III. DE WERKEN DER GROOTE JAREN.

De vijf jaren die Rousseau in de Hermitage en in Montmorency doorbracht,

jaren van sterke innerlijke bewogenheid, van verterenden hartstocht,

grievende teleurstelling en beginnende gemoedsontwrichting, zijn tevens

voor hem de jaren van grootste levens-volheid en innerlijke harmonie

geweest. Daarvóór kende hij zichzelven niet, niet zijn eigen diepten;

vermocht hij niet, de beide zijden van zijn wezen, de Minnaar en de

Apostel, te doen uitstroomen vereenigd tot één stroom van schoonheid en

kracht. Daarnà verwrong zijn wezen zich onder den invloed van verguizing

en vergoding; vervolgingen verstoorden zijn evenwicht; de spiegel van

zijn bewustzijn kaatste het beeld eener àl wanstaltiger wereld, te

midden waarvan mateloos-uitgerekt, monsterachtig van afmetingen, de

voorstelling troonde van het eigen ik.

In die vijf jaar tusschen 1757-1762 ontstonden de vier werken--de

wortels van twee hunner reikten diep in den tijd terug--die te zamen het

beeld vormen van zijn wereldbeschouwing en zijn wezen op het hoogtepunt

zijner kracht. Het zijn: de "Lettre a d'Alembert," de "Nouvelle

Héloïse," het "Contrat Social" en de "Emile." Zijn vroegere geschriften,

met name de beide "Discours," zijn nog slechts aanloopen tot deze

werken. Daarin tast hij nog, zoekt hij zijn weg, overdrijft zijn eigen

gedachten; mist hij de harmonie en de zekerheid van den meester nog.

Wat de werken nà Montmorency geschreven aangaat, men kan die in twee

rubrieken verdeelen. Tot de eerste behooren de "Lettre à Monseigneur de

Beaumont," de "Lettres de la Montagne" en de "Gouvernement de Pologne."

Het zijn in hoofdzaak polemische variaties op de werken der groote

jaren. Zij bevatten uitweidingen, herhalingen, omwerkingen,

versterkingen van bepaalde punten der daarin uitgesproken wereld- en

levensbeschouwing, maar weinig nieuwe gedachten. De geschriften der

tweede rubriek, de "Confessions" en de "Rêveries" zijn, zuiver als

woordkunst beschouwd, dat wil zeggen, wanneer men de nauwkeurigheid,

de levendigheid en de bekoring waarmee een schrijver zijn indrukken,

waarnemingen, gemoedsbewegingen en gewaarwordingen afbeeldt en de mate

waarin het hem gelukt, zijn eigen gevoelens bij anderen wakker te

roepen, tot eenig criterium neemt, zonder twijfel de meesterwerken van

Rousseau. Maar een meer wijsgeerig-aesthetische beoordeeling stelt de

"Confessions" en de "Rêveries" boven de "Nouvelle Héloïse" en den

"Emile," omdat de beide laatsten niet slechts de innerlijke en

uiterlijke ervaring van den schrijver in beeld brengen, maar hij hierin

de gestalten zijner verbeelding tot dragers maakt van een kosmisch en

sociaal ideaal. En dit is het hoogste, waartoe de poëzie reiken kan.

In de vier werken der groote jaren heeft hij de hoofdpunten eener

levens- en wereldbeschouwing: de verhouding van den mensch tot de

natuur, (god, het universum), en de verhoudingen der menschen onderling

(staat, eigendom, liefde en huwelijk, opvoeding, moraal, klasse-

verhoudingen) uitgebeeld. In de "Nouvelle Héloïse" en de "Lettre à

d'Alembert" vindt men voornamelijk zijn idealen van liefde, huwelijk,

gezins-leven, en klasse-verhoudingen verbeeld, in den "Emile" die van

godsdienst en opvoeding, in de "Contrat Social" zijn staatkundig ideaal.

Maar in elk er werken komen feitelijk de verschillende problemen van het

menschelijk leven ter sprake. Zij zijn de kinderen van één geest, zij

worden gedragen door denzelfden rijken stroom van voelen willen en

denken; wij kunnen ze beschouwen als brokstukken van één groot levenswerk.

Maar al worden zij gedragen door eenzelfden adem, die adem vermocht

niet, om ze allen op te tillen tot dezelfde hoogte: tot het gebied van

den Schoonen Droom. Rousseau heeft niet volbracht, wat de zéér groote

onder de dichtersdenkers volbrengen: zijn wereldbeschouwing vast te

leggen in een klare, afgeronde verbeelding. Daartoe schoot zijn kracht

te kort. Zijn fantazie, hoe warm en weelderig ook, was voor die taak

niet ruim genoeg, te klein van vlucht, te zwak van stroom. Die stroom

bruischte 't sterkst, bewogen door den wind van erotische aandoening. De

geslachtsliefde werkte het machtigst op zijn verbeelding; ook de liefde

tot de natuur of het al, het gevoel van eenheid met 't universum, werd

somtijds in hem tot de vervoering waaruit de inspiratie opstijgt. De

sociale liefde, de drang tot de Menschheid, was ook wel sterk in hem,

maar toch minder sterk dan die andere gevoelens. Vandaar dat zijn

conceptie van de ideale liefdesverhoudingen der geslachten ("Nouvelle

Héloïse") tot kunstwerk, tot verbeelding is geworden; terwijl zijn

conceptie van den idealen staat ("Contrat Social") verstandelijk betoog

is gebleven. En vandaar ook dat in den "Emile," die een algemeene

theorie der opvoeding is in een beeld saamgevat, het betoogende wordt

tot schoone verbeelding in de gedeelten die de verhouding van den mensch

tot het universum (God) en het eerste zoete neigen van jongeling en

jong-meisje tot elkaar behandelen.[34]

De intensiteit van zijn gevoel en het vermogen dit af te beelden zoo,

dat anderen zooals hij worden bewogen, maakt Rousseau tot een groot

dichter, maar hij is als dichter inkompleet omdat de beeldende kracht

bij hem niet gelijkmatig was ontwikkeld. Verwant aan de allergrootsten

is hij, behalve door de spanning van het gevoel en den gloed der

fantazie, ook door het vermogen tot algemeen en abstrakt denken. Wél

kostte, naar eigen getuigenis, het denken hem geweldige inspanning,

de weelderige ranken der droomerij drongen altijd weer tusschen het

lijnenstel der logische gedachten: op den stroom der droomende

verbeelding gleed zijn wezen zacht en gemakkelijk,--dààr lag zijn

vaderland, dààr voelde hij zich thuis; het denken was verworven gebied,

met vlijt en moeienis ontgonnen. Maar misschien juist door deze moeizame

worsteling, had zich zijn denken ontwikkeld tot zelfstandigheid en zich

eigen paden gebaand. Hij bezat de gave der dialektiek, hij verstond het,

om uit de moeder-gedachte een heel kroost op te roepen van zonen en

dochteren, van wezen gelijk aan haar en toch van haar verschillend,

zoodat de lezer die de waarheid der stamgedachte had erkend, verbaasd en

aarzelend stond voor de konsekwenties waartoe die erkenning hem voerde,

maar daaraan niet meer te ontkomen vermocht. Zijn denken was van de

zeldzame soort die zoowel kritisch ontledend als synthetisch-konstruktief

is. Het werd bevrucht door zijn gevoel, doorgloeid van den gloed zijner

haat en zijner liefde; in het doordrongen-zijn der redeneering met

hartstochtelijke bewogenheid lag zijn vermogen anderen mee te sleepen.

Het wezen van Rousseau als dichter-denker, groot als beide, maar de gave

missend, om zijn wereld- en levensconceptie neer te leggen in één groote

verbeelding, komt aan het licht in den aard zijner werken, die moeilijk

onder een bepaale kunstvorm te rangschikken zijn. Zij vormen een

vermenging van lyriek, roman, en betoog of wijsgeerige verhandeling. Hoe

vrijer en onbestemder de vorm, des te meer kon hij alle krachten van

zijn wezen: gevoel, verbeelding, gedachte, doen samenwerken; beeld en

betoog, lyrische verheffing en logische redeneering afwisselen. De vorm

van den roman-in-brieven, die hij in de "Nouvelle Héloïse" toepaste,

was niet zijn eigen vinding: hij ontleende haar aan den engelschen

romanschrijver Richardson, voor wien in de kringen der encyclopedisten

een uitbundige bewondering werd gekoesterd. Geen wonder: Richardson

was de verwezenlijker van hun literair ideaal: getrouwe en volledige

afbeelding van het burgerlijk leven. Rousseau nam deze vorm van

Richardson over, omdat de roman in brieven zich uitmuntend leende tot

het behandelen van ernstige vraagstukken in een omlijsting van fiktie.

Wat de engelsche schrijvers wilden bereiken, nl. moreele aandoeningen

opwekken bij hun lezers, dat wilde ook hij: en deze gelijkheid van doel

voerde ook tot gelijkheid in den vorm. De roman tot aan dien tijd door

de fransche modeschrijvers gehanteerd als een instrument om te vermaken

en te verstrooien,--hetzij door verhalen van lage en platte avonturen

gelijk Lesage deed, of van prikkelend-romantische à la Prevost, of

prikkelend-zinnelijke à la Crebillon, werd in de handen der groote

burgerlijke schrijvers Richardson en Rousseau, een middel tot

bewustmaking en verheffing der opkomende burgerij. Beide stelden in hun

romantische werken in een omlijsting van fiktie aan de burgerij den

inhoud van haar eigen leven en bewustzijn, haar maatschappelijke

inzichten en zedelijke idealen voor oogen en maakten haar op deze wijze

de tegenstelling tusschen haar eigen denken en voelen en dat der

feudaal-absolutistische klassen scherper-bewust.[35]

In den "Emile" schiep Rousseau zijn eigen vorm: een telkens in-elkaar-

overgaan van verbeelding en wijsgeerige beschouwing; het is in alle

opzichten het meest origineele zijner werken.

In de "Lettre à d'Alembert," dat de schakel vormt tusschen de "Nouvelle

Héloïse" en den "Emile," wordt het betoog, de kritisch-satirische

beschouwing over het fransche tooneel nu en dan onderbroken door de

idyllisch-getinte beschrijving van het openbare en het huiselijke leven

der boeren en kleinburgers in de zwitsersche demokratie. Er gaat een

adem van lyrische verrukking door deze gedeelten; de geïdealiseerde

herinnering stijgt soms tot een schoone, gevoels-doorklonkene

verbeelding van de openbare verhoudingen eener ideale menschheid.

Niets van beeld of lyriek in het "Contrat Social." In de hier behandelde

groep werken van Rousseau staat het afzonderlijk door zijn strengen

vorm, zijn logischen bouw, zijn lakonischen stijl. Opzettelijk heeft

Rousseau elke versterking van het betoog door gevoel of verbeelding

vermeden, met ijzeren hand dringt hij de smeltende teerheid terug,

bedwingt den hartstocht. Geen pathos, geen verrukking; geen

hartstochtelijke apostrophen. Men voelt den gloed wel, maar de vlam

brandt achter een muur. Hij wil niet meesleepen, hij wil overtuigen.

Vaak verloopt het mathematisch betoog voor ons, die het met andere

ooren en oogen en harten lezen dan de 18e-eeuwsche burgers, in grauwe

eentoonigheid, de lang-uitgesponnen voorbeelden ontleend aan de oudheid

laten ons koud. Maar somtijds treft ons een der korte, hamerende zinnen;

een uitspraak, een formule, door haar kernachtige beknoptheid, beklijvend

in het brein. Wij voelen de bedwongen siddering van verontwaardiging

over het onrecht dat aan de massa's geschiedt, van weerzin tegen de

dienstbaarheid. De vlam der vrijheidsliefde stijgt op, vurige tongen

sissen, zij lekken aan de grauwe steenen der woorden, zij slingeren zich

tusschen hen. Heil u, dapper hart, tyrannen-hater en democraat, steun

eener toekomst die zwelt en stijgt, bewustmaker en opvoeder der groote

revolutionairen van 1793, wegbereider der revolutie!

Men heeft gezegd dat Rousseau den stijl van zijn onderwerp had, dat

beteekent voor een kunstenaar, dien van zijn gevoel, en zoo is het. De

beide zijden van zijn wezen: gespierde kracht, ruige stoerheid, en teere

smeltende weekheid, klinken door zijn werk. De rijkheid van zijn

innerlijk leven en het bewustzijn dat hij bezat van de nuanceeringen

zijner aandoening, stroomt uit in de rijkheid van zijn taal. Zijn

voorgangers, de fransche klassieken, hadden beschikt over het weidsche

gebaar en den magistralen woordenval, maar hun taal dat is hun gevoel

doet ons aan als abstrakt en onpersoonlijk, voornaam maar koud, zuiver

maar arm. Zij bleven aan de oppervlakte van het zieleleven. De

geschriften der tijdgenooten van Rousseau muntten uit door lichtheid,

gratie, doorschijnendheid, maar zij allen hebben, met uitzondering van

Buffon, iets droogs, vervlakts, magers. En ook zij bleven aan de

oppervlakte. Rousseau doorploegde de velden der taal veel dieper dan een

hunner, omdat hij de velden van het hart dieper doorploegde. Hij gaf een

vollen rijken klank aan woorden die mat en laf, dof en schraal hadden

geklonken; hij gaf hun een nieuw hart, doordrong hen met nieuwe energie

en levenswarmte; hij wekte half-vergeten woorden uit den slaap der

eeuwen, woorden waarover men zich had geschaamd en die men had

verwaarloosd, zooals men zich voor de dingen had geschaamd en ze had

verwaarloosd die zij verklankten: de verteedering, de vervoering, alle

zoete en sterke bewegingen van het gemoed.

Met Rousseau begint een nieuwe stem in de literatuur, gelijk met

Beethoven in de muziek: de stem der rijke, diepe, peillooze,

in-zich-zelven-verscheurde en naar innerlijke harmonie dorstende

moderne persoonlijkheid, het produkt eener maatschappij die het individu

isoleert, het zich doet verheffen in eenzamen trots tegenover de

samenleving, of ineenkrimpen in eenzame smart, machteloos den ban der

vereenzaming te doorbreken die het groote levensleed is van den

burgerlijken kunstenaar en tevens de groote streeling van zijn

hoogmoedig hart.

Die stem der Eenzame Persoonlijkheid, zoo trotsch-verlaten, zoo

liefde-begeerig, zoo diep-gespleten, zoo smarten-rijk, klinkt bij

Rousseau het krachtigst en meest intensief in de werken van zijn

ouderdom, de "Confessions" en de "Rêveries." Naast de eenvoudige rijke

levendigheid der "Confessions" en de onbeschrijfelijke harmonie, de

betooverende gratie, de door zachte melancholie omsluierde fijne

doorzichtigheid der "Rêveries" staan de werken der groote jaren als

minder volkomene, maar grootschere, artistieke scheppingen.

Zoo zij ongelijker en onzuiverder zijn, zoo hun gevoel somtijds weeë

sentimentaliteit en hun pathos theatrale gezwollenheid is--er staat

tegenover dat zij uitingen zijn van een ander en wijder leven, dan dat

der persoonlijkheid alleen. Door hen vaart een machtige adem die in deze

parels van woordkunst: de "Confessions" en de "Rêveries," ontbreekt.

Vanwaar, naast de wijde vlucht en de groote spankracht, de tekortkomingen

en de onzuiverheden in de werken der groote jaren? Vanwaar hun gebreken,

vreemd aan de werken van Rousseau, welke uitsluitend zijn persoonlijk

leven afbeelden? Vanwaar de overdrijving in de uitdrukking van het gevoel,

de gezwollenheid, bij een dichter die het gevoel zoo zuiver wist te uiten?

En vanwaar ook de hooge toon van deze werken, de heerlijke gloed die ze

doordringt, de edele verheffing? Vanwaar?

Het antwoord moet luiden: het een als het andere kwam uit de maatschappij.

Rousseau had als alle dichters den stijl van zijn onderwerp, dat is van

zijn gevoel, zijn persoonlijkheid. Maar, als alle revolutionnaire dichters,

had hij ook den stijl der opkomende maatschappelijke krachten, die der

klassen wier belangen en behoeften zijn gevoel doordrongen. Het levensgevoel

der opkomende burgerlijke klassen weerkaatste zich in zijn gevoel.

De historische taak van deze klassen was: tezamen met de andere

volksklassen (arbeiders en boeren) alle politieke, maatschappelijke en

juridische belemmeringen op te ruimen, die de vrije ontplooiing der

kapitalistische produktiewijze en de vestiging der burgerlijke orde in

den weg stonden.

Onheroïsch zou die orde zijn, maar om haar ter wereld te brengen was de

ontwikkeling van heroïsche krachten noodig, waren noodig zelfopoffering

en doods-verachting, terrorisme, bloedige burgeroorlog en strijd

tusschen de volkeren. De inhoud der grootsche worsteling die zich in de

dagen van Rousseau voorbereidde was burgerlijk-beperkt. Zij moest dit

wezen, want haar inzet was de vestiging van een wereld-orde, die enkel

een einde zou maken aan de politieke onvrijheid der massa's om de banden

hunner ekonomische dienstbaarheid knellender aan te halen dan ooit te

voren. Om hun hartstochten op te beuren tot de hoogte der historische

tragedie, waarin zij den heldenrol vervulden en ze op dat peil te

houden; om zichzelven te misleiden over den beperkt-burgerlijken inhoud

der reuzenworsteling, dien zij voerden, om dien inhoud te zien omhuld

door het waas van het algemeen-menschelijke, en de hun in waarheid

gestelde taak te zien, schitterend in fantastische overdrijving,--daartoe

moesten de revolutionnaire strijders in zich een wereld van stemmingen,

voorstellingen, ideale gevoels- en gedachte-vormen oproepen. De stof tot

deze ideale wereld vonden zij voornamelijk in de historische legenden der

klassieke oudheid. Daaruit steeg tot hen de stoïcijnsche gezindheid, het

patriotisch en republikeinsch pathos, de doodsverachting en het heroïsme,

die zij bewonderden en in zich opnamen, de gevoelswijzen waarmee zij zich

vereenigden om in hun eigen voorstelling te schijnen wat de werkelijkheid

hun ontzegde te zijn.[36]

Dat de gevoelens en voorstellingen waarin zij leefden uitgingen boven

den inhoud van hun leven, van hun werkelijken strijd, dat de schijn, de

vorm, heroïscher was dan het wezen van dien strijd, openbaart zich in

de uitingen der revolutionnaire periode. In haar gezwollen taal, haar

somtijds als valsch aandoend pathos, haar smakelooze liefde voor het

theatrale; en ook in haar overdreven, huilerige gevoeligheid, die niet

anders is dan de keerzij der geforceerd-heroïsche spanning van het

gevoel.

Dit noodlot der revolutionnairen van 1789-'92, was ook het noodlot van

Rousseau en andere burgerlijke dichters, wier inspiratie, als b.v. bij

Byron en Schiller,[37] gelijk de zijne ontsprong uit hun liefde voor de

burgerlijke vrijheids-idealen, en wier werken den strijd der bourgeoisie

tegen de absolutistisch-feudale orde vierden en verheerlijkten. Ook zij

vervallen soms in hol pathos, opgeschroefde gezwollenheid, soms in weeë

laffe sentimentaliteit. Hun gevoel was oprecht, evenals dat der

revolutionnairen, hun geestdrift was echt, zij geloofden van ganscher

harte aan de idealen die zij verheerlijkten, maar die idealen waren

innerlijk onwaar en voos. Want de overwinning der burgerlijke klassen

bracht niet vrijheid en gelijkheid, niet vrede en recht, zooals zij

geloofden, maar meer ellende dan de aarde ooit gekend had; riep niet in

den mensch de aandriften van broederlijkheid wakker, maar van hebzucht

en heerschzucht en nijd.

Maar, zal men mij misschien tegenwerpen, Rousseau stierf ruim tien jaar

voor het uitbreken der revolutie; hij schreef de werken waarin zijn

sociale idealen belichaamd zijn vijf en twintig jaar voor de inneming

der Bastille, hij was niet revolutionnair in den zin van aan te sporen

tot strijd en strijd te verheerlijken; hij geloofde zelfs ter nauwernood

aan de mogelijkheid van een grooten omkeer. Dit alles is waar, maar toch

voelde Rousseau hoe er in de maatschappij een groote verandering in

aantocht was[38] en wat meer is, hij voelde, bijna alleen onder zijn

tijdgenooten, hoe niet de schitterende, atheïstische, genotzuchtige,

door de korruptie van het ancien régime aangestoken grootbourgeoisie

den stoot tot die verandering kon geven, maar dat enkel de eenvoudige,

onbedorven, zwoegende massa, de gave, levenskrachtige kern der natie,

kleinburgers, arbeiders en boeren, het werk van de vernieuwing der

levens-verhoudingen kon volbrengen. Hij voelde dat zij, òm het te

volbrengen, achting voor zichzelven, liefde tot de deugd, zedelijken

moed, ideale gezindheid, gloed van vrijheidsliefde en patriotisme,

bereidwilligheid om te sterven voor hun idealen, noodig hadden. En deze

gevoelens, voorstellingen en gezindheden poogde hij in hen te wekken en

te versterken.

Wat is hieraan verwonderlijks? De kunstenaar is een uiterst gevoelig

instrument waarop natuur en maatschappij spelen: hij voelt de nieuwe

maatschappelijke krachten opkomen, hij slurpt hun innerlijk wezen, hun

wijze van voelen, hun gedachtevormen, hun moreele voorstellingen in met

alle poriën van zijn lichaam. En Rousseau was een uiterst gevoelig

kunstenaar, een van de gevoeligste misschien, die ooit heeft geleefd.

Zoodoende zoog hij de schoone krachten, het revolutionnair idealisme en

de huiselijke innigheid der burgerlijke klassen binnen, maar ook de

valsche elementen, het onwaarachtig bestanddeel in hun gevoel. Ook deze

gingen over in zijn klankgehalte en in zijn stijl. Deze zijn schuld aan

het theatrale, gezwollene, geforceerde dat zijn werken ontsiert daar

waar hij de moreele en sociale idealen der burgerlijke klassen in beeld

brengt, nooit, wanneer hij het zijn persoonlijke ervaring doet.

Het is dus een dwaling om aan te nemen, gelijk o.a. A. Meynier doet in

zijn onlangs verschenen werk "Jean Jacques Rousseau révolutionaire," dat

Rousseau "de macht heeft bezeten om den geest van het fransche volk te

veranderen" en dat hij "zijn denk- en gevoelsvormen en zijn stijl heeft

opgedrongen aan de revolutie." Zulk een toovenaar was hij niet!

Omgekeerd: doordat Rousseau met fijne kunstenaars-intuïtie voorvoelde

welke ideale gedachte-vormen en voorstellingen de opkomende burgerij zou

behoeven om de harten der strijders op te heffen tot de hoogte van hun

taak, omdat hij de uitdrukking vond voor de kracht en de zwakheid van

hun gevoel, de schoonheid en de troebelheid ervan, daarom werden zijn

werken tot het evangelie van den revolutie-tijd.

En natuurlijk is het onzinnig om, zooals Meynier doet, aan Rousseau de

schuld te geven van de smakelooze gezwollenheid en de hoogdravende taal

waaraan de mannen der revolutie zich schuldig maakten. Zij hadden die

geestelijke draperie, die opdrijving der expressie, niet boven het

gevoel, maar boven de werkelijkheid achter het gevoel, noodig, en had

Rousseau hun die niet verschaft, dan zouden zij haar ontnomen hebben aan

een andere voorstellingswereld, aan het oude Testament b.v., waaruit

Cromwell en de zijnen anderhalve eeuw te voren hùn ideologie hadden

geput.

* * * * *

Wij willen nu nagaan welk antwoord, hetzij in beeld of betoog, Rousseau

in de werken der groote jaren geeft op de algemeene vraagstukken van het

menschelijk leven: de verhouding van den mensch tot god (de natuur, het

universum), en de verhoudingen der menschen onderling.

Rousseau geloofde sedert de dagen der Charmettes aan een persoonlijk

God, een persoonlijke kracht die het heelal in stand houdt en in de

menschenziel het bewustzijn van goed en kwaad heeft geplant. Hij verloor

dit geloof nooit, ook niet in de jaren dat hij zeer veel verkeerde met

de materialisten, al schijnt het eerst op het einde van zijn verblijf in

Parijs tot een levende kracht in hem geworden te zijn. Hij heeft later

verklaard dat de denkwijze zijner materialistische vrienden hem altijd

tegen de borst had gestuit, hoe hoog hij hun personen ook stelde.

Het achtiend'eeuwsche materialisme was de strijd-philosophie der groote

bourgeoisie, het wapen dat zij gebruikte om zich van het geestelijk

gezag der kerk te bevrijden. Naar deze bevrijding streefde Rousseau ook,

maar met andere middelen, volgens het protestansche beginsel namelijk,

dat elk mensch een priester heeft in zijn binnenste en rechtstreeks

staat tegenover God. Hun materialisme en zijn theïsme kwamen hierin

overeen, beide uitingen te zijn van het groeiend burgerlijk bewustzijn,

maar zij spiegelden elk een andere zijde daarvan. In het materialisme

der encyclopedisten en hun aanhang weerspiegelde zich het wezen van een

deel der bourgeoisie, wier bewustzijn vervuld was van het gevoel der

toenemende macht van den mensch over de natuur en de toenemende

beheersching der natuurkrachten door de wetenschap en de techniek. Er

sprak uit de trots en het zelfbewustzijn van menschen, die op het punt

stonden met behulp van wetenschap en techniek hun sociale heerschappij

te vestigen. Maar dit deel der bourgeoisie, zagen wij, was door het

zedelijk bederf van het vervallend regiem aan hun materialistische

philosophie zat een materialistische zedeleer vast, die de sociale

neigingen in den mensch ontkende en zelftucht beschouwde als het wezen

van den mensch.

In het theïsme van Rousseau, zijn geloof aan een abstract, schimmig god,

boven de wereld oprijzend in eenzame grootheid, spiegelde zich niet de

verhouding van den burgerlijken mensch tot de natuur, maar tot zijn

eigen maatschappij, zijn gevoel tegenover haar. In deze maatschappij,

die der waren-produktie, hadden de produkten van den menschelijken

arbeid meer en meer macht gekregen over de menschen, de verhoudingen

tusschen de menschen hadden den schijn aangenomen van verhoudingen

tusschen de dingen te zijn, abstrakte verhoudingen.[39] De

warenproduktie had de banden verscheurd, die het deel aan het geheel,

den mensch aan de gemeenschap verbonden. Zij had de menschen als

zelfstandige producenten en als eenzame individuen tegenover elkander

gesteld. Het toenemend abstrakt karakter van de verhoudingen der

menschen tot elkaar en de toenemende eenzaamheid van den mensch

spiegelde zich in de Godsidee van het protestantisme en van de 17de

eeuwsche philosophie. Het protestantisme was, vergeleken bij de

concreet-zinnelijke godsdienstige voorstellingen van het volksdommelijk

middeneeuwsch katholicisme, de godsdienst van den eenzamen abstrakten

God. Het theïsme, dat in de engelsche achtiend'eeuwsche philosophie een

groote rol speelde, en door Rousseau gepoëtiseerd en gepopulariseerd

werd, was niet anders als de uiterste konsekwentie, vereenvoudiging en

samenvatting van het protestantisme, de theologische uitdrukking van den

voortgang der warenproduktie sedert de dagen der Hervorming.

Maar sedert die dagen had niet slechts de warenproduktie in het algemeen

groote vorderingen gemaakt, ook de kapitalistische produktiewijze was

zeer toegenomen. Wetenschap en techniek waren vooruitgegaan, de mensch

was sterker geworden tegenover de natuur, hij had meer macht gekregen

over de natuurkrachten, maar deze vooruitgang had zich voltrokken

grootendeels ten koste van de arbeidende klassen. De levensonzekerheid

was erger, de ellende grooter geworden, overal in Europa waren de boeren

òf op groote schaal van huis en hof verjaagd geworden, òf in zwaardere

afhankelijkheid gebracht door den vereenigden druk van feudalisme en

absolutisme. De toenemende ongebondenheid op ekonomisch gebied, de

grenzelooze hebzucht der meesters die op zedelijk gebied met de

kapitalistische warenproduktie samengaat, verzwaarde het lot der armen.

In de moderne kapitalistische maatschappij kan deze of gene laag van de

burgerlijke klassen zich wel onder den invloed van bepaalde belangen

(verzet tegen het geestelijk gezag enz.) tijdelijk tegen allen

godsdienst verklaren, maar de groote massa moet altijd weer tot een

of anderen vorm van godsdienst terugkeeren, omdat hij een onmisbaar

bestanddeel der burgerlijke orde is. Op geestelijk gebied is de

abstracte gods-idee de spiegel van werkelijke maatschappelijke

verhoudingen, op moreel gebied is de godsdienst noodig als "de breidel

der rijken en de troost der armen" gelijk Rousseau het zeer juist

uitdrukte. Hij voelde dat het geloof aan god, vrijheid en

onsterfelijkheid, in de burgerlijke maatschappij een onontbeerlijk

fundament was voor de verplichting tot zedelijk, dat wil zeggen sociaal,

handelen. Zooals het achtiend' eeuwsch materialisme tot de ethische

theorie van "zelfzucht het oorspronkelijke in den mensch" leidde, zoo

beriep het theïsme zich op God, om steun te geven aan de sociale

gevoelens der menschen en hun zelfzucht te breidelen. De mogelijkheid

van een zuiver-menschelijke, natuurlijke basis voor het zedelijk

handelen zag het theïsme niet in; de supra-natuurlijke scheen hun de

eenig-mogelijke; vandaar dat Rousseau de atheïsten uit zijn idealen

staat wilde verbannen, niet wegens hun overtuiging, maar omdat menschen

met zulk een overtuiging noodzakelijk on-sociaal moesten handelen: zij

hadden geen toom voor hun zelfzuchtige neigingen, geen hoop op belooning

voor het onderdrukken daarvan.

Het mechanisch materialisme en het theïsme vertegenwoordigen dus twee

polen, twee uiterste richtingen van het burgerlijk denken, beide

wortelend in de maatschappij der kapitalistische warenproduktie. Het is

daarom een dwaling, Rousseau wegens zijn theïsme voor te stellen als

"reaktionnair" in vergelijk tot de materialistische philosophen. Het

punt waar het om ging in den strijd der opkomende tegen de vervallende

klassen was niet de philosophisch-religieuze overtuiging, maar de

strijdvaardigheid tegenover het kerkelijk gezag. En op dit punt was

Rousseau, door zijn individualistische uitspraak "elk mensch staat

rechtstreeks tegenover god," niets minder revolutionair dan de

materialisten door de hunne "er bestaat geen god."

Twee aan elkaar overgestelde stroomingen of neigingen in het wezen van

Rousseau vereenigden zich in zijn godsdienstig gevoel en gaven hieraan

een bijzonder karakter. De eerste was zijn geëxalteerd individualisme,

in den loop der jaren vergroeid tot een monsterachtig zelf-gevoel, die

hem zijn ik-heid deed beschouwen als absoluut-eenig. Het specifiek

moderne gevoel van het individu, eenzaam en een wereld op zichzelven,

verwrong zich bij hem tot ziekelijke overdrijving, waanzin. Zijn

Godsidee was de projektie van dit grenzelooze ik in de oneindigheid,

de verheffing van den mensch, de synthese van al zijn krachten, alle

samenwerkende emotie's van zijn eigen wezen, de sublimatie en uiterste

expansie der persoonlijkheid.[40] Zoo komt het dat hij wel vaak op den

grens schijnt van het pantheïsme, maar er toch nooit toe overgaat god

te identificeeren met de natuur. Hij hield vast aan een persoonlijke

kracht, een beweger der materie, een wetgever die zijn wil in het

menschenhart geschreven had.

Maar het geëxalteerd individualisme van Rousseau, zijn mateloos

zelfgevoel, kon zich enkel doorzetten in de ideale wereld der droomen.

In de werkelijkheid voelde hij zich naar alle kanten begrensd, arm,

bedrukt, machteloos, juist zooals de volksklassen dat waren wier

stemmingen en aspiraties hij, hoezeer ook gekleurd door zijn persoonlijk

wezen, vertolkte. De groote heeren, de rijke financiers: die hadden geen

God noodig, die konden hem missen, want zij waren machtig en

maatschappelijk op 't punt te triomfeeren, zij schreven hun wil aan

koningen voor, voor hen bestonden geen grenzen meer van goed en kwaad;

zij konden uitgroeien, heerschen, genieten. Maar niet Rousseau en niet

de kleinburgers noch de boeren van het land en de arbeiders der steden.

Hoe beklemd leefden zij tusschen machten, de hunne ver, ver overtreffend!

Waren zij geen speelbal van het lot? Niet machteloos tegen onrecht, niet

onderdrukt? En nog was hun tijd niet gekomen, om op te staan en het juk

af te schudden. Juist zoo voelde Rousseau zich ook: beklemd door over-

machtig onrecht. Hoe dikwijls had hij zich zoo gevoeld sedert de eerste

smartelijke ervaring van Bossey! Altijd had hij het goede gezocht, en

hoeveel leed was zijn deel geweest, hoeveel miskenning en verdriet! Het

heil, de expansie die hem in de werkelijke wereld ontzegd was, verplaatste

hij in de boven-zinnelijke; de gerechtigheid die voor hem uitbleef op

aarde, zou hem in een ander leven alles vergoeden. "Mijn vriend," schreef

hij aan een kennis uit Genève, "ik geloof aan God, en God zou niet

rechtvaardig zijn zoo mijn ziel niet onsterfelijk ware." "Zoo ik geen

ander bewijs had van de onsterfelijkheid der ziel als de triomf van den

booze en de onderdrukking van den rechtvaardige in deze wereld," spreekt

de "Vicaire Savoyard," "zou dit op zichzelven mij beletten te twijfelen.

Ik zou tegen mij zelf zeggen: alles is niet gedaan voor ons met dit leven,

alles wordt hersteld na den dood."

Dit gevoel: behoefte aan steun op moreel gebied en aan troost over het

slechte leven, is de grondslag van zijn gods-geloof, dat hij in de

laatste boeken van de "Nouvelle Héloïse" en in de belijdenis van den

"Vicaire Savoyard" heeft uitgesproken. Het innerlijk gevoel en het

geweten zijn de beide pijlers van dit geloof.

De mensch is tweeslachtig, in hem leeft een dubbel beginsel: door het

eene is hij onderworpen aan de kracht der zinnen, door het andere is hij

vrij. In de diepten der ziel is een aangeboren beginsel van

gerechtigheid en deugd, waarnaar wij de daden beoordeelen als goed of

slecht: dit beginsel is het geweten. God heeft dit beginsel in den

mensch neergelegd: het is voor zijn ziel, wat het instinkt is voor het

lichaam; het is "het goddelijk instinkt, de onstoffelijke en hemelsche

stem, de zekere gids van een wezen, beperkt, maar vrij en met rede

begaafd, onfeilbaar rechter van goed en kwaad, dat den mensch aan god

gelijk maakt"....

"Geen enkel stoffelijk schepsel is begaafd met eigen aktiviteit, behalve

ik. Men kan mij dit bestrijden, maar ik voel dat het zoo is en dit

gevoel is sterker dan de rede die het bestrijdt. Ik heb een lichaam

waarop de andere lichamen inwerken en dat op hen inwerkt, maar mijn wil

is onafhankelijk van mijn zintuigen; ik geef toe of ik weersta, ik word

overwonnen of ik ben overwinnaar, en ik voel zeer goed in mijzelven

wanneer ik doe wat ik heb willen doen, en wanneer ik toegeef aan mijn

hartstochten."

Dood-eenvoudig, bijna armelijk is, ontdaan van het poëtisch bijwerk en

de gevoels-exaltatie, de theologie van Rousseau. Innerlijk gevoel en

geweten zijn de beide vleugels waarop de ziel stijgt tot god, vrijheid

en onsterfelijkheid. Al het andere: dogma's, openbaring, Christus als

middelaar, erfzonde en verzoening, is verdwenen, niets behouden als dit

aller-algemeenste: de boven-natuurlijke sanktie der moreele, dat is der

maatschappelijke verplichtingen.

Wat is dit geloof in zijn wezen anders, als de, van alle philosophische

spitsvondigheden en diepzinnigheden ontdane, leer van Kant? Gelijk Kant

heft Rousseau 't weten op, om plaats te maken voor 't gelooven; gelijk

Kant laat hij de rede buiten spel, om het geloof te grondvesten in

innerlijk gevoel en geweten. Gelijk Kant geeft hij aan de stem in ons,

die gebiedt plicht te volgen ook tegen neiging in, een bovenzinnelijken

oorsprong. Gelijk Kant is Rousseau overtuigd, dat de mensch niet vermag

de dingen te kennen. "Wij zijn," zegt de "Vicaire Savoyard," "van alle

kanten door ondoordringbare geheimnissen omgeven; wij gelooven ze te

onthullen door middel van het verstand, maar doen het slechts door

middel der verbeelding.... Klein onderdeel van een geheel waarvan de

grenzen ons ontgaan, en dat zijn maker aan onze dwaze krakeelen overlaat,

zijn wij ijdel genoeg om te willen beslissen wat dit geheel op zich zelven

is, en wat wij met betrekking er toe zijn."

Stemt dit niet volkomen overeen met de uitspraak van Kant, dat alle

tijdelijke en ruimtelijke dingen slechts verschijningen zijn, en wij het

werkelijk bestaan, het _Ding an sich_ niet vermogen te kennen?

Maar, zoo het geloof aan een abstract en schimmig God bij Rousseau en

bij Kant uit dezelfde sociale wortel ontsprong, het groeide in beide uit

tot een geheel ander ding door de groote verschillen in hun

persoonlijken aanleg.

Hun beider theïsme is de laatste uitlooper van een ontwikkeling, die bij

de Hervorming begon, als de geestelijke weerschijn van de omwenteling

der ekonomische en sociale verhoudingen sedert het einde der Middeleeuwen,

en de laatste phase van den godsdienst voorafgaand aan zijn vernietiging,

vertegenwoordigt. Maar Kant, de man van het abstrakte denken, de

mathematisch-aangelegde, strenge, stipte, fantasielooze natuur, vult het

dorre schema god-vrijheid-onsterfelijkheid met het denkbeeld van de plicht,

dat is het weerstaan der zinnelijke neiging en het weerstand bieden aan de

verlokkingen der zelfzucht. Zoo krijgt zijn leer voor de opkomende burgerij

een groote sociaal-ethische beteekenis. Plicht, dat is het afstanddoen van

eigen voordeel en winst, het weerstaan der verzoeking tot bedrog en listen

wanneer 't geweten spreekt, het achterstellen van het persoonlijk belang

bij het algemeene, het klasse-belang. De philosophie van Kant wordt tot de

levensleer niet in de eerste plaats der lijdende, noch der strijdende, maar

der _arbeidende_ kleine burgerij.

Rousseau daarentegen legt overeenkomstig zijn zinnelijk-weeke, poëtische

natuur, den nadruk niet zoozeer op de strenge eischen van het geweten,

maar op de heerlijkheid Gods, het gesublimeerde ik, en op den zekeren

troost zijner gerechtigheid voor de verdrukten en bedroefden. Hij slaagde

er in, het geloof aan den abstrakten monstergeest, aan de "laffe schim"[41]

der onbestemde godheid, adem van leven en warmte in te blazen, aan het

kale lijnenschema van een godsdienst zonder dogma's, zonder geopenbaarde

waarheden, zonder ritus, zonder eenige vaste vormen, een zachte warmte en

een poëtischen glans te verleenen. Zijn leer kreeg vooral _politieke_ en

_literaire_ beteekenis: door het sentimenteele geloof van Robespierre en

de Jacobijnen aan een "Etre suprême," een opperste-abstraktie, samenvattend

al die andere abstrakties van Vrede, Vrijheid, Recht, enz. enz., achter

welke zich, voor hen zelven onbewust, zeer reeële en materiëele

klassebelangen verborgen; en door het vage, onbestemde, poëtisch-opgesmukte

deïsme en spiritualisme van Chateaubriand, Victor Hugo, Lamartine, Alfred

de Musset, George Sand, enz.--Hun aller spiritualisme stamt rechtstreeks

af van de geloofsbelijdenis van den "Vicaire Savoyard."

Toen de konservatieve professor St. Marc de Girardin, nu ruim zestig jaar

geleden in een serie lezingen over Rousseau ook de "Geloofsbelijdenis van

den Vicaire Savoyard" behandelde, vierde hij de bekeering van Rousseau tot

godsgeloof en ootmoedige gezindheid als het begin der christelijke reaktie

tegen het systematisch ongeloof en eindigde zijn beschouwing met de

volgende woorden: "Mijne heeren, men moet kiezen tusschen den priester en

den politieagent, en wij prijzen het in Rousseau, dat hij den eerste heeft

gekozen."

De professor vergiste zich: de zaak staat eenigszins anders dan hij

meende. Wat Rousseau deed, wat allen doen, die het geloof aan god en aan

de onsterfelijkheid aanvaarden, omdat zij het achten onmisbaar te zijn

tot het voortbestaan der burgerlijke samenleving, is eenvoudig de

autoriteit van den aardschen politie-agent door die van een hemelschen

versterken.

* * * * *

In verschillende zijner kleine geschriften (o.a. het tweede "Discours,"

de voorrede van "Narcisse," het artikel voor de Encyclopedie over

politieke economie en het opstel over "het regeerstelsel van Polen")

heeft Rousseau het vraagstuk van den invloed der politieke instellingen

op den menschelijken staat behandeld.

Behalve de gewone felle kritiek op het bestaande, vindt men in deze

geschriften ook vele interessante voorstellen van politieke

hervormingen, alle in de lijn van het klein-burgerlijk utopisme.

Samenhangend en systematisch heeft Rousseau het algemeene vraagstuk

van de grondslagen van den staat behandeld in het "Contrat Social."

Schijnbaar wijkt dit af van zijn overige werken niet alleen door den

strengen betoogtrant, het vermijden van elke lyrische ontboezeming

en alle beeldspraak, de afwezigheid van zijn gewonen oratorischen

schrijftrant, maar ook door het standpunt ten opzichte van het

maatschappelijk leven. Vooral tusschen het tweede "Discours" en het

"Contrat Social" heeft men een groote tegenstelling meenen op te merken.

In dit "Discours" immers verheft Rousseau den natuurstaat tot den

eenigen van echt geluk, verdoemt hij de beschaving en het

maatschappelijk leven, die den mensch hebben verdorven en doen

ontaarden, beschouwt hij deze als den oorsprong van alle rampen, alle

ondeugden, alle menschelijke ellende. In de "Contrat Social" prijst hij

daarentegen met warmte de voordeelen, die de mensch door de samenleving

en den burgerlijken staat verworven heeft. "Al doet de mensch (in dezen

staat)," luidt het daarin, "afstand van verschillende voordeelen, die

hij in den natuurstaat deelachtig was, hij wint er zoo groote, zijn

vermogens worden zoo geoefend en nemen zoozeer toe, zijn begrippen

verruimen zich zoo zeer ... dat zoo de misbruiken van zijn nieuwe

levens-inrichting hem niet vaak verlaagden tot onder den staat waaruit

hij gestegen is, hij onverpoosd het gelukkig oogenblik moest zegenen,

dat hem van een stompzinnig geborneerd dier, tot een intelligent wezen

maakte." Echter, deze tegenspraak is slechts schijnbaar; zij vervalt

wanneer wij ons voor den geest stellen, wat Rousseau met het tweede

"Discours," en wat met het "Contrat Social" beoogde. In het een zoowel

als het andere ging hij den absolutistisch-feudalen staat zijner dagen

te lijf. In het bewuste "Discours" stelde hij tot dit doel tegenover

de sociale ellende en de moreele ontaarding van zijn tijd den z.n.

"natuurstaat" en verheerlijkte die; in het "Contrat" onderzocht hij de

oorsprongen van den staat in 't algemeen om daaruit de onwettigheid te

demonstreeren van het absolutisme.

Van tweeërlei uitgangspunt trokken in de 18de eeuw de revolutionaire

denkers, de ideologen der burgerlijke klassen, tegen den absoluten staat

te velde. Het historisch onderzoek, waarvan Montesquieu de voornaamste

vertegenwoordiger was, ging de ontwikkeling der regeerstelsels na en

vergeleek de bestaande regeeringsvormen, om uit deze vergelijking de

voortreffelijkheid van het "gemengde" (d.w.z. engelsche, half-burgerlijke,

boven het absolutistisch regeerstelsel te concludeeren. Het juridisch

onderzoek, door Rousseau gevoerd, nam tot uitgangspunt het bestaan van

een onveranderlijk, onvervreemdbaar menschenrecht, het recht te beschikken

over de eigen persoonlijkheid, en leidde uit het bestaan daarvan de

onrechtmatigheid der heerschende politieke instellingen af. Het eerste

uitgangspunt leidde tot onderzoek der konkreete werkelijkheid en voerde

in de praktijk tot gematigde voorstellen; het stelde zich tevreden met

aan te sturen op een kompromis tusschen de absolutistisch-feudale en de

burgerlijke klassen, gelijk in Engeland tot stand gekomen was. Montesquieu

schreef als realist en hervormer. Het abstrakt-juridische uitgangspunt van

Rousseau voerde tot den revolutionairen eisch der volkssouvereiniteit.

In zuiver-ideologische en idealistische denkvormen lag toen de grootste

aanvalskracht der burgerlijke klassen tegen de feudaal-absolutistische,

terwijl in onze dagen de grootste aanvalskracht van het proletariaat

tegen de bourgeoisie in historische en materialistische denkvormen ligt.

Toen was het geloof in de eeuwige rechten van den mensch revolutionair,

gelijk heden het geloof aan den invloed der produktieverhoudingen op den

inhoud van het bewustzijn dat ís.

Daar waar Rousseau in het "Contrat" de onbegrensde ruimten der abstraktie

verlaat en hij het gebied betreedt der konkreete werkelijkheid, rekening

houdt met de betrekkelijkheid der dingen, daar zwijgt de koene

revolutionaire denker en hoort men de stem van den weifelenden,

voorzichtigen kleinburger.

De mensch--aldus de gedachtegang van het "Contrat Social,"--is vrij

geboren, vrijheid is een algemeen onvervreemdbaar menschenrecht. "Het

recht van den sterkste" is niets als een leugenachtige uitdrukking. De

noodzakelijkheid kan gebieden om aan de overmacht te gehoorzamen, maar

met recht heeft dit niets te maken. De grondslag van het maatschappelijk

kontrakt kan dus nooit verovering zijn, noch uitbreiding der vaderlijke

macht, noch de inwilliging van allen, om aan één te gehoorzamen. Geen

enkeling en geen volk kan zijn vrijheid vervreemden, hoeveel te minder

de vrijheid zijner nakomelingschap; de politieke en de sociale slavernij

zijn tegen de rede en tegen het menschelijk recht. De Staat moet tot

oorspronkelijken grondslag hebben gehad een overeenkomst tusschen zijne

leden, waardoor elk hunner iets prijs gaf van zijn onafhankelijkheid, in

ruil voor de bescherming hunner personen en bezittingen door de macht

van het geheel. Door zulk een overeenkomst vereenigen alle hunne

krachten onder de opperste leiding van den algemeenen wil. Een moreele

en kollektieve persoonlijkheid wordt geboren, de drager van het sociaal

gezag, die Rousseau de souverein noemt; de leden daarvan hebben als

_burgers_ deel aan het gezag, als _onderdanen_ zijn zij aan de wet

onderworpen.

Maar kan men de leden der staatkundige gemeenschap nog vrij noemen nadat

zij zich zelven aldus door het maatschappelijk kontrakt hebben gebonden?

Ja, antwoordt Rousseau. Wel kan elk persoonlijk een bijzondere wil

hebben, tegenovergesteld aan den algemeenen wil dien hij als burger

heeft, wel kan zijn persoonlijk belang strijdig zijn met het algemeene;

maar door het maatschappelijk kontrakt is hij beschermd tegen elke

persoonlijke afhankelijkheid, en vrij om alles te doen wat overeenkomt

met de rede en de rechtvaardigheid. Hierin bestaat zijn vrijheid. Wil

hij niet gehoorzamen aan den algemeenen wil, die tot uiting komt in de

wetten, dan moet men hem dwingen te gehoorzamen, dat is hem dwingen om

vrij te zijn. Aan den in de wet vastgelegden volkswil moet men zich

onderwerpen als aan de natuur-noodzakelijkheid zelve. De wet kan niet

tegen het algemeen belang ingaan, immers dan zou het volk tegen zijn

eigen welzijn in handelen en dit is onmogelijk. Het volk is onfeilbaar,

de volkswil kan niet dwalen; hij is altijd gericht op het algemeen

welzijn. Wel kan men het volk bedriegen; daardoor schijnt het somtijds

het slechte te willen, maar deze afwijking herstelt zich zelven weer.

De soeverein heeft een orgaan noodig om den algemeenen wil uit te voeren

en de wet in bijzondere gevallen toe te passen. Dit orgaan is de

regeering, door Rousseau vorst of magistraat genoemd. De regeerders zijn

dus niet de meesters, maar de dienaren, de zaakgelastigden van het volk.

Het volk stelt ze aan, het verleent hun bepaalde rechten, het is altijd

vrij deze rechten te wijzigen of terug te nemen, immers de vervreemding

van den volkswil is onvereenigbaar met het wezen van het maatschappelijk

lichaam, en rechtstreeks ingaande tegen het doel van het sociale kontrakt.

De vorm der regeering kan zijn monarchisch, aristokratisch of

demokratisch. Hoe meer geconcentreerd zij is, dat wil zeggen in de

handen van hoe kleiner aantal personen zij berust, des te sterker zal

zij zijn. De monarchie is de sterkste regeering, omdat in de monarchie

alle raderen in één hand samenkomen. Echter, haar doel is niet het heil

des volks maar 't heil des konings, die onophoudelijk streeft naar

vergrooting zijner macht. Men moet niet oordeelen naar de regeering van

een goed en wijs koning, maar zien wat van de taak, om het algemeen

welzijn te dienen, te recht komt onder een boosaardig of stompzinnig

vorst.

Abstrakt genomen is de demokratie, de regeering door de meerderheid, de

beste. Maar zij eischt om uitvoerbaar te wezen het samentreffen van een

aantal omstandigheden als daar zijn: een klein grondgebied, eenvoudige

zeden, gelijkheid der vermogens, enz. "Bestond er een volk van goden,

het zou zichzelve demokratisch regeeren, maar voor een volk van menschen

is een zoo volmaakte regeeringsvorm niet geschikt." In de praktijk is

dus de aristokratie, de oudste regeeringsvorm, tevens de meest

verkieslijke, althans wanneer zij niet op erfelijke aristokratie berust.

Deze laatste is de allerslechtste van alle regeeringsvormen, gelijk de

aristokratische door keuze de allerbeste is. Zij biedt de meeste

waarborgen van kunde, rechtschapenheid, ervaring, onbaatzuchtigheid enz.

van de regeerders. Want zoo de volkswil niet bedrogen wordt, zal hij in

den regel de waardigste burgers tot de uitoefening der bestuurs-funkties

verkiezen.

Geen vorm van regeering is, op zich zelve beschouwd, de meest

verkieslijke. Welke de voorkeur verdient hangt af van den aard van den

staat, van zijn grootte, zijn rijkdom, zijn bevolking, de ontwikkeling

der produktiekrachten enz. In 't algemeen is de eenhoofdige regeering

't meest geschikt voor de groote rijken, de aristokratische voor de

middelmatig-grooten en de demokratie voor de kleinen. Een zeker teeken

van een goede regeering is de geregelde aanwas der bevolking, van een

slechte haar vermindering.[42]

Elke regeering heeft de neiging haar macht uit te breiden ten koste van

den souverein, dat is van den volkswil.

Het volk moet daartegen waken en zijn recht handhaven om de regeering

die niet langer beantwoordt aan haar doel: het volksheil te dienen, tot

onderwerping te brengen of af te zetten. In het volk leeft het wetgevend

vennogen, dat het hart is der maatschappij; het moet op geregelde

tijdstippen bijeenkomen in algemeene vergadering om de funkties uit

te oefenen, die voortspruiten uit het wezen van het maatschappelijk

kontrakt. Deze vergaderingen moeten altijd geopend worden door een

stemming over de twee volgende vragen: ten eerste, of het den souverein

behaagt den tegenwoordigen regeeringsvorm te handhaven; ten tweede of

het hem behaagt deze ook verder te laten uitoefenen door degenen die er

thans mee zijn belast.

Legt het volk zijn funkties in handen van vertegenwoordigers, zoo is het

verloren, het is met zijn vrijheid gedaan: de volkssouvereiniteit kan

noch verdeeld, noch op anderen overgebracht worden. Rousseau beroept

zich op de instellingen van het oude Rome om te bewijzen, hoe ook een

talrijk volk zijn rechten niet aan afgevaardigden behoeft uit handen te

geven, maar in algemeene vergadering beraadslagen en beslissen kan.

Men ziet hoe het "Contrat Social," in den vorm eener abstrakt-juridische

redeneering, in waarheid een voorbehoudlooze oorlogsverklaring der

demokratie aan het absolutisme is. De definitie die het gaf van den

soeverein en van de wet, de onderscheiding die het maakte tusschen

souverein en regeering, de beschouwing van de regeerders als

zaakgelastigden van het volk,--dit alles waren in de dagen van Rousseau

revolutionaire beginselen, stoutmoedige nieuwigheden die nog slechts

voorkwamen aan de uiterste grenzen van het burgerlijk klassebewustzijn.

Vandaar dat het "Contrat" slechts langzaam doordrong en zijn inhoud pas

door de nieuwe generatie verwerkt, begrepen en toegejuicht werd. Voor

deze generatie werd het tot de revolutionaire bron, waaruit de strijders

van 1789-1793 het grootste deel hunner gevoelens, voorstellingen en

denkbeelden schepten.

De rol die het "Contrat Social" heeft vervuld als het evangelie der

burgerlijke revolutie, is algemeen bekend. Minder bekend is het

overheerschend _klein_burgerlijk karakter van de staatkundige beginselen

die Rousseau in het "Contrat Social" verkondigt. De ideale staat die hem

bij zijn beschouwingen voor den geest stond was geen willekeurige

abstraktie, maar de zwitsersche demokratie van kleine burgers en kleine

boeren, gezien door het waas der verheerlijkende herinnering en der

teedere pieteit van den ver van het land zijner geboorte toevenden

patriot. De regeeringsvorm en de instellingen die hij de beste acht om

den mensch tot geluk en deugd te voeren, zijn de regeeringsvorm en de

instellingen dezer kleine gemeenschappen, die bestonden uit een

tweederangs-stadje met daaraan grenzend landelijk gebied. In hen was

de arbeidsverdeeling nog weinig ontwikkeld. Ook de meeste stedelingen

bezaten nog land en namen althans op sommige tijden van het jaar aan den

landbouw deel, die met het ambacht het voornaamste bestaansmiddel was;

industrie en handel waren zwak en achterlijk, de klassetegenstellingen

gering.

Het kleinburgerlijk standpunt van Rousseau verklaart ook de strekking

tot staatsdespotisme, (in tegenstelling tot de liberale leer) van het

"Contrat Social." Wel heeft hij zich nergens uitdrukkelijk uitgelaten

over de grenzen der soevereine macht, niet uitdrukkelijk vastgesteld

welke persoonlijke rechten en vrijheden, ten opzichte b.v. van het

eigendomsrecht, van de vaderlijke macht, enz. de individuen zich bij de

afsluiting van het maatschappelijk kontrakt z.i. in elk geval moesten

voorbehouden. Maar een aantal plaatsen uit verschillende zijner

geschriften bewijzen dat hij zich den idealen staat voorstelde als zeer

sterk ingrijpend in het leven zijner leden. In zijn artikel over de

politieke economie b.v. zegt hij dat de opvoeding door den staat

geregeld behoort te worden; in de "Contrat Social" noemt hij het de

plicht van den staat door wetten de weelde en de neiging tot toenemende

ongelijkheid van bezit te beteugelen; in de "Lettre à d'Alembert"

verklaart hij zich tegen alle indirekte belastingen, en verdedigt hij

de belasting op het inkomen en op voorwerpen van weelde. Zonder twijfel

ging de richting van zijn wil en zijn denken wel degelijk naar een

groote beperking van de persoonlijke vrijheid door den staat,[43] gelijk

de Jacobijnen, die de echte kinderen van zijn geest waren, die in

praktijk hebben gebracht; hij is anti-liberaal, de leus van het

"laissez-faire en laissez-allez" de opvatting dat de staat zich tevreden

behoort te stellen met den rol van nachtwaker, en zich zoo min mogelijk

met het doen en laten der burgers heeft te bemoeien, is volstrekt niet

de zijne. Deze opvatting ontstond pas na de overwinning der bourgeoisie,

uit haar sprak de beduchtheid der industrieele kapitalisten voor iedere

bescherming der agrarische belangen en vooral der levenskracht van het

proletariaat; den onwil tot zelfs de geringste breideling der uitbuiting.

Rousseau, hoe individualistisch hij ook voelde en dacht, had geen bezwaren

tegen verregaande staatsbemoeiing. Tegen de uitbuiting der massaas door de

industrieele bourgeoisie was hij even fel gekant, als tegen hun plundering

door de feudale grondbezitters en den koninklijken fiscus. En de

kleinburgerlijke ambachtsman die hij zich voelde vond het ingrijpen der

overheid in zijn produktie- en levensverhoudingen, zijn arbeidswijze,

zijn woning en kleeding vanzelfsprekend en bemerkte daarin niets van

hinderlijken dwang.

Zeer sterk komt ook zijn kleinburgerlijk standpunt uit in zijn voorkeur

voor kleine staten. De uitgebreidheid van het landgebied, de talrijkheid

der bevolking van een staat, haar opeenhooping in de hoofdstad, dit

alles beschouwt hij als de voornaamste redenen van het verval der

oorspronkelijke vrijheid. Kleine staten, met een bevolking van ongeveer

10.000 zielen, die rijk noch arm zijn, die niemand noodig heeft en die

hunnerzijds niemand noodig hebben, zijn z.i. de eenige die goede wetten

kunnen krijgen. Ook de afhankelijkheid der staten van elkaar door den

handel lijkt hem een gevaar toe voor hunne vrijheid; slechts staten die

op zich zelf staan, voldoende produceeren tot hun eigen verbruik, zijn

verzekerd van het behoud hunner nationale vrijheid, zooals slechts

onafhankelijk van elkaar produceerende individuen dat zijn van hunne

persoonlijke.

Het streng vasthouden aan de uitoefening der wetgevende macht door het

volk zelf, zonder tusschenkomst van vertegenwoordigers, als aan den

hoeksteen der vrijheid, is evenzeer een bewijs hoe Rousseau de idee

van den "abstrakten staat" niet uit zijn hoofd haalde maar uit de

werkelijkheid der republiek Genève, in dat hoofd tot een idealen staat

herschapen. Immers in Genève bestond nog, hoe ook tot machteloosheid

ontaard, de instelling van de algemeene vergadering der burgers:

de kleinheid der stad en het gering aantal dergenen die het volle

burgerrecht bezaten maakte het vertegenwoordigend stelsel onnoodig.

Rousseau zag zeer goed in, dat de ekonomische voorwaarden tot

verwezenlijking van zijn staatkundige idealen betrekkelijke gelijkheid

van bezit en geringe ontwikkeling der klasse-tegenstellingen waren.

Nergens komen de konsequenties van zijn kleinburgerlijk bewustzijn beter

uit, dan in zijn standpunt ten opzichte van den eigendom. Men heeft zich

somtijds op één enkele uitlating in het heftigste en meest onbeheerschte

zijner werken beroepen, om hem socialistische neigingen toe te

schrijven, die hem volkomen vreemd waren.[44] Zeker kan men uit deze

uitlating een vijandige gezindheid tegen het privaat-eigendom afleiden,

echter alleen wanneer men haar op zichzelven beschouwt, los van het

verband waarin zij staat en van de algemeene en konsekwente denk- en

wils-richting van den schrijver. Wel haatte Rousseau van ganscher harte

de opstapeling van den rijkdom in enkele handen, maar het socialistisch

inzicht dat de rijkdom door de gemeenschap geschapen, ook aan de

gemeenschap terug behoort te keeren, lag geheel en al buiten zijn

geestelijken horizon. Hij beschouwde integendeel het privaat-eigendom

als het fundament van alle maatschappelijke orde. In zijn artikel over

de politieke economie omschrijft hij het eigendomsrecht als "het

heiligste van alle burgerlijke rechten, in zeker opzicht nog

belangrijker dan de vrijheid." In het "Discours" over den oorsprong der

ongelijkheid, het geschrift waarin de z.n. "socialistische" uitval tegen

het privaateigendom van grond en bodem voorkomt, toont hij op een andere

plaats aan, hoe uit dit eigendom de eerste regels der gerechtigheid zijn

voortgesproten. Deze uitval is niets anders als een zucht over het

verloren Paradijs van het oorspronkelijk communisme, dat naar Rousseau

meende aan het tot stand komen van alle maatschappelijke instellingen

was voorafgegaan.

Maar zoo hij het eigendom verheerlijkt, het is alleen en uitsluitend het

kleinburgerlijke en klein-boersche, door eigen arbeid verworvene; elk op

uitbuiting berustend eigendom verwierp hij als in de hoogste mate

onzedelijk en ingaande tegen de gerechtigheid. "De arbeid," luidt het in

het "Contrat Social," "de ontginning van den bodem is het eenig teeken

van eigendom, dat verdient gerespekteerd te worden." Dit kleinburgerlijk,

op arbeid berustend eigendom beschouwde Rousseau als de grondslag der

vrijheid en gelijkheid; daarom achtte hij het de taak der wetgeving, de

gelijkheid die altijd dreigt te verdwijnen altijd weer te herstellen, en

de verschillen in bezit tusschen de burgers zoodanig te beperken, dat

geen hunner rijk genoeg was om een ander te koopen, en geen hunner uit

armoede gedwongen om zichzelf te verkoopen. De eenige vorm van eigendom,

die naast het kleinburgerlijke genade vindt in zijn oogen, is het

patriarchale, voornamelijk voor eigen gebruik produceerende grootgrondbezit.

* * * * *

De 18de eeuw had de groote, primaire gemoedsbewegingen, hartstochten en

affekties, die de geur en de zoetheid des levens zijn, verbannen naar de

rommelzolder van het hart, als oudmodische dingen, de verfijnde smaak

van een verlicht geslacht onwaardig. Zij had de liefde verlaagd tot

zinnelijk-cerebraal genot, tot een spel, dikwijls vermakelijk en soms

wreedaardig, altijd zonder verwachting en verrukking, zonder teerheid,

zonder illusie, zonder exaltatie, zonder droom. "Voor de mannen

_bezitten_, voor de vrouwen _ontrooven_ ziedaar heel het spel, heel de

eerzucht dezer nieuwe grillige liefde, onstandvastig, veranderlijk,

wispelturig, nooit verzadigd; door de comédie de moeurs verpersoonlijkt

in die rumoerige, onbeschaamde en zegevierende Cupido, sprekend aldus

tot den Amor der oude tijden: "uw minnaars waren niets als goedzakken,

zij konden slechts smachten, weeklagen, hun leed verhalen aan de

omringende echo's. Ik voor mij heb de echo's afgeschaft. Komaan, zeg ik,

ik bemin u, zie wat ge voor mij kunt doen, want tijd is geld, men moet

zich haasten. Mijn onderdanen zeggen niet: "ik sterf;" er is niets

levender dan zij. Smachten, schuwheid, zoete smarten, van dat alles

is geen sprake meer; het hoort tot de flauwe, weeë kost der voorbije

tijden. Ik wieg mijn onderdanen niet in slaap, integendeel: ik maak ze

goed wakker, zij zijn zoo kittig, dat ze geen gelegenheid hebben om

teeder te zijn; hun blikken zijn begeerten; in stee van te zuchten,

vallen zij aan; zij zeggen niet "doe mij de gunst," zij nemen ze: en zoo

hoort het."[45]

Liefde--groote, echte, vurige, hartstochtelijke liefde tusschen den

minnaar en de minnares geldt bij de tijdgenooten voor even belachelijk

als liefde tusschen man en vrouw. Trouw is een malle ouwerwetsche

gewoonte. De fladderende vlinder wordt het symbool der hoogste

levenskunst. De enkele liaisons die blijvend zijn, doopt de wereld met

den spotnaam: "eerbiedwaardige verhoudingen." Suggereert de uitdrukking

niet treffend iets braafs en mufs, iets van een oude tante uit de

provincie? Men ziet de dunne lippen van den cavalier zich krullen tot

een spotachtig lachje, als hij zijn schoone het paar aanwijst dat zich

aan zoo smakelooze ouderwetschheid schuldig maakt.

Respekt voor de vrouw? Wie voelt er nog iets van? Galanterie,

hoffelijkheid, ja; maar respekt! Het is tot een axioma geworden: "zoo ge

driemaal aan een vrouw vertelt dat zij mooi is, zal zij u de eerste maal

bedanken, de tweede maal gelooven en de derde maal beloonen." De liefde

is àl scherts en luchtigheid; elke verhouding waarvan men aan 't begin

't einde niet ziet aankomen, weegt deze luchthartige menschen te zwaar.

In godsnaam geen ernst, geen jalouzie, geen verdrietelijkheden, geen

verantwoordelijkheid gemengd in den beker van genot.

De vrouw voegt zich naar de nieuwe zeden; zij onderdrukt haar diepste

instinkten, zij schaamt zich over haar schaamte. Zij leert te spotten

met ingetogenheid en kuischheid, met deugd en trouw; zij onderdrukt haar

begeeren naar een andere liefde, eene van teederheid en adoratie, want

dat is belachelijk en belachelijk-zijn vreest zij meer dan wat ook. Maar

nooit gelukt het haar om een binnenst smachten geheel te overwinnen.

"Gij zijt," zegt Mme Du Deffand tegen de hertogin van Choiseul, "ontbloot

van gevoel en ge lijdt toch, omdat ge het niet kunt missen."

Maar de vrouw moet zich aanpassen; want de mannen die nog "in gevoel

doen," en er nog "provinciale veroordeelen" op na houden zijn zeldzaam.

Zij leert, als surrogaat van de verloren kuischheid, een "zekere

elegantie in de schaamteloosheid, een gemakkelijke gratie in haar

val."[46] En de mode-philosophie geeft aan de zeden van den dag een

theoretische grondslag; het materialisme verheerlijkt het

enkel-zinnelijk genot als de eenige vorm van liefde die overeenkomt met

de menschelijke natuur; Buffon verkondigt als wetenschappelijk axioma:

"het eenige goede in de liefde is het lichamelijke."

Jean Jacques Rousseau: Een beeld van zijn leven en werken · 第 23 / 32 题