III. DE EERSTE FANFAREN.

Men schreef het jaar 1749; een jaar van zengende gloei-hitte, die de

velden verschroeide. Aan het hof was men vrolijk en speelde komedie, er

werden vele nieuwe, groote en kleine, lustverblijven gebouwd. Door het

land raasde de honger; nu hier, dan daar, maakte de wanhoop der boeren

zich lucht in plaatselijke opstanden. Maar zulke opstanden verontrustten

de heerschers weinig, die uitgemergelde scharen zonder samenhang, zonder

leiding, waren niet gevaarlijk; gevaarlijk was alleen Parijs.

De hoofdstad zoemde als een vertoornde bijenkorf, er hing in haar een

broeiïng van revolutionair verzet. Eerst waren de groote wetenschappelijke

voorvechters der nieuwe ideeën begonnen de oude wereld te bombardeeren

met dikke geleerde werken: in '48 was Montesquieu's "Esprit des Lois"

verschenen; in '49 kwamen de eerste drie deelen uit van Buffons

"Histoire Naturelle," een grootsch-opgezette geschiedenis van de aarde

en het leven op haar, lijnrecht ingaande tegen het bijbelsch

scheppingsverhaal. Onder het groote publiek drongen deze diepzinnige

geschriften eerst langzaam door, het greep gretig naar het geharnaste

proza der pamphletten, hun nijdig gezoem vulde de lucht. Het oude regiem

voelde zich reeds verloren, de grond ontzonk hem; van nu af aan volgt

de regeering geen algemeene lijn meer. Nog veertig jaar lang zal zij

zwalken tusschen toegevendheid en gestrengheid, hervorming en reaktie,

nù onderdrukken, dàn weer de teugels vieren, zonder iets anders te

bereiken als haar vijanden te prikkelen door 't eene, stoutmoediger te

maken door het andere.

In dien zomer van '49 en de jaren daarna woei een wind van reaktie, men

nam gevangen, vervolgde, trachtte de oppositie den kop in te drukken.

In de provincie waren de gevangenissen overvol. Men kon de gevangenen

niet naar Parijs dirigeeren, want ook in de hoofdstad waren de kerkers

opgepropt. Gedurende de maand Juli had men een razzia gehouden onder de

intellektueelen, de eigenlijke leiders van het verzet: de regeering

wilde een grooten slag slaan.

Vele letterkundigen, publicisten, geleerden, leeraars en geestelijken

waren in hechtenis genomen; sommigen werden beschuldigd van verzen te

hebben gemaakt tegen den koning, anderen te hebben geschreven tegen het

ministerie, weer anderen tegen de goede zeden en vóór het deïsme.

Onder de gearresteerden bevond zich Diderot: hij had in zijn "Lettre sur

les Aveugles," (Brief over de Blinden) een populair philosophisch

werkje, een onvoorzichtigheid geschreven, waardoor een prinses zich

beleedigd achtte.[26]

Hij werd naar Vincennes gebracht en in den toren van het kasteel

opgesloten. Een maand lang bleef hij "au secret;" niemand werd bij hem

toegelaten. De magistraat die hem kwam ondervragen ontving hij, zegt

d'Argenson, met den trots van een fanaticus, dat wil zeggen met de

hoogheid die den revolutionairen strijder betaamt.

De gevangenneming van Diderot in dien tijd van zenuw-spannende

maatschappelijke onrust, gaf aan Rousseau een ontzettende schok. Heel

zijn wezen kwam in opstand tegen de tyrannieke willekeur die hem den

vriend ontroofde; zijn ontstelde verbeelding tooverde hem de ergste

dingen voor: hij zag Diderot in den toren van Vincennes voor zijn

geheele leven. In zijn radeloosheid wendde Rousseau zich tot Mme de

Pompadour; hij smeekte de machtige gunstelinge te willen bewerken hetzij

dat Diderot werd vrijgelaten, hetzij dat hij, Rousseau, de gevangenschap

van zijn vriend deelen mocht. Er kwam natuurlijk geen antwoord op zijn

smeekbrief. Maar al spoedig werd Diderot's gevangenschap verzacht, hij

mocht zich vrij in het kasteel en het park van Vincennes bewegen en zijn

kameraden werden tot hem toegelaten.

Welk een vreugde voor Rousseau den gevangen vriend te mogen bezoeken!

Driemaal in de week legde hij, in de gloeiende middaghitte, den langen,

haast schaduwloozen weg van Parijs af naar Vincennes; soms kon hij niet

verder en viel, overmand door vermoeidheid, op den geblakerden grond

neer. En gaande in de brandende zon of terugkeerend in den nog

broeirigen avond, na 't samenspreken met den vriend, die, onversaagde

strijder gelijk hij was, in zijn gevangenschap 't plan tot de

koncentratie aller revolutionaire wetenschappelijke krachten in de

Encyclopédie uitwerkte, groeide in Rousseau verbittering en haat tegen

de machtigen en rijken en hun verkankerde maatschappij, tegen de valsche

glans dier wereld waar een stank van verderf en ontbinding uit opsteeg,

groeide onweerstaanbaar verlangen naar een nieuwe gemeenschap van

eenvoudige harten en simpele, doorzichtige levensverhoudingen. Hij was

in gisting, gelijk alles om hem heen in gisting was.

Het gebeurde dat hij op een dag, al gaande, bladerend in een nieuwsblad,

de "Mercure de France," om de verveling van den weg te bekorten,

toevallig de prijsvraag las, kort voordien door de Akademie van Dijon

uitgeschreven: "Heeft de vooruitgang der wetenschappen en kunsten

bijgedragen de zeden te verbeteren of ze te bederven." En plotseling,

voor hemzelf gansch onverwacht, barstte een geweldige orkaan los door de

bergen en dalen zijner ziel; zijn hart bonsde, zijn tranen vloeiden; hij

merkte 't niet. Uit de warme vruchtbare verwardheid van de ondere

zielsfeeren, maakten gedachten zich los in hem en stegen tot 't bewuste,

met zware wiekslagen, zooals woudduiven opvliegen uit 't

diepst-van-'t-woud.

Gelijk den droomers en dichters van dezen tijd soms plotseling, uit de

opeenhooping van vele indrukken, door de jaren vergaard, het Gezicht

opengaat op het wezen der klassenmaatschappij en zij de afschuwelijkheid

van de uitbuiting en de ellende van druk en slaafschheid beseffen;

gelijk dan in hen opgloeit haat tegen de verdrukkers en liefde voor de

verdrukten, dat zij beven van hitte en kou, liefde en haat in

eenen,--zoo was hij. En gelijk voor die dichters en droomers dan het

lichtverschiet openwaait van een ander leven dan van willekeur der

grooten en verdrukking der kleinen en strijd van allen tegen allen, een

leven van vrede en broederlijke liefde en zachte aanhankelijkheid; en

zij de armen uitstrekken daarheen en 't heerlijk visioen aanroepen, dat

't blijve, sidderend van verlangen--zoo deed hij.

Maar wanneer voor ons die nu leven, ons gelukkigen, 't Gezicht op het

nieuwe leven opengaat, dan gaat tevens open zijn wording uit het

tegenwoordige en 't Beeld der Communistische Toekomst rijst, vast en

klaar in groote trekken, kind van den Arbeid en van den Strijd. En ook

rijst 't Gezicht van de scharen der strijders, millioenenhoofdig, zooals

zij optrekken door alle wereldsche landen, hun wilskrachtige,

hoopverlichte gelaten bestraald door zon van zekerheid. En dan doortrilt

de opperste vreugd van deze tijden, de vreugd van de makkerschap der

Toekomststrijders, het sidderend dichterhart.

Maar de groote droomer, die in den gloeienden zomerdag op den weg naar

het slot van Vincennes, overweldigd door zijn vervoering, was neergezonken

onder een eikeboom, hij zag geen nieuw leven zacht en schoon opbloeien

uit het oude; hij zag zijn sociale idealen niet opschemeren uit de

heldere omtrekken der wordende maatschappij. Wel zag hij een wereld in

wording, maar voor haar voelde hij een gelijke afschuw als voor de

werkelijkheid die hem omgaf; zij was immers essentieel dezelfde, haar

wezen evengoed onrecht, verdrukking, sociale ongelijkheid, verfijnde

genietingen voor de kleine minderheid ten koste van de ellende der

groote massa. Hij zag de werkelijkheid niet groeien naar zijn Ideaal,

naar de demokratie van kleinburgers en boeren. En daarom stond zijn

Ideaal-wereld niet helder, uit één stuk gegroeid, tegen den horizon,

maar rees, een vreemde massa uit vele bestanddeelen opgebouwd. Aan

hoop en herinnering en fantasie ontleende hij hare vormen; aan de

verbeeldingen der grieksche en romeinsche gemeenschappen sedert zijn

jongensjaren spokend door zijn hoofd; aan de diepgeprente indrukken

zijner kindsheid; aan de zachtgetinte jeugdherinneringen van het

patriarchale landleven onder de "Naturalwirthschaft," dat in de

achterlijke berglanden van Zwitserland en Savoye hier en daar nog

voortbestond; aan de beschrijvingen van reizigers, die in verre

landstreken getroffen waren geworden door de zuivere zeden, de moreele

kracht en zelfbeheersching, de waardigheid, makkertrouw en gastvrijheid

van barbaarsche stammen. Zoo waren in zijn ideaal-wereld de trekken

saamgesmolten van vele anti-kapitalistische, voor-kapitalistische

ontwikkelings-trappen der menschheid. Maar wat in de eenheid die hij uit

veelheid vormde overheerschte, was toch het klein-burgerlijk wezen eener

maatschappij, gegrond op kleinbedrijf en handwerk, een maatschappij van

kleine bezitters, boeren en ambachtslieden. Dat elke trek van communisme

daarin ontbrak was natuurlijk.

Evenmin als de vreugd van een Ideaal, opgroeiend uit de werkelijkheid,

voelde hij de vreugd van strijd-makkerschap.

Hij werd gerekend te behooren tot de philosofen, hij diende onder hun

vaandel, maar hij diende met een half hart. De strijd dien zij voerden

ging immers niet om zijn idealen, niet voorbehoudloos en zonder

aarzeling, tegen de wereld van onnatuur, uiterlijke glans, innerlijke

verrotting, die hij haatte. Zij zaten immers aan die wereld vast, want

zij waren de voorvechters der groote bourgeoisie, der finantiëele. De

strijd die de groep wier klasse-bewustzijn zich in hun ideeën spiegelde,

voerde, was er een van uitbuiters tegen uitbuiters, van verdrukkers

tegen verdrukkers, van weelde-menschen tegen weelde-menschen, van de

heerschers van morgen tegen de heerschers van vandaag. Wat hij wilde,

wat hij als maatschappelijk Ideaal zag opglanzen, een samenleving zonder

uitbuiting en zonder verdrukking, zonder weelde en zonder verfijnd

genot, dat wilde niemand onder die glanzende strijders, stormloopers op

domheid en willekeur, die voorvechters van wettelijkheid en wetenschap,

die wegbereiders der moderne bourgeoisie. Zulk een maatschappij zouden

enkel de groote scharen der boeren en arbeiders en kleinburgers willen,

voor haar zouden zij leven en sterven, voor haar vechten en dooden in

den revolutie-tijd. Maar nu lagen zij nog gekromd onder het juk der

verdrukking, stom en dof. Zijn stem eerst zou ze wekken tot verzet, tot

bewustheid.

Zwaar is het lot van den mensch die tot taak kreeg te wekken de

slapenden. Zwaar, immers hij is makkerloos.

Toen zijn vervoering een weinig bedaard was stond hij op, nat van

tranen. Twaalf jaren lang brandde in hem de gloed van het enthousiasme,

opgevlamd in dat uur. Hij had de gouden eeuw aanschouwd, het Heil der

Menschheid had hij aanschouwd: dat waar te maken op aarde zou nu zijn

leven zijn.

Hij ging tot zijn vriend, nog trillend van opwinding, vertelde hem over

den prijsvraag en vroeg zijn raad. En zij bespraken samen, als vrienden

en strijdmakkers plegen, wat hij schrijven zou.[27]

Uit kracht van alles, wat hem aangeboren was, en van alles wat het leven

in hem tot ontwikkeling gebracht had, schreef hij zijn eerste "Discours."

Zijn lange gegriefheid om de verongelijkingen hem aangedaan; zijn

opgekropte geprikkeldheid tegen de geleerde, sierlijke, geraffineerde,

verdorven en dorre wereld waarin hij zich nooit had thuisgevoeld; zijn

oude liefde voor de natuur en voor de vaderlijke zeden, voor het sober

onafhankelijk bestaan van den handwerksman; zijn meegevoel met de armen

en verdrukten, met de eenvoudige harten die de groote oude waarheden

wisten en in praktijk brachten waardoor de wereld leeft: arbeid, trouw,

wederzijdsch hulpbetoon; zijn haat tegen een maatschappij, die kennis en

genot voor enkelen slechts bereikte ten koste van de verdierlijking der

groote massa en de zedelijke ontaarding van allen;--alles wat hij

doorleefd en ervaren en gepeinsd had in zijn veelbewogen bestaan verbond

zich tot ééne, van gevoel doorklonkene, levensconceptie. Hij spuwde de

beschaving uit die de massa veroordeelde te kruipen in ellende, die allen

de slaven der zonden deed zijn. Hij spuwde de kunst uit, "het kind van

verslappende weelde;" hij spuwde de wetenschap uit, "het kind van

ontzenuwenden lediggang."

Het was een nieuwe stem die zich uitstortte over de verbaasde

maatschappij, een rauwe ongeoefende stem nog, maar hoe machtig van

plechtigen ernst, hoe bewogen van innerlijk leven! Het was de stem van

den linkschen plebejer, den ongepolijsten kleinburger, die de gladde

hoffelijkheid waaronder de groote wereld zelfzucht en roemzucht en

ijdelheid en moreele verdorvenheid bedekte, altijd had gevoeld als

vijandelijk en haatbaar. Het was de stem van den gemoeds-mensch,

uitbrekend in opstandigheid tegen het juk van hoogmoedig kritisch

intellektualisme, dat alle geheimen driest ontkende, stellend tegenover

de matelooze zelfverheffing der rede, den lof der bescheiden aan God

welgevallige onwetendheid. Het was de stem van den patriot, den minnaar

van Frankrijk, die vol verdriet haar ouden roem zag tanen, haar leger

aangevreten worden door verwijfdheid en verslapping, die waarnam dat een

vervallend régiem "nog wel geleerden en kunstenaars kan voortbrengen,

maar geen burgers meer." Het was de stem van den individualist, opkomend

tegen "de lage en bedriegelijke eenvormigheid der moderne beschaving."

Het was de stem van den Boetprediker die tegenover de waardemeters dier

dagen: fortuin en titels, geest en talenten, andere meters stelde:

burgerdeugden, een zuiver hart, reine zeden, liefde voor het vaderland;

de meters van eenvoudige arbeidzame lieden met onbedorven bloed. Het was

de stem van den handwerksman, den _reaktionairen_ kleinburger, die niets

voelde van Diderot's verrukking voor de verbetering der techniek en de

toepassing der wetenschap op de produktie; intuïtief begrijpend dat door

haar zou ondergaan wat hij het schoonst en lieflijkst achtte op aarde:

het kleinburgerlijk gezinsleven. Het was de stem van den _revolutionair_,

den voorvechter van massa's die niets te verliezen hadden bij een

gewelddadige breuk met het verleden, die sterk zouden zijn door verachting

voor het historisch-gewordene, die zouden overwinnen door de negatie van

dien voozen glans en die onheilspellende schittering, opstijgend uit een

maatschappij in ontbinding.--Ja, het was wel de stem der kleine burgerij,

dier raadselachtige klasse, raadselachtig voor wie niet haar wezen ziet

als het gevolg van haar positie in de produktie-verhoudingen; dier klasse

gedoemd gelijktijdig reaktionair èn revolutionair te zijn.

Het boekje maakte zijn schrijver met één slag beroemd. De letterkundigen

prezen den stijl; de philosophen apprecieerden de koenheid van denken;

al schudden zij het hoofd over de aanvallen op de wetenschap, zij bleven

Jean Jacques toch beschouwen als een der hunnen, ietwat een zonderlinge

bondgenoot maar toch welkom om zijn ruige kracht. Wat hem zelf aangaat,

hij had beloofd aan de Encyclopédie mee te werken en schreef daarin de

artikelen over politieke economie en muziek. Het groote publiek

beschouwde de "Discours sur les sciences et les arts" (Redevoering over

de kunsten en wetenschappen) als een briljante paradox tegen de

beschaving--een welkome afwisseling van zijn gewone lektuur.

Hij kreeg een heele sleep polemieken, waaronder één met den koning van

Polen, en antwoordde in verscheiden brochures. Hij hield voet bij stuk

en gebruikte de gelegenheid om verscheiden punten, o.a. zijn ideaal van

maatschappelijke gelijkheid duidelijker uiteen te zetten. "De weelde

bederft alles," luidt het in zijn "Antwoord aan den koning van Polen,"

"zoowel de rijkaard die er van geniet, als de ellendige die haar

begeert." "De weelde" (in het "Antwoord aan den heer Bordes") "moge

noodzakelijk zijn om aan de armen brood te geven; maar zoo er geen

weelde bestond, zouden er ook geen armen bestaan." En als noot hierbij:

"De weelde voedt honderd armen in de steden, maar doet er honderdduizend

sterven op het platte land.... Het verspillen der grondstoffen die den

mensch tot voedsel dienen maakt alleen reeds de weelde haatbaar. Er moet

vleeschextrakt zijn in onze keuken, daardoor hebben zoo vele zieken geen

bouillon. Er moeten likeuren zijn aan onzen disch, daarom drinkt de boer

slechts water. Er moet poeder zijn voor onze pruiken, daarom hebben

zooveel armen geen brood."

Duidelijk spreekt uit dergelijke passages de sociale grond van zijn haat

tegen de "beschaving." Hij kon zich deze niet anders voorstellen, dan

verbonden met klasse-bevoorrechting en maatschappelijk onrecht, daarom

vervloekte hij haar. Gelijkheid was hem liever dan kultuur.

Wat de tijdgenooten in zijn boekje onmiddellijk trof was de gaping

tusschen beginsel en praktische konsekwenties.

Zijn stellingen waren uiterst-revolutionnair, meedoogenloos-afbrekend;

zijn voorstellen daarentegen uiterst gematigd en voorzichtig. De kunsten

en wetenschappen hadden de eenvoud der zeden vernietigd en den mensch

bedorven--maar in die maatschappij van verdorven menschen vervulden zij

noodzakelijke funkties en moesten de instellingen die hen dienden

gehandhaafd blijven: zoo luidde zijn algemeene konklusie. Want herstel

van die verdorvenheid was feitelijk onmogelijk "behalve door een groote

revolutie, haast evenzeer te duchten als het kwaad dat zij zou kunnen

genezen en die het afkeurenswaardig was te begeeren en onmogelijk te

voorzien." Altijd weer opnieuw zou in zijn werken die tegenspraak

tusschen _droom_ en _daden_, tusschen het Ideaal en den Weg het te

bereiken, tusschen Wenschelijkheid en Mogelijkheid aan het licht komen

en de menschen het hoofd doen schudden over zijn "inkonsekwentie." Noch

de psychologische, noch de sociale oorzaken er van zouden zij verstaan.

Zoo hevig was in dien tijd dat hij zijn eerste "Discours" schreef, de

inwerking der maatschappij op hem, dat het in hooger mate dan een zijner

andere geschriften, de uiting van slechts één zijde van zijn wezen is.

Bosch- en wind-ruischen had hij daarin verloren; natuurgevoel was

teruggedrongen door maatschappij-gevoel. En de verrukkelijke zachtheid

die door heel zijn jeugd gevloeid had was toegeschroeid; de stem der

liefde klonk niet heen door die rauwe kreten. Het knoestige, harde, de

stoïcijn in hem moest nu een poos al het andere terugdringen. Zoo wilde

het de wet der ontwikkeling; zij stoort altijd de harmonie.

Bosch- en windruischen had hij teruggevonden in het tweede "Discours,"

dat hij eenige jaren later schreef: de beantwoording van een nieuwe

prijsvraag der académie van Dyon, ditmaal over den oorsprong der

maatschappelijke ongelijkheid. Maar de lach der liefde bleef stom:

zachtheid had hij nog niet teruggevonden.

Het eerste gedeelte van dit werkje bestond uit een verheerlijking van

den wilden en barbaarschen staat. Hij had haar overdacht een week lang

zwervend in den lommer der wouden van St. Germain, in de vrije natuur,

uit nadenken en bespiegelingen in zich oproepend het wezen van den

primitieven mensch en de geschiedenis van den oertijd. Althans, zoo

meende hij. In werkelijkheid waren het in hoofdzaak herinneringsflarden

van reisverhalen, waaruit hij zijn ideaalbeeld der primitieve tijden

vormde. Men sprak in zijn kring veel over den natuurstaat en de

natuurmoraal, en dweepte met beide, en hij deed als de anderen, alleen

was hem ernst wat voor hen spel was. En verder mengde hij in de

verbeelding van zijn ideaal-staat gelijk wij allen doen, de behoeften en

voorkeur van zijn persoonlijkheid, zijn eigen wat eenzelvig wezen, en de

neigingen van zijn kleinburgerlijk individualisme. Zoo b.v. in zijn

voorstelling als zouden de menschen van den oertijd geleefd en gearbeid

hebben elk voor zich alleen. Dat de oermenschen dicht bij de dieren

hadden gestaan, begreep hij; dat zij altijd sociale dieren waren geweest

vermoedde hij niet.

Zijn geïdealiseerd beeld van den natuurstaat, vermengd met eenige

trekken van kleinburgerlijke en patriarchale gemeenschappen, stelde hij

tegenover de beursche overkultuur van het Frankrijk zijner dagen, gelijk

Tacitus de gemeenschap der barbaarsche Germanen had verheerlijkt

tegenover het hartrotte romeinsche rijk van de zynen. In den aanval op

de maatschappij van zijn tijd, d.w.z. op die der heerschende klassen, op

de sociale misstanden, op de algemeene moreele verslapping en op de

ellende der groote massa, op de gevolgen der aldoor wijder gapende

klassetegenstellingen, lag het zwaartepunt van het tweede "Discours."

In wetenschappelijke waarde stond het boekje zonder twijfel ten achter

bij de etnologische en sociologische geschriften van de besten der

tijdgenooten. De naturalist Buffon had juistere denkbeelden over den

primitieven mensch, al is het waar dat Rousseau intuïtief zeer juist en

sterk de zedelijke grootheid voelde van de samenleving der barbaarsche

stammen. De communist Morelli, wiens "Code de la Nature" korten tijd na

het tweede "Discours" verscheen, onderscheidde veel scherper dan

Rousseau deed tusschen ekonomische en politieke ongelijkheid, zag veel

beter dan Rousseau in de eerste de basis van elke andere. Maar noch

Buffon, noch Morelli, noch wie anders ook vonden woorden van zoo felle

wilde kracht als Rousseau om de sociale ongelijkheid te verdoemen die de

verdrukkers gemaakt had tot verminkte hulpelooze wezens, in alles van

anderen afhankelijk, en de verdrukten tot schuwe slaven, doorvreten van

nijd. Zijn woorden beukten als knodsen, zij sloegen als zwaarden. Hij

alleen voelde de sociale ongelijkheid als een kwaad dat niet werd

goedgemaakt door al den glans en de schoonheid der beschaving. Hij

alleen voelde als een hel de afschuwelijke, noodlottige wreedheid eener

maatschappij, gesplitst in klassen met tegenstrijdige belangen, eener

samenleving "waarin misschien niet één gegoed man leeft wiens dood niet

door hebzuchtige erven, mogelijk zijn eigen kinderen, begeerd wordt;

waarin niet één schip de zee bevaart waarvan te hooren dat het

schipbreuk leed niet den een of anderen koopman zou verblijden; waarin

niet één volk bestaat, dat zich niet verheugt in de rampen zijner

naburen." Zijn kritiek op de klassenmaatschappij is de scherpste en

treffendste in Frankrijk geschreven vóór de dagen van Fourier. Hij

sprak uit, dat de groote meerderheid der menschen in den wilden en

barbaarschen staat gelukkiger is dan in den z.g. kultuur-staat--en wie

kon hem weerspreken? Stierven de boeren niet van honger? Riep het volk

niet luid "ellende, brood, brood, ellende," telkenmale dat koning of

kroonprins zich vertoonde in de straten van Parijs? Aan het slot van

zijn geschrift noemde hij het een even zonneklaar vergrijp tegen de

natuurwet dat een handvol menschen stikt in overvloed, terwijl de

hongerige massa gebrek leidt aan het noodige, als dat een kind aan een

grijsaard beveelt of een zwakhoofd een wijze voert. Het was duidelijk:

hij verheerlijkte den natuurstaat enkel, om in naam der oorspronkelijke

gelijkheid de in den loop der ontwikkeling steeds erger geworden

ongelijkheid te lijf te gaan. Deze was de oorzaak van alle zedelijk en

politiek bederf, zij voerde langs noodlottige banen naar een hoogtepunt,

het despotisme, de tyrannie, de staat die in geen enkel opzicht meer op

wettelijkheid, maar slechts op geweld berust, "en waarvan 't in de orde

der natuur is, dat hij door geweld wordt omver geworpen."

Door zijn volzinnen dansten rythmen aan, vreemd en nieuw, rythmen van

uitbundige kracht en dronken verrukking; en waren de ooren der grooten

gestemd geweest op den toon der dingen die kwamen, zij hadden door die

volzinnen de rythmen hooren dansen van het wilde Revolutie-lied, de

Carmagnole:

"Ça ira, ça ira, ça ira,

Celui qui s'élève, on l'abaissera,"

en zij hadden gesidderd. Maar zij sidderden niet, want zij hoorden de

wilde rythmen nog niet of zoo zij ze al hoorden was 't in een

onwezenlijke verte en zij allen spraken het Mme de Pompadour na "na ons

de zondvloed" en bleven lachen en schertsen en komediespelen en dwepen

met den natuurstaat en met dien zonderlingen beer van een Rousseau,

wiens vreemde ideeën heelemaal niet gevaarlijk schenen. Schreef hij niet

in datzelfde boekje zalvende preekjes als dat de goede menschen in dien

slechten tijd tot taak hadden de banden der gemeenschappen wier leden

zij waren te eerbiedigen, hun naasten lief te hebben en te dienen,

nauwgezet aan de wetten te gehoorzamen, en aan de mannen die de wetten

maakten en uitvoerden? Maakte hij niet een buiging voor het gezag, zijn

lezers op 't hart drukkend "om de goede en wijze vorsten te eeren die de

menigte der kwalen welke altijd gereed stonden ons te overvallen, wisten

te voorkomen, te genezen of te verzachten?"

De revolutionnaire gedachte, die arend in het rijk des geestes, kroop

nog vleugellam in dat der daad.

Hij droeg zijn werk op aan de regeerders der republiek Genève, en

herdacht in die opdracht met bewogen woorden den man, die hem de eerste

lessen gegeven had in democratische gezindheid: zijn vader.

* * * * *

In de jaren liggende tusschen het schrijven van het eerste en tweede

"Discours," was een groote, innerlijke en uiterlijke, verandering in

zijn leven gekomen. Zijn verhandeling over de kunsten en wetenschappen

werd door de Akademie van Dyon bekroond en had een haast ongekend

schandaalsucces. Toen het werkje verscheen, lag hij ziek te bed, de

dokters gaven hem geen zes maanden te leven. Door Francueil, die een der

hoogst-bezoldigde finantieële betrekkingen vervulde--nl. van algemeen

ontvanger der belastingen--had de in moeielijke omstandigheden

verkeerende schrijver zich laten bepraten, hij was bij den man der haute

finance in dienst getreden als kassier. Materieël blonk hem een gouden

toekomst tegen, maar de beslommeringen en vooral de verantwoordelijkheid

van een werkkring waarvoor hij in 't minst niet geschikt was, maakten

hem ziek.

Gedurende die ziekte dacht hij veel na over zijn levensverhoudingen: het

was of de konsekwentie van zijn beginselen eerst recht tot hem doordrong,

nu hij ze als naakte mannen in de wereld zag staan. Hij voelde de

tegenstelling tusschen zijn prediken van armoede en onbaatzuchtigheid aan

anderen en de richting van zijn eigen leven; hij voelde dat zoolang hij

zelf deed wat hij in anderen verdoemde: rijkdom en wereldsch goed najagen,

de wereld zijn beginselen niet ernstig nemen kon.

Toen nam hij een besluit, waartoe slechts zeldzaam idealisme in staat

is: hij besloot zijn leven op een nieuwen basis te stellen. En wat nog

zeldzamer is, hij zette het door.

Hij begon met aan Francueil te schrijven dat hij zijn kassierschap

neerlegde: een groote dwaasheid natuurlijk in de oogen der menschen;

Francueil dacht dat hij ijlde of waanzinnig geworden was.

Hoe zou hij nu leven?

De meeste schrijvers dier dagen, zelfs tamelijk beroemde, leden

chronisch armoede, en daar het verkeeren in de Parijsche wereld veel

geld verslond, vervielen zij en moesten zij vervallen in 't ellendigste

parasitisme. De eenige uitkomst van wie geen eigen middelen bezaten was

een jaargeld, hun hetzij door den koning of eenig adelijk heer of een

der rijke letter-lievende financiers als Helvétius of Holbach,

geschonken.[28]

Rousseau wilde onafhankelijk leven, niet in dienst der rijken en

niemands gunsteling zijn, dan was hij immers niet meer vrij geweest in

't verkondigen zijner beginselen.

En ook wilde hij niet genoodzaakt zijn, te schrijven voor brood; hij kòn

het niet, hij kòn enkel produceeren wanneer "liefde tot het groote goede

en schoone" gelijk hij zich uitdrukte, dat is enthousiasme voor sociale

idealen, de heerlijke, uitstralende warmte der inspiratie wekte in zijn

gemoed. Met Dante kon hij van zich zelven getuigen "ik ben zulk een die,

wanneer liefde iet mij inblaast, oplet, en wat zij innerlijk voorzegt,

nederschrijft."

Zoo besloot hij dan te leven van den arbeid zijner handen. Hij schreef

fraai en duidelijk, gelijk het gewone, zoo ook notenschrift; hij hield

van elke bezigheid, die met zijn geliefde muziek samenhing: hij werd

muziek-copiïst.

Het was geen gril en geen spelletje van hem, die overgang tot het

handwerk. Wanneer het noodig was (soms bracht zijn letterkundig werk hem

genoeg op, om een poos te kunnen leven) en waar de omstandigheden het

mogelijk maakten (niet natuurlijk in de zwitsersche bergen en op 't

platteland van Engeland) verdiende hij voortaan, tot kort voor zijn

dood, met muziek-copieëren zijn levensonderhoud.

Hij zelf vond het heel gewoon om tot een ambacht terug te keeren; hij

had zich immers altijd handwerksman gevoeld. En hij gaf aan de

letterkundigen niet slechts zijner maar ook onzer dagen, een schoon

voorbeeld van hoe de revolutionaire schrijver leven kan en leven moet,

die in zijn werk _niets_ toe wil geven aan de heerschende meening en de

goden van den dag, die vrij en fier wil uitspreken wat de innerlijke

stem te spreken gebiedt: door de materieele basis van zijn leven

onafhankelijk te maken van zijn letterkundige produktie.

Zijn literaire vrienden vonden zijn besluit aanstellerig. Zij schreven

allen om te verdienen, namen allen jaargelden en geschenken aan; waarom

moest hij anders doen dan alle anderen? Het was of hij zich met zoo te

doen op een voetstuk stelde. Zij voelden een wrevel tegen hem groeien

in hun binnenste; naast 't samenleven met Thérèse kwam door de nieuwe

wending die hij bewust aan zijn leven gaf, een tweede kiem van

vervreemding, die voor de vriendschap op den duur doodelijk moest zijn.

Intusschen zette hij zijn "innerlijke hervorming" ook door in wat zijn

uiterlijk betrof. Hij had besloten zich vrij te maken van de tyrannie

der openbare meening, naar eigen inzicht en wensch te leven; dit sloot

in dat hij zich niet langer stoorde aan de tyrannie der mode. Hij

schafte de kostbare en omslachtige kleedij af, zonder welke niemand

zich in de groote wereld plagt te vertoonen: de gepoederde pruik, de

kuitenbroek, de degen; hij verkocht zijn horloge. Voortaan was zijn

kleeding die van een eenvoudig burgerman. In 't eerst kon hij nog geen

afstand doen van zijn mooi fijn linnengoed, de eenige luxe waaraan hij

gehecht was, maar een dief--waarschijnlijk een broer van Thérèse--hielp

hem daar weldra van af.

Ach, had hij de maatschappelijke verhoudingen die hem drukten en

knelden, maar even gemakkelijk kunnen afwerpen als de gegalloneerde

jas en uittrekken als de gegespte schoenen die de smaak van den dag

voorschreef! Hij wilde alleen zijn om te werken: men liet hem niet

alleen. Hoe zonderlinger hij deed, des te meer kwam hij in de mode: aan

de Parijsche wereld was immers alles welkom, wat afwisseling bood en

door te prikkelen vermaakte. Men verdrong zich om hem, men maakte hem

't hof, de vrouwen gebruikten duizend listen om hem op hun diners te

krijgen. Hoe halsstarriger hij zich terug trok, des te meer hielden zij

aan. Hoe stuurscher hij deed, des te vriendelijker werden zij. Het was

toen de gewoonte der groote heeren de schrijvers en kunstenaars te

overladen met geschenken; deze namen daardoor natuurlijk verplichtingen

op zich tegen hun "begunstigers," die maar één doel kenden: de hen immer

najagende verveling te ontvlieden; daartoe moest iedereen en alles

dienen; daartoe ook, ja vooral, de geest en het talent van hunne

beschermelingen. Zij hadden immers 't recht daarop beslag te leggen door

hunne gunsten--zoo voelden zij 't, zoo was het ook. Hun protégés moesten

ten allen tijde klaar staan om bij hen te komen, om eindelooze

gesprekken met hen te voeren, om hun verstrooiing en afleiding te

bezorgen. Alles wat begeerlijk was behoorde hun immers toe. Zij konden

alles koopen, waarom dan ook niet dit?

Arme Rousseau! Hij voelde al de ellende die 't aannemen van geschenken

doorgaans ten gevolge heeft, waar 't vriendschaps-verkeer niet gebaseerd

is op sociale gelijkheid. Hij voelde de vermomde knechtschap, de

vergulde slavernij waarin de gunsten der grooten hem sloegen. Hij

verzette zich telkens weer, als een wanhopige. Hij sloeg wild om zich

heen om af te weren, hij deed opzettelijk lomp en onhebbelijk, schrok

dan zelf van zijn lompheid en wou haar goedmaken. Hij was willens en

wetens ondankbaar, om toch maar vrij te komen. Hij kwam nooit geheel

vrij. Thérèse was hierin anders, voelde anders, ging tegen hem in. En

achter haar stond, klaar om alles in te slokken, de onverzadelijke

moeder.

Het was zoo moeilijk. Hij wou niet beschermd worden. Maar gekoesterd en

bemind worden wou hij wel graag. Als de meeste teergevoelige menschen

was hij ijdel. Het is erg moeilijk de grens aan te geven waar eindigt

het genieten van liefde omdat zij 't hart streelt, en begint 't genieten

van hulde omdat zij de ijdelheid streelt. De eene gaat onmerkbaar over

in de andere. Zeer sterke karakters versmaden doorgaans de hulde en ook

de liefde van hen die zij zelven niet liefhebben en eeren. Zulke

menschen zijn te hoogmoedig, om ijdel te zijn. Maar Rousseau hoorde

gelijk de meeste kunstenaars tot de zwakkere naturen, voor wie liefde in

elken vorm, ook die der hulde, den lievende haast onweerstaanbaar maakt.

En de menschen der groote wereld van zijn tijd waren zoo beminnelijk.

Charmeeren behoorde tot hun verfijnde levenskunst. Geestige bekoorlijke

vrouwen smeekten hem om steun, om een weinig zachtheid; voorname mannen

drongen hem hun vriendschaps-bewijzen op met die onbeschrijfelijk-

gracielijke hoofschheid, de laatste levensbloem welke een klasse met een

lang verleden van heerschen en genieten voortbrengt. De lieftalligheid

der eenen, de hoofschheid der anderen kon hij niet altoos weerstaan.

Hij worstelde, zegevierde, bezweek weer, worstelde opnieuw; hij ontkwam

slechts aan den eenen beschermer, om zich gewonnen te geven aan een

anderen.

Tweestrijd, twijfeling, inkonsekwentie, aanloopen die steken bleven, het

verscheuren van oude banden om nieuwe aan te knoopen--dit zou nog jaren

lang zijn leven zijn.

Zooals hij worstelen er velen, altijd opnieuw en altijd half-vergeefs,

om los te komen uit levensbanden, die voor zachte harten ook de

zachtheid des levens zijn.

In die jaren kreeg hij nog op andere wijze gelegenheid om de kracht van

zijn besluit te beproeven. Gedurende een vakantie in Passy had hij weer

een opera gekomponeerd, of eigenlijk een zang-spel in Italiaanschen

stijl, "De Dorpswaarzegger," en o wonder! de lieve melodieuse muziek

viel in den smaak, hij vond beschermers en zijn werk werd te

Fontainebleau voor den koning opgevoerd. Hij woonde de voorstelling bij,

in zijn gewone plunje, maar voelde zich toch niet behagelijk. "De

Dorpswaarzegger" had een enorm succes, de koning was verrukt: hij wilde

den componist audiëntie verleenen en hem een jaargeld schenken. Rousseau

weigerde op audiëntie te gaan[29] en sloeg het jaargeld af. Het eerste

begreep Diderot; het tweede vond hij bespottelijk: hierover liep hun

eerste twist. In dienzelfden tijd mengde hij zich in den strijd tusschen

de italiaansche en de fransche dramatische muziek die te Parijs was

uitgebarsten: de felheid, waarmede hij in een brochure de konventioneele

uitgedroogde stijl der fransche opera aanviel, wekte in intellektueel-

artistieke kringen een zoodanige beroering, dat zijn geschriftje zegt hij

"een revolutie verhoedde," door de opwinding en spanning op andere banen

te leiden. Een bewijs natuurlijk, hoe de revolutionaire stemming in de

jaren '50 nog slechts een betrekkelijk kleinen kring had aangegrepen.

Toen in dien tijd dat de omkeer in zijn binnenste hem bewust geworden

was, Thérèse opnieuw moest bevallen, dacht hij voor 't eerst ernstig

na of hij 't kindje, hun derde, weer te vondeling leggen zou. Hij

beschouwde dat nu niet meer als vanzelfsprekend, gelijk de vorige

keeren. Maar hij zag geen kans om zijn kinderen een goede opvoeding te

geven. Thérèse zou ze verwend, het voorbeeld van haar familie ze allicht

op den slechten weg gebracht hebben. Zelf was hij in die jaren geheel in

beslag genomen door zijn werk. En dan, handelde hij, zijn kinderen te

vondeling leggend, niet in de lijn van zijn beginsel? De opvoeding die

de gemeenschap hun gaf, maakte hen tot nuttige burgers der gemeenschap,

arbeiders of boeren. Zoo stelde hij zijn geweten gerust, ja

verhoovaardigde zich over zijn handelwijze, voelde zich door haar een

burger van den staat van Plato. Driemaal, nadat hij wereldschheid had

afgeschud, baarde Thérèse; driemaal deed hij, tegen haar wil, hun kind

naar 't vondelingen-huis brengen.

Spijt zou later komen, om 't geluk voor hen beide, dat hij zoo roekeloos

had weggeworpen; wroeging om zijn verwaarloosde plicht. In deze jaren

van vreemde gespannenheid voelde hij niets daarvan; het leek wel of de

bron van alle zachte aandoening verdroogd was, teerheid toegeschroefd in

zijn wezen.

Hij kreeg hoe langer hoe meer een afkeer van het Parijsche leven en

begon er over te denken buiten te gaan wonen of zich in Genève te

vestigen, waar hij in '54 met Thérèse eenige maanden vertoefde en goed

ontvangen werd. Zijn republikeinsch enthousiasme kreeg door dat verblijf

nieuw voedsel. Nu de idealen van zijn kindsheid weer levend in hem

geworden waren was 't natuurlijk dat hij verlangde door een daad zijn

geestelijke eenheid met de gemeenschap waarin hij, idealist als hij

bleef, in menig opzicht zijn ideaal belichaamd zag, te herstellen: hij

werd opnieuw protestant en burger van Genève.

Vrienden daar deden moeite om hem een eervolle betrekking te bezorgen en

voor goed aan zijn vaderstad te binden. Hij zelf weifelde: misschien zou

't er toch toe gekomen zijn. Maar 't zachte fleemen en hartstochtelijk

willen van een vrouw stuurde zijn leven in andere richting.

Noten:

[1] Zie over dit geheele tijdvak Martin, Histoire de France, Deel XV,

boek XCII; en Michelet, Histoire de France, Deel XV, hoofdstuk VII tot

XVIII. Deze schitterende burgerlijke geschiedschrijver geeft van het

felbewogen tijdperk 1719-1721 een meesleepende voorstelling. Zijn

ideologische "verkeerdheid" komt natuurlijk telkens treffend uit o.a.

in de volgende opmerking: "Men gelooft ten onrechte dat het kapitaal

geen godsdienst heeft. Het kapitaal is protestantsch ... Al wat handel

drijft, fabriceert, verdient, zich verrijkt, tot welstand komt, is aan

de zijde der ketterij." De opvatting van Michelet dat de ideeën de

drijfveeren der geschiedenis zijn, maakte dat de ekonomisch-sociale

oorzaken van het protestantisme en de beteekenis daarvan als de

ideologie der opkomende bourgeoisie hem geheel ontging.

[2] Jaurès, Histoire Socialiste, bl. 22. Deze cijfers van Jaurès zijn

wel is waar ontleend aan het budget der laatste jaren vóór de

Omwenteling, maar zij zullen omstreeks het midden der eeuw niet veel

lager geweest zijn.

[3] Althans voor haar hoogere rangen; op deze, niet op de lagere

geestelijkheid, is wat hier gezegd wordt toepasselijk.

[4] Michelet, Histoire de France, XVI bl. 278.

[5] Levasseur, Histoire des Classes Ouvrières et de l'Industrie en

France.

[6] Mémoires et Journal du Marquis d'Argenson, Deel VIII.

[7] Jaurès, Histoire socialiste, bl. 39—40.

[8] De manufaktuur is de bedrijfsvorm, waarbij de arbeiders, in dienst

van den kapitalist, geconcentreerd zijn in één gebouw of werkplaats,

terwijl het arbeidsproces in een aantal eenvoudige handgrepen is

opgelost, die elk door een bepaalde groep van arbeiders worden

uitgevoerd. In de manufaktuur wordt de arbeid mechanisch, de technische

vaardigheid van den arbeider, veroordeeld steeds dezelfde handgrepen te

herhalen, neemt natuurlijk sterk toe.

[9] Levasseur, bl. 536.

[10] Martin, Histoire de France, Deel XVI.

[11] Levasseur, bl. 546. Daarna kwam de zevenjarige oorlog, die aan den

Franschen handel een geweldigen knak toebracht.

[12] Levasseur, bl. 549.

[13] F. Rocquain, L'Esprit révolutionaire avant la Révolution.

[14] Windelband, Geschichte der neueren Philosophie, bl. 411-12.

[15] Windelband, bl. 359.

[16] Zie over de engelsche en de fransche wijsbegeerte van het tijdperk

der verlichting het Vde en VIde hoofdstuk van Windelband's Geschichte

der neueren Philosophie.

[17] Eenige krasse staaltjes van Voltaire's anti-demokratische

gezindheid, zijn verachting voor de volksklassen, vindt men aangehaald

bij St. Beuve, Causeries du Lundi: Deel XIV bl. 26.

[18] Groot in het doen van zaken en het opwerpen van gedachten.

[19] Hij sprak daarmee volgens Mme de Boufflers, slechts "het geheim van1

allen" uit.

[20] Bij dit oproer hoorde men voor 't eerst de kreten "A Versailles;

brûlons Versailles"--de haat van het volk tegen den wellusteling en

graanspekulant Lodewijk XVde was veel grooter dan veertig jaar later die

tegen Lodewijk de XVIde.

[21] F. Rocquain, de l'Esprit révolutionaire, bl. 298.

[22] De ceremonie die hij na zijn terugkeer uit Engeland zijn huwelijk

noemde was niet anders, als een plechtige verzekering voor eenige

vrienden afgelegd, Thérèse van dat oogenblik af aan als zijn wettige

vrouw te beschouwen.

[23] E. et J. de Concourt, "La femme au XVIIIième siècle," blz. 296.

[24] O.a. Marc. de Girardin en E. Ritter. Van de vrienden van Rousseau

heeft Mme de Verdelin zich in haar brieven zeer gunstig over Thérèse

uitgelaten.

[25] Dit kan niet gezegd worden van den engelschen biograaf John Morley,

wiens overigens belangrijk werk over Rousseau door de akelige weeheid

der typische engelsche bourgeois- en fatsoens-moraal bedorven wordt.

[26] Aan 't hof haatte men natuurlijk de Encyclopedisten als de pest.

Alleen Pompadour steunde hen tegenover de reaktionaire

kroonprinsen-kliek (een werktuig in de handen der Jezuïeten). Zij had

burgerlijke neigingen en zekere vage aspiraties naar "eenvoud" en

"natuur;" de stijl die haar naam draagt beteekent een reaktie tegen de

overladen weelderigheid van het rococo.

[27] Het strijdpunt dat zoovele pennen in beweging heeft gebracht, nl.

de vraag in hoeverre Diderot's raad Rousseau bij de samenstelling van

zijn eerste "Discours" heeft beïnvloed, komt mij voor vrij onbelangrijk

te zijn. Die invloed kan, voor wie Rousseau's verhaal van zijn innerlijk

gezicht op den weg naar Vincennes voelt als in hooge mate psychologisch-

waarschijnlijk, er slechts eene geweest zijn van bemoediging en

bevestiging, die raad hoogstens ondergeschikte punten betroffen hebben.

[28] "De arme schrijvers waren een erbarmelijk verschijnsel. Zoo

Colletet in de vorige eeuw "van keuken tot keuken zijn brood zocht"

(Boileau) hoefde hij zich niet de kostbare kleedij te verschaffen van

den letterkundige van later dagen, die verkeerde in de salons. In de

18de eeuw is Allainval, een geacht auteur wiens stukken vaak gespeeld

worden en die overal ontvangen wordt, zoo arm dat hij, bij gebrek aan

eenige verblijfplaats, in de draagkoetsen overnacht. Deze overmaat van

ellende en het parasitisme dat er uit volgde maakten, dat men de

schrijvers erg ongegeneerd behandelde. Mme du Tencin placht aan haar

habitués als nieuwjaarsgeschenk kuitenbroeken uit te reiken" (Michelet,

Histoire de France, XVI, 84).

[29] In de "Confessions" bekent Rousseau openhartig, dat de vrees voor

het ongemak dat zijn blaaskwaal hem soms veroorzaakte, een der motieven

was die hem de audiëntie deed weigeren.

Jean Jacques Rousseau: Een beeld van zijn leven en werken · 第 18 / 32 题