I. NAAR DE VEREENZAMING.

Madame d'Epinay, geboren d'Esclavelles, behoort, door aanleg en

levensloop, tot de typische vrouwen uit het millieu der haute finance

in de 18de eeuw. Gehuwd met een schatrijken belastingpachter, die haar

van 't begin van hun huwelijk af aan verwaarloosde, en in haast

ongelooflijke lichtzinnigheid en roekelooze verspilzucht millioenen

verbraste--tot hij ten slotte, stikkend in schulden, onder curateele

werd gezet--kon zij in haar huwelijk onmogelijk bevrediging vinden. Zij

was een levendige, magere brunette met groote vurige oogen, niet mooi

maar aantrekkelijk, een van die vrouwen die er altijd jonger uitzien dan

zij zijn. Zij merkte fijn en scherp op en had behoefte wat zij opmerkte

te uiten. Zij deed aan muziek en aan literatuur, was geestig, bel

esprit, ijdel en eerzuchtig. Zij wou graag beroemde persoonlijkheden

om zich heen hebben, haar salon maken tot een middelpunt van

intellektualisme; en zij was trotsch op haar vijf "beren," (waartoe

Rousseau behoorde) zooals zij haar letterkundig-wijsgeerige vrienden te

noemen plag. Maar ondanks al die maniertjes en zwakheden had zij een

warm-liefhebbend hart; voor haar minnaars, haar vrienden en haar

kinderen had zij veel over. Zij schreef graag en schreef goed, levendig

en pittig.[30] Ook zij leed aan de ziekte van den tijd, de ennui, de

vreeselijke levens-leegte, en om de leege uren te vullen, had zij

behoefte aan interessante, supérieure persoonlijkheden om zich heen die

haar bewonderden. Het geld demoraliseerde ook haar, maakte haar grillig

en veeleischend: zij vond dat haar vrienden klaar moesten staan haar te

komen bezighouden, wanneer zij het verlangde. Het grillig lot deed deze

veeleischende vrouw gedurende lange jaren hangen aan een egoïste

berekenende natuur, die haar van zijn tijd en zijn persoonlijkheid net

gaf wat hèm paste en niets meer.

Rousseau had Mme d'Epinay leeren kennen in 1747. Dien herfst, dien hij

doorbracht op het kasteel Chenonceaux, waren zij veel samen geweest, ook

was zij opgetreden in het blijspelletje, dat hij daar voor 't vrolijk

gezelschap had geschreven. Liefde was er niet tusschen hen, wel innige

sentimenteele vriendschap. Francueil was toen haar minnaar, en zoowel

hij als zij plachten Jean Jacques in hun vertrouwen te nemen. Hij

luisterde met sympathie, maar toen zij hem voor postillon d'amour wilden

gebruiken, was hij zoo verstandig om te weigeren. Hij placht aan de

wereldsche jonge vrouwtjes die op het kasteel logeerden de lotgevallen

van zijn jeugd en de ongelukken van zijn later leven te vertellen, een

beetje romantisch-opgesmukt voor de gelegenheid. Hij vertelde goed en

met warmte, en zijn verhalen maakten grooten indruk op zijn

hoorderessen. Mme d'Epinay voelde zich sterk tot den jongen

dichter-musicus aangetrokken in die dagen en schreef aan haar minnaar:

"ge kunt u niet voorstellen, hoe zoet het verkeer met hem voor mij

is.... Mijn ziel is nog verteederd door de eenvoudige en toch

eigendommelijke manier, waarop hij zijn ongelukken vertelt."

Sedert de dagen van Chenonceaux waren Mme d'Epinay en Rousseau altijd

vrienden gebleven. Haar verhouding met Francueil was tot een eind

gekomen en na een tusschen-pooze nam zij een anderen minnaar: Grimm, de

man die in Rousseau's voorstelling (en waarschijnlijk vergiste hij zich

maar ten deele) de booze geest is geweest die vele zijner oude vrienden

van hem vervreemd heeft.

Grimm was een jonge Duitscher, op 't eind der jaren veertig in 't gevolg

van den prins van Saksen-Gotha naar Parijs gekomen. Rousseau had hem

leeren kennen in de bewogen dagen van Diderot's gevangenschap en direkt

een bevlieging voor hem gekregen, waarschijnlijk doordat Grimm een goed

musicus was en zijn enthousiasme voor de italiaansche muziek deelde,

want overigens hadden zij in aanleg weinig gemeen. Hij introduceerde den

jongen man, die zich zeer bescheiden voordeed, bij al zijn kennissen en

deed wat hij kon om hem vooruit te helpen. Grimm was bekwaam en ijverig,

een stoere werker, Rousseau verreweg de baas in zelfbeheersching,

plooibaarheid en volharding; hij maakte al gauw carrière en ontpopte

zich als een echte streber. Hij kreeg een betrekking bij den hertog van

Orléans, werd zaakgelastigde van de vrije rijksstad Frankfort, en begon

een "Correspondance littéraire," een soort bulletin voor buitenlandsche

vorsten van al wat op 't gebied van kunst, letteren enz. te Parijs

verscheen. Deze onderneming zette hij lange jaren voort. Hij had

zelfbeheersching en takt genoeg om, ook toen Rousseau en hij geslagen

vijanden geworden waren, zich in zijn "Correspondance" steeds gematigd

en voorzichtig over den gevierden schrijver uit te laten, terwijl hij in

't verborgen tegen hem stookte en wroette. De man bracht het ver:

oorspronkelijk bevriend met de materialistische philosophen draaide hij

langzamerhand bij en eindigde als een trouwe knecht van troon en altaar.

Hij kreeg toen den titel van "baron van het heilige duitsche rijk," en

was daar zeer verheerlijkt mee.

In het begin der jaren vijftig hield monsieur d'Epinay zich bezig met 't

vergrooten en verfraaien van zijn kasteel Les Charmettes, bij

Montmorency. Dat was juist in den tijd van de groote intimiteit tusschen

Rousseau en Mme d'Epinay, toen Francueil niet meer haar minnaar was en

Grimm nog niet. Rousseau kwam in dien tijd veel op het kasteel en op een

keer dat hij en Madame d'Epinay naar den in aanbouw-zijnden nieuwen

vleugel waren gaan kijken, strekten zij hun wandeling uit tot de

moestuinen en het waterreservoir aan de zijde van het park, waar dat aan

het woud van Montmorency grensde. Op een bekoorlijke eenzame plek stond

daar een klein, heelemaal vervallen huisje: de Hermitage heette het.

"Hè," zei Rousseau, "hier te wonen." Madame d'Epinay antwoordde niet

veel, maar zij onthield den wensch van haar vriend en een jaar later

bracht zij hem naar dezelfde plek, waar in dien tusschentijd een nieuw

allerliefst landhuisje was verrezen. "Hier, mijn beer," zei ze, "is uw

kluis; ge koost ze zelf, de vriendschap biedt ze u aan: laat nu die

booze plannen varen van ons te willen verlaten voor Genève." Dat was

echt vriendschappelijk gehandeld; zij deed wel zich zelve pleizier, maar

bedoelde toch in de eerste plaats Rousseau gelukkig te maken.--O wij

arme menschen, dat onze best-bedoelde daden zoo dikwijls leed en ellende

brengen over wie wij vreugde willen geven en over ons zelf.

Rousseau was getroffen, maar kon niet dadelijk besluiten. Hem was juist

de betrekking aangeboden van bibliothecaris van Genève; hij hield van

zijn land, hij had illusies over daarheen terug te keeren, maar hij

voelde zich niet erg geschikt voor die betrekking doordat hij geen

grieksch kende, en hij hield ook van de heerlijke bosschen en van de

lieve vriendin die hem op zoo beminnelijke wijze een nestje had bereid.

Hij aarzelde, een groote onrust kwam over hem, hij voelde zijn wil tot

vrij en onafhankelijk leven doorkruist door een anderen wil. In een

voorgevoel van de verdrietelijkheden die 't zwichten voor dien wil over

hem brengen zou, schreef hij aan Mme d'Epinay: "Hoe slecht begrijpt ge

uw belang, om een vriend tot een knecht te willen maken" ... (altijd

weer die angst voor dienstbaarheid). "Ik ben niet bezorgd hoe te leven

en te sterven, maar de twijfel die mij wreed verontrust is: welke

gedragslijn mij gedurende den tijd dat ik nog te leven heb, de grootste

onafhankelijkheid zal verzekeren. In Parijs heb ik die, ondanks al mijn

pogingen, niet gevonden. Ik zoek haar met sterker drang dan ooit, en wat

mij sedert een jaar wreed bedroeft, is niet te kunnen onderscheiden waar

ik haar 't zekerst zal vinden. De grootste waarschijnlijkheden zijn voor

mijn land, maar ik beken dat ik haar zachter zou vinden in uw nabijheid.

De groote verlegenheid waarin ik mij bevind kan niet lang duren: binnen

acht dagen zal mijn besluit genomen zijn".... Maar ook nadat hij haar

had geschreven: "mijn besluit is genomen, ge begrijpt wel dat gij

overwonnen hebt," bleef hij naar eigen getuigenis "door een toestand van

innerlijke krisis gekweld."

Door die innerlijke gejaagdheid gedreven, bespoedigde hij zijn

verhuizing zooveel mogelijk: met Paschen 1756 trok hij naar de

Hermitage. Behalve Thérèse verzelde hem ook haar moeder, hoog bejaard

maar nog kras, die voortaan bij hen inwonen zou. Hij weigerde absoluut

in te gaan op het voorstel van Mme d'Epinay dat hij voor niets zou

wonen, zij van haar kant wilde geen huur aannemen; eindelijk kwamen zij

overeen dat hij 't loon van haar tuinman, die vlak bij de Hermitage

woonde en misschien eenige kleine diensten aan 't huishouden bewees,

voor zijn rekening zou nemen.

Geen gevangene kan met grooter ongeduld den dag zijner invrijheidstelling

verwachten en dien met meer vreugde begroeten, dan Rousseau den dag dat

hij Parijs verliet. Hij was 't leven in het wereldsch milieu waaraan hij

nog altijd vastzat moe,--overal 't zelfde, of 't zich afspeelde in de stad

of op de kasteelen der grooten. "Ik was zoo ziek van salon's, fonteinen,

heesterboschjes, bloemperken en de vervelende vertooners van dat alles,"

schrijft hij in de "Confessions," "van brochures, kaartspel, handwerkjes,

flauwe woordspelingen, laffe maniertjes, konversatie en soupers, dat mijn

hart openging als ik een doornenstruik zag, een haag, een wei, een schuur;

of de lucht van een omelet-met-kruiden rook, of in de verte het refrein

van een boerenliedje hoorde." Alle krachten van zijn wezen dorstten naar

een eenvoudig, boersch, ongegeneerd landleven; hij noemde dit "terugkeeren

tot de natuur."

Daarbij verlangde hij erg om ongestoord te kunnen denken en werken. Hij

had veel geschreven tusschen de jaren 1750-56, maar in hem was toch 't

gevoel dat hij 't meeste nog te zeggen had en zoo was 't ook. Hij was

aan verschillende nieuwe dingen bezig, om ze tot een goed eind te

brengen moest hij zich langen tijd kunnen afzonderen en concentreeren.

Zij raakten punten van zijn levens- en wereldbeschouwing, waarover hij

zelf nog niet geheel in 't reine was.

Het werk dat hij zich voorstelde allereerst af te maken was een

beschouwing over den invloed der politieke instellingen op de zeden. Hij

was hieraan al begonnen in Venetië, dertien of veertien jaar geleden, en

had er telkens af en toe aan gewerkt. Ook was hij bezig met 't maken van

uittreksels van de zeer omvangrijke werken van den abt de St. Pierre, om

daaruit iets leesbaars samen te stellen. Hij had verder plan om een

soort sensitivistische theorie der moraal te schrijven, maar daarvan

stond nog weinig op papier; en ook nog een verhandeling over opvoeding.

Mme de Chenonceaux, de schoondochter van Mme Dupin, had hem daarom

gevraagd, als een leiddraad voor de opvoeding van haar zoon, en hij had

veel over 't onderwerp nagedacht, als elkeen die de menschheid gelukkig

wil maken. En, ten slotte, was hij nog bezig aan de samenstelling van

een muziek-diktionnaire; hij deed dit in verloren oogenblikken, zoo

onder de hand door.

Maar de wind der inspiratie blaast gelijk hij wil en niet gelijk wij

willen. De drang, langzaam groeiend in het onderbewuste, waar ten slotte

de vonk uit springt, de conceptie uit ontstaat van het kunstwerk, zooals

uit de stoffen die de plant in zich opzamelt en tot nieuwe sappen omzet

op een dag de bloemknop wordt, die drang gaat niet altijd in dezelfde

richting als de werkzaamheid van het bewuste gedachteleven. Het

onderbewuste kan het bewuste vooruit zijn en in zeker opzicht daartegen

in gaan, in 't eerste kan groeien en zich opzamelen, wat door de

"censuur" van den wil niet tot 't tweede wordt toegelaten. Terwijl

Rousseau in zijn bewust gedachteleven nog de banen volgde die hij na den

innerlijken schok op den weg naar Vincennes had ingeslagen, terwijl hij

nog voornamelijk boetprediker en moralist wilde zijn en dacht te zijn,

begon in de diepere lagen van zijn persoonlijkheid 't oude smachten naar

teederheid weer op te komen; terwijl hij nog "dronken van deugd" meende

te wezen, leed zijn zinnelijke weekheid reeds dorst naar de wateren der

liefde. Arme barsch-doende citoyen! die andere, onuitroeibare zijde van

zijn ik, die hij nu acht jaar lang had teruggedrongen, wachtte maar op

een gelegenheid, om de "censuur" onderste boven te loopen, met

onweerstaanbare kracht naar de oppervlakte te dringen, en in het

brandpunt van het bewustzijn te komen staan. Een groote reaktie op die

jaren van eenzijdig puritanisme was in aantocht: in zijn leven ging zij

uiting vinden in zijn hartstocht voor Mme d'Houdetot, in zijn werk in de

"Nouvelle Héloïse."

De gelegenheid, waarop de onderdrukte krachten van zijn wezen wachtten

om zich vrije baan te verschaffen, en den strengen stoicijnschen zin die

zoo lang oppermachtig had geheerscht van zijn troon te jagen, diens

alleenheerschappij te breken, bracht zijn buiten-gaan-wonen.

Het was vroege lente toen hij 't landhuisje aan den zoom van 't woud van

Montmorency betrok, vroege lente als toen hij achtentwintig jaar

geleden, zestienjarige knaap uit de tucht van den leertijd ontvlucht,

door de heuvels van Savoye had gezworven. Er lag nog sneeuw op de

velden, maar de natuur werkte al: in de bosschen bloeiden viooltjes en

sleutelbloemen, de struiken begonnen uit te botten en een nachtegaal

zong, vlak voor zijn raam. Welk een heerlijkheid weer buiten te zijn!

Vol verrukking verkende hij de omgeving van zijn woning nog voor hij

goed en wel op orde was, beliep alle paadjes, doorzocht alle boschjes,

blij als een kind. Enkele dagen na zijn aankomst schreef hij aan Mme

d'Epinay, dat hij, ondanks de rommeligheid van 't verhuizen, de drie

vredigste en zoetste dagen van zijn leven had doorgebracht.

En onverwachts begon, zooals de sneeuw op 't veld wegsmolt voor den

zachten adem der lente, de hardheid die hij gemeend had nu voorgoed heel

zijn wezen te zijn, weg te smelten in zijn gemoed. Hier buiten werd hij

niet langer elk oogenblik herinnerd aan wat hem in Parijs zoo verbitterd

had; hij zag niet aldoor om zich heen het gebrek en de overdaad, de

verkwisting en de ellende; hij werd niet meer voortdurend geprikkeld

door onuitstaanbare, gemaakte menschen. Dat alles kwam op 't tweede

plan; nu genoot hij den toover der lente in de vrije natuur; zijn ziel

genoot, zijn zinnen genoten, hij baadde in weelde-van-genot. En, zooals

wanneer hij als jongeling trok door de lentelanden, zoo zalig bevredigd,

zoo muziekvol, begonnen in hem zelven krachten te werken, wateren te

murmelen, knoppen open te springen, wonderlijke keelen te schallen: de

verbeelding, de lang gestremde, was weer vloeibaar geworden in hem.

Er zijn dichters tot wien de verbeelding komt als een laaiend vuur dat

zich over hen stort, een gloed waarin alle krachten van hun wezen

verdwijnen; die de visionaire wereld oprijzend in hun binnenste, in één

geweldig spannen hunner vermogens vastgrijpen tot in hare verste diepten

en haar uiterste omtrekken. Er zijn er andere in wien zij zachter werkt,

die langzaam, langzaam, uit een droomerige warmte van het gemoed, uit

liefelijk-vage stemmingen, uit gevoelens en gedachten vol onbestemde

teederheid, gestalten zich zien loswinden en een gebeuren oprijzen,

zooals schepen opdoemen uit de mist. Zoo en niet anders, werkte de

verbeelding in Rousseau.

Het begon met droomen, ongekontroleerd door den wil, onbeïnvloed door de

rede, ontstaande onder de macht van stemmingen en aandoeningen,

wortelend in de diepten van het organisme, lieflijke erotische droomen,

die hij al zwervend eindeloos verder spon. Zoo droomen was voor hem

altijd de zoetste zoetheid des levens geweest, de milde stroom zijner

fantazieën had zijn eenzaamheid bevolkt met verrukkingen, hem die

eenzaamheid doen liefhebben boven menschen-gezelschap. Maar nooit had

hij, in zijn jeugd, de behoefte gevoeld om die droomen vast te houden;

wat hij in dien tijd schreef was altijd werk-van-'t-bewuste-alleen,

verstandswerk, omgaand buiten zijn eigenlijk ik, geweest. En daarna was

de strijd gekomen met de zorgen des levens, en daarna de tijd, dat hij,

geheel vervuld van die nieuwe groote gedachten van deugd en heroïsme en

roeping, een dam had gebouwd om het deel van zijn wezen, waaruit de

droomwateren omhoog welden. Maar nu was de dam doorbroken en de oude

stroom vloeide weer rijkelijk.

Dien zomer zwierf hij veel door de wouden en heiden, meest alleen, want

Thérèse vond die wandelingen in de eenzame natuur tamelijk vervelend.

Hij genoot, maar voelde zich toch dikwijls onbevredigd, als alle niet

zeer evenwichtige naturen die het doel van lang wenschen bereikt hebben.

Zijn voornaamste verlangen was bevredigd, er vielen geen plannen meer te

maken voor de toekomst: dit gaf een zekere leegte. Daarbij kwam, dat er

in de Hermitage verscheiden dingen waren die hem hinderden. Wat hij

gevreesd had, gebeurde: Mme d'Epinay liet hem niet met rust, hij moest

altijd klaar staan om bij haar te komen op het kasteel, wanneer zij tot

hem stuurde om verstrooid of bezig gehouden te worden. Zij vroeg er niet

naar, of hij werkte, of hij misschien liever alleen wou zijn. Zoo waren

die verwende wereldsche vrouwen nu eenmaal, ook de beste.... Hij had,

door gunsten aan te nemen, zijn onafhankelijkheid prijs gegeven. En dit

was niet alles! Gedurende de zomermaanden kreeg hij voortdurend bezoeken

uit Parijs, van bewonderaars of belangstellenden; hij wist niet hoe gauw

hij na 't middag-eten weg zou slippen, om ongestoord te gaan mijmeren in

het woud.

Neen, peinsde hij, de Hermitage is toch niet wat de Charmettes waren;

dáár was 't leven zoet, vol harmonie, vol vrede. De groote disharmonie

die hem uit de Charmettes verjaagd had, vergat hij. Zijn droomen sloegen

onbemerkt den weg in naar 't verleden: verlangen zag niet langer

hunkerend vooruit, maar begon terug te zien, gelijk altijd als jeugd

voorbij is.

Hij was op dien grens der jaren gekomen--niet voor elk mensch

dezelfde--dat het hart zich keert naar 't verleden en met pijn en

bitterheid afscheid neemt van wat nimmer terugkeert: jeugd; gouden,

heerlijke jeugd.

Het is op die grens dat elk veel-begeerend hart, voelend hoe de gave der

jeugd het gaat ontvallen, treurt dat het deze niet beter heeft gebruikt.

Wie het heil zocht in de liefde voor schoone lichamen en in de

bevrediging van den hartstocht, voelt de herinnering wrang in zijn mond

en spijt om alles wat hij dit ééne ter wille verzuimde, doet zijn hart

samentrekken; hij treurt: hem is alsof hij de kostbare wateren der jeugd

verspilde. Wie andere sterren volgend als Venus' zilveren ster, uit

eerzucht daden deed, of door liefde voor een stralende Idee gedreven,

voor een droom van menschelijk heil, ook hij voelt spijt en treurt, dat

hij wat nu 't allerzoetste lijkt, minnen en bemind worden, versmaadde;

ook hem is het of hij de kroon des levens heeft gemist.

Acht jaar lang had Rousseau nadat hij Savoye verliet, geleefd voor zijn

eerzucht, worstelend tegen den stroom des levens die hem altijd weer

terugsloeg, de volgende acht jaren voor zijn Idee. Nu leek het eene

nietig zoowel als het andere, de winst dier jaren armzalig, zijn leven

zonder inhoud, zijn beste krachten verloren, ongebruikt. Hij had nooit

bemind gelijk hij kon beminnen, hij had nooit liefde genoten gelijk hij

te genieten had begeerd. En o bitterheid, bitterheid: jeugd was voorbij,

zou nimmer terugkeeren. Verlangen naar liefde-geven en liefde-nemen kwam

als een vloed opzetten en vulde zijn lijf, zijn zinnen, zijn hart, zijn

fantazie.... En fantasie sloeg den weg in der herinnering. Weer was hij

jong, een zorgelooze knaap, een droomerig-hartstochtelijke jongeling;

weer hoorde hij het zilveren lachen, hij zag de lieve gezichten van al

de bekoorlijke wezens, waarvoor zoete neiging zijn bloed eens had

ontroerd. Hij zag het vriendinnen-paar, de gezellinnen van dien

onvergetelijken geluksdag, dien dag van den rit door de bergen naar 't

oude kasteel; hij zag zijn lieftallige zangleerlingetjes van Chambéry,

hij zag het beminnelijke vrouwtje van zijn reis-avontuur in Frankrijk,

hij zag de donkere Venetiaansche schoone, waarvoor hij als gezantschap-

secretaris had gegloeid. Nog vele anderen zag hij, want hij was heel

dikwijls verliefd geweest. En, alleenstaand, van al die anderen gescheiden

door het inniger, teederder, droeviger gevoel dat haar omtrilde, zag hij

Mme de Warens, gelijk zij den blooden knaap eens was verschenen: jong,

bloeiend, met mooie handjes en asch-blonde wuivende haren, een en al

lieftalligheid. Hij was verliefd op zijn herinneringen, hij gloeide en

dorstte, maar een voorwerp van liefde had hij niet.

Toen greep zijn onvervuld begeeren naar het groote redmiddel, waardoor

de ziel van den mensch, hongerig naar geluk, zich zelve bewaart voor te

sterven van verlangen. Kunstenaars vermogen dit redmiddel vaster te

grijpen en beter te hanteeren dan andere menschen; daarom zijn zij, de

broozen, toch sterk in de branding des levens. Hij "sublimeerde" zijn

liefde-verlangens, dat wil zeggen hij bracht ze over in een andere, een

ijler sfeer: de vervulling die hem ontzegd was in de werkelijkheid,

zocht hij in de fantazie.

Langzaam, geleidelijk, werden de lieflijke jeugd-herinneringen

omgeschapen door de werkende verbeelding, zij scheidde, verbond, voegde

samen; zij vereenvoudigde de menigvuldigheid der indrukken tot klare

eenvoudige lijnen, sneed alle overtollige ranken weg, wischte alle

storende bijvoegsels uit; zij omgloriede enkele gestalten met alles wat

hij ooit in menschen had liefgehad en hoopte op een kleine plek aarde

samen al wat hij ooit schoon en heerlijk had gevonden in de natuur.

Zoo ontstond in hem de verbeelding van eenige gevoelige reine menschen,

twee vrouwen en een man, de vrouwen teedere vriendinnen, de man de

minnaar der eene, de vriend der andere, allen levend in een dorpje aan

den oever van een meer. En die oever was de geboorteplaats van Mme de

Warens, en de vrouwen droegen trekken van alle vrouwen die hij bemind

had, en de man was zooals hij zelf zich voelde: vurig en zwak, week en

vol aspiraties naar deugd en goed te leven, maar jong en onweerstaanbaar-

beminnelijk, gelijk hij graag had willen zijn. Hij wilde een monument

oprichten voor de afgoden van zijn hart: vriendschap en liefde.

Hij begon te schrijven, eerst zonder bepaald plan, en voelde zich vol en

onzegbaar gelukkig. In de wintermaanden las hij wat hij geschreven had

voor aan Thérèse en haar moeder. Thérèse snikte van verteedering, hij

zelf ook. Maar in hem was toch een schaamte over zijn weekheid en over

het werk dat daaruit werd. Had hij niet sedert jaren de zwakheid der

liefde berispt en de schrijvers gegeeseld die haar verheerlijkten? En

wat deed hij zelf nu anders? Geestdrift voor de steile paden der deugd,

voor een streng eenzaam leven was jaren lang in hem gegroeid en had zich

geworteld door zijn hersens, hij kon haar niet uittrekken, zij was een

deel van zijn wezen geworden dat hij evenmin kon wegdringen als de weeke

zinnelijkheid daarin. Daarom zocht hij in dit werk de beide zijden van

zijn wezen te vereenigen, liefde te verzoenen met plicht. Het gelukte

hem. Nu was zijn geweten gerust: hij schreef verder en was gelukkig.

In dien tijd van sterk innerlijk leven kreeg hij een bezoek van de

schoonzuster van Mme d'Epinay, Mme d'Houdetot. Hij kende haar sinds

lang, maar oppervlakkig, zij was altijd heusch tegen hem geweest: niets

meer. Zij was niet mooi, van de pokken geschonden, zij loenschte en men

zag aan haar kijken dat zij erg bijziende was. Maar niet-mooie vrouwen

zijn soms bijzonder bekoorlijk; zij bekoorde door haar mooie hals en

armen, haar openhartige en beminnelijke aard, haar gratie en

kinderlijk-vrolijke onbeholpenheid. Zij was nog jong, onder de dertig,

en tamelijk begaafd; zij schreef goed en maakte lieve verzen. Zij had

een minnaar, St. Lambert, edelman en dichter van 't soort als toen in de

mode kwamen, die, levend in de salons, zich verbeeldden te dwepen met de

natuur en 't landleven en dat in gladde, akademische verzen bezongen;

een wat schrale en dorre natuur, overigens een achtenswaardig mensch,

op en top gentleman. Mme d'Houdetot en St. Lambert bleven tot 't einde

hunner dagen verbonden, bijna een halve eeuw lang: hun trouw werd

spreekwoordelijk.

Zij hadden natuurlijk allebei erg met Jean Jacques op, zonder

waarschijnlijk te voelen dat voor hem hoogste levens-ernst was, dat waar

zij een weinig mee speelden, zooals vele mannen en vrouwen der groote

wereld in die dagen begonnen te spelen met natuurliefde en landelijkheid

en zoo; uit pure moeheid van luxe-verfijning en uit zucht naar

afwisseling.

Haar eerste bezoek in de Hermitage vond plaats in 't late najaar van

1756; zij had haar rijtuig weggestuurd en was bijna in den modder

blijven steken; doorweekt en beslikt bereikte zij 't huisje, vol

uitbundige pret over haar avontuur; Thérèse moest haar schoone kleeren

geven en zij bleef bij hen 't avondbrood gebruiken, heel huiselijk.

't Voorjaar daarop kwam zij Rousseau opnieuw bezoeken, te paard ditmaal,

in mannekleeren. De zevenjarige oorlog was uitgebroken, haar man en haar

minnaar stonden beide in 't veld. Zij had een landhuis gehuurd in de

buurt van Montmorency en stelde zich voor veel met Rousseau te

verkeeren; haar minnaar wilde dat ook graag: in gezelschap van den

eenzamen wijsgeer, den stoïcijnschen "citoyen" met zijn strenge

begrippen van deugd en zedelijkheid, wist hij haar wèlbehoed tegen de

verlokkingen der Parijsche wereld.

Maar och, Rousseau begon onmiddellijk met zinneloos-verliefd op haar te

worden, zoo verliefd als hij nog nooit in zijn leven was geweest.

Had 't werken der verbeelding zijn menschelijk liefde-begeeren slechts

schijnbaar gestild, in waarheid opgezweept? En moest hij daardoor

noodlottig in liefde ontbranden voor de eerste de beste bekoorlijke

vrouw, die 't lot naar zijn kluis voerde? Of was 't anders; leefde, voor

hem zelf onbewust, in zijn binnenste op dat oogenblik de behoefte van

den kunstenaar, door 't lichamelijk ervaren der liefde-begeerte en

verrukking en liefde-smart die hij uitbeeldde zijn verbeeldingen op te

voeren tot de hoogste intensiteit? Of kwam wellicht de eene drang bij de

andere?[31]

Wie durft 't beslissen? De onbewuste neigingen en begeerten, die de

daden van den mensch mede-bestemmen, zijn vaak ondoorgrondelijk: een vat

van mysterie is hij.

Hoe 't zij, liefde-hartstocht was in hem opgelaaid, heet en schrijnend,

vol onrust, omdat zijn worstelend hart zich schaamde, vol pijn, omdat

wederliefde en bevrediging niet mogelijk waren, hij zelf die niet kòn,

niet mòcht verlangen. Want de geliefde was de vrouw van een ander, was

de minnares van een vriend, hem waard niet 't minst om de volkomen

overgave waarmee zij hing aan dien minnaar, haar bezitten was zichzelf

èn haar schandvlekken, haar niet bezitten was onduldbaar lijden: zoo

leed hij, zoo gloeide hij, zoo worstelde hij met zichzelven, zoo bad en

smeekte hij in liefderazernij, om datgene waartegen al 't ideëele in

hem, al zijn moreel gevoel opstond.

Wat de vrouw aangaat, half verschrikt, half gevleid, half verteederd,

--Rousseau was niet jong meer, maar ook nog niet oud, en uiterst

beminnelijk: er straalde iets heel eigens van hem uit, iets hoogs en

weeks in eenen, dat geen ander zoo bezat--trachtte zij den brand te

blusschen dien zij had aangeblazen en koos om het te doen den slechtsten

weg: die van aan de teederheid toe te staan wat de vlammen van hartstocht

hooger moest doen oplaaien. Al wat de roman tusschen een man en vrouw,

die minnaar en minnares zijn in alles, behalve in den sexueelen omgang,

kan bevatten aan onbevrediging en ellende, aan stormen opvoerend tot

extasen en extasen elk oogenblik dreigend in wanhoop om te slaan, dat

alles was zijn deel gedurende de zoete bittere zomermaanden van zijn vijf

en veertigste levensjaar, dat jaar waarin jeugd afscheid van hem nam.

Zwaar was dat afscheid der jeugd, sloopend voor zijn lichaam en zijn

zenuwstelsel. Toen zonk de vlam in een, in hem bleef niets dan wat asch

van innering.

Maar buiten hem groeide, schepsel van vuur en tranen, het wonderbare

boek, geschreven in een taal vol teederheid en gloed als 't zingen van

de gaal is in milde lentenachten: de "Nouvelle Héloïse." In de vlammen

van dat boek zou de ziel der vrouw van dien tijd zich reinigen, in zijn

wateren onderduiken om wedergeboren te worden: dichter's smart maakt

duizenden blij van bevende zaligheid.

Zijn buiten-gaan-wonen was voor zijn vrienden en voor de heele cóterie

die zich om den rijken epicurist Holbach schaarde, een ergernis geweest.

Zij hadden de natuur ook lief op hun manier: in de tuinen en parken der

lust-verblijven en kasteelen,--maar dat een intellectueel Parijs

ontvlood, om zich in 't wilde woud en 't eenzame veld te begraven,

dat wou er bij hen niet in. Zij zelven zouden 't in de bosschen van

Montmorency geen week hebben uitgehouden. Wat ging die eenzelvige

menschenhater van een Rousseau er dan doen? Zijn misantropie zou er nog

erger worden, hij zou al meer op zich zelf komen te staan en heelemaal

aan hun invloed ontsnappen. Ten minste, als hij 't uithield.... maar hij

zou 't niet uithouden.... Zij hoonden hem en trokken aan hem, dat hij

toch terug zou komen: allemaal dingen, die hij niet kon uitstaan.

Zij hadden misschien wel gelijk dat de eenzaamheid niet onverdeeld goed

voor hem was, 't buiten wonen zijn eenzelvigheid en zijn soms ziekelijke

neiging over kleinigheden te tobben zou verergeren. Maar waar zij zeker

geen gelijk in hadden was, om hem te dwarsboomen in wat hij met zijn

heele ziel verlangde, hem te willen bedillen, en toen dit niets gaf, te

probeeren achter zijn rug om met Thérèse en haar moeder te bedisselen

hem weer naar Parijs terug te halen. Hij merkte 't ten slotte toch,

en al dit openlijk gemeester en achterbaksche gedoe was zeker 't

allerslechtste voor den prikkelbaren man. Hij voelde zich meer en meer

geïrriteerd tegen zijn oude vrienden, Diderot en Grimm. Zij waren,

schreef hij in een klaagbrief aan Mme d'Houdetot, beide mannen van de

wereld geworden, beide "geslaagd." En hij was dezelfde gebleven als

vroeger: daarom pasten zij niet meer bij elkaar.

Diderot, vond hij, schoot telkens te kort tegen hem, door afspraken van

komen of zoo nooit te houden en hem in alles en nog wat te willen

schoolmeesteren. Een paar maal kwam 't tusschen hen tot

onaangenaamheden. De eerste keer, omdat Diderot hem in een brief had

verweten de moeder van Thérèse den winter in de Hermitage te laten

doorbrengen, op een toon of de oude vrouw daar de bitterste ellende

leed: (zij was er integendeel, verzekerde Rousseau, zoo tevreden en

gezond mogelijk: konden oude menschen soms nergens anders wonen als in

Parijs); de tweede keer, omdat Diderot in een tooneelstuk de uitspraak

had gedaan "slechts de booswicht leeft alleen" en Rousseau die woorden

als een hatelijkheid aan zijn adres opvatte. Mme d'Epinay bemoeide zich

met de zaak en wist de vrienden weer te verzoenen: Diderot bezocht

Rousseau in de Hermitage en na dat bezoek schreef Rousseau geheel

verteederd aan zijn oude vriendin: "ge hadt groot gelijk met te willen

dat ik Diderot zag. Hij bracht gisteren den dag hier door, ik heb in

langen tijd niet zoo'n heerlijken dag gehad. Er is geen ontstemming die

stand houdt voor de tegenwoordigheid van een vriend."

Maar ook met Mme d'Epinay was de verhouding niet meer zacht en vloeiend

als vroeger: tusschen hen beide stond, al sedert een poosje, Grimm,

stond nu ook Mme d'Houdetot! Grimm's arrogante wijze van optreden tegen

hem, maakte voor Rousseau de bezoeken op de Chevrettes al meer tot een

kwelling. Al de kleine onderscheidingen en attenties waarmee Mme

d'Epinay hem in den tijd van hun innige vriendschapsverhouding verwend

had: zijn plaats naast haar aan tafel, zijn slaapkamer naast de hare,

hielden nu op: de nieuweling in haar gunst eischte en kreeg ze. Was het

dan altijd zijn lot, om door een Wintzenried verdrongen te moeten

worden?

Mme d'Epinay van haar kant had geen vrouw moeten wezen, om zich niet

ontstemd te voelen door den plotselingen hartstocht van Rousseau voor

haar schoonzuster. Om de nieuwe geliefde verwaarloosde hij de oude

vriendin ten eenemale: men zag hem bijna niet meer op de Chevrettes,

waar de gasten hem plaagden en zich vroolijk maakten over den philosooph

die al grijze haren kreeg en nu verliefd was als een schooljongen. Een

verwende vrouw als Mme d'Epinay kon 't noode verdragen, verwaarloosd te

worden. Zij hield warm van Rousseau, zij waren nu tien jaar vrienden, zij

koesterde zich graag in de teederheid van zijn vriendschap, hoezeer zij

ook aan haar minnaar hing. Het feit, dat Rousseau vol grieven zat tegen

dien minnaar, was natuurlijk weer een grief van Mme d'Epinay tegen hem.

Zij deed dien zomer wat zij kon om een breuk tusschen de twee mannen te

voorkomen.

Zoo was de atmosfeer aan alle kanten met elektriciteit geladen. Toen

kwam de vonk.

St. Lambert werd van de innige verhouding zijner geliefde, met Rousseau

op de hoogte gebracht, en, zeer natuurlijk, stelde men hem die voor als

een liefdes-verhouding. Mme d'Houdetot vertelde het onder tranen aan

Rousseau. Deze bedacht zich geen oogenblik: dat had Mme d'Epinay

gedaan.[32] In zijn blinde gemoedsbeweging beschuldigde hij de vriendin,

die dit toch niet aan hem verdiend had, van een laagheid. Door haar

zachtmoedigheid en opzien tegen een breuk (en doordat Grimm juist in

Westphalen was) kwam 't tot een verzoening tusschen hen, zonder verdere

explicatie, maar 't gedrag van Rousseau liet een angel achter in 't hart

der beleedigde vrouw. Van dat tijdstip af aan drong Grimm er telkenmale

op aan, dat zij Rousseau zonder eenige konsideratie zou behandelen. Toen

hij in 't najaar uit Duitschland terugkeerde, voelde Rousseau de hoogmoed

en minachting van zijn vroegere vriend tegen hem, als ondragelijk. Hij

wilde geheel met hem breken, Mme d'Epinay bracht met moeite nog een

schijn-verzoening tot stand.

Ook St. Lambert was tijdelijk van den veldtocht teruggekeerd; om te

toonen dat hij aan de praatjes die er liepen geen 't minste geloof

hechtte, had hij met Mme d'Houdetot Rousseau in de Hermitage bezocht en

was bij hem blijven eten. Hij was een en al minzaamheid, evenals later

in zijn brieven, en deed of hij met warmte inging op Rousseau's illusie

van een teedere verhouding en een innig samenleven tusschen hen drieën.

Maar dit was alles de fijne levenskunst, die Rousseau nooit doorgrondde;

de kunst pijnlijke dingen glad en geruischloos te doen geschieden: toen

de kavalier weer vertrokken was vond de arme verliefde Mme d'Houdetot

zeer verkoeld. Zij ging de band zoetjes aan losser maken.

Men begrijpt dat hij na zulk een zomer van hevige emoties overspannen

was en niet veel noodig had om zijn evenwicht te verliezen. En toen kwam

juist de stoot, die hem ondersteboven wierp.

Op een dag in Oktober liet Mme d'Epinay hem vragen bij haar te komen en

vertelde hem, dat zij zich bezorgd maakte over haar gezondheid en zoo

spoedig mogelijk met haar zoontje, diens gouverneur en een paar

bedienden, naar Genève dacht te gaan om zich onder behandeling te

stellen van Tronchin, een bekend geneesheer in die dagen. Of Rousseau

haar misschien wilde vergezellen; zij zou dat heel prettig vinden en

hoopte dat hij 't zou doen.

Rousseau begreep er niets van. Waarom moest juist hij mee naar Genève,

niet haar minnaar of haar man? Maar den volgenden dag vertelde Thérèse,

die meer dan verstandig was met de dienstboden van 't kasteel placht te

praten, hem hoe 't praatje liep dat Mme d'Epinay een kind verwachtte en

naar Genève ging om in 't geheim te bevallen. Nù begreep hij het. En

toen hij kort daarna een buitengewoon takteloos briefje kreeg van

Diderot, die er op aan drong dat hij toch gaan zou, en zich in 't

bijzonder beriep op de "overmaat van verplichting die hem aan Mme

d'Epinay bond," toen twijfelde hij niet meer: zij komplotteerden tegen

hem, het moest den schijn krijgen of _hij_ de minnaar van Mme d'Epinay

was, daarom moest hij mee. Grimm had dat zoo gewild om zelf vrij uit te

gaan, ingeval er iets uitlekte van de bevalling.

Hij was ontzettend verbitterd. Al zijn oude vrees voor een afhankelijke

positie kwam weer boven; het leek hem of Mme d'Epinay een knechtendienst

van hem vroeg en hem in het juk der dienstbaarheid spannen wou: hij

dacht er niet over, gelijk hij het in een brief aan St. Lambert

uitdrukte: "zich in zijn eigen land ten toon te stellen in het gevolg

van de vrouw van een algemeen belastingpachter." Als een egel stak hij

zijn stekels naar alle kanten uit.

Bestond er grond voor zijn wantrouwen en zijn verbittering?

Bevatte het praatje van Mme d'Epinay's zwangerschap waarheid? Had Grimm

werkelijk de hand in 't spel en wou hij Roussau naar Genève sturen om,

zoo die zwangerschap bekend werd, hem tot zondebok te laten dienen?

Komplotteerden zijn oude vrienden inderdaad zoo schandelijk tegen hem?

Of was alles heel gewoon en heel eenvoudig? Ging Mme d'Epinay zooals zij

zeide voor haar gezondheid naar Genève en had zij gedacht: "'t zou

gezellig zijn als Rousseau met mij mee ging, hij kent de stad en de

menschen en liep toch rond met vage plannen van een nieuw bezoek aan

zijn vaderland." Was dit heel eenvoudige waar?

De beantwoording van deze vragen heeft de biographen van Rousseau in

twee kampen gescheiden. Maar al hun beschouwingen hebben geen zekerheid

gebracht.

Brieven zonder tal--booze, heftige, hoonende, koude, kalmeerende,

gemoedelijke brieven--mijn hemel! wat schreven de menschen in dien

tijd--vlogen als vogels van diverse pluimage tusschen Rousseau, Mme

d'Epinay, Mme d'Houdetot, Diderot, Grimm en St. Lambert heen en weer in

die najaarsdagen. En toen kwam 't treurig einde van oude vriendschap en

goed-bedoelde zorg.

Rousseau's eerste aandrift was geweest, de Hermitage onmiddellijk te

verlaten, maar de anderen hadden hem daarvan teruggehouden, hem verzocht

tot 't voorjaar te wachten, om zoodoende een openlijken breuk te

vermijden. Men hield daar niet van in die kringen. Hij gaf toe en toen

Mme d'Epinay vertrokken was, schreef hij haar in dien geest. Het

antwoord kwam begin December, verpletterend van hoogheid: in de meest

onheusche bewoordingen verzocht zij hem, de Hermitage ten spoedigste te

verlaten.

Hij had, sedert einde Oktober, ellendige weken doorgebracht, misschien

de ellendigste van zijn leven. Mme d'Houdetot was toevallig op

denzelfden dag dat Mme d'Epinay naar Genève vertrok, naar Parijs

teruggekeerd. Rousseau en zij waren uiteengegaan na een afscheid vol

betuigingen van teederheid en vriendschap; hij had geschreven en nog

eens geschreven en nog eens: zij liet al zijn brieven onbeantwoord. Hij

begreep niet waarom, hij martelde zich af met gissingen. Lieten allen

hem nu in den steek? Ontviel hem alles waarop hij gesteund had? Bezat

hij geen enkelen vriend meer? Dit kon hij niet dragen; hij verloor zijn

evenwicht geheel en al.

Diderot, die hem begin December bezocht, ontstelde van zijn heftigheid,

zijn volkomen gebrek aan zelfbeheersching: men kon zijn woedekreten in

den tuin hooren, hij leek waanzinnig.

Toen kwam dat briefje uit Genève: het werkte als een zweepslag. Met de

kracht der overspanning handelde hij, flink en energiek, die anders

altijd uitstelde en talmde. Hij vond en huurde een huisje dicht bij 't

dorp Montmorency, deed zijn boel overbrengen, ondanks sneeuw en

erbarmelijk slechte wegen: half December al was hij verhuisd. Aan Mme

d'Epinay schreef hij van uit zijn nieuwe woning, "niets is zoo eenvoudig

en zoo noodzakelijk, Mevrouw, als weg te trekken uit uw huis, wanneer ge

niet wenscht, dat ik er blijf."--Toen zonk hij in elkaar.

Zijn oude vrienden had hij voor goed verloren, ofschoon de eigenlijke

breuk met Diderot wat later kwam. Om hem heen was de vereenzaming, als

om ieder, die wanneer zijn haar begint grijs te worden, de vrienden

zijner hoopvolle jaren verliest.

Jean Jacques Rousseau: Een beeld van zijn leven en werken · 第 21 / 32 题