kouden blik waarmee zij de werktuigen en de
grondstoffen beschouwen die deze hanteeren en verwerken; maar met oogen
zacht van welwillendheid en menschelijk medegevoel. Zij gevoelen
tegenover de nederige, onwetende vrienden, die voor hen arbeiden iets
van vaderlijke en moederlijke verantwoordelijkheid. Hier, op het voor
eigen gebruik produceerend bedrijf ten platten lande, wordt de verhouding
tusschen heeren en knechten gelouterd tot eene van sociale opvoeding; geen
hardheden schrijnen, de adem der menschelijkheid vaart ongehinderd heen
en weer.
Deze patriarchale verhouding tusschen heeren en knechten beschouwde
Rousseau als even "natuurlijk" en evenmin aantastend de menschelijke
waardigheid en de menschen-rechten, als die tusschen meester en gezel.
Gelijkheids-drang verhief zich eerst in hem, wanneer de edelman den
burger verachtte als een wezen van minder soort. Tegen die verachting
deed klasse-bewustzijn hem overeind staan in beleedigden toorn, en
de gelijkheid aller menschen fier verkondigen. Dat gevoel heeft hij
afgebeeld in St. Preux, den armen intellektueel van plebeïsche afkomst
gelijk hij zelf was, schuchter en fijngevoelig als hij en als hij
verliefd op een vrouw van adellijke afkomst. Maar zijn ideeën over de
nietigheid der ongelijkheid van geboorte legde hij den engelschen
lord Eduard Bomston in den mond, als een hulde aan het land dat de
revolutionaire fransche denkers zich voorstelden, badend in de morgenzon
der burgerlijke vrijheid.
De critici en biografen zeggen dat hij warrelig was en wankel, onzeker
van gemoed; dat de walm van zijn hartstochtelijkheid hem belette om
klaar te zien in zijn eigen gedachten; dat hij het levensbegeeren dat
in hem kookte en raasde nooit gepuurd heeft tot klaar-omlijnden wil.
Dit alles kan waar zijn: het _is_ waar dat hij een vat was van
tegenstrijdigheden. Zij zeggen dat hij onwankelbaar geweest is maar in
dit ééne: in zelf-vertrouwen; dat het geloof in de onuitputtelijke
kracht, grootheid en goedheid van zijn ik de rotsgrond is geweest onder
zijn voeten. Ook dit kan waar zijn, ook hierin was hij een moderne, tot
het wezen der moderne persoonlijkheid behoort die verscheurdheid, dat
dobberen tusschen al te gering en overmatig zelfbewustzijn. Maar het is
niet waar dat alleen dit onwankelbaar in hem was. Dan zou hij niet
geworden zijn een bron waaruit geslachten dronken, naast mateloos
zelfbewustzijn en zelfverzonkenheid, ook moed, geestdrift, wilskracht,
daden-lust; lust aan de wereld te werken, niet aan zich zelf. In hem was
nog een ander onverzettelijk geloof: geloof aan een levens-ideaal. In
zijn geest stonden gegrift de groote lijnen van een levensgebouw, waarin
de gelukkige menschheid zou wonen, zoo zij deed naar zijn leeren en
luisterde naar zijn raad. Die ideale wereld droeg hij in zich, het
tegenstuk tot de werkelijke wereld, en elk zijner begeerten en zijner
meeningen, hoe woest de eenen vaak waren, hoe onsamenhangend de anderen,
was een trek ontleend aan dat machtige gebouw. Het rees in hem op uit
den drang zijner onstuimige gevoelens: zoo sterk en zoo hartstochtelijk,
omdat zij klasse-gevoelens waren, trillingen opkomend in millioenen
andere menschen. Het rees in hem op uit het wordend burgerlijk
bewustzijn, reikend in hem ver terug tot de dagen der fiere, zelfbewuste
poorters der midden-eeuwsche steden, die oude nesten waarin een nieuwe
vrijheid, een nieuwen levenswil, een nieuw aangezicht des levens
langzaam, langzaam werden uitgebroed. Het spande zich naar de verborgen
toekomst van titanische worstelingen--worstelingen, die de overwinning
zouden brengen en aan de kleinburgers de vrijheid en de gelijkheid
waarvan zij droomden; en toch weer niet, toch grievende teleurstelling,
omdat de kleine burgerij in de wereld die zij hielp maken, bekneld zou
raken tusschen het hoogere en lagere, tusschen grootkapitaal en
proletariaat.
Hij wist wel, Jean Jacques, dat de grootburger een vijand was zijner
kleinburgerlijke droomwereld, even goed als de landheer en de absolute
vorst. En daarom haatte hij dien bourgeois, dien grooten burger gelijk
hij de tyrannen haatte.
* * * * *
Wij hebben de hoeksteenen beschouwd waaruit hij het ideale levens-gebouw
wilde oprichten: laat ons nu ten slotte van dit gebouw de groote lijnen
oproepen voor onzen geest.
De aardbol is overdekt met tal van kleine onafhankelijke gemeenschappen;
een losse band van federatie bindt ze aaneen. Elk hunner bestaat uit een
kleine stad of eenige steden en een landelijk gebied. Op het land woont
de overgroote meerderheid der menschen, van landbouw en handwerk geneert
zich de massa van het volk. Elk dier gemeenschappen is ekonomisch
zelfstandig, onafhankelijk van alle anderen; de overheid gaat de
ontwikkeling der produktie-krachten tegen door den handel en de omloop
van het geld zooveel mogelijk te beperken. Zij streeft naar de grootst-
mogelijke bestendiging der oude produktie-wijze en produktie-verhoudingen,
de "natural-wirtschaft" en het kleinbedrijf. Zij weet dat handel en geld
die bestendiging bedreigen. Niet de verandering, maar het onveranderlijke
is de begeerte dezer menschen, want in hun harten is vrede.
In die kleine gefedereerde staten bloeit de demokratie, de volksregeering.
De overheid wordt, in den regel uit de meer aanzienlijke geslachten, door
alle burgers gekozen. Zij legt voor het verzamelde volk van haar daden
rekenschap af. Er bestaat geen adel, geen staand leger, geen bureaukratie,
geen priesterkaste, geen afzonderlijke klasse van intellektueelen. De
burgers zijn niet allen gelijk in aanzien en vermogen, maar de verschillen
tusschen hen zijn gering: waar zij dreigen toe te nemen grijpt de overheid
in en herstelt de bedreigde gelijkheid. De intellektueele tegenstellingen
zijn niet grooter dan de sociale: evenmin als in kapitalisten en
proletariërs, zijn de burgers verdeeld in hand- en hersen-arbeiders. Allen
nemen deel aan de produktie, allen hebben deel aan de kultuurschatten der
menschheid en het bestieren van het gemeenebest.
De zeden zijn eenvoudig, maar niet spartaansch. Er is geen weelde of
overdaad, maar er is overvloed van al wat noodig is tot een behagelijk
leven. Kalme tevredenheid en broederlijke zin vervullen de harten dezer
menschen, zacht en gelijkmatig vlieden hun dagen voort in rustigen
arbeid en blijde ontspanning. Hun harten verheffen zich dankbaar tot den
schepper aller dingen, den oorsprong des levens; niet in tempels eeren
zij hem, geen menschelijke of goddelijke middelaars hebben zij tusschen
zich en het opperwezen noodig; hun godsdienst eischt geen leege
ceremoniën; in de eenzaamheid der natuur brengen zij God hulde, en
dienen hem door de zedewet te vervullen, die hij in hun harten heeft
gegrift.
Welig bloeit, in de omschaduwde sfeer van het huiselijk leven, de teere
plant van menschelijk geluk. Liefde drijft ranken en bloesems tusschen
jongemannen en meisjes, tusschen ouders en kinderen, tusschen broers en
zusters, tusschen magen en vrienden. Men eert den ouderdom om de gaven
die hij bezit van raad en wijsheid. Uit de zilverige stilte van het huis
glanst den man als hij heem-keert een klaren glimlach tegen: over den
rozigen zuigeling buigt zich het zachte gelaat der aanminnige vrouw.
Vrolijk en vrij dartelen de krachtige bloeiende kinderen, genietend in
wilde zorgenlooze uitgelatenheid hun jeugd.
Werkzaam leeft het volk, de massa der burgers, winnend door dagelijkschen
arbeid het dagelijksch brood, maar niet slovend als knechten. Het brood,
door arbeid gewonnen, wordt met vreugde gegeten. Als het jaar zich wendt
van winterslaap naar nieuwe beloften, als de Mei lacht over de beemden,
als de oogst in de schuren gestapeld wordt, of de wijndruif geperst tot
geurigen most, dan verheugt zich het landvolk en verzamelt zich tot
feesten. In de steden uit zich de levenskracht en levensvreugd der burgers
in velerlei wedstrijden van de in schieten, worstelen, roeien en zwemmen
bedrevenen. Op de bloem-versierde pleinen komen zij bijeen, als vrije
mannen staande onder den vrijen hemel, om zich bewust te worden de volheid
hunner vreugd. Niet verwijfdheid, niet winstbejag, noch dwang verlaagt en
vergiftigt hun genoegens, wanneer zij zich scharen tot gemeenschappelijk
feestelijk maal. De gedachten aan het gemeenebest dat de belichaming is
der algemeene eenheid, waarin ieders persoonlijkheid ondergaat om te
herrijzen, gelouterd van de engheid des levens, omgeschapen tot een deel
van een wijder zijn, doet de borsten zwellen en de harten hoog kloppen.
Zoo droomde Rousseau zich het schoonste leven.
Zijn droom was de revolutionaire en dichterlijke utopie van het
kleinburgerlijk individualisme. Wij proletarische revolutionairen die nu
leven, droomen een anderen, grootscheren: den droom van de eenheid aller
menschen, opgroeiend uit het wezen van den arbeid in de socialistische
samenleving, uit de beheersching der natuurkrachten en der maatschappij-
krachten door de mannen en vrouwen-makkers eener vrije menschheid. Wij
zien wijder horizonnen opblinken en strekken onze armen daarheen, in
verlangen. Maar al zijn onze harten en hoofden anders gericht, dan zijn
hart en zijn hoofd waren, toch voelen wij de bekoring na van die
stillekens-glanzende, zachtkens-deinende, sprookjes-achtig vredige sfeer
die hij den menschen toonde--wij voelen zijn verlangen natrillen in onze
harten; omdat die sprookjessfeer de idealiseering was van een werkelijkheid
waaraan ook wij ontstammen, die nog niet gansch is ondergegaan in ons
vleesch en onze gedachten: de kleinburgerlijke. En ook daarom bekoort ons
nog die droomwereld, al voelen wij haar enge beperking, omdat sedert vrede
en vrijheid met het oorspronkelijk communisme zijn ondergegaan op aarde,
het menschenhart elke samenleving en elk beeld eener samenleving dat een
glimp, een zweem, een schijn daarvan bevat, voelt lokken als het land
zijner verloren kindsheid.
Rousseau was de dichter-utopist van het klein-burgerlijk individualisme,
maar deze omschrijving put zijn wezen niet uit. Door kennis, lichamelijke
ervaring en fantazie ging zijn denken en voelen uit boven de omgrenzing
van eene bepaalde phase in de ontwikkeling der menschheid, al behoorde aan
die phase zijn hart, al voelde hij tot haar die heel eigen vertrouwdheid
die het kind tot de moeder voelt. Hij droeg in zich het beeld van den
stad-staat der oudheid die nog eenige overleveringen van het stamleven
bewaarde; hij droeg in zich de herinnering aan de zorgelooze bekoring en
de vroolijke gulheid der naturalwirtschaft, waarvan in de zwitsersche
bergen nog sporen over waren. Hij was ruimer van blik dan de
encyclopedisten, die geheel opgingen in bewondering voor het beginnend
kapitalisme, die elke vorm van samenleving behalve de burgerlijke
verachtten en verwierpen.
Hij was ook veel meer dan zij een mensch van het instinkt-matige leven.
Achter de voorgronden van zijn klein-burgerlijk bewustzijn--dat
voornamelijk zijn gedachten over den staat, over den eigendom, over het
huisgezin bepaalde,--rees in het onder-bewuste, uit de diepten van zijn
organisme, een woeste, chaotische wereld van wilde begeerten, duister,
vormloos, geweldig zich rekkend omhoog. Oer-aandriften leven in den
mensch die nimmer vergaan, begeerte om los te komen van alle spangen en
breidels van het maatschappelijk leven, om te zwerven en te zwelgen in
vrijheid, stemmen uit een lang ondergegaan verleden, dat hij hoort
roepen door zijn bloed. Dan droomt hij van den natuurstaat en van
terugkeeren tot de natuur. Deze stemmen hoorde ook hij, de groote
droomer: zwerf-instinct was in hem, verlangen naar het ongebonden leven
der wildheid, hunkering heen te breken door den dam, den zelf-gemaakte,
die den mensch altijd omgeeft, zich altijd stelt tusschen hem en de
groote moeder natuur: het maatschappelijk milieu. Hunkering zich één
te voelen met het universum, zijn aangezicht te drukken tegen het
aangezicht der aarde, haar wateren en winden te voelen loopen over zijn
lijf, een brok natuur te zijn tusschen andere natuurbrokken. En de stem
van deze aandriften, die de achtergronden en de diepe ravijnen en de
weggezonken oerlagen waren van zijn bewustzijn, mengde zich met de stem
zijner maatschappelijke aspiraties en gaf aan zijn dreunend woord een
vreemdwilde fascinatie van ontzaggelijk heimwee en buiten-maatschappelijke
ondoorgrondelijkheid.
[Illustratie: ROUSSEAU AAN HET BOTANISEEREN. (Krijtteekening van Rosalie
Jenvernay 1801).]