II. DE KATASTROPHE.

Het huisje te Mont Louis, een buitenwijk van Montmorency, waarin hij met

Thérèse getrokken was--haar moeder woonde voortaan niet meer bij hen

in: hij had gemerkt hoe weinig vertrouwbaar zij was, hoe zij hem naar

den mond praatte maar achter zijn rug heel anders deed--het huisje was

oud en bouwvallig: de planken vloer behoefde dringend vernieuwing, de

meubels zonken bijna door. Maar het uitzicht was heerlijk: van af het

terras zag men neer op het park en het prachtige kasteel van den

hertog-veldmaarschalk van Luxembourg, de grootste heer van de streek.

Het lag vlak onder het stadje, halverhoogte den heuvel die omhoog voerde

naar het woud, omlaag naar den vruchtbaren vallei van Montmorency.

Achter in den tuin van het huis, aan het eind van een laan, was een open

koepel, van waar men 't mooiste uitzicht had: die maakte Rousseau tot

zijn werkkamer. Ondanks slechte gezondheid en barre kou zat hij daar

elken dag eenige uren te denken en te schrijven in dien winter van

1758-59. Na al de ellende der laatste maanden was een nieuwe golf van

vruchtbaarheid over hem gekomen, hij was druk aan het werk. Ofschoon

zijn onderwerp schijnbaar niets uitstaande had met zijne persoonlijke

ervaringen van den laatsten tijd, wist hij het--dit is het geheim van

den dichter--met den stroom van zijn eigen gemoedsleven, die in die

dagen vreemd gespleten, half-verbitterd, half-verteederd, vloot, te

doordringen.

Het was een verhandeling over het tooneel, die hij uitgaf onder den

titel "Lettre à d'Alembert sur les spectacles." De aanleiding tot het

werkje vormde een bladzijde uit het artikel "Genève" in de Encyclopedie,

waarin het gemis aan schouwburgen in die overigens zoo beschaafde en

ontwikkelde gemeenschap betreurd en de regeering opgewekt werd ze toe te

laten. Voor den schrijver van die bladzijde--het artikel zelf was van

d'Alembert--hield men algemeen Voltaire. Verzot op het tooneel, zelf

regisseur en akteur in zijn eigen stukken, had hij het plan opgevat van

bij het landhuis, dat hij in Les Délices, een voorstad van Genève,

bewoonde, een liefhebberij-schouwburg in te richten, maar de gestrenge

heeren van den kerkeraad wilden daarvan niet weten; zij deden al hun

best zulk een "onzedelijke onderneming" tegen te houden. Echter, ook in

Genève was het tij aan 't verloopen en kort na de verschijning van

Rousseau's geschrift kon Voltaire triomfantelijk aan zijn vrienden

melden: "heel Genève bezoekt onzen schouwburg, de stad van Kalvijn wordt

een stad van genoegens en van verdraagzaamheid."

De "Brief aan d'Alembert" is uit twee verschillende gedachte-draden

geweven: een van polemiek tegen het fransche tooneel (zoowel het

klassieke treur- en blijspel als het burgerlijk drama dat in die dagen

begon op te komen) in wezen de oude kritiek der beschaving op een nieuw

onderwerp toegepast;--een van idyllisch-gekleurde beschrijving van de

eenvoudige onbedorven zeden en den roerenden gemeenschapszin eener

klein-boersche en klein-burgerlijke demokratie. In de kritisch-satirische

gedeelten luchtte Rousseau opnieuw zijn verontwaardiging over het leven

der heerschende klassen van zijn tijd, in de idyllische stelde hij daar

tegenover niet zoowel de werkelijkheid der zwitsersche samenleving als

zijn geïdealiseerde jeugd-herinneringen. Het verlangen naar een sfeer van

rust, van doorzichtige levensverhoudingen, simpele geneugten en eenvoudige

landelijkheid--dat verlangen was, door al wat hij beleefd had, sterker,

maar ook smachtender in hem geworden dan ooit te voren. Sedert hij zich

zelf te kort gedaan en onrechtvaardig behandeld achtte door menschen aan

wie hij zijn vertrouwen gegeven had, werd de oude bitterheid in hem

verzacht door een teedere droefheid. Zoo vermengde zijn hart, waarin de

onstuimige gemoedsbewegingen die het geschokt hadden nog natrilden, zijn

eigen pijn met de gedachten die het nadenken over zijn onderwerp in hem

gewekt had. Daarom was waarheid wat hij later in de "Confessions"

getuigde, dat hij in dit werk onbewust zijn eigen toestand schilderde,

zich zelven, Grimm, Mme d'Epinay, Mme d'Houdetot, St. Lambert, afbeeldde,

al loopt het schijnbaar over geheel andere dingen en wordt geen hunner er

in genoemd; zijn werk werd een harmonische vermenging van algemeene

inzichten en persoonlijke ontroering en dit maakte het vol bekoren en

wonderlijk suggestief. Er was een warme teederheid in, die de menschen in

't hart greep; een zoo heel andere geest als in haast alle geschriften van

dien tijd. Vandaar 't verbazend succes dat 't boekje had toen 't uitkwam,

een voorlooper van de koorts van enthousiasme, die de "Nouvelle Héloïse"

wekken zou.

De "Brief aan d'Alembert" beteekende de openlijke breuk van Rousseau met

de materialistische philosophen. "Ik neem niet aan," schreef hij, "dat

men deugdzaam kan zijn zonder godsdienst." En ook al had hij dit niet

geschreven, dan nog zou hij in 't vervolg hun partij tegenover zich

gevonden hebben, want hij waagde 't immers, op te treden tegen Voltaire,

diens wil te dwarsboomen. Hij heesch de vaan der rebellie tegen den

leider, en dat kon niet worden getolereerd.

Tot aan dit tijdstip waren de relaties tusschen Rousseau en Voltaire--uit

de verte altijd--kollegiaal-korrekt geweest. Zij hadden bij verschillende

gelegenheden minzame, geestige, een beetje zuur-zoete brieven gewisseld,

en de hartgrondige antipathie, die zij, bewust of onbewust, voor elkaars

wezen moesten gevoelen, onder hoffelijke waardeering van elkanders gaven

en werken bedekt. Rousseau, de onevenwichtigste der beide, had het eerst

zijn geprikkeldheid getoond. Naar aanleiding van Voltaire's bekend

gedicht over de aardbeving te Lissabon, las hij den vorst der letteren

in een partikulier schrijven de les over het armoedig pessimisme van

diens gelegenheidsvers, waartegen hij met nogal onuitstaanbaar

zelf-behagen het zegevierend optimisme stelde dat in hem, ondanks

zorgen, lichamelijk lijden enz., altijd de bovenhand hield. De brief was

zwaar op de hand en schoolmeesterig, gelijk Rousseau na zijn bekeering

tot de deugd wel meer kon zijn, en men begrijpt dat hij Voltaire niet

weinig ergerde. Dit echter speelde zich nog binnenkamers af (de bewuste

brief werd pas jaren later, buiten medeweten van Rousseau openbaar

gemaakt). In 1759 had Voltaire Rousseau dan ook nog niet losgelaten;

daarvoor was hij voor de encyclopedisten te veel waard. Maar nu, nu die

snoodaard 't waagde hem, Voltaire, die even ijdel, even prikkelbaar, en

even wantrouwend was als Rousseau,--ofschoon op heel andere wijze--en

daarbij was wat Rousseau niet was en nooit werd: een verschrikkelijke

paus, die geen tegenspraak duldde, in zijn tooneelplannen te

dwarsboomen, nu was 't gedaan met ontzien en hoffelijke waardeering, nu

moest "die schelm, die zot, die fanaticus, die bastaard van Diogenes en

van den hond van Diogenes" behoorlijk afgestraft worden. Niet dat

Voltaire zijn handen vuil maakte met tegen Rousseau te schrijven: daar

had hij zijne menschen voor. Hij hoefde maar een wenk te geven en 't

gebeurde. Zelf vergenoegde hij er zich voorloopig mee, hem in

particuliere brieven, die hij wist dat onder de bondgenooten de rondte

deden, met beleedigende schimpscheuten af te maken: zoo gaf hij zijn

ergernis lucht.

Rousseau gedroeg zich, gelijk doorgaans in polemieken, zoo ook tegenover

de verwoede vijandigheid waarmede Voltaire hem van nu af aan vervolgde,

in 't algemeen zachtzinnig en waardig. Het was met hem nog als in de

dagen zijner kindsheid: hij reageerde in den regel op onaangename

bejegeningen meer door verdriet en een wanhopig gevoel van machtelooze

verontwaardiging, dan door uitingen van haat. Wel had hij, sedert den

tijd dat de gemoedsziekte waarover al iets gezegd is, zich bij hem begon

te openbaren, meer dan vroeger redelooze uitbarstingen van drift.

Hierdoor laadde hij, in de twisten waaraan zijn verder leven zoo rijk

was, vaak den schijn op zich van ongelijk te hebben, ook waar hij

feitelijk gelijk had. Zoo liet hij zich ook ten opzichte van Voltaire

eenmaal door een toornige opwelling meesleepen, toen hij, schrijvend om

hem zijne verontschuldigingen aan te bieden over het feit dat zijn brief

van '56 over het optimisme buiten zijn medeweten gepubliceerd was

geworden, aldus eindigde: "Ik bemin u niet, mijnheer, ge hebt mij elk

kwaad aangedaan dat mij, uw geestdriftige discipel, het pijnlijkst kon

zijn om te verdragen. Gij hebt Genève als belooning dat ge er een

toevlucht in vondt, verdorven; ge hebt mijn medeburgers, als loon van

den lof dien ik u in hun midden bracht, van mij vervreemd; gij zijt het

die mij het verblijf in mijn land onmogelijk maakt; gij zult mij doen

sterven in den vreemde, ver van elke vertroosting der stervenden en

zonder eer in een hoek geworpen, terwijl iedere eer die aan een mensch

bewezen kan worden, u zal vergezellen in mijn land," ... "Ik haat u, in

één woord, omdat ge het gewild hebt, maar ik haat u als een mensch, die

waardig geweest is u lief te hebben, zoo ge het hadt gewild. Van alle

gevoelens waarmede mijn hart voor u vervuld was, blijft slechts de

bewondering over die men aan uw genie niet kan weigeren en de liefde

voor uwe werken.... Vaarwel, mijnheer." Dit gebeurde in 1760.

Voltaire begreep niets van dezen onbeheerschten brief, maar werd er

buiten zich zelven door van woede gebracht, zooals zijn uitingen in dien

tijd bewijzen: "die driedubbele gek ... een infaam schrijven ...

verachtelijke manoeuvres ... de schrijver der "Nouvelle Héloïse," die

kwaaddoende bengel ... (de "Nouvelle Héloïse" noemde hij "een vervelende

en onbehoorlijke roman, een monsterlijke rhapsodie;" de "Emile" vond

hij: "laf en plat"). Het is begrijpelijk dat hij, die elegante klaarheid

boven alles stelde,--hij vergeleek zichzelf eens bij een beekje, helder

maar ondiep,--het hartdiepe zwaarmoedige genie, de doorploegde en

dikwijls oratorisch-gezwollen stijl van Rousseau niet kon waardeeren.

Rousseau daarentegen bleef levenslang getrouw aan zijn waardeering voor

de letterkundige gaven van Voltaire. Toen de grijze patriarch aan den

vooravond van zijn dood in het Theatre Francais met den lauwerkrans

gehuldigd werd, en een vleierig heertje daarover tegen Rousseau spotte,

denkend hem zoo te behagen, zette Rousseau den spotter onmiddellijk op

zijn plaats met de woorden: "wie veroorlooft zich, er aanmerking op te

maken dat aan Voltaire eer bewezen wordt in den tempel waarvan hij de

god is en door de priesters, die er sedert vijftig jaar van zijn

meesterwerken leven? Wie zou den lauwerkrans verdienen, zoo hij niet?"

Misschien ligt het geheim van de verhouding der beide mannen, van

Voltaire's hartstochtelijke verguizing en Rousseau's grootmoedige

waardeering, in de omstandigheid dat de vergoodde grijsaard toch altoos

het onaangenaam gevoel had weg te dringen van "die man is grooter dan

ik, in hem en zijn werk leeft iets diepers en teederder, dat mij vreemd

is"--terwijl Rousseau daarentegen Voltaire wèl zijn roem en invloed

benijdde, maar in zijn diepste wezen een gevoel van artistieke

meerderheid omdroeg, dat het hem mogelijk maakte over zijn vijand zacht

en billijk te oordeelen. Een dergelijk gevoel heeft naar ik meen, ook de

verhouding tusschen Byron en Shelley beheerscht.

In den "Brief aan d'Alembert" had Rousseau in bedekte termen zijn breuk

met Diderot kenbaar gemaakt. Door een zeer hatelijk bijbelsch citaat

wijdde hij 't publiek in de oorzaken van dien breuk in. Rousseau

beschuldigde Diderot--en waarschijnlijk terecht, want deze eeuwige

prater kon over niets zijn mond houden--van met anderen gekletst te

hebben over zijn verhouding met Mme d'Houdetot en beschouwde dat als een

verraad aan de vriendschap. Diderot deed later in den tijd dat Rousseau

in Motiers woonde, door middel van derden nog een poging tot verzoening.

Maar Rousseau weigerde beslist. Zijn antwoord luidde: "de rechten ook

eener uitgedoofde vriendschap weet ik te eeren, maar nimmer tracht ik

haar weer aan te blazen."

Zij hebben elkaar nooit meer gezien.

St. Lambert op zijn beurt was zoo verontwaardigd over Rousseau's

handelwijze tegen Diderot, dat hij hem onmiddellijk de vriendschap opzei

en het exemplaar, dat Rousseau hem van zijn nieuwe werk gezonden had,

terug stuurde.

* * * * *

In den "Brief aan d'Alembert" had Rousseau zich bevrijd van veel wat hem

hinderde en beklemde; zijn stemming werd rustiger, een gevoel van vrede

kwam over hem, van verademing, gelijk hij in jaren niet gekend had. Hij

leidde in Mont Louis een rustig, gelijkmatig leven van werkverzonkenheid;

de "Nouvelle Héloïse" kwam klaar in '59 en zoo weinig brak aan het einde

daarvan zijn geestelijke gespannenheid, dat hij zich onmiddellijk verdiepte

in het schrijven van het groote werk over opvoeding, dat sedert haast

twintig jaren in hem was gerijpt.

Het was niet de innerlijke stem alleen, die hem, den van nature

indolente, tot de sterke en voortdurende inspanning van deze jaren

aandreef. Hij droeg in zich het bewustzijn van een roeping te hebben,

een taak tegenover de menschheid: hij wilde haar den weg wijzen naar

geluk en vrede. Hij moest die taak vervullen, hij moest aan de

innerlijke stem gehoorzamen, hij kon niet rusten eer hij over de groote

punten, die naar hij dacht het menschelijk leven beheerschen: de

verhouding van den mensch tot god, de inrichting van den staat, de

verhouding der geslachten en de opvoeding, zijn overtuiging had

uitgesproken. Maar daarna wilde hij rusten, wilde het leven leiden, dat

hij wist te passen bij zijn aanleg, een veilig-omsloten leven in een

nauwe, vredige sfeer. Hij voelde zich niet gelukkig en niet thuis in de

sfeer waarin hij geraakt was; hij had genoeg en meer dan genoeg van het

verkeeren in de kringen der letterkundigen; hij was zich bewust de

eigenschappen te missen: takt, zekerheid, gemakkelijke vormen,

gevatheid, die tot den wereldschen omgang onmisbaar zijn. Hij wist zich

in dien omgang de zwakste te wezen, en de ervaring had hem geleerd dat

de zwakste bij elke verbintenis aan 't kortste eind pleegt te trekken.

Hij wist ook, dat hij nooit innerlijke rust zou vinden, zoolang hij

bleef verkeeren met menschen uit die sfeer; zij brachten zijn hart

altijd aan 't wankelen en wekten in hem duizend aandoeningen; hij kon

niet boven die aandoeningen uitstijgen: kracht en zwakheid lagen daartoe

in zijn gemoed te dicht bijeen; 't beste: de groote liefde tot de

menschen, de begeerte, begrepen en bemind te worden en de drang zich te

geven was in zijn hart zóó onontwarbaar vervlochten met ijdelheid, dorst

naar lof en hulde, beduchtheid voor afkeuring;--dat hart was zóó

kwetsbaar, kromp zóó gauw pijnlijk ineen, dat rust en vrede voor hem

alleen mogelijk waren in de alleenheid, of bij eenvoudige zielen die

hem niet konden grieven. Hij wist dit; hij wilde niet meer schrijven

--behalve zijn gedenkschriften, maar die zouden eerst na zijn dood

verschijnen--zich los maken van de kultuur, en ergens, ver weg, met

Thérèse in een holletje kruipen, in donker verdwijnen. Dit verlangen was

het, dat hem mede aandreef zoo hard te werken. Want de rust kon eerst

beginnen, wanneer de werken die hij onder handen had, voleindigd waren.

En zoo sterk was zijn hunkeren naar rust, dat hij besloot uit het

oorspronkelijke schema van het groote werk over de politieke

instellingen een klein onderdeel te lichten, dit alleen af te maken en

het overige te doen vervallen.

Het plan tot het schrijven van een sensitivistische moraal had hij al

vroeger opgegeven. Met al 't andere, behalve de muziek-dictionnaire,

die telde niet mee, kon hij in een paar jaar klaar zijn: dan zou hij

zijn leven inrichten naar eigen inzicht en eigen wensch.

Arme man! Hij kende zich zelf zoo goed en toch zoo weinig--gelijk de

meesten van ons. Hij vergat zijn gespletenheid; ja, het was zoo: in hem

was de neiging tot alleen zijn, tot een vredig-teruggetrokken bestaan,

--maar ook de neiging zich te geven, tot de menschen te gaan met een

open hart en open handen, de behoefte aan vertrouwelijken omgang en

aan bemind worden--die vooral. De hang tot de menschen was zijn eerste,

oorspronkelijke aanleg, zijn diepste wezen dat altijd bleef, dat wel

overwoekerd, maar, nooit uitgeroeid werd door zijn tweede ikheid, het

wrochtsel van maatschappelijke invloeden en pijnlijke ervaringen, het

ziekelijke wantrouwen, het niet minder ziekelijk zich nog slechts

verdiepen in zich zelven.

Het verdriet om de breuk met de oude vrienden bleef in hem schrijnen.

Aan een goeden kennis in Genève, die zijn vrouw verloren had, schreef

hij bij wijze van troost in die dagen: "men heeft niet alles verloren

zoolang men nog weent, het treuren om het oude geluk is nog een

overblijfsel daarvan. Gelukkig hij, die wat hem lief is geweest nog in

zijn hart draagt. O, geloof mij; ge kent niet de wreedste wijze het te

verliezen: namelijk het te moeten beweenen terwijl het nog leeft." Aan

dienzelfden kennis antwoordde hij, een aanbod van finantiëele hulp

afwijzend: "ik heb slechts honger naar een vriend." Ja, hij had weer

honger naar affektie, naar zachtheid, hij had behoefte zijn hart

verbonden te voelen aan andere harten; het sap der menschelijke mildheid

steeg weer in hem, hij moest weer ranken maken.

En er waren in zijn buurt velen die stonden te wachten met uitgestrekte

handen om de zijnen te grijpen, hem vriendelijkheden te bewijzen en hem

van dienst te zijn; aristokraten uit de hoogste kringen, vrouwen der

groote wereld, menschen van een soort waarmee hij nog weinig in

aanraking was geweest. Wat dreef hen? Enkel nieuwsgierigheid, verveling?

De mode van den tijd, die eischte dat "men" een of ander letterkundig

of wetenschappelijk licht aan zijn huis wist te verbinden, zooals de

Romeinen der décadence er geleerde slaven op nahielden? Of werkte op hen

zijn magische aantrekkingskracht, de warme rijkheid van zijn wezen, zijn

betooverende charme? Of wel, kwam het een bij het andere?

Onder de aristokratische kennissen, die Rousseau te Mont Louis maakte,

zijn er eenige van beteekenis voor zijn verder leven geworden. Ten

eerste Mme de Verdelin--alweer een jonge vrouw met een minnaar, die

Jean Jacques absoluut tot vriend wilde hebben. Zij had veel voor hem

over, droeg met onuitsprekelijk geduld zijn grilligheden en slecht-

gehumeurdheden, verdedigde hem in 't openbaar in de jaren dat haast

elkeen tegen hem was. Dan de prins van Conti, een onafhankelijk en

intelligent man, aanhanger van de nieuwe philosophie, die niet aan het

hof kwam, en diens maîtresse, de gravin van Boufflers; beide bleven hem

altijd trouw. Verder Lamoignon de Malesherbes, direkteur der koninklijke

boekdrukkerij en hoofd der censuur, een rechtschapen, hulpvaardig en

beminnelijk mensch, die zijn moeilijke post tot algemeene voldoening der

letterkundigen vervulde, maar meegaande en al te zeer geneigd was om

alles glad te strijken.

In dienzelfden tijd, kort na de verschijning der "Nouvelle Héloïse,"

begon voor Rousseau een min of meer romantische vriendschap met een

vrouw die hij niet kende, een zijner vurigste bewonderaarsters. Zij

schreef hem, om hem haar sympathie en vereering te betuigen, onder den

naam van Claire d'Orbe, voorgevend in het leven den rol te spelen van

een zijner heldinnen. Het duurde lang eer zij ondanks zijn aandringen,

het geheim van haar naam ontsluierde: Mme de la Tour Franqueville heette

zij. Jaren lang schreef zij onvermoeid aan Rousseau, die vaak,

geprikkeld door haar voortdurend aandringen op geregelde correspondentie

van zijn kant, ongeduldig en humeurig of in 't geheel niet antwoordde.

Op den duur maakte haar trouw toch indruk op hem en stemde hem zachter;

uit enkele zijner briefjes aan de "lieve Marianne" spreekt echte

hartelijkheid. Zij zagen elkaar tusschen 1765-72 hoogstens twee of drie

maal. Ofschoon Mme de la Tour in den tijd dat Rousseau 't hevigst werd

aangevallen (na zijn twist met Hume) hem onwankelbaar trouw bleef en

zelfs een brochure in 't licht gaf ter zijner verdediging, eindigde zijn

steeds verergerende waan toch met haar onder zijn vijanden of althans

onder de "verdachten" te rekenen. In '72 maakte hij een einde aan elken

omgang tusschen hen.

Grooter rol dan een dezer hebben in het leven van Rousseau de hertog en

hertogin van Luxembourg gespeeld, die hij in dienzelfden tijd leerde

kennen.

Van af dat de schrijver der "Discours" in hun buurt was komen wonen,

waren zij uiterst voorkomend tegen hem geweest. Wanneer zij 's zomers op

het kasteel van Montmorency verblijf hielden, hadden zij al een paar

keer een lakei gestuurd om hem uit te noodigen zoo dikwijls te komen

soupeeren, als hij lust gevoelde.

Hij had beleefd geantwoord, was nooit gegaan. Maar op een goeden dag in

den tweeden zomer van zijn verblijf in Mont Louis verscheen de

maarschalk-hertog van Luxembourg in eigen persoon met gevolg in zijn

bouwvallig huisje om hem te bezoeken en nu was er geen ontkomen meer

aan; de beleefdheid gebood, dat hij den hertog een kontra-bezoek bracht

en aan de hertogin zijn opwachting maakte. En al gauw was hij met

allebei heel intiem en las aan de hertogin, als zij 's morgens nog in

bed lag, de "Nouvelle Héloïse" voor die zij verrukkelijk vond.

De hertog en de hertogin van Luxembourg waren, toen Rousseau ze leerde

kennen, al bejaarde menschen, grootvader en grootmoeder. De hertog, een

vriend van Lodewijk de XVde, was een door en door goede kerel, zonder

eenige arglistigheid, met niet al te veel verstand, vriendelijk en

eenvoudig in zijn manieren, een mensch van 't soort, waar Rousseau van

hield: hij was direkt met hem op zijn gemak en zij bleven trouwe

vrienden tot aan den dood van den hertog in '64. Met de hertogin werd

hij nooit zoo eigen, ofschoon zij de vriendelijkheid zelve tegen hem

was. Hij voelde altijd tusschen hen, als iets wat hem afschrok, haar

reputatie en haar verleden. Zij was een van de beroemde schoonheden van

't hof geweest, en ook een van de meest verdorven vrouwen van haar tijd,

berucht om haar onuitstaanbaar humeur en haar scherpe, kwetsende

geestigheid. Nu, als oude vrouw, heerschte zij nog in den kring dien zij

om zich heen had verzameld, gelijk zij vroeger heerschte aan 't hof; zij

had de gave behouden den indruk te maken dien zij wilde en Rousseau

leerde haar kennen als een lieve oude dame, vol fijnheden in haar

konversatie, en bijna aandoenlijk in haar angst hem te grieven en in

haar vreugde over elk bewijs van hartelijkheid of erkentelijkheid van

zijn kant.

In één opzicht, en dat was voor hem van veel gewicht, vond hij zijn

nieuwe aristokratische vrienden heel anders, veel gemakkelijker om mee

om te gaan, dan de vroegere vrienden uit de plutokratische kringen: zij

lieten hem meer vrij, drongen hem geen gunsten op, trachtten hem niet

voortdurend in den maalstroom van hun eigen mondaine leven te trekken,

hun volmaakte levenskunst maakte dat hij met hen als gelijke kon

verkeeren, zich bij hen vrijer en rustiger gevoelen dan hij in de

kringen der finantiers ooit had gedaan. Ook toonde hun verfijnde

hoffelijkheid zich in kleine attenties, die zij aan Thérèse bewezen.

Toch hielden zij zich in den regel aan de afspraak tusschen hen, om hem

niet met geschenken lastig te vallen.

In het park van het kasteel, op de glooiing van den heuvel, tusschen de

groote vijver en het bassin der oranjerie, lag een allerliefst

pavilloen, door een dubbele zuilerij doorbroken; van ver scheen het een

eilandje in een der italiaansche meren, zooals het daar lag, midden in

het water en van bloeiende heesters omgeven; de lucht rondom was geurig

van oranjebloesems en schalde van vogelenzang. Daar in die verrukkelijke

omgeving wilden zijne nieuwe vrienden zoo graag dat hij verblijf zou

houden, of althans wonen gedurende den tijd dat zijn bouwvallig huisje

netjes in orde werd gemaakt. Hun hartelijk aandringen, en zijn eigen

verlangen naar dat paradijs van bloemen en vogels, kon hij niet

weerstaan: nog geen anderhalf jaar na die vreeselijke Decembermaand,

toen hij als een hond ziek en ellendig uit de Hermitage was gejaagd,

trok hij weer onder het dak van een groot heer. 't Zou de laatste maal

niet zijn, maar wel was 't, helaas voor hem, de laatste maal dat een

dergelijk experiment goed afliep.

Toen de verbouwing te Mont Louis klaar was, keerde hij weer naar zijn

huisje terug, maar de sleutels van het pavilloen hield hij, op verlangen

van zijn gastheer en gastvrouw, en dikwijls ging hij met Thérèse een

paar dagen in dien lusthof doorbrengen; hij was vrij te gaan en te komen

zooals hij verkoos. Ook bezocht hij den hertog en zijn vrouw op hun

herhaald aandringen af en toe in Parijs, al kwam hij daar ongaarne. Zoo

waren dit in 't algemeen goede, rustige jaren voor hem.

* * * * *

De "Nouvelle Héloïse" werd lang voor de verschijning reeds veel

besproken en met groot ongeduld verwacht. Rousseau had voor enkele

zijner vriendinnen, o.a. voor Mme de Luxembourg en Mme d'Houdetot

afschriften gemaakt; hij vond dit een prettig werk; de Julie was zijn

liefste geesteskind, de heerlijke gelukswarmte, die hij gevoeld had toen

hij 't maakte, trilde onder 't overschrijven nog in hem na; hij vond er

een kinderlijk genoegen in mooi papier en kleurige inkt te gebruiken en

de vellen met hemelsblauwe lintjes aan elkaar te binden. Door die

afschriften hadden natuurlijk verschillende menschen 't boek leeren

kennen en er met anderen over gesproken: men zag er reikhalzend naar

uit. Eindelijk verscheen het werk, in 't voorjaar van '61: het succes

was verbijsterend, misschien ongeëvenaard in de geschiedenis der

letterkunde. Dames van de groote wereld lieten 't rijtuig, waarmee zij

naar het bal zouden gaan, uitspannen om heel de nacht door te kunnen

lezen; men huurde het boek de eerste dagen voor twaalf stuivers per uur:

de boekverkoopers konden bij lange na niet voldoen aan alle bestellingen.

Het was iets anders en iets meer dan een bloot literair succes:--de

letterkundigen trouwens waren verdeeld: hun kritische zin merkte

onmiddellijk vele zwakheden en langdradigheden in het werk op--het was

een koorts van enthousiasme en verrukking, die de menschen aangreep. Want

in dit boek was een knellende ban doorbroken, de ban van het akelige,

verstijfde, gladde, leege, louter-vormelijke, louter-cerebrale leven van

het ondergaand regiem. De diepten van het hart, de afgronden der

persoonlijkheid sprongen open. De "Nouvelle Héloïse" beduidde de bevrijding

der persoonlijkheid, in de eerste plaats van de persoonlijkheid der vrouw,

van ondragelijke gekunsteldheid. Niet maar een aangenaam of schitterend

auteur, neen, hun bevrijder, de bevrijder van het vrouwelijk-menschelijke

in hen was het, die de duizende vrouwen uit alle kringen, welke met de

"Nouvelle Héloïse" dweepten, in Rousseau liefhadden, vereerden, aanbaden.

Dit reusachtig succes van zijn werk bij de vrouwen was voor hem zelven

geen geluk; hun geëxalteerde bewondering sloeg, zooals dikwijls bij het

zwakke geslacht, over tot de toomlooze dweperij die den man welke zij

bewierookt half zinneloos maakt van ijdelheid, als hij geen steen is of

geen heilige.

Intusschen was ook de "Emile" voltooid geworden, dat andere kind van

veel kommervolle nachten, droeve gepeinzen en diepe overdenkingen. Hij

had 't even lief als de "Nouvelle Héloïse," maar met een andere liefde,

niet zoo teeder, maar trotscher. Hij wist dat 't zijn rijpste en beste

werk was, hij wist hierin met vaster hand dan in een zijner vorige

geschriften voor de menschheid nieuwe wegen te openen naar het heil.

En dan, dit werk, zoo liefdevol ontworpen, zoo zorgvuldig uitgevoerd,

in al zijn deelen gedragen door een rijk-wellenden stroom van gevoelens

en gedachten, droeg voor hem nog een ander, haast heilig karakter:

het was de boete, voor hem de eenig mogelijke, van de onvergefelijke

lichtzinnigheid zijner jeugd, van de onbegrijpelijke stompheid des

harten, waarmee hij zijn eigen vleesch en bloed verstooten had. Wroeging

had dat hart sedert lang saamgenepen, wroeging om het onherstelbare;

diep in hem smartte het bewustzijn, dat hij, die voor zijn tijdgenooten

het voorbeeld van den deugdzamen burger en den braven mensch wilde zijn,

zijn eerste menschelijke en burgerplicht op gruwelijke wijze had

verzaakt. Dat dit bewustzijn altijd verdrongen moest worden, verergerde

zijn gespletenheid, het gaf hem een groot gevoel van onrust, het

verdroot en kwelde hem.... Hij had vijanden ... die booze, booze plek

in zijn leven maakte hem o zoo kwetsbaar. En velen wisten van zijn

geheim....

Gelijk vroeger aan Mme d'Epinay, en aan Grimm en Diderot, had hij nu aan

Mme de Luxembourg alles gebiecht over zijne verhouding tot Thérèse en

hoe hij zijn kinderen te vondeling had gelegd. Zijn verhaal had haar

medelijden opgewekt, zoo zelfs dat zij nasporingen liet doen in de hoop

althans één der wichtjes, in wiens kleertjes een chiffre genaaid was

geworden, terug te vinden. Toen alle moeite vergeefs bleek, voelde hij

een vreemde mengeling van teleurstelling en verlichting ... de laatste

toch het meest. Hoe zou hij gestaan hebben tegenover dit kind; hem

vreemd en toch zijn eigen? Hij wist: in zooverre het onherstelbare

hersteld kon worden, had hij hersteld; in zooverre zijn schuld viel uit

te wisschen, had hij haar uitgewischt door den "Emile."

Nu was ook dit werk voltooid: hij ademde vrijer, de groote rust in de

eenzaamheid, het vredig zorgvergeten leven, scheen dichtbij. Mme de

Luxembourg, die beweerde dat hij zich door zijn uitgevers liet

plunderen, had hem gevraagd haar de zorg voor den "Emile" toe te

vertrouwen. Het "Contrat Social," zoo noemde hij de hoofdstukken die hij

gelicht had uit zijn groot werk over de politieke instellingen, zou bij

zijn gewonen uitgever Rey in Amsterdam verschijnen. De "Lettre à

d'Alembert" en de "Nouvelle Héloïse" hadden hem een bescheiden sommetje

opgebracht; als nu ook zijn twee laatste werken verschenen waren hoopte

hij te beschikken over een kapitaaltje van 8.000 a 10.000 francs:

daarvoor wou hij voor Thérèse en zich een lijfrente koopen. Rey, die

schatten verdiende aan de "Nouvelle Héloïse," verzocht hem om

toestemming een jaarlijksche rente van frs. 300 op Thérèse vast te

zetten; hij nam met warmte aan: dit zou voortaan haar kleedgeld zijn.

Hij bleef den uitgever voor deze betrekkelijke kleinigheid altijd

dankbaar, zooals hij ook Mme de Epinay altijd dankbaar was gebleven voor

een flanellen rokje van haar zelve, dat zij hem eens gezonden had om een

warm vest van te laten maken. Alleen zoodra het ondragelijke gevoel van

verplichting en afhankelijkheid in het spel kwam, voelde hij dankbaarheid

knellend en rukte zich los.

Hij had, alvorens aan Mme de Luxembourg zijn toestemming te geven tot

het bezorgen der uitgave van den "Emile," van haar de belofte geëischt

en gekregen, dat het werk evenals zijn vorige geschriften in Amsterdam

gedrukt zou worden. Dit was de eenige manier zeker te zijn geen

onaangenaamheden te krijgen met de censuur; en ook wilde hij absoluut

vermijden in conflikt te komen met de wetten van het land waarin hij

woonde. Dit bracht zijn echt klein-burgerlijk respect voor de wet mee,

ook al was zij, gelijk in dit geval, de willekeur zelve. Hij verlangde

er volstrekt niet naar, uit het land gezet of op eenigerlei wijze voor

zijn ideeën vervolgd te worden, hij dorstte niet naar den

martelaarskroon. Wel liet hij al zijn geschriften onder zijn eigen naam

verschijnen, wat haast niemand van de encyclopedisten deed: het leek hem

onmannelijk anders te handelen. Zijn heele gedragslijn in die dingen was

typisch, kenschetsend voor zijn aard en sociaal-psychologisch wezen:

behoedzaam, bijna bangelijk--voorzichtig tegenover het gezag, en toch

fier en waardig, juist als een kleinburger doet. En daarbij was die

gedragslijn heel verstandig, want zoo kon hij geheel vrij schrijven,

had niet te maken met de censuur en haalde zich niet de minste

onaangenaamheden op den hals.

Maar Mme de Luxembourg en de Malesherbes dachten het beter te weten dan

hij. Zonder twijfel met de bedoeling om zijn zaken nu eens extra goed

waar te nemen, stuurden zij zijn levensboot rechtaan op de klip,

waartegen zij te pletter moest slaan.

Het kontrakt, dat hij had geteekend, was op het bureau van de

Malesherbes opgemaakt, zooals Rousseau aan 't handschrift gezien had;

dus, dacht hij, kon hij volkomen gerust wezen. Het boek zou in Holland

gedrukt worden, en quasi bij een hollandschen uitgever verschijnen, maar

inderdaad was het manuscript gekocht door een Parijsche firma. Wel

merkte hij al gauw met zetten dat er vreemde dingen gaande waren: de

copie scheen gelijktijdig in Holland en Frankrijk gezet te worden; hij

begreep er niets van: er stonden dingen in, die hij dacht dat de censuur

niet konden passeeren. Telkens en telkens weer drong hij er op aan dat

het boek in geen geval ongecensureerd, klandestien, mocht verschijnen;

hij wilde zich strikt houden binnen de perken der wet. Men stelde hem

gerust: alles zou gebeuren naar zijn wenschen. Toen, plotseling, kreeg

hij geen proeven meer; hij schreef aan den hollandschen uitgever: geen

antwoord; aan den parijschen: geen antwoord. Hij was weer ellendig ziek

dien winter, en daardoor bijzonder zwartgallig en chagrijnig; hij haalde

zich de dolste dingen in het hoofd: dat de Jezuïeten de hand hadden

gelegd op zijn werk, dat zij wilden wachten met 't uit te geven tot hij

dood was (hij dacht telkens spoedig te zullen sterven) en zij 't dan ten

hunnen voordeele zouden vervalschen enz. Hij schreef aan al zijn

vrienden over dit jezuietisch komplot en bezwoer twee zijner vurigste

discipelen in Genève zijn werk en zijn eer te redden uit de klauwen

zijner belagers, wanneer hij gestorven zou zijn. Hij tobde zoo en raakte

zoo in de war, dat de Malesherbes zelf naar Montmorency kwam om hem

gerust te stellen. En werkelijk: na een poos kreeg hij weer geregeld

proef, hij kwam tot zich zelven en had berouw over de wijze waarop hij

zijne vrienden met zijn dwaze angst had lastig gevallen; aan de

Malesherbes schreef hij bij wijze van verklaring een paar lange brieven

met een uitvoerige schets van zijn eigen karakter, verwonderlijk fijn

van zelf-analyse, hij noemde die "de sleutel tot zijn gedrag."

Eerst veel later vernam hij wat er gebeurd was. Mme de Luxembourg en de

Malesherbes hadden gehoopt, dat de fransche uitgave door de censuur

toegelaten zou worden; toen zij merkten, dat zij zich vergist hadden en

de uitgever in geen geval vergunning zou krijgen, besloten zij het werk

ongecensureerd, dus _tegen_ het wettelijk verbod te doen verschijnen;

een schromelijke onvoorzichtigheid, al wordt zij eenigszins begrijpelijk

door het feit dat de "Nouvelle Héloïse," waarin evenals in den "Emile"

de "natuurlijke godsdienst" verheerlijkt werd, in Frankrijk niet

verboden was geworden. In elk geval deden zij juist datgene, wat

Rousseau hun nadrukkelijk verzocht had niet te doen.

Nog voor de "Emile" verscheen, begonnen er vreemde geruchten op te

duiken. Rousseau kreeg brieven, geteekende en ongeteekende, om hem te

waarschuwen; een raadsheer aan een der provinciale hoven bood hem een

toevlucht aan. Hij zelf bleef volkomen gerust en goedsmoeds: hij voelde

zoo sterk, in "Emile" vóór den godsdienst, tegen de materialistische

philosophie geschreven te hebben, en daarenboven verscheen zijn werk

immers met medeweten en onder goedkeuring van 't hoofd der censuur, als

het ware onder de sanktie der wet, dus kon hem niets gebeuren. Zijn

toekomstplannen begonnen vaster vorm aan te nemen; hij dacht erover in

Touraine te gaan wonen; de hertog en de hertogin boden hem met hun

gewone vriendelijkheid een landgoed dat zij daar bezaten tot

verblijfplaats aan, en stelden hem hun rijtuig ter beschikking om 't te

gaan zien; toevallig was hij op den vastgestelden dag onwel en werd 't

plan uitgesteld.

De "Emile" verscheen temidden van een gespannen stilte; zijn literaire

vrienden en kennissen deden zoo vreemd, alles was heel anders dan bij de

verschijning der "Nouvelle Héloïse;" d'Alembert schreef hem om hem geluk

tewenschen, maar onderteekende zijn schrijven niet; Duclos, een der

weinige letterkundigen, waar hij goed mee was gebleven, schreef hem

heelemaal niet, maar wachtte tot hij hem sprak om hem zijn bewondering

te betuigen. De hertogin bewaarde haar gewone zelfbeheersching, maar Mme

de Boufflers deed erg geagiteerd, zij vroeg hem of hij er tegen zou

hebben, zich door middel van een "lettre de cachet," een paar weken in

de Bastille te doen opsluiten, om zoodoende uit de handen van het

parlement van Parijs te blijven. Zij en de prins van Conti deden alles

wat zij konden om den slag af te wenden dien zij zagen aankomen, maar

vergeefs. Van alle zijden drong men nu bij Rousseau aan, dat hij zou

vluchten, maar hij weigerde: hij geloofde nog altijd niet dat een gevaar

hem dreigde.

In den nacht van den 9den Juni 1762 kwam de kamerdienaar van de hertogin

hem waarschuwen: het hof had zijn arrestatie gelast voor den volgenden

morgen zeven uur. Hij ijlde naar het kasteel. Mme de Luxembourg lag te

bed. Voor de eerste maal zag hij door het masker der grande dame heen

een zenuwachtige oude vrouw: dit ontroerde hem; hij kende zijn eigen

linksheid en verlegenheid, hij vreesde, zoo hij ondervraagd werd, de

dingen niet te kunnen ontkennen, die haar zouden kompromiteeren. Hij zag

in: het was beter dat hij vluchtte. De hertog en Mme de Boufflers, die

juist geheel ontsteld uit Parijs aankwam, wilden er eerst niet van

hooren dat hij onmiddellijk zou gaan: de hertog stelde voor dat hij zich

voorloopig in 't kasteel schuil zou houden, Mme de Boufflers dat hij

naar haar minnaar, den prins van Conti, zou gaan; diens woning in de

Temple had het asylrecht. Maar Rousseau voelde hun aanbiedingen als een

edelmoedig gebaar, dat hem niet verschalkte; hij merkte hun vrees,

gekompromiteerd te worden zoo hij bleef. Hij besloot dien eigen morgen

te vertrekken en voorloopig een wijkplaats te zoeken bij zijn ouden

vriend Roguin, te Yverdun in het kanton Berne in Zwitserland.

De ochtend ging heen met 't inderhaast uitzoeken van zijn papieren,

tegen vier uur was hij gereed; Mme de Luxembourg en de andere dames van

het kasteel omhelsden hem, Thérèse snikte en gilde haar onbeheerschte

smart uit. Zwijgend bracht de hertog hem door het park naar het

achterhek waar een rijtuig stond te wachten, zwijgend omhelsden de twee

mannen elkaar, zwijgend reikte Rousseau aan den ouden edelman de sleutel

van 't hek die in zijn bezit was; nooit vergat hij de haastige beweging,

waarmee de hertog naar die sleutel greep.

Het afscheid van den goeden ouden man, dien hij wist niet terug te

zullen zien, was een van de bitterste oogenblikken van zijn leven.

* * * * *

Daar rijdt hij nu langs velden en wegen, in de postsjees die een

geschenk van den hertog is, zijn laatste. Vlak bij Montmorency komt hij

een rijtuig tegen met de deurwaarders die hem moeten arresteeren; zij

groeten hem glimlachend. In Parijs ontmoet hij verschillende kennissen,

die hem eveneens groeten; niemand schijnt verbaasd dat hij, die 's

morgens al gevangen moest zijn, zich openlijk durft vertoonen; men laat

hem kalm trekken: zoo zijn de zeden van den tijd. Met postpaarden jaagt

hij Frankrijk door, naar de oostelijke grenzen, af en toe komt een

plotselinge golf van angst over hem: hij vreest gepakt, gefolterd,

verbrand te zullen worden als Calas. Toch denkt hij er niet over onder

een aangenomen naam te reizen, en 't grootste deel van den weg is in

zijn hoofd de vreemde droomerige leegte die op een ergen slag volgt; hij

soest, hij mijmert over een stukje bijbelsche geschiedenis dat hij den

avond voor zijn vlucht heeft gelezen, hij begint het om te dichten tot

een idylle in den trant van Gessner.

Het Parlement was waarschijnlijk de vervolging slechts begonnen omdat,

nu het op het punt stond de Jezuïeten uit te wijzen, de reaktionaire

partij niet moest kunnen zeggen dat men straffeloos tegen den godsdienst

schrijven mocht, maar het had er niets tegen dat hij ontkwam. Volgens de

wet moest men hem vervolgen, want de idee der eenheid van godsdienst was

vast vervlochten met het geheele systeem van het absolutisme, en elkeen,

die op godsdienstig gebied afwijkende meeningen verkondigde, hetzij als

jansénist, protestant, atheïst of vrijdenker, was een rebel. Er is geen

rede, in die vervolging een bijzondere schanddaad der reaktie te zien.

Maar wat te zeggen van zijn hooge beschermers, van den hertog, de

hertogin, Mme de Boufflers, de Malesherbes zelf, die, kennend zijn

overgroote nerveusheid, de angsttoestanden en waanvoorstellingen waaraan

hij toen reeds leed, hun "lieve vriend" lieten trekken, al de ellende en

zenuwsloopende onzekerheid van het leven in de verbanning op hem

laadden, voor een daad waaraan hij onschuldig was, waaraan zij schuldig

waren? Zijn beschermers waagden, zoo 't tot een proces kwam, meer dan

hij: zij waagden hopeloos gekompromiteerd te worden, hun hooge

betrekkingen, hun positie aan 't hof te verliezen. Wat valt er van hun

houding te zeggen?

Dit eene--en naar mijn weten heeft geen der nieuwere biografen van

Rousseau het duidelijk en klaar gezegd--dat zij is geweest van een

verregaande lafheid, die men, gelijk de meeste menschelijke daden, uit

de omstandigheden _verklaren_ en in zekere mate _verontschuldigen_ kan,

maar die de waarheid verbiedt te _verbloemen_.

Zijn omgang met de grooten had hem niet tot zegen gereikt! Wereldsche

menschen hadden hem gevleid, aangehaald en verwend op alle manieren; hem

ijdel, lastig en veeleischend helpen maken; toen zijn veeleischendheid

hen ging vervelen, hadden zij hem hard en wreed behandeld, hem

weggestooten, zooals men het géén vriend mag doen. Hij was toch maar een

stuk speelgoed geweest voor hun ledige uren. Toen waren andere menschen

gekomen, en op hun beurt zijn hart binnengedrongen; zoo fijn en zoo

bekoorlijk waren hun zeden, zoo overmachtig van allesverwinnende

hoffelijkheid, dat hij niet kon weerstaan; hij had nòg eens vertrouwd,

zich nòg eens gegeven, al te zeer misschien; hij erkende het zelf, hij

kon geen maat houden in de vriendschap. Weer was hij aangehaald en

gevleid en geadoreerd geworden. En toen de slag kwam, geheel buiten zijn

schuld, hun werk, het gevolg hunner goed gemeende, maar roekelooze

bemoeiingen, verschrikten zij en deinsden terug en lieten hem los,

inplaats van hem bij te staan zooals hun plicht was, lieten hem

wegdrijven in de woelige zee: het leven in de verbanning, zij die hem

zoo goed kenden, die wisten hoe zeer hij was ontwricht, hoe

rust-behoeftig. Zich zelven voor hem te wagen, dat kwam niet bij hen op.

Arme Rousseau! Zijn kunstenaarsbegeerte had gelijk gehad met vóór alles

onafhankelijk te willen leven; en zijn kleinburgerlijk instinkt gelijk,

van zich tegen iedere verbinding te kanten met wie sociaal zijn

meerderen waren.

Maar het leven was machtiger geweest dan zijn instinkten en begeerten.

Het is zoo onvergelijkelijk veel machtiger dan onze wil.

Jean Jacques Rousseau: Een beeld van zijn leven en werken · 第 22 / 32 题