PARIJS.

I. DE MAATSCHAPPELIJKE EN GEESTELIJKE BEWEGING IN FRANKRIJK

OMSTREEKS HET MIDDEN DER XVIIIDE EEUW.

In Parijs bruischte de strijd tusschen de oude en de nieuwe machten: de

absolutistisch-feudale klassen (koningschap, adel, geestelijkheid) en

de bourgeoisie. De tijden waren nog niet rijp voor de eindworsteling

tusschen hen, den strijd om de macht in staat en maatschappij. Het

ondergaande was daartoe nog niet murw, het opkomende niet krachtig en

zelfbewust genoeg. De halve eeuw die ligt tusschen 1740-1789 is het

tijdperk van de voorbereiding der bourgeoisie tot de eindworsteling door

geestelijke organisatie en zelfbezinning. De klassenstrijd neemt in

hoofdzaak den vorm aan van een strijd tusschen twee wereldbeschouwingen.

De geleerden en wijsgeeren smeden te zamen de ideeën die als de

omwenteling aanbreekt tot zwaarden zullen worden.

Het politiek-sociale gebeuren in Frankrijk van af den dood van Lodewijk

de XIVde in 1715 tot de bijeenroeping der Generale Staten in 1789 heeft

tot inhoud een dubbele beweging: de desorganisatie en het verval van den

absolutistisch-feudalen staat; den ekonomisch-socialen vooruitgang, de

intellektueele organisatie en emancipatie der bourgeoisie.

Het absolute koningschap had sedert de middeneeuwen door 't vernietigen

van de feudale maatschappij-vormen en 't knotten van de politieke macht

van geestelijkheid en adel, de voornaamste belemmeringen opgeruimd die

aan de opkomende burgerij den weg omhoog versperden. Bij deze

zijdelingsche bevordering der nieuwe klasse mengde zich een

rechtstreeksche: hunne stijgende behoeften aan geld dreven de vorsten

tot het beschermen van handel en nijverheid, (o.a. door de schepping van

monopolies) en voerden tot de instelling der staatsschuld. Zoo hielp het

absolutisme de moderne industriëele, commerciëele en finantiëele

bourgeoisie groot kweeken, de klasse die zijn eigen doodgraver zou zijn.

Een groote stoot aan de desorganisatie der oude en ter versterking der

nieuwe maatschappelijke machten gaf in de begin-jaren van het

Regentschap, de ontijdige poging van den geniaal-utopischen finantier

Law om de hopeloos ontredderde finantiën der absolute monarchie door de

methoden van het ontwikkeld kapitalisme (krediet-systeem) weer op de

been te helpen. Zijn scheppingen--het papiergeld, de koninklijke bank,

een poging tot overzeesche kolonisatie op grooten schaal--liepen uit op

den reusachtigsten zwendel en de geweldigste finantiëele katastrophe die

de 18de eeuw, die eeuw waarin 't jonge kapitalisme, schuimend van

overmoed en onverzadelijken winsthonger, nog zonder bewustheid van zijn

eigen wezen en zonder ervaring van den duur der meest doeltreffende

methoden van kapitaalvorming, telkens in dolle spekulaties op hol slaat,

beleefd heeft. Na den wilden roes van begeerlijkheid en illusies, door

't fata morgana der onmetelijke rijkdommen die Law aan de massa

voortooverde, opgewekt--avonturiers van alle slag stroomden naar Parijs

dat kookte van goudkoorts als een delverskamp, de bevolking puilde de

poorten uit, de moorden waren niet meer te tellen--was de moreele

uitwerking der finantiëele katastrophe onbeschrijfelijk groot. Een

millioen menschen, waarvan de helft in Parijs, werden geruïneerd. Gelijk

bij natuurkatastrofen de aardlagen over en in elkaar schuiven, hebben

dergelijke sociale katastrofen belangrijke klasse-verschuivingen tot

gevolg. Aanzienlijke geslachten kwamen aan den bedelstaf, (ofschoon

sommige machtigen in den staat er in slaagden schatten naar zich toe te

halen ten koste der kleine spekulanten) lakeien ontwaakten op een goeden

morgen als millionairs; de oude en de nieuwe plutokratie vermengden

zich. De gansche maatschappij was in beroering gebracht; voor de eerste

maal werden de massa's betrokken in een algemeene politiek-sociale

beweging: van nu af aan tot in 1789 zal hun stem, zullen hun klachten,

hun smeekbeden, hun protesten en dreigingen niet meer geheel verstommen.

Law's koloniale politiek, uitloopend in de pogingen der regeering het

reusachtig gebied aan de Mississippi door gewelddadige methoden te

bevolken (n.l. door menschenroof, deportatie van misdadigers en

lichtekooien) droeg natuurlijk tot deze beroering van de massaas in

hooge mate bij. Schrik en angst voor de menschen-roovers vervullen

ze,--maar ook rijst aan hun geestelijke horizon voor het eerst een flauw

besef van de grootheid en rijkheid der aarde, van de vele vreemde volken

welke zij herbergt, van de ongelijksoortigheid der menschelijke

gemeenschappen die haar bevolken. Reisboeken verschijnen en worden

gretig gelezen. Sommigen bekoort de beschrijving van een menschelijken

staat, zacht en onschuldig lijkend als 't paradijs vergeleken bij de

zeden van hun eigen land en tijd; de meesten trekt de geheimzinnige

betoovering aan van de tropische streken; "de eilanden" gelijk ze in den

volksmond heeten, het fabelland van schoonheid, overvloed en geluk

waarheen vele trekken, waarvan sommige weerkeeren, rijk als koningen,

waar elkeen van een droomt.[1]

Het korte tijdperk, door Law beheerscht, (1719-22) ziet de aanloopen tot

velerlei hervormingen, die eerst de zegevierende onwenteling van 1789

doorzetten zal. De ekonomische scheidsmuren tusschen de provinciën,

althans in Centraal-Frankrijk, vervallen; een begin wordt gemaakt met

den bouw van een wegennet, dat alle deelen van het rijk aan elkaar zal

verbinden; het verbod van vrije verplaatsing voor ambachtslieden wordt

opgeheven, het hooger-onderwijs kosteloos opengesteld. Vele verder

reikende plannen droeg Law, de profeet van het hoog-ontwikkeld

kapitalisme, nog in zich om: den vrijdom van belasting van adel en

geestelijkheid wilde hij opheffen, het ambtenaarswezen en de

staatsfinancieën hervormen, de geestelijkheid dwingen tot verkoop van

alle onroerende goederen, door haar gedurende de laatste eeuw verworven.

Hij wilde, in een woord, den feudaal-absoluten staat zóó maken dat de

bourgeoisie zich daarin behagelijk inrichten kon, een kompromis tot

stand brengen tusschen de vervallende en de opkomende klassen.

Schijnbaar blijft, na Law's val, van zijn hervormingen en

hervormingsplannen weinig over. De feudaal-absolutistische regeer- en

uitbuitings-machinerie gaat hortend en stootend weer den ouden gang.

Maar in werkelijkheid heeft een sterke verschuiving der klasse-

verhoudingen plaats gevonden; menige bres is in de muren der oude

vesting geschoten; zij trillen en kraken, en reeds vóór het midden der

eeuw kan een vreemden waarnemer getuigen: "Alle symptomen, de nadering

van een groote revolutie aankondigend, die ik ooit in de geschiedenis

ontmoet heb, bestaan heden en worden met den dag talrijker in Frankrijk."

* * * * *

Het verval der feudaal-absolutistische klassen, een gevolg van het feit,

dat de maatschappelijke ontwikkeling hunne ekonomisch-sociale funkties

meer en meer overbodig maakte, gelijk heden ten dage voor de bourgeoisie

het geval is, openbaart zich gedurende de 18de eeuw op velerlei wijze.

Ten eerste in ekonomisch opzicht, door de toenemende ontreddering der

rijks-finantiën, de steeds verergerende onbekwaamheid der regeering om

een evenwicht tusschen inkomsten en uitgaven tot stand te brengen. De

uitgaven stijgen, ten gevolge van waanzinnige verspil- en pronkzucht,

omslachtige en dure administratie, ongelukkige oorlogen, enz. reusachtig,

en ofschoon de uitgemergelde massa's àl zwaarder belast worden, het

deficit verslindt alles, het groeit onophoudelijk en blijft groeien tot

alle hervormingspogingen hebben gefaald en haar volkomen hulpeloosheid,

haar volslagen onmacht de zaken verder te voeren de monarchie ten slotte

noodzaakt tot den stap die haar eigen val tengevolge moet hebben: de

bijeenroeping der Algemeene Staten. Revolutionaire bezems alleen kunnen

den augiusstal der administratie, dat broeinest van geknoei, verkwisting

en korruptie, schoonvegen. Onder Lodewijk de XVde slokt deze een groot

deel van de staatsinkomsten in, zij biedt aan de bevoorrechte klassen

een haast-onbegrensd gebied tot het botvieren hunner parasitaire lusten.

De voornaamste parasiet op de staatskas is de adel. Om en bij de 30

millioen frs. jaarlijks haalt hij naar zich toe in den vorm van

pensioenen, tractementen van frs. 100.000 voor parade-posten in de

provincie enz.; de 12.000 adellijke officieren kosten aan den staat per

jaar 46 millioen frs. (de 135.000 soldaten 44 millioen!)[2] Een vijfde

van de staatsbegrooting komt aan den adel ten goede. Naar mate zijn

politieke macht en zelfstandigheid verminderen, klampt hij zich vaster

aan het gecentraliseerde koningschap om dit uit te zuigen; zijn

maatschappelijke funkties (krijgsdienst, rechtspraak) heeft hij

grootendeels verloren of ze zijn tot bloote privilegies geworden; het

platteland, waar hij weleer 't eenvoudige, stalende leven der feudale

tijden voerde, verlaat hij meer en meer, het werd voor den verwenden,

verwijfden hoveling tot een oord van verschrikking. Diep in de wordende

burgerlijke maatschappij boort hij zijn wortels om haar sappen op te

zuigen, maar geen penning draagt hij bij tot de lasten van den modernen

staat.

Naast hem, of eigenlijk boven hem, verheft zich de andere groote

maatschappelijke parasiet, de "eerste stand in het koninkrijk:" de

geestelijkheid. Voor geen klasse geldt in hooger mate dan voor deze dat

de maatschappelijke ontwikkeling hare vroegere funkties overbodig heeft

gemaakt;[3] in geene openbaart zich op meer afzichtelijke wijze de

zedelijke ontaarding die het noodlot van overbodig geworden klassen is.

Onder de geestelijkheid is de weelde nog buitensporiger, het zedenbederf

nog grooter dan zelfs in de hofkringen.[4] Haar ekonomische macht is

verbazend groot. Haar landbezit stijgt voortdurend; naar een matige

schatting heeft zij tegen het einde der 18de eeuw één derde van den

bodem in eigendom. Evenals de adel is de geestelijkheid vrijgesteld van

de voornaamste belasting, de "taille," (grondbelasting), haar bezit

immers dient "Gods glorie en der armen welzijn." Haar dubbele

bevoorrechting, als theokratie en als aristokratie, stelt haar in staat

zoo goed als geheel aan 't meedragen van alle lasten te ontsnappen. Van

haar reusachtige rijkdommen werpt zij den staat jaarlijks een aalmoes

toe van omstreeks 12 millioen frs.; de hooge geestelijkheid slaagt er in

dit belachelijk kleine bedrag nog grootendeels op de lagere af te werpen.

Wanneer in 1750 door 't land een zoodanige beroering gaat, dat een

revolutie op 't punt schijnt uit te breken en de vrees voor de dreigende

verzwaring der belastingen de provinciale staten op de been brengt,

stelt de geestelijkheid zich met een sluwe politieke wending aan 't

hoofd der ontevredenen, haar verzet neemt een demokratische schijn en

rebellische vormen aan. De monarchie wijkt terug; van de opheffing van

den vrijdom van belasting is geen sprake meer; zelfs de eisch der

regeering, dat de geestelijkheid een declaratie van hare bezittingen zal

geven, wordt feitelijk teruggenomen. Immers de regeering stemt toe, dat

deze declaratie niet ten haren behoeve en door hare beambten opgesteld

zal worden, maar door de geestelijkheid zelve tot eigen gebruik. Een

wassen neus natuurlijk. Alles blijft bij het oude; de aanloop tot

besnoeiing van hare voorrechten eindigt voor de geestelijkheid met het

verwerven van een nieuw privelegie, de uitsluitende beschikking nl.

over de zoogenaamde "Charité" (de administratie van het armwezen, de

hospitalen, de huizen van verbetering enz.) van Parijs.

Het was geen toeval en geen vergissing, dat de groote strijd van het

burgerlijk intellekt, Voltaire aan het hoofd, zich voornamelijk tegen de

kerk keerde, dat het woord "écrasez l'infame," tot het parool van zijne

propaganda werd. De kerk was de verdedigster van alle misbruiken van het

oude régiem, de voorvechtster van alle barbaarschheid en anti-kultuur.

Zij was de sterkste stut van den vervallenden staat, door haar

ekonomische macht, maar vooral door haar moreel prestige. Zij straalde

in den glans van het eerwaardige, bovenaardsche, heilige: werd haar

bedrog onthuld, begreep de massa dat de kerk het geloof, den godsdienst

gebruikte als een schild voor uitbuiting en klasse-voorrechten, gelukte

het dit schild uit hare handen te slaan, dan werden de andere verdrukkers

en uitbuiters, koningsmacht en adel, doodelijk getroffen, dan konden zij

zich niet meer handhaven. De bevrijding uit geestelijke dienstbaarheid was

voor de opkomende bourgeoisie een voorwaarde tot de politieke overwinning.

* * * * *

Uit de paleizen der koningen en grooten, uit de jacht-sloten op het land

en de "petites maisons," die gecapitonneerde nesten van ontucht in de

buitenwijken van Parijs; uit de hotels der groote financiers, met de

adellijke geslachten wedijverend in kostbare en verfijnde weelde; uit

de oorlogskampen waarheen de verwijfde officieren hun kappers en

pruikenmakers, hun maîtressen en koks bij duizenden medevoeren; uit

alle verblijfplaatsen der groote wereld stijgt een walm van pestilentie

omhoog, gelijk het aangezicht der wereld sinds het verval van het

romeinsche rijk niet meer heeft verduisterd. Hij stijgt omhoog uit alle

levensuitingen der bevoorrechte klassen, uit de kleedij der vrouwen,

hetzij de natuurlijke lichaamsvormen òmscheppend tot artificieele

gestalten, of de zinnen prikkelend door de meest verfijnde behaagkunst:

schijnbaar natuurlijke, gratievolle nonchalance. Hij stijgt uit het

geblankette gelaat, door poeder en kapsel bij beide geslachten, door de

"mouches" bij de vrouwen, de algeheele afschaffing van knevel en baard

bij de mannen, tot een kunstmatige verschijning gemaakt. Die walm stijgt

uit de architektuur, waarin de grootsche praalzucht van Lodewijk de

XIVde zich oplost tot een stijl van verfijnd comfort en nuffige

behagelijkheid: de weidsche hallen en zalen worden omgebouwd tot een

labyrinth van vertrekjes en achtertrappen gelijk de ontucht verlangt.

Die walm stijgt uit de meubels, wier zacht uitgeschulpte rondingen òf de

weelderige vormen van vrouwenlijven schijnen na te bootsen, òf zich bij

die der rustbedden aan te sluiten in welke hun genotzuchtige lijven zich

nedervlijen. Hij stijgt uit de literatuur en de kunst, uit de banale,

koud-zinnelijke galanterie der mode-romans van Crébillon, uit de met

melk en rozen gevoede cherubijntjes van Bouchez en Fragonard die, van

wolken poudre-de-riz omhuld, in roze hemels kwijnende Venussen omdartelen.

De grootst mogelijke zedelijke verdorvenheid in de materieel meest-

volmaakte, meest behagelijke, meest verfijnde vormen zich hullend: ziedaar

het wezen der bevoorrechte klassen onder Lodewijk de XVde, het wezen van

hun leven en hun kunst. Het bestaan dezer menschen heeft nog slechts één

inhoud; jaagt één doel na: geile genotzucht. Het ontbindt zich in

wulpschheid, dat is in zingenot zonder hartstocht, zonder verteedering,

zonder verheffing.

Sedert de dagen van den Regent zwelgt het hof in schaamtelooze

liederlijkheid; ontucht en bloedschande zijn gewone verschijnselen die

niemand ergeren als enkele frondeurs. Over Versailles ten tijde van

Lodewijk de XVde schrijft d'Argenson: "het hof lijkt een bordeel; de

appartementen der princessen zijn overstroomd van lichte vrouwen, men

ziet er niet anders als groote dames, rondloopend in uitdagende kleedij,

en kameniers die brieven van rendez-vous rondbrengen." De echtelijke

trouw is een overwonnen vooroordeel geworden; jalouzie van een man tegen

den minnaar zijner vrouw, van een vrouw tegen de minnares van haar man

gelden voor belachelijke bewijzen van slechten smaak. Trouw, eenvoud,

waarachtigheid, zijn ondergegane sterren aan den horizon van het

menschelijk leven, de harten verdorren en verdrogen, alleen het vernuft

leeft en ontwikkelt zich tot een vlijmende scherpte. "De liefde, de

behoefte lief te hebben verdwijnen van de aarde. De berekeningen van het

eigenbelang nemen alle oogenblikken in beslag" (d'Argenson).

Koning, adel, hooge geestelijkheid en groote financiers verbrassen met

hunne maîtressen en gunstelingen in hasard-spel en feesten, gemaskerde

bals en drinkgelagen, in liefhebberij-tooneel en jachtpartijen,

bouw-woede en liederlijkheid den stroom van millioenen die onophoudelijk

van het platteland naar Parijs en Versailles wordt gepompt. Maar heel de

schaal der vermaken, van de zinnelooze orgie tot de meest verfijnde

intellektueele genieting, slaagt er niet in om van de oververzadigde

zinnen en de verschrompelde harten af te houden het grijnzende spook der

schrikkelijke verveling, de "ennui," de doodelijke levensleegte die de

ziekte der eeuw en de Nemesis van elke klasse is, wegzinkend in

ontaarding.

Met de zedelijke ontaarding gaat samen de intellektueele.

"Er zijn geen mannen meer," roept Lodewijk de XVde uit bij den dood van

Fleury. De onbekwaamheid der oude losbollen die het land regeeren

--d'Argenson noemt hen "ziek, op, uitgeput van ziel en lichaam,"--sleept

Frankrijk herhaaldelijk in ongelukkige oorlogsondernemingen mede waaruit

het gehavend te voorschijn komt; de koloniën gaan verloren, het

koningschap heeft geen generaals meer, geen staatslieden, geen financiers;

alles wat geest, verstand, talent en doorzicht bezit, bevindt zich aan

de zijde der oppositie.

Om de jonge losbollen en de oude wellustelingen van beiderlei geslacht

en hun kreaturen kostelijk te voeden, rijk te kleeden, zacht te bedden,

te vermaken en te verstrooien,--om hen her- en derwaarts te voeren van

de stad naar het land, van het land naar de stad, steeds ontvluchtend de

hen steeds najagende verveling,--om hen te bedienen, hun wenschen te

voorkomen, hun werkelijke of ingebeelde behoeften te vervullen--om de

dorre wildernis hunner zielen te bedekken met het klatergoud, en de

stank van ontbinding die uit hun levens opstijgt te verjagen met de

zoetelijke geuren eener veile kunst--daarvoor weeft en borduurt, holt en

rent, dicht en schildert, danst, akteert en prostitueert zich een heel

leger van menschelijke wezens. Sommigen hunner, door hun meesters en

meesteressen gevleid en bedorven: de modeschrijvers, de modeactrices, de

mode-kappers en kleermakers, nemen zelven de allures der groote wereld

aan, waarmee zij schijnbaar-gemeenzaam verkeeren; anderen, als het

grootste deel der 32.000 Parijsche prostituées, leven en sterven veracht

en ellendig. Maar allen, van af de meest gevierde dichter tot de meest

getrapte lakei, zijn besmet door het gif van geile genotzucht, dat van

de heerschers neersijpelt op de dienaars, alles invreet, alles verwoest.

Ver van de schittering, het genotgezwelg en de verdorvenheid, laag en

onzichtbaar als in een andere wereld, als in de verborgen stookruimte

van een modern reuzenschip, leeft, zwoegt en lijdt het volk, kleine

burgers, boeren en arbeiders. In de steden verdringen zich duizende

handwerkers, staande buiten het gildeverband, weerloos en onbeschermd.

De uitbuiting wordt erger, de loonen stijgen, maar de prijzen nog

meer.[5] Wordt het brood duurder, staat het werk stil, dan sterven hun

scharen van honger; in 1753, meldt d'Argenson, stierven in één maand

tijds in den faubourg St. Antoine 800 menschen van ellende.[6]

En toch is het lot der volksmassa's in de steden nog dragelijk,

vergeleken bij dat der boeren. Parijs wordt ontzien, men vreest het,

de koning waagt nauwelijks er zich te vertoonen, zoo ziedt en kookt

het er; in jaren van misgewas zorgt de regeering 't eerst voor de

approvisioneering van Parijs; op 't punt der belastingen is de kleine

burgerij, met de boeren vergeleken, zelve een gepriviligieerde klasse.

De boeren--op hen, de allerarmsten, de allerellendigsten, worden alle

lasten afgewenteld, zooals alle wateren naar de laagstgelegen gronden

vloeien. Op hen drukt de ondragelijke zwaarte van een tweevoudige

uitbuiting: door den adellijken heer en door den koninklijken fiscus. De

heerlijke rechten zijn ontelbaar: geen stap kan de boer doen, geen brug

betreden, geen el stof of geen paar klompen koopen, geen schepel graan

laten malen, kortom geen enkele handeling begaan, noodig tot

instandhouding van zijn bedrijf en zijn leven, zonder dat de landheer,

die gemoderniseerde roofridder, zijn schatting opeischt. En wat deze

overlaat, nemen de beambten des konings. Om de maat vol te maken, voegt

zich bij de uitbuiting door feudalisme en absolutisme nog die van het

finantieel kapitalisme: geldwolven koopen het graan op en voeren het

uit, jagen de prijzen omhoog, maken kunstmatigen hongersnood. Hoe zouden

zij zich storen aan wettelijk verbod? Onder de graanspeculanten, die

wolven, bevindt zich de koning.

Sinds de dagen van den "Zonnekoning" overmatig belast, moet de boer in

elkaar zinken en die inzinking wordt al erger. Zijn hut is slechter dan

een stal, zijn leger is stroo, zijn gezicht zwart van honger, zijn leven

langzame hongerdood. De landen liggen braak, de dorpen worden ontvolkt,

in sommige streken is de bevolking in tien jaar tijds met een derde

verminderd. "De boeren vreten gras," teekent d'Argenson telkens op;

"sedert een jaar vreten zij gras," "de menschen sterven als vliegen, de

ellende schrijdt voort tot onder de poorten van Versailles." Vreeselijk

drukken de heerendiensten, de gedwongen arbeid aan den aanleg der groote

wegen. Soms staan de hongerenden in wanhoop op, opstanden dreigen of

breken uit, omstreeks 't midden der eeuw, in de Pyreneën, in de Provence,

in Languedoc, in Bretagne, in Gruyère, in de omstreken van Rouaan enz.

enz. De regeering stuurt soldaten, men hangt de belhamels op en tracht

de telkens uitbrekende plaag der bedelaars te bezweren door ze van de

provincie naar Parijs, van Parijs naar de provincie te sleepen. Een poosje

blijft het dan weer stil.

De ellende en de honger in de onderste sfeer van het volksleven, de

epidemiën en de pest, de misoogsten en de braakliggende landen, de

opstanden der boeren en de galgen waaraan men de boeren hangt--het is

alles de noodlottige tegenpool van de heerlijkheid en de verfijning in

de sfeer van de "mouches" en de gepoederde pruiken, van de goudstralende

toiletten met juweelen en diamanten bestikt, van de feërieke

illuminaties der alom verrijzende lustverblijven, van de schitterende,

sierlijke, geestige, scherpzinnige lichtmissen en wellustelingen, die

deze lustverblijven bewonen--het is de eeuwig-lichtlooze tegenpool van

die bovensfeer badend in licht, stralend in weelde, zwelgend in

genietingen, stikkend in geilheid.

* * * * *

Naast en dwars door 't verval der absolutistisch-feudale klassen heen,

gaat de groote voorwaartsche beweging der bourgeoisie: haar ekonomische

vooruitgang, de toeneming van haar politiek-socialen invloed, de groei

van haar revolutionaire gezindheid en haar zelfbewustzijn.

Het sociale knooppunt waarin verval en vooruitgang samenkomen, vormt

de groep der groote finantiers: de algemeene belastingpachters, de

bestuurders der koloniale (West-Indische) handelslichamen, die der

koninklijke bank (Caisse d'Escompte) enz. Deze groep moet sommige

misbruiken van het oude regiem, zooals de willekeur der absolute

monarchie en de onverantwoordelijkheid der bureaukratie, krachtig

bestrijden; zij heeft belang bij orde en regel in den staat, bij de

openbaarheid en goede administratie der rijks-finantiën; maar aan de

andere zijde trekt zij reuzenprofijten uit deze misbruiken, uit de

ontreddering en de benardheid van het oude stelsel evenals uit de

monopolies, die er bij behooren. Zoo staat zij hervorming voor, maar

zit tevens vast aan het oude.

In Parijs concentreert zich de haute finance. Daar verrijzen de

pronkerige reuzenhotels der algemeene belastingpachters, de geldkoningen

van den tijd. Hun levenswijze wedijvert met die der groote adellijke

geslachten in brooddronken verspilzucht en kostbare verfijning, hun

zonen ruïneeren zich als de zonen der edellieden door maîtressen en

paarden, bouw-woede en spel. De toegang tot het hof blijft hun ontzegd,

maar in werkelijkheid beheerschen zij de monarchie in stijgende mate:

het absolutisme, de macht van het verleden, vervalt in afhankelijkheid

van die der toekomst, het kapitaal. Voor het volk gelden zij, en

terecht, als de uitbuiters bij uitnemendheid, die de hatelijkste trekken

van het oude regiem in zich vereenigen: tegen geen groep van

bevoorrechten zal, wanneer de omwenteling uitbreekt, de lang gekropte

haat zich feller keeren. Toch zijn zij een nieuwe kracht, een deel van

de wereld die opstijgt, hun bezit aan maatschappelijke macht en prestige

is ten koste der monarchie verworven; in hen kondigt zich aan het nieuwe

koningschap van het geld, onvereenigbaar met dat van Gods genade.[7]

De haute finance is het deel der bourgeoisie, dat, van zelfbewustzijn

vervuld, het eerst openlijk breekt met de geestelijke machten van het

verleden en optreedt als beschermer en aanhanger der nieuwe ideeën.

Haar salons zijn brandpunten van de propaganda der philosophen, de

koene ontkenning van al wat voor heilig gold verschrikt hen niet:

weldra omhelzen zij het (min of meer konsekwente) materialisme als

hùn levensleer.

De ontwikkeling der handels- en der industrieele bourgeoisie (van deze

vooral) blijft, in het algemeen, bij die van het geldkapitaal ten

achter: de voorrang van dit laatste, die zulk een kenmerkende trek van

het hedendaagsche Frankrijk is, dateert al van vóór de revolutie. De

overgang van handwerk tot manufaktuur[8] wordt o.a. verlangzaamd door de

buitengewone ontwikkeling van het kunst- (luxe) ambacht sedert de dagen

der Régence. Eerst in de tweede helft der 18de eeuw begint zich, voor

een aantal bedrijven, de overgang van handwerk tot manufaktuur te

voltrekken.[9] Tevens vangt de wetenschap, onder Lodewijk XIVde

voornamelijk astronomisch, mathematisch en physisch, aan, zich met de

bedrijfswijze te bemoeien en te trachten haar te verbeteren: zij gaat

zich richten op de praktijk. Tegenover de uitvinding van de spinmachine,

de stoommachine en den mechanischen weefstoel in Engeland, staat in

Frankrijk de groote vooruitgang der geschiedenis van de natuur (Réaumur,

Buffon) en der chemie. Geleerden van wereldreputatie versmaden niet

langer om te zoeken naar praktische toepassing der wetenschap: Buffon

neemt op zijn landgoed jaren achtereen proefnemingen ter verbetering

van den hoogoven; Vaucanson werkt, in opdracht der regeering, aan

de verbetering der werktuigen voor de zijde-industrie (een der

belangrijkste bedrijven in Frankrijk). De zorgvuldige beschrijving

en afbeelding van een aantal arbeidsprocessen en methoden in de

Encyclopedie--Diderot bezoekt met onvermoeiden ijver persoonlijk alle

mogelijke werkplaatsen om zich van het bedrijf op de hoogte te

stellen,--getuigt van de geniale intuïtie van den veelzijdigen publicist,

wiens "prophetisch instinkt" hem leidt tot de verheerlijking van het

machts-instrument bij uitnemendheid der moderne bourgeoisie: de

industrie.[10]

Grooter dan die der industriëele, is in dit tijdperk de vooruitgang der

handels- en koloniale bourgeoisie. De buitenlandsche handel

verdrievoudigt: hij stijgt van 215 millioen francs in de jaren 1716-20

tot 616 millioen in de jaren 1749-55.[11] Is de finantiëele bourgeoisie

in Parijs geconcentreerd, de handels- en koloniale bourgeoisie is in een

aantal plaatsen verspreid. Marseille, Bordeaux, Toulouse, Nantes, Lyon,

de Normandie, het Beneden-Rhônegebied enz. De voornaamste havensteden

worden na het uitbreken der omwenteling tot zoovele haarden van

revolutionairen gloed. Het voor Frankrijk zoo ongelukkig einde van den

zevenjarigen oorlog--veroorzaakt door de apathie der hofkringen, de

onbekwaamheid der regeering en der militaire aanvoerders, de

desorganisatie van het leger, in één woord: door de algemeene dekadentie

van het oude regiem--, was een zware slag voor de koloniale bourgeoisie.

Frankrijk verloor zijn bezittingen in Indië, Senegal en Canada; ook de

Louisiana en een deel der Antillen gingen verloren. Men begrijpt, dat de

oppositioneele stemming in de burgerlijke kringen sterker werd--vooral

toen de nieuwe belasting van een tweede twintigste, gedurende de

oorlogsjaren ingevoerd, bleef bestaan. De verjaging der Jezuïeten in

1763--het eerste besliste succes der in de parlementen georganiseerde

half-voltairiaansch geworden oude bourgeoisie--had tot aanleiding het

bankroet van Lavalette, grootmeester der orde, die den handel der kleine

Antillen had geakkapareerd.[12]

Maar niet deze "oude bourgeoisie" der magistratuur was de voornaamste

draagster der nieuwe wereldbeschouwing, die in de natuurwetenschappelijke,

staats-rechtelijke en philosophische geschriften der Encyclopedisten een

diepzinnige, meesleepende en schitterende uitdrukking zou vinden. Al

liggen de parlementen van Parijs en van de provincie bijna de geheele

regeering van Lodewijk XV door in strijd met de monarchie, meestentijds

over belastingkwesties, al dragen zij hun redelijk deel bij tot het

ondergraven der koninklijke macht, men moet zich hoeden hun strijd

van den beginne af aan als een deel der algemeene worsteling van de

opkomende tegen de ondergaande klassen te beschouwen. Integendeel:

aanvankelijk heeft hij nog tot inhoud de oppositie van een reaktionair

gezinde groep tegen de centraliseerende werkingen van het absolutisme,

dus van het element van vooruitgang daarin, en beteekent de pogingen

dezer groep, haar vroegere macht en invloed terug te winnen. Eerst

wanneer, onder Lodewijk de XVIde, het verval, de ontbinding van de

regeering en van alle officiëele instellingen en denkbeelden hun

hoogtegraad bereikt zullen hebben, wanneer de revolutionaire gezindheid

al wat maar even levenskrachtig is heeft aangegrepen, krijgt het verzet

der parlementen tegen de monarchie een beslist revolutionair karakter.

Van hen gaat de eisch tot het bijeenroepen der generale staten uit.[13]

De dragers der nieuwe ideeën, der revolutionaire aspiraties waren,

omstreeks het midden der eeuw, in hoofdzaak twee maatschappelijke

groepen, die zich beiden in Parijs concentreerden: de finantiëele

bourgeoisie en het burgerlijk intellekt.

De groote financiers gaven, door hun ekonomische kracht, hun

maatschappelijk aanzien en hun politieken invloed, aan de

intellektueelen den socialen ruggesteun, dien zij tot den aanval op de

officiëele instellingen behoefden, onder een regiem dat geen vrijheid

van drukpers, geen vrijheid van geweten, geen rechterlijke waarborgen

tegen de vergeweldiging der persoonlijkheid kende, en waarin de wraak

van den eersten den besten edelman den schrijver, die zich onvoorzichtig

had uitgelaten, door een "lettre de cachet," zonder vorm van proces, in

de Bastille kon doen opsluiten. En ook gaven de maecenassen uit de

geldwereld aan de arme schrijvers (aanzienlijke magistraten als

Montesquieu, grondbezitters als Buffon, rijke bourgeois als Voltaire

waren onder het intellekt uitzonderingen) door geschenken of jaargelden

den ekonomischen steun, zonder welken zij verhongerd zouden zijn.

Hunnerzijds voerden de intellektueelen met de wapenen des geestes den

strijd voor de omverwerping der bestaande orde en bereidden zij de

machtsverheffing der bourgeoisie voor.

Reeds van de laatste jaren der regeering van Lodewijk XIV dateerde de

oppositie van eenige vaderlandslievende, in den regel aristokratische

ideologen, als Fénélon, Boulainvilliers, Vauban, St. Simon, tegen de

misbruiken der absolute monarchie. Voortgezet werd zij gedurende en na

het Regentschap door d'Argenson, den abt de St. Pierre (die o.a. een

voorstel tot belastinghervorming en een tot voorbereiding van den

eeuwigen vrede schreef, na zijn dood door Rousseau in verkorten vorm in

het licht gegeven), den marquis van Mirabeau e.a. In de jaren 1724 tot

'31 organiseerden zich de hervormingsgezinden in de "Club de l'Entresol,"

de eerste fransche club, een importatie uit Engeland, het land waarvoor

de belangstelling der vooruitstrevenden steeds grooter werd. Hoewel de

werkzaamheid der leden een zuiver akademisch karakter droeg, verontrustte

zij toch de regeering zoozeer, dat Fleury ten slotte aan de bijeenkomsten

een einde maakte. Nog vóór de stichting der "Club de l'Entresol," in 1721,

waren Montesquieu's "Lettres Persanes" verschenen, een klein boekje

waarin, onder een mom van luchtigheid en scherts, een onmeedoogendloos-

felle kritiek op absolutisme en katholicisme werd uitgeoefend.

Van maatschappelijk-praktisch belang wordt de wetenschappelijke en

philosophische oppositie echter eerst in de jaren '40. De agitatorische

concentratie der nieuwe ideeën in de Encyclopedie, het "algemeen

handboek van de verlichting,"[14] bereidt zich voor. Van nu af aan

zullen deze ideeën zich konsekwent verder ontwikkelen tot de leer van

het mechanisch materialisme, de strijd-philosophie der revolutionaire

bourgeoisie, die zij uitdagend tegenover de midden-eeuwsche

wereldbeschouwing stelt. De denkers en schrijvers, die in Parijs "tot

één philosophisch individu vereenigd"[15] de nieuwe wereldbeschouwing

opbouwen, zijn zich zeer goed haar wezen als aanvallend wapen bewust.

Niet om de "zuivere wetenschap" is het hen te doen,--evenmin als ooit

en ergens ter wereld de leden eener opkomende klasse--maar, hetzij zij

de natuur, de mechanica, het staatsrecht of de philosophie tot

uitgangspunt nemen, om de opheffing der klasse-privelegiën van adel en

geestelijkheid; om de bevrijding van het eigendom uit feudale banden;

om de gelijkheid der burgers voor de wet; om de vrijheid van godsdienst;

om de afschaffing van het verouderde, barbaarsche strafrecht; om de

instelling van een konstitutioneele regeering;--met één woord, om de

praktijk, dat is _om de menschenwereld, de maatschappij, te veranderen_,

in te richten naar de algemeene behoeften der bourgeoisie. "Het doel van

den mensch is de daad," schreef Voltaire, de man die het zuiverst haar

aspiraties vertolkte, veel zuiverder dan La Mettrie, toen hij in zijn

moraaltheorie de leer opstelde "het doel van den mensch is het genot."

Vóór alles genieten wil in dien tijd alleen de bovenste laag der

bourgeoisie, die, welke reeds deel heeft aan de gepriviligeerde positie

der machten van het ancien régime, maar ook door haar decadentie is

aangestoken;--vóór alles handelen wil de geheele, naar bewegings-vrijheid

dorstende klasse.

Voltaire--hij 't eerste vestigt nadrukkelijk de aandacht van het

revolutionair intellekt op de wetenschap en de literatuur van het land

waar de bourgeoisie reeds heerscht, zij het dan ook door een compromis

met koning en adel: op Engeland. Aan de engelsche _praktijk_ ontleenen

de vooruitstrevende schrijvers meer en meer hun denkbeelden omtrent de

beste inrichting van den staat, niet als een abstrakt ideaal, maar als

eene te verwezenlijken mogelijkheid. Aan de engelsche _wetenschap_

ontleenen zij, Voltaire volgend, in hoofdzaak hun philosophische

denkbeelden. Zij putten uit Locke, de groote empiricus, die de

wijsgeerige ideeën van het tijdperk der verlichting het helderst en

volledigst samenvat, in zijne kennis-theorie het menschelijk weten

streng begrenst tot de uiterlijke en innerlijke ervaring. Zij putten

uit de deïsten het begrip van een "redelijken godsdienst" die geen

openbaring van noode heeft. Zij putten, wederom het spoor van Voltaire

volgend, uit de engelsche natuurphilosophie (Newton) het beginsel der

mechanische causaliteit, het begrip van de overeenstemming tusschen

deduktie en ervaring als het eindpunt der menschelijke zekerheid. Zoo

worden openbaring en geloof onttroond door empirie en rede; in de plaats

van het wonder treedt de zinnelijke ervaring.[16]

Maar terwijl in Engeland de philosophen en natuurkundigen de aarde en

haar weerspiegeling, den hemel, hartstochtloos-objektief onderzoeken

--immers na een halve eeuw van historische schommelingen neemt de

engelsche bourgeoisie sedert de troonsbestijging van Willem de derde de

positie in, overeenkomende met haar sociale en politieke ontwikkeling

--ademt het wezen der fransche literatuur van die dagen hartstochtelijken

strijd. Haar geheele karakter is agitatorisch. Naarmate de klasse-

tegenstellingen zich toespitsen en het zelfbewustzijn der bourgeoisie

groeit, wordt haar strijdkarakter steeds beslister, haar leer steeds

radikaler. En terwijl in Engeland de philosophie der ervaring zich met

de godsdienstige tradities verdraagt en verdragen kan, omdat de kerk zich

aangepast heeft aan de nieuwe orde van zaken, staat voor de fransche

philosophie de aanval op de kerk, op haar leer en haar praktijk, in het

middelpunt van den strijd. Immers gelijk wij zagen, is de geweldige burcht

der kerk, de driedubbele wal van haar ekonomische, sociale en ideologische

macht, in werkelijkheid de sleutel tot de verdedigingslinies van het

ondergaand regiem.

De man die, dank zij zijn gelukkigen, zeldzaam veelzijdigen en

evenwichtigen aanleg en zijn levensomstandigheden, alle voorname

stroomingen der burgerlijke verlichting in zich vereenigen kon, is

Voltaire. De aspiraties van het toonaangevend deel der bourgeoisie van

dien tijd--de finantiëele--belichaamt hij als geen ander, als geen

ander is hij het bewustzijn van haar maatschappelijk zijn. Buffon moge

grootscher zijn, Diderot vuriger, meer met revolutionaire elektriciteit

geladen, La Mettrie, Helvétius en Holbach onverschrokkener de

konsekwenties trekken van de nieuwe anti-godsdienstige wereldbeschouwing,

--Voltaire geldt bij vriend en vijand als de onbetwiste aanvoerder van

den aanval op dwang, tyrannie en bijgeloof. Den strijd tegen de machten

van het oude regiem voert hij onstuimig en toch behoedzaam, hij valt

aan, dringt vooruit, retireert behendig wanneer hij in 't nauw wordt

gebracht: (zelden gaf hij eenig geschrift uit onder zijn eigen naam,

altijd was hij klaar om zijn geesteskinderen te verloochenen) zoo komt

hij voortdurend voorwaarts. Hij is zoowel overmoedig als gesmijdig,

ontziet stelselmatig het koningschap, om de volle kracht van zijn

aanvallen op de kerk te koncentreeren. Altijd houdt hij zich, met

onfeilbare intuïtie, in het "juiste midden" der gedachte-bataljons, die

tegen de oude wereld en haar ideologie oprukken; hij waarschuwt en kant

zich tegen alle materialistische en atheïstische denk-excessen zijner

dicipelen en medestrijders; bekapittelt ze, beknort ze zoolang mogelijk

_en famille_; verloochent ze zoo 't moet, om niet gekompromitteerd te

worden, in 't openbaar. Hij is 't zuivere type van den "integralen

leider." Hij is ook, natuurlijk, de man van het succes, de centrale

figuur, aan wien de arbeid en de worstelingen van heel het strijdend

volk der denkers en schrijvers ten goede komt, de afgod der

tijdgenooten. In zijn denkbeelden en zijn persoonlijk leven belichaamt

hij het deel der bourgeoisie, dat, in vele dingen onverzoenlijk staande

tegenover het oude régiem, toch met de dragers daarvan overeenstemt in

een zekere luchthartige en aristokratische, althans anti-demokratische[17]

levensopvatting, door hun lichtzinnigheid en genotzucht in zekere mate

is besmet. Hij is idealist, hij meent het ernstig met den strijd tegen

dwang, vóór de bevrijding der persoonlijkheid, hij wil het geluk der

menschheid, hij gloeit van medegevoel voor de slachtoffers van de

willekeur der monarchie en het fanatisme der priesters, hij strijd met

animo, met moed, met overtuiging;--maar hij strijdt immer met een

ironischen glimlach om de lippen, hij vindt de ergste uitwassen van het

oude stelsel misschien nog meer belachelijk dan haatbaar, hij is nooit

ontroerd met de diepe bewogenheid, die de onderste wateren der ziel in

beweging brengt. Hij is klaar, maar vlak; levendig, niet vurig. Hij

gelijkt niet in het minst op een apostel, (die kòn de groote bourgeoisie

niet voortbrengen) hij verstaat het uitstekend zijn persoonlijk belang

te dienen naast het algemeene zijner klasse; vier en twintig jaar oud,

blijkt hij gelijktijdig even vervuld van het epos dat hij schrijven als

van de finantiëele zaken die hij op touw zetten wil; "grand brasseur

d'affaires et grand remueur d'idées,"[18] gelijk Jaurès' gelukkige

omschrijving luidt, leeft in hem zoowel de onzelfzuchtige energie, de

dapperheid, het enthousiasme die het deel zijn van _opkomende_ klassen,

als het egoïsme en de cynische menschen-verachting, die ten eeuwige dage

_uitbuitende_ klassen hebben gekenmerkt.

Een gelijksoortige tweeslachtigheid als bij Voltaire doortrekt de

wereldbeschouwing en de moraalphilosophie der voornaamste materialisten

van dien tijd. Zij zijn allen vol energie, vol daden-drang, vol

stoutmoedig vertrouwen, door de propaganda hunner ideeën de

menschenwereld te zullen veranderen,--maar de meest konsekwente

theoreticus van het materialisme onder hen, beschouwt den mensch als een

machine, de gedachte als een mechanische werking van de stof. Zij allen

zijn praktische idealisten, strijders tegen het onrecht, de willekeur,

de barbaarschheid en wreedheid van een ondergaand stelsel,--maar

Lamettrie verklaart de zinnelijke lust het hoogste doel van alle

aktiviteit, de hoogste gelukzaligheid te wezen en Helvétius noemt het

egoïsme de norm van alle handelen.[19] Ten deele zijn deze theoriën

natuurlijk de konsekwentie van de scherpe vijandschap der revolutionaire

philosophie tegen het christendom, haar afschuw van de huichelarij der

papen, die "water prediken en wijn drinken," zelfverloochening en

naastenliefde in den mond voeren en wier daden stinken van berekening en

genotzucht. "Liever turksch dan paapsch" zeiden de geuzen; "liever

liederlijk dan vroom" zeggen de materialistische philosophen. Maar ten

deele is de naakte verheerlijking van eigenbaat en zelfzucht, die in

hunne werken schering en inslag is, de cynisch-overmoedige bekentenis

van burgerlijke denkers, _dat het maatschappelijk wezen der

groot-burgerlijke klasse evengoed als dat der feudaal-absolutistische

uitbuiting is_,--dat zij de massa's tot hare doeleinden te gebruiken als

even natuurlijk beschouwt als de oude verdrukkers dit doen die zij komt

onttroonen. Alleen gedurende de opkomst der bourgeoisie, eer de schim

van 't proletariaat voor haar is opgerezen, heeft hare philosophie, alle

huichelarij verachtend, den cynischen moed tot dergelijke bekentenissen,

evenals hare ekonomie (Ricardo) dien tot de uitspraak, dat de arbeid de

eenige waardevormende kracht is.

* * * * *

De intellektueele strijd der philosophen is in Frankrijk tot diep in het

derde kwart der 18de eeuw, het belangrijkst verschijnsel van den

klassenstrijd. Noch de schermutselingen tusschen de kroon en de

parlementen, noch de honger-opstanden der vertwijfelende boeren, noch de

oproerige volksbewegingen af en toe in Parijs uitbrekend--die van 1750,

naar aanleiding van den kinderroof van groote heeren tot sadistische

doeleinden schijnt een voorspel van den 6den October 1789[20]--kunnen

zich met hem in historische beteekenis meten. Een algemeene

revolutionaire beweging op politiek terrein, gericht tegen de absolute

monarchie, begint eerst nà 1770. Die haar voeren zijn niet in de eerste

plaats de philosophen, maar de z.g.n. "patriotten," de voorvechters niet

der groote bourgeoisie, maar der volks-massaas--kleinburgers, arbeiders

en boeren.[21] Die patriotten zijn de discipelen van Rousseau.

Omstreeks het midden der eeuw was de politieke bewustwording dezer

massaas nog nauwelijks begonnen; hunne klasse-behoeften en klasse-

aspiraties,--in sommige opzichten samengaande met die der groote

bourgeoisie, nl. in den strijd tegen feudalisme en absolutisme, in

andere er lijnrecht tegenoverstaande--hadden nog geen uitdrukking

gevonden. Zij alleen konden zich zonder voorbehoud tegen 't oude regiem

stellen, want zij alleen waren niet besmet met zijn bederf en hadden

geen belang bij den voortduur der uitbuiting, hetzij feudale of

burgerlijke. Daarom zouden zij, in de geweldige sociale katastrophe,

waarvan de tijd zwanger ging, den strijd tegen _alle_ bederf en tegen

_iedere_ uitbuiting en verdrukking voeren met zulk een

bewonderenswaardig heroïsme--met _tragisch_ heroïsme, want zij moesten

in dien strijd verslagen worden. Immers, zij moesten vasthouden aan het

wezen der waren-produktie, aan het privaatbezit der produktie-middelen

dat hun belang, hun behoefte, hun levenssfeer, dat vleesch van hun

vleesch en bloed van hun bloed was.

De nooden en behoeften dezer massaas, nog stom, maar vol innerlijk leven,

hun hunkeringen en hun toornen, hun geluks-aspiraties en hun moreele

verontwaardiging gingen nu haast een stem krijgen, die de wereld zou

opschrikken als een donder eerst, dan aandoen met zoete bekoring,--zij

gingen stem krijgen in Rousseau.

Jean Jacques Rousseau: Een beeld van zijn leven en werken · 第 16 / 32 题