II. HET MOEIZAME LEVEN.

In het najaar van 1741 kwam hij te Parijs, met vijftien goudstukken op

zak, zijn komedietje "Narcisse" en zijn uitvinding, het notenschrift

in cijfers dat, meende hij, hem met één slag vermaardheid en rijkdom

verschaffen zou. Hij had, door vrienden uit Lyon, goede introdukties,

en maakte al spoedig kennis met verschillende geleerden uit officieele

kringen. Een hunner sprak over hem met Reaumur, een bekend zoöloog en

chirurg (de eerste die de cataract opereerde). Door diens toedoen werd

hij in den zomer van '42 uitgenoodigd, zijn memorie over de nieuwe

methode van muziek te schrijven in de Academie der Wetenschappen voor te

lezen.

Hij dacht gewonnen te hebben, maar 't gaf niets als teleurstelling. De

"commissarissen," die het officieele genootschap benoemde om zijn plan

te onderzoeken, waren misschien zeer geleerde mannen, maar van muziek

wisten zij niets af. Hij kreeg een certificaat vol komplimenten en

beleefde wendingen, gelijk de Franschen dat verstaan, maar waarvan de

inhoud er op neer kwam, dat zijn stelsel niet nieuw en niet nuttig was.

Hij voelde zich diep verongelijkt.

Een zijner zeldzame buien van energie, van willen doorzetten, kwam over

hem. Hij sloot zich op in zijn kamer, in een morsig hotelletje in een

vieze straat, de rue des Cordiers, dichtbij de Sorbonne, waar hij

verblijf had genomen, en werkte een paar maanden "met onbeschrijflijken

ijver," om zijn memorie om te smelten tot een "verhandeling over de

moderne muziek." Hij vond door bemiddeling van een kennis een uitgever,

maar 't boekje werd haast niet gelezen en bracht hem geen cent op. Zijn

gouden droomen braken weer tegen de harde werkelijkheid, als toen hij,

soezende knaap, door Milaan gedwaald had.

Hij berustte, niet zoozeer terneergeslagen als gelaten, en verviel in

de apathische stemming die bij hem altijd op een periode van sterke

inspanning volgde. Hij liet zich een poosje leven, beperkte zooveel

mogelijk zijn uitgaven, maar maakte zich niet bezorgd hoe aan den kost

te komen als de paar goudstukken die hij nog over had, opgeteerd zouden

zijn. Hij verdeelde zijn tijd meest tusschen schaakspelen en het van

buiten leeren van latijnsche gedichten, die hij maar niet onthouden kon;

af en toe bezocht hij de komedie of de opera. De kennissen, die hij

gemaakt had in de letterkundige wereld, gedurende den tijd dat hij al

zijn best deed om menschen van beteekenis en invloed gunstig te stemmen

voor zijn nieuw muziekschrift, liet hij meest loopen, juist omdat hij

hun hulp zoo erg noodig had. Enkelen slechts, Marivaux, Fontenelle,

Mably en Diderot bleef hij geregeld zien. De omgang met den laatste werd

weldra meer vertrouwelijk: in die dagen van teleurstelling vond hij, wat

hij sedert zijn kinderjaren te Bossey niet gehad had, een vriend.

Rousseau en Diderot kwamen op vele punten overeen, verschilden op vele

anderen. Zoo is 't het beste voor de vriendschap, doorgaans. Zij waren

even oud, beide geen Parijzenaars; evenals Rousseau stamde Diderot uit

een eerzaam kleinburgerlijk milieu, een handwerkersgezin in de

provincie. Maar als bijna alle schrijvers van zijn generatie, had hij

bij de Jezuïeten schoolgegaan. Evenals Rousseau was Diderot arm,

gevoelig, geestdriftig, vol vrijheidszin. Evenals Rousseau was hij

gouverneur geweest bij een adellijke familie en had 't daar niet kunnen

uithouden. Evenals Rousseau was hij dol op muziek en had hij op zijn

dertigste jaar nog weinig geschreven. Beide waren samengestelde naturen:

zij paarden aan een gevoelig gemoed een vechtlustig verstand en een

neiging tot paradoxen.

Diderot "de schepper der ontroerde en welsprekende kritiek" (St-Beuve),

is zonder twijfel een der merkwaardigste figuren en misschien de

aantrekkelijkste persoonlijkheid onder de philosophen. Hij was

schitterend begaafd, edelmoedig, betrekkelijk vrij van persoonlijke

eerzucht en ijdelheid, taai en volhardend. Vijf-en-twintig jaar lang

hield hij de leiding der Encyclopédie vast door tallooze moeilijkheden

en gevaren, zonder gedurende al dien tijd een dag van rust of veiligheid

te kennen. Niets kon hem ontmoedigen, noch de vervolgingen der

regeering, noch de afval van vrienden (d' Alembert en Rousseau), noch

het verraad van den uitgever. En 't was hem te doen om de zaak, om de

nieuwe wereldbeschouwing, niet in de eerste plaats om persoonlijk

voordeel of roem. Als kind maakte hij de opstellen voor minder vlugge

kameraadjes, als man strooide hij de overvloed van zijn kennis, zijn

talenten, zijn vernuft, zijn geniale invallen, zijn enthousiasme uit in

het brein en de werken van anderen, van Grimm, van Raynal, van allen die

armer waren dan hij aan geestelijke gaven. Hij was een bron waaruit alle

mochten scheppen. En zij schepten uit hem, rijkelijk.

Maar die bron was wel klaar en frisch en overvloedig, doch niet diep als

de ziel van Rousseau, dat ondoorgrondelijk water vol geheimen van kracht

en ontroering. Zijn vuur was een ander vuur, schitterend meer dan

verwarmend. Zijn geestdrift voor de nieuwe ideeën was echt, maar wat hem

tot schrijven bracht was niet die geestdrift: het waren de behoeften van

zijn gezin en van zijn maîtresse. De hartdiepe, tragische levens-ernst

die in Rousseau aan 't groeien was, zou hij nooit begrijpen. Hun

temperament was geheel verschillend: Rousseau intermitteerend-aktief,

droomerig-teeder, neigend tot zwaarmoedigheid; Diderot luchthartig,

opgewekt, vol overvloeiend leven en behoefte aan uiting, een uiterst

bewegelijke, sanguinisch-aktieve natuur. Maar vooral,--en deze

tegenstelling zou een vijftienjarige vriendschap breken,--Diderot was

bedil-achtig en heerschzuchtig, op 't tyrannische af, hij wou zijn

vrienden dwingen tot wat _hij_ goed achtte; Rousseau, in het minst niet

heerschzuchtig, verdroeg geen dwang.

Een pater-jezuiet van zijn kennis raadde Rousseau om te probeeren of de

vrouwen niet wat voor hem konden doen: zonder de vrouwen, zeide hij,

komt men er nooit in Parijs. Hij gaf Rousseau introdukties voor een paar

dames der groote wereld: Mme de Beuzenval en haar dochter, de markiezin

de Broglie. Het begin was niet bemoedigend. Bij zijn eerste bezoek

verzocht Mme de Beuzenval, een domme poolsche gravin, hem te blijven

eten. Hij nam aan, en begreep een oogenblik later dat de invitatie

bedoeld was geweest voor de tafel der bedienden. Mme de Broglie zag hem

van kleur verschieten en herstelde de onhebbelijkheid van haar moeder,

hij bleef, maar een oude wond was weer opengereten.

Van den pater kreeg hij ook een introduktie voor Mme Dupin, de vrouw van

een schatrijken belastingpachter, die o.a. het oude koningsslot

Chenonceaux bezat. Nu had hij toegang tot de groote finantiëele wereld.

Mevrouw Dupin hoorde tot de vrouwen, wier groote eerzucht 't was zooveel

mogelijk "beaux esprits" in haar salon te verzamelen, zij ontving

Rousseau vriendelijk en hij bleef bij haar aan huis komen, ook nadat hij

de onhandigheid had begaan haar een declaratie te doen; een poos

fungeerde hij als gouverneur van haar zoontje. Met haar stiefzoon,

Francueil, een begaafd en beminnelijk mensch, musiceerde hij en zij

liefhebberden samen in de chemie, die in de mode begon te komen. Maar

eer hij nog tijd had gehad om in dit milieu vasten voet te vatten scheen

zijn leven een geheel andere wending te gaan nemen: de tusschenkomst van

Mme de Broglie bezorgde hem een post bij de diplomatie, hij werd

secretaris van den franschen gezant in Venetië.

[Illustratie: THERESE LEVASSEUR. (Naar een Sepia-teekening van Naudet).]

Ofschoon hij in naam slechts privaat-sekretaris van den gezant was,

vervulde hij in werkelijkheid de funkties van een gezantschap-sekretaris,

een moeilijke en verantwoordelijke post. Zijn meester, de Montaigu, was

een ezel, een stomme oud-militair, zonder eenig begrip van diplomatieke

aangelegenheden, en die alles aan zijn sekretaris overliet. Rousseau

vervulde, verzekert hij ons, zijn taak ijverig en nauwgezet; dat hij

in dezen nieuwen, voor hem ongewonen werkkring blijken gaf van

scherpzinnigheid en doorzicht kunnen wij gerust gelooven, al heeft hij

misschien in de "Confessions," vijf en twintig jaar na zijn verblijf te

Venetië geschreven, zijn positie en zijn invloed op den gang van zaken

een beetje al te gewichtig voorgesteld. Veel in de politieke instellingen

en zeden der oude dogenstad aan de Adriatische zee moest hem de indrukken

zijner kindsheid weer te binnen brengen en aan het milieu van zijn

vaderstad herinneren: Venetië was als Genève een souvereine stad, bestuurd

dooreen trotsche,--ervaren aristocratie; het bezat evenals Genève een oude

republikeinsche konstitutie, die den volkswaan vleide en bevredigde,

terwijl in werkelijkheid het gezag in handen der patriciërs berustte. Zijn

werkkring riep politieke belangstelling in hem wakker, de aard van zijn

geest leidde die naar nadenken over het algemeene vraagstuk van den invloed

der politieke instellingen op den menschelijken staat. Zoo voegde Venetië

een nieuwen schakel toe aan zijn levens- en wereldbeschouwing.

Jaloerschheid van den adellijken botterik op den begaafden jongen man,

wiens zelfbewustzijn groeide met 't besef van zijn onmisbaarheid, maakte

de verhouding tusschen den gezant en zijn secretaris al spoedig

ondragelijk gespannen. De Montaigu begon Rousseau opzettelijk lomp en

beleedigend te behandelen; een poos hield hij dit nog uit, maar ten

slotte kwam 't tot een hevige scène, en de Montaigu joeg zijn sekretaris

weg, zonder hem zijn traktement uit te betalen. Om den gezant te

trotseeren bleef Rousseau nog veertien dagen te Venetië, waar, naar hij

vertelt, de geheele fransche kolonie op zijn hand was. Hij dacht er

eerst over zich terug te trekken in Genève, maar verongelijking brandde

in hem en voerde hem weer naar Parijs; hij wilde satisfaktie van den

smaad die hem was aangedaan, openlijk eerherstel. Hartstochtelijk streed

hij voor zijn recht, reklameerde, deed al wat hij kon, hij hoopte door

zich tegen elk die het hooren wou beleedigend over den gezant uit te

laten, de regeering te dwingen in te grijpen. Alles vergeefs. Men liet

hem schreeuwen: dat was de beste manier om de zaak te laten doodbloeden.

Zijn achterstallig traktement kreeg hij ten slotte als gratie van den

gezant zelf.

Daar stond hij nu weer op de keien van Parijs. Sinds zijn vertrek naar

Venetië waren achttien maanden verloopen. Nog nooit had hij zich zoo

verbitterd gevoeld tegen maatschappelijke verhoudingen die maakten dat

hij, arme drommel, geen recht kon vinden tegen den bruten aristrokraat;

nooit zoo moe, zoo moedeloos, zoo neergeslagen van hart. Hij was nu twee

en dertig jaar, en wat had hij bereikt met al zijn pogingen, zijn

streven naar moreele en intellektueele volmaking? Hij had gefaald in

alles. De stem die in hem gefluisterd had van iets groots dat wachtte

was zelfbedrog geweest, de vreemde kracht die somtijds in hem borrelde

vond nergens uitweg. Jeugd was voorbij, geluk lag achter hem: in de

zonnige heuvels van Savoye, ja daar had hij vrede gekend, en volheid van

levensgevoel aan de borst der geliefde. Waarvoor zou hij nog verder

strijden? Alles was immers beslist. Hij was arm, maar niet zijn armoede

drukte hem 't ergste. Hij voelde zich ongelukkig en verslagen, omdat hij

eenzaam was van hart. Hij hongerde naar menschelijke zachtheid.

Eerst stilde hij dien honger aan een vriend, een Spanjaard, voor hem het

puik-juweel van alle menschelijke deugden, maar die moest terug naar

zijn land. Rousseau beloofde hem een paar jaar later te volgen, zij

zouden dan samen hun verdere levensdagen doorbrengen op het landgoed van

Altuna. Plannenmaken is altijd bekoorlijk, als men verdriet heeft

vooral.

Hij was nu weer alleen en zocht troost in de muziek. Voor hij naar

Venetië ging was hij begonnen een opera te componeeren. Al vroeger,

eerst in Chambéry, toen in Lyon, had hij zich gewaagd aan 't schrijven

van dramatische muziek in italiaanschen stijl, maar de proeven in 't

vuur geworpen. Om rustiger te kunnen werken, zocht hij zijn oude

hotelletje in de rue des Cordiers weer op. Daar diende toen een jong

linnenmeisje uit Orléans, van burgerfamilie, maar die aan lager wal was

geraakt. De jongste uit het groote gezin, was haar opvoeding totaal

verwaarloosd geworden; zij kon nauwelijks lezen, schrijven heel slecht.

Zij heette Thérèse le Vasseur. Mooi was zij niet, wel aantrekkelijk door

de zachte levendigheid van haar blik en haar bescheiden optreden. Zij at

aan tafel met de commensaals, die, vooral de geestelijken onder hen, het

schuwe deerntje in 't nauw brachten met schuinsche grappen en

onhebbelijkheden. Alleen Rousseau deed daaraan niet mee: hij nam 't voor

haar op tegen de anderen; zij was hem dankbaar, beide hunkerden naar wat

menschelijke zachtheid, beide waren jong (hij ruim tien jaar de oudste);

tusschen hen kwam 't al gauw tot een liefdes-verhouding. Geen lust was

het die hem dreef, en ook geen hartstocht, maar voornamelijk behoefte

aan innigheid. Zijn ambitie, meende hij, was dood, zijn hart was leeg;

hij had een menschelijk wezen noodig dat die leegte vulde.

Eerlijk waarschuwde hij haar dat hij haar nooit wettelijk huwen, maar

ook nooit loslaten zou. En zoo deed hij. Zij bleven samen in vrije

liefde tot aan zijn dood, vier-en-dertig jaar later.[22]

Den dag dat hij zich aan haar verbond, beschouwde hij als den dag die

vastheid gaf aan zijn zedelijk wezen. En dit was waarheid. Want in den

levensbond met het plebeïsch natuurkind--Thérèse was in buitengewone

mate een wezen van het instinktmatige leven, gelijk men ook thans nog

onder vrouwen vindt, ofschoon zeldzaam: simpel gebouwd als oerplanten,

in hun oordeel en hun handelingen zonder de weifelingen en het voorbehoud

der meeste kultuurmenschen, den stem hunner sterke en zuivere aandriften

volgend--in dien bond vond hij steun bij het verzet van zijn diepste ik

tegen de maatschappij van zijn tijd, tegen haar zeden, haar moraal, haar

overmatige verfijning, haar verstandelijke subtiliteit, haar dorheid van

hart.

Voor zijn letterkundige vrienden en kennissen was zijn keus onbegrijpelijk.

Zij hadden, gehuwd of ongehuwd, allen maîtressen--aristokratische dames of

vrouwen uit de haute finance, of pleiziermeisjes, of actrices. Dàt sprak

immers van zelf. En al die vrouwen, ook de lichtekooien, hadden een

glimp van de hen omringende kultuur opgevangen. Van het groote

gedachtenvuurwerk dat om hen brandde daalden enkele vonken op hun zielen

neer. "Zij leefden in de atmosfeer van de opera van den dag, van het

nieuwe tooneelstuk, van het boek van de week."[23] Zij konden meepraten

over de literatuur en de philosophie, met vertoon van geestigheid of

geleerdheid herhalen wat anderen hun hadden voorgezegd. Maar Thérèse!

Een meisje uit het volk, die niets wist, die nauwelijks kon lezen, en

alle moeilijke woorden verhaspelde; die haar mans potje kookte, en haar

mans linnengoed (dat hij graag erg netjes had) verstelde en streek, en

niet anders begeerde, zulk een vrouw lag totaal buiten hun begripsfeer.

Dat men met haar gelukkig kon leven konden zij niet gelooven; dat dit de

soort vrouw was die bij Rousseau als levensgezellin paste konden zij

niet begrijpen: zij achtten zijn keus een noodlottige vergissing, een

ramp voor hem, verderfelijk. Zoo oordeelden zij verkeerd, en moesten

verkeerd oordeelen, over zijn meest innige, blijvende en in menig

opzicht meest essentiëele levensverhouding. En hierin lag noodzakelijk

een kiem van vervreemding.

Hun oordeel ging over op de historici en de biographen van Rousseau.

Met zeer enkele uitzonderingen[24] hebben zij alle afgegeven op "die

afschuwelijke Thérèse," haar fouten breed uitgemeten, haar deugden en

verdiensten vermoffeld. Het is bijna een legende geworden, dat de

zedelijke stormen van zijn verder leven, de droevige wanen die hem

plaagden, de ziekelijke breuk in zijn binnenste tusschen de werkelijke

wereld en de wereld der fantaisie, grootendeels toe te schrijven zijn

aan Thérèse. De verhouding met Mme de Warens--voor elke onbedorven

natuur ondanks haar poëtische bekoring toch in sommige opzichten

afstootend--vindt gratie in de oogen dier heeren; zij doopen, haar

beschrijvend, hun pen in suikerwater.[25] Natuurlijk: Mme de Warens was

immers de bekoorlijke châtelaine, welgemanierd, elegant tot in haar

minst verdedigbare sexueele afdwalingen. En tegenover de liefelijke

"idylle der Charmetten" (die zagen wij nooit bestaan heeft) malen zij

dan in donkere verven Rousseau's "rampzalige liefdesverhouding" met de

"onbeschaafde wasch-vrouw" Thérèse le Vasseur. Zij _kunnen_ niet anders:

hun oordeel wordt gekleurd door hun klassegevoel en hun intellektueelen

hoogmoed.

Men behoeft geen apologie te schrijven van Thérèse. Het zal wel waar

zijn dat zij geborneerd was van geest, babbelachtig en jaloersch (als de

meeste geborneerde vrouwen) en het soms niet nauw nam met de waarheid.

Dat er een periode van hun samenleven is geweest waarin haar affektie

voor Rousseau verkoeld was weten wij door hem zelf: dergelijke tijden

van vervreemding in een huwelijksleven van vier-en-dertig jaar en dat

met een man als Rousseau, zoo moeilijk om mee om te gaan, vaak zoo

ongelijk van humeur, zoo veeleischend en bedorven, zijn allerminst

verwonderlijk. Dat zij kort voor 't eind van zijn leven, als oude vrouw

al, een gril gehad zou hebben voor een stalknecht moge min smakelijk

zijn: rekent men haar dit aan als een onvergeeflijke trouwbreuk, dan

moet men dit Rousseau zijn gloeiende hartstocht voor Mme d'Houdetot ook

doen. Maar daaraan denkt niemand.

Tegenover de fouten en tekortkomingen van Thérèse staat 't volgende;

staat, ten eerste, de getuigenis van Rousseau zelf. Niet eenmaal, maar

vele malen heeft hij uitgesproken, in de "Confessions" en in zijn

brieven, dat zij zijn troost en zijn geluk geweest is, "de eenige

werkelijke troost die de hemel hem toezond in zijn ellende, en die zijn

lot dragelijk heeft gemaakt." Niet enkel haar "engelachtig hart" bleef

hem bekoren, haar "zuivere uitmuntende aard, die geen boosheid kende,"

hem aantrekken--maar ook haar natuurlijk verstand gaf hem dikwijls

steun in moeilijke omstandigheden en haar raad in praktische

aangelegenheden bleek altijd goed.

En naast het getuigenis van Rousseau staat dat der feiten.

Vanaf hun eerste samenwonen in het dakkamertje van de rue de Grenelle,

waar zij van '47 tot '56 verblijf hielden, gelukkig als twee tortels,

arm en tevreden met hun eenvoudig huishoudentje,--al werd dat geluk en

die vrede dikwijls gestoord door de intrigeerende, bemoeialachtige

schoonmoeder en de onverzadelijk-hebzuchtige familie van Thérèse, heel

een sleep van broers, tantes, nichtjes en neven als een troep haaien,

tuk op buit, haar nazettend;--tot aan de laatste moeilijke weken in het

kasteel Ermenonville waar de dood hem van waan en wantrouwen verloste,

trok zij overal met hem mee. Zij was de ijverige zorgvuldige

huishoudster die de materieele basis van zijn bestaan verzorgde, het

zijn vrienden behagelijk maakte, ze ontving met een eenvoudig, maar

goed-toebereid maal, gelijk hij 't liefst had. Zij was de trouwe

verpleegster wier zorg hij vaak geen dag kon missen, wanneer de

aanvallen van zijn kwaal, die 's winters plagt te verergeren, hem

maanden lang tot een invalide maakte. Zij was de gezellin die hem in

trouwe aanhankelijkheid bijstond in die jaren, dat het verraad van

vrienden, de geniepige aanvallen van Voltaire, de vervolgingen der

regeeringen, de ophitserijen der zwitsersche protestantsche

geestelijkheid, zijn licht-kwetsbaar gemoed bedroefden en verwarden.

Was dit liefde of niet? En was die liefde goed voor hem of niet?

Eén deel van zijn leven lag buiten haar sfeer: zijn denk-leven, zijn

geestelijke werkzaamheid. Zeker, hun verhouding zou kompleeter en

inniger geweest zijn, zoo zij elkaar in alle sfeeren geraakt hadden.

Maar de zijde van zijn wezen, die buiten het hare omging, was voor zijn

geluk niet de meest essentieële. Voelen ging hem vóór denken--zijn

denken stond immers geheel op gevoelsbasis--liefhebben vóór begrijpen.

En daarbij, in die sfeer was hij nimmer eenzaam. Er waren mannen,

hoog-begaafden, onder de besten van hun tijd, er waren ook vrouwen

genoeg die hem in de gedachte-sfeer volgen konden, die hem om zijn

gaven, om zijn dichterschap aanbaden; er was maar één Thérèse, die zijn

persoon in al haar onvolkomenheden en gebrekkigheden met zorgende

dienende liefde omgaf. Voor die andere vrouwen was aanbidding

gemakkelijk, gelijk elk gevoel, niet beproefd in den smeltkroes van het

dagelijksch leven; zij luchtten in geëxalteerde brieven aan den grooten

schrijver hun dankbaarheid, dat hij hun verdorrende harten tot nieuwen

bloei had gewekt. Dat was niet moeilijk. Voor Thérèse bleef dit zware,

moeilijke: 't samenleven met den neurastenicus die Rousseau was, den

ontwrichte dien hij meer en meer werd; 't verzorgen van den

in-zijn-werk-verdiepte, die soms maanden lang nauwelijks een woord tot

haar sprak.

Veel heeft Thérèse met hem doorgemaakt--veel van hem verdragen. Eerst in

't begin van hun verhouding, den tijd dat een groot deel van zijn leven

lag in een wereld waartoe zij geen toegang had, en hij soms maanden

achtereen op de kasteelen der groote finantiers doorbracht, door mooie

behaagzieke dames omgeven. Dat is hard voor een vrouw die een man

liefheeft, of zij een linnenmeisje is of een prinses. Dan die jaren in

Montmorency: de tijd van zijn groote werk-verzonkenheid, en ook van

zijn ontzettende gemoedsbewegingen toen de breuk kwam met Diderot en

Grimm en al zijn oude vrienden, en van zijn razenden hartstocht voor Mme

d'Houdetot. Ja, zij was misschien klapachtig, Thérèse, maar toen Mme

d'Epinay van haar door sluwe manoeuvres de brieven van Mme d'Houdetot

aan Rousseau in handen trachtte te krijgen, bewees het eenvoudige

burgermeisje haar zedelijke meerderheid boven de grande dame, en zij

loog, heldhaftig: "Die brieven zijn niet bewaard."

En daarna kwam de vuurproef: de "Emile" verscheen, Rousseau werd vervolgd

en moest vluchten. Vluchten, in werkelijkheid, niet omdat _hem_ gevaar

dreigde--maar omdat een proces voor zijn beschermers uit de groote wereld

compromitteerend geweest zou zijn. Toen toonde zij haar "engelachtig hart,"

haar vrouwentrouw, Thérèse. Zij had rustig in Montmorency kunnen blijven:

Rousseau stelde haar dat voor en zou voor haar zorgen, maar zij weigerde,

zij wilde naar den man, dien zij liefhad, naar den eenzamen banneling in

het zwitsersche dorp, om weer voor hem te kunnen zorgen, hem te verplegen

en bij hem te zijn. Zij drong erop aan hem zoo spoedig mogelijk te volgen.

"Ge weet wel," schreef zij hem naar Yverdun in haar gebrekkig, moeilijk

te begrijpen brabbelfransch, "dat mijn hart u behoort, en altijd heb ik

gezegd: moest ik over de zee trekken en over afgronden, zoo het gold u weer

te vinden, had men 't mij maar te zeggen en ik zou dadelijk gaan." En zij

onderteekende zich: "uw nederige, goede vriendin."

Ja, dat was zij. In hun werk over "De vrouw in de XVIIIde eeuw" geven de

Goncourts vele aanhalingen uit brieven van vrouwen, groote dames en

courtisanes, aan hun minnaars, ten bewijze dat groote en trouwe liefde

ook in dien tijd van harte-verdorring, spotzucht en kille galanterie nog

heeft gebloeid. Maar geen dier brieven is teederder en inniger, ademt in

hooger mate de milde overgave van een liefhebbend hart, dan het haast

onleesbaar epistel van dit eenvoudige zieltje, Rousseau's Thérèse.

Zij volgde hem naar Zwitserland, en toen kwamen de harde jaren in het

sombere bergdorp, de jaren waarin Rousseau als een ondergaand held voor

't laatst worstelde tegen een wereld van vijanden; en toen zijn vlucht

voor de steenen der door de dominés opgeruide boeren; en zijn kort

verblijf in Engeland, eenzaam voor hem, den zich in jeugdherinneringen

verdiepende, hoeveel eenzamer voor haar, die van de landstaal geen woord

verstond, met haar behoefte aan uiting over de kleine dingen van 't

dagelijksch leven. En toen het overhaast vertrek terug naar Frankrijk,

in een bui van verstandsverbijstering, van vervolgingswaan; en daar het

onrustig jagen van oord naar oord, en ten slotte weer naar Parijs terug,

en ondanks de ontwrichting van zijn gemoed, de betrekkelijke rust en

vrede van het handwerkers-huishoudentje in de rue Glacière, niet

ongelijk aan dat van de al verre dagen hunner jeugd.

Zij werd toen ouder en zwakker, Thérèse, maar zij hield de woning toch

proper en net, en zorgde voor haar oudje en haar kanarie, die in zijn

kooitje te zingen zat, wanneer Bernardin de St. Pierre hen bezocht en

aanzat aan hun tafel, voorzien als vanouds van eenvoudig, smakelijk

eten, door haar bereid.

Zij werd ouder en zwakker, en hij verdiende al minder met muziek-kopieëren:

het oude paar was bijna behoeftig, toen zij een toevlucht vonden in het

kasteel Ermenonville. Dáár stierf hij in haar armen, de deur gegrendeld,

dat niemand anders bij zijn sterven zou zijn. Tot het laatst had zij voor

hem gedaan wat in haar vermogen was, en dat was véél.

De vrede, die zijn levensavond ondanks alles ademde, de uitstraling

eener schoone, zacht-gelaten levens-philosophie in zijn laatste

geschrift, had niet kunnen bestaan dan op den materieëlen basis, die

haar trouwe geduldige zorgzaamheid in stand hield, vier-en-dertig jaar

lang.

Het wordt tijd dat eindelijk eens andere oogen over u heenbuigen, oogen

minder bevooroordeeld door klassegevoel en hoogmoedig intellektualisme,

simpel hart, eenvoudig plebejerskind, veelgesmade, veelgelasterde

Thérèse le Vasseur.

* * * * *

Keeren wij terug tot den tijd hunner jonge liefde.

Hij was nu secretaris geworden bij Mme Dupin en haar stiefzoon

Francueil. Hij voelde de afhankelijkheid van zijn positie daar grievend,

en de jaarwedde was klein, 900 frs., nauwelijks genoeg om te bestaan.

Een paar keer werd Thérèse zwanger en baarde: hij deed de jonggeborenen

naar het vondelingengesticht brengen. Zij verzette zich eerst heftig,

maar schikte zich ten slotte, vooral omdat haar moeder 't ook wou, waar

zij erg aan hing. Zij konden ook heusch geen kinderen gebruiken, en wat

zij deden was immers heel gewoon. Zich van zijn kinderen op deze wijze

ontdoen kwam in die dagen haast evenveel voor als in de onzen

nieuw-malthusianisme; een vierde van alle te Parijs gedoopte kinderen

werden te vondeling gelegd. Rousseau had in het eethuis waar hij vóór

't samenleven met Thérèse zijn maaltijd plagt te gebruiken, zooveel

verhalen daarvan gehoord, dat hij 't als de natuurlijkste zaak van de

wereld was gaan beschouwen dat men zijn kinderen naar 't vondelinghuis

bracht. Hij dacht er verder niet veel over na.

Zijn pogingen naam te maken bleven falen. Zijn opéra "les Muses

galantes" werd eenmaal gedeeltelijk opgevoerd bij een algemeen

belastingpachter, La Popelinière, en toen nog eens bij een groot heer,

den "intendant der menus." Het werk beviel den modeman der hoogste

kringen, den hertog de Richelieu, die beloofde te zorgen dat 't voor den

koning zou worden opgevoerd. Maar er kwam niets van. Wel hielp Richelieu

hem aan wat anders: het omwerken van een zangspel, woorden en muziek, de

"Fêtes de Ramire," door Voltaire geschreven, door Rameau gekomponeerd.

Maar de afgunst van den vak-musicus op den dilettant-componist deed

Rameau zeer deloyaal handelen; hij beschuldigde Rousseau van plagiaat

en maakte dat diens naam bij de uitvoering op de programma's enz. niet

genoemd werd. Francueil beloofde aan Rousseau te zorgen dat de "Muses

galantes" door de Parijsche opéra werden aangenomen, maar ook daar kwam

niets van. Toen probeerde hij 't nog met "Narcisse," trachtte dit

gespeeld te krijgen. Ook weer vergeefs. Hij werd nu heelemaal ontmoedigd

en gaf elke poging om naam te maken op.

Gaandeweg had hij vele menschen leeren kennen uit de intellektueele

kringen en de wereld der groote finantiers. De dames uit die wereld

vonden hem interessant, ondanks zijn gebrek aan gemakkelijkheid, zijn

onhandige complimenten, zijn stijve manieren. Hij was heel anders als

al de gladde heertjes die hun 't hof maakten, anders ook dan de overige

intellektueelen, meest briljante verstands-menschen, maar zonder

innerlijke warmte. In den regel slechtbespraakt, kon hij uitschieten in

plotseling vuur van welsprekendheid als 't onderwerp hem ontroerde, uit

diepten van zijn wezen die hij zelf nog niet kende, schoten dan

gloeiende stroomen omhoog.

Hij zelf voelde zich in dat milieu altijd onzeker. In zijn bestaan was

een pijnlijke gespletenheid: het leven dat hij leidde, de kringen waarin

hij verkeerde, pasten niet bij zijn neigingen, zijn aanleg, zijn diepste

ik. Zijn wezen bleef innerlijk vreemd tegenover dit milieu van

zielsleege verfijning. Hij trachtte zich aan te passen, hij hoopte soms

toch nog te slagen, deed overdreven-beleefd, zijn beleefdheid was

zoetsappig en vermoeiend. Als hij op de kasteelen der groote heeren

logeerde, maakte hij zich beminnelijk met komedietjes schrijven, die dan

door de gasten werden opgevoerd; komediespelen was toen met coquetteeren

de meest geliefde tijdpasseering der "wereld waarin men zich verveelt."

De dagen stroomden voorbij. Zij vielen den een na den ander in den

afgrond van het verleden. Hij naderde al de veertig. Wat zou er van hem

worden? Hoe zou hij ontwaken tot het besef van zijn eigenlijk zelf?

De dagen stroomden--stroomden. Elk hunner bracht iets bij tot zijn

afkeer van de hartelooze, verdorven maatschappij die hem omgaf zonder

dat hare wateren en die van zijn wezen zich waarlijk vermengden, elk

hunner bracht iets bij tot zijn hunkeren naar levensvernieuwing,

levensreiniging. Diep in hem, in 't warme nest van het onderbewuste,

groeide het jong broedsel zijner gedachten, vogels die weldra zouden

uitvliegen op breede vlerken, en uitzweven boven die poelen van

pestilentie, en velen, velen meevoeren naar hoogten, waar men weer

ademen kon.

Jean Jacques Rousseau: Een beeld van zijn leven en werken · 第 17 / 32 题