Het was vroeg-lente, het zoet getijde, dat alle dwaze droomen opengaan.
Hij kwam nu in het land Savoye; op de heuvels boven de dalen stonden de
kasteelen der heeren, en hij dacht smachtend aan de schoone jonkvrouwen,
die op hem gingen verlieven en hij op hen. Hij had, meende hij, de hand
slechts uit te strekken om het wonder aan te raken, overal geurde de
minne, het duffe leven van gewoonheid lag achter hem, zijn dagen gingen
zich kronkelen door verrassingen en avonturen, als een stroom zich
kronkelt door bergen. Zoete verwachting van wat ging komen! En zoete
bandeloosheid van het oogenblik! Hij dwaalde naar willekeur, kwam, ging,
rustte, droomde, de boeren gaven hem voedsel en onderdak; hij voelde
zich baden in vrijheid.
Die droomen waren--droomen. En de vrijheid, die hem omwoei, was schijn.
Wat hij gedaan had was niet willekeurig, maar een kleine golf in den
oceaan van het menschelijk gebeuren, een van de duizenden stipjes te
zamen de lijnen vormend die wij noemen "maatschappelijke verschijnselen."
Zijn vlucht was het gevolg van het leerlingenstelsel, een werking van
dat stelsel op een uiterst-sensitieve natuur. En wat hem na zijn vlucht
ging gemoeten en gebeuren, had elk kunnen voorspellen, die hem kende en
de streek waar hij kwam. Hij kon haast geen stap doen buiten 't
grondgebied van Genève, of hij was bij den erfvijand, in 't land der
hertogen van Savoye. In vroeger tijden hadden zij met de wapens gepoogd
de burgerlijk-protestantsche stad ten onder te brengen, vele malen,
telkens weer. Maar 't was hun nooit gelukt haar te vermeesteren en de
veete was ten slotte gedempt. Nu voerden de papen den strijd verder met
andere middelen: geniep en listen en omkooperij. De zwarte spinnen
hadden hun webben gesponnen tot aan de poorten van Genève, zij lagen op
de loer naar de afgedwaalde zonen van het protestantisme; er werden vele
bekeerlingen gemaakt. Wie jong en onnoozel, zonder middelen van bestaan
zwierf langs de wegen, moest in hun netten raken voor hij 't wist.
De eerste de beste man van aanzien en middelen bij wien de vluchteling
na een paar dagen zwervens belandde, was een van de geestelijken die het
bekeeringswerk stelselmatig bedreven. Hij verzorgde den hongerigen knaap
met een flink maal, schonk hem rijkelijk van den gelen landwijn die het
hart licht maakt en de gedachten welig, polste hem, vond een zieltje te
winnen, en gaf hem een schrijven voor Mme de Warens, een adellijke dame,
die te Annecy van de karige mildheid van den koning van Sardinië leefde.
Zelve een nieuwbekeerde, was zij een werktuig in handen der priesters:
haar huis fungeerde als doorgangspunt, vanwaar de bekeerings-candidaten
uit de streek verder werden gezonden naar het centraal gesticht in de
hoofdstad Turijn, om daar onderwezen te worden in de leer van het
katholicisme.
Hij meldde zich aan: men zei hem, dat zij naar de mis was. Hij
achterhaalde haar op 't pad dat de beek langs, van haar huis naar de
kerk voerde; zij hoorde hem komen en wendde zich om. Hij had een oude
kwezel te vinden verwacht en stond in verbazing: zij glansde hem tegen,
lieftallig schoon en jong.
Mme de Warens was toen 28 jaar oud, 12 jaar ouder dan Rousseau. Sedert
zes jaren leefde zij, van haar echtgenoot gescheiden, te Annecy met haar
bediende-intendant Claude Anet, een Zwitser, die haar minnaar was.
Niemand wist van hun liefde. Zij was klein van gestalte, poezel en
weelderig van vormen, een vrouwtje van Watteau. Haar gelaatskleur
bloeide als lelies en rozen, uit haar oogen straalde zachtheid, haar
teeder gelaat omgolfde een weelde van aschblond haar, haar stem klonk
als zilveren klokjes, haar glimlach bekoorde. Zoo zag Rousseau haar niet
alleen, zoo zagen haar ook anderen. Zij bezat de zoete gave van
lieftalligheid.
Hij had al veel van vrouwen gedroomd en was ook wel kinderlijk-verliefd
geweest op groote meisjes. Maar nu ging de liefde open voor zijn hart.
Vurige aanhankelijkheid en volmaakt vertrouwen stegen daarin op, als
twee witte duiven. Hij had de ster van zijn jeugd gevonden.
Over het oogenblik hunner eerste ontmoeting schreef hij vijftig jaar
later--het waren de laatste woorden die hij schreef--dat het zijn leven
beslist had en langs onvermijdelijke schakels het lot zijner dagen
voortgebracht. Zij bond hem met den éénen band waartegen hij nooit in
pijn steigerde. Zijn verlegenheid, zijn linksheid, versmolten voor hare
gratie; hij raakte los, alles in hem ging open, de teruggedrongen
zachtheid in zijn wezen stroomde uit en vond hàre zachtheid ... dat was
het geluk.
Was het de liefde-hartstocht? Hij heeft het nooit geweten, toen niet en
later niet. Zij werd daar en onmiddellijk, de liefelijke verschijning
die hem omhoog trok, de hooge vrouw van zijn romantische vereering; al
heel spoedig, de milde weldoenster die hem opnam uit zwervende armoe in
haar behagelijk thuis; wat later, de moederlijke vriendin die hem
terechtwees, zijn ruigheid polijstte met zachte hand, en tevens de
geliefde die hij, hartstochtelijk dwepend, verafgoodde. En eindelijk
werd zij zijn minnares, niet uit zinne-lust naar zij zeide, maar om hem
te beveiligen voor anderen. Al de jaren van zijn onstuimige jeugd vulde
zij zijn hart en zijn zinnen; hij was van haar voortaan, bij haar voelde
hij zich veilig geborgen, en of hij zwierf of keerde, zij hield hem
gebonden, en die gebondenheid was zijn geluk.
Maar niet kende hij door haar den zinnenroes der eerste liefdesbedwelming.
Integendeel, die ontging hem door haar, want in de dagen van zijn
hoogsten hartstocht was hij een knaap die haar niet durfde naderen; en
toen zij zich gaf, na jaren, schrok zijn lange vertrouwelijkheid en
kinderlijk-volgzame aanhankelijkheid huiverend terug, als omhelsde hij
in minne zijn moeder.
Zij was wel een wonderlijke achttiend'eeuwsche heilige. Kuischheid
beschouwde zij als een vooroordeel: dat had een vroeger minnaar haar
geleerd, en zij vond het een gemakkelijk beginsel. Haar hart was warm en
zacht, haar zinnen waren koud; zij gaf zich aan de afhankelijke
jongelieden uit haar omgeving die haar begeerden niet uit hartstocht,
maar om hun te believen, haast achteloos. Alleen moesten die liefden
voor de menschen verborgen blijven: zoo eischte het de welvoegelijkheid,
haar maatschappelijk aanzien. Daaraan hield zij zich streng. Zij bezat
een verwonderlijke levenskracht, haar ondernemingsgeest schuimde telkens
over; een levendige verbeelding, zich richtend op allerlei onmogelijke
plannen, sleepte haar mee. Gedurende haar huwelijk met den edelman de
Loys had zij een kousenmanufaktuur opgericht en was in schulden en in
groote verlegenheid geraakt: zij redde er zich uit door van Vevey over
het meer naar Evian te vluchten, waar zij zich den koning te voet wierp.
Spoedig volgde haar bekeering.
Wat heeft zij in haar lang leven al niet overhoop gehaald! Toen Rousseau
bij haar inkeerde, was de bereiding van geneesmiddelen uit bergkruiden
haar stokpaardje; zij kookte den lieven dag lang, en hij moest alles
proeven, of hij wilde of niet. Later kwam de alchemie aan de beurt, en
daarna de kousenfabriek, manufakturen van chocolade, van zeep, van
aardewerk. En eindelijk allerlei mijnondernemingen in de bergen van
Savoye, ijzer, steenkool, ook een hersenschimmige goudmijn; om ze te
exploiteeren richtte zij verscheidene naamlooze vennootschappen op. Wat
al plannen, wat al onrust, wat al menschen die haar oplichtten of dien
zij geld afzette, wat al intrigues en natuurlijk wat al mislukkingen,
wat al tegenslagen. Arme barones, zooveel verknoeide energie, en aan het
einde de finantiëele ruïne en de moreele ondergang, na jaren van al
nijpender schulden en al dreigender gebrek.
En toch ... bij die onrustige plannenmaakster was voor Rousseau de rust,
de uiterlijke en innerlijke, te vinden. Hij had een beschermer noodig
die hem brood gaf, hij had ruimte en tijd noodig om uit te groeien,
zichzelf te worden, zich te bezinnen, kennis te vergaren; en de banden
der liefde waren de eenige, die hij velen kon. Alle andere scheurde hij
stuk in opwellingen van onafhankelijkheidszin en ongeduld. Zonder haar
ware hij in landlooperij te gronde gegaan, om toch maar vrij te wezen.
Zij was de zachte lamp, die altijd brandde, de goede herberg waar hij
verkwikking vond voor zijn lichaam, zijn hart en zijn geest.
Hij, eenvoudige burgerknaap, zóó gesprongen uit het zwarte hol van zijn
leertijd, had haar 't eerst gezien omgloried door vrouwelijke bekoring
en wereldsche superioriteit. En die eerste indruk bleef, werd tot
fundament van het gebouw zijner gevoelens. Hij zag haar in schoonheid,
in verheerlijking--dat is, in diepste waarheid, de waarheid die enkel
de oogen der liefde zien. Hij zag de beste mogelijkheden van haar
vrouwenaard, het geduld en de mildheid, die altijd weer vergaven en
vertrouwden; de speelsche gratie, die alle hardheden van dood en leven
effen streek; de aandoenlijke zachtheid, die door alle verwringing van
onrust klonk, en vrede-verspreidend rond haar een sfeer maakte van
harmonie. Zoo zag hij haar, zoo zoog hij haar in zich, zoo hield hij
haar vast en deed haar leven voor latere geslachten in bekoorlijke
tafreelen van de dagen van zijn gelukkigen, door háár gelukkigen
jongelingstijd.
Eerst gaan hun wegen nog uiteen, een poosje. Zij stuurt hem naar Turijn,
om bekeerd te worden. Gewillig gaat hij over de bergen, dol van
zwerverslust. Waar is de gloed van geestdrift gebleven, die door zijn
kinderjaren vlamde voor het geloof der vaderen en de vrijheid?
Katholiek-worden beteekent met alles breken, zijn plaats verliezen in de
burger-gemeenschap, zijn kinder-ideaal verloochenen. Maar zijn zedelijk
leven is in de jaren van zijn leerling-zijn verslapt; de zedelijke
gloeden van het kind zijn ondergegaan in den knaap, verstikt door heete
begeerten van liefde, van roem, door ijdelheid en eerzucht. Eens zullen
zij weer opleven: het kind is vader van den man. Nu denkt hij alleen aan
de vreemde landen en prachtige steden die hij zien zal en aan de schoone
vrouw wier wil hij gaande, doet. Zoo blijft hij immers toch aan haar
verbonden, haar beschermeling. Vrijheid zweeft voor hem uit,
aanhankelijkheid verwarmt zijn hart: de wereld schiet vol van een nieuwe
schoonheid, rijk en zinnig staat elk ding te pralen: droomend, genietend,
juichend, maakt hij zijn Alpen-tocht en komt te Turijn.
Daar, de ontgoocheling; begin van eenzame ellende en vernedering. Hij
wordt toegelaten tot het gesticht, achter hem sluiten de zware deuren
zich knarsend: de vogel is geknipt. Hij vindt er arme schooiers als hij
is, maar ook sinistere gezellen, uitvaagsel van alle landen, die het
bekeerd-worden als ambacht bedrijven. Hij wordt zich de lafheid bewust
van wat hij gaat doen: om brood van geloof veranderen. Hij stribbelt
tegen, tracht de priesters die hem onderrichten in 't nauw te brengen
met argumenten uit de kerkgeschiedenis en den katechismus. Wat kan het
geven? Hij zou een reus hebben moeten zijn aan zedelijke kracht, een man
van ijzeren wil, om nu nog los te breken. Als katholiek verlaat hij, na
vier maanden van kwelling, het gesticht. Ach, en hij had zulke schoone
droomen gedroomd, toen hij de stad binnenkwam en zijn oogen hief tot de
paleizen, hij had verwacht dat het buitensporige nu waar ging worden.
Die in het klooster gaven hem twintig francs, het bedrag eener voor hem
gehouden kollekte, en zetten hem op straat.
Hij zwerft door de stad, genietend haar residentie-pracht en de
weergevonden vrijheid; voor een stuiver per nacht vindt hij onderdak bij
de vrouw van een soldaat. Hij probeert wat te verdienen met graveeren,
zoo goed en kwaad als 't gaat. Zoo komt hij in aanraking met een mooie
hupsche italiaansche winkeliers-vrouw en wordt natuurlijk verliefd; de
schoone moedigt hem zoetjes aan, maar hij is te verlegen, en eer 't tot
een avontuurtje kan komen, snijdt de bramarbas van een echtgenoot alles
af.
Zijn grootste genot in die dagen is het bijwonen van de mis. Het streelt
zijn ijdelheid in de kerk samen te zijn met den vorst en zijn hofstoet,
maar dat niet alleen. De kerkelijke kapel van den koning van Sardinië
was wijd en zijd beroemd om haar voortreffelijkheid; de pracht der
italiaansche kerkmuziek, heerlijk uitgevoerd, overstelpt hem,
muziekhartstocht wordt wakker vele jaren eer de schrijvers-drang
ontwaakt.
Zijn geld raakt op; zijn kostvrouw bezorgt hem eindelijk een postje: hij
wordt lakei bij een oude zieke adellijke dame. Na drie maanden sterft
zij. Haar dood geeft aanleiding tot een voorval in zijn leven, dat
nietig op zich zelf, bewijst hoe klein de zedelijke kracht is in den
jongeling. Hij ontvreemdt een zijden lint en als de diefstal uitkomt,
geeft hij, in verwarring en valsche schaamte, de schuld aan een
keukenmeisje, een goed onschuldig kind, die hem nooit iets had gedaan en
die hij in 't minst niet slechtgezind is. Vele jaren lang vervolgt hem
het berouw over die slechte daad uit zwakheid; als hij haar biecht in de
"Confessions", schreeuwen zijn vijanden over de verdorvenheid van zijn
aanleg, bazuinen zijn vrienden zijn waarheidsliefde uit.
Hij krijgt opnieuw een dienstbetrekking bij aristokraten, en verlieft op
een der freuletjes die hij bedient. Door een toeval komt aan den dag dat
zijn opvoeding en ontwikkeling meer zijn, dan van een lakei te verwachten
valt. Zijn heeren blijken hem genegen; de zoon van den graaf, een
geestelijke, geeft hem latijnsche les, en gebruikt hem als sekretaris,
zoo leert hij zuiver italiaansch. Een ander geestelijke met wien hij
bekend wordt, een jonge man van wijde gedachten en grooten levensernst,
zeer zachtmoedig en verdraagzaam, stelt belang in hem, geeft hem goeden
raad, tracht zijn naïeve, onstuimige bewondering voor de ijdelheden der
wereld te temperen. Later rijpen die zaden en dragen dubbele vrucht: zijn
gemoed aanvaardt ze als levens-waarheid, zijn verheerlijkende verbeelding
herschept de herinnering van den zacht-peinzende jongen priester tot de
groote gestalte van den "Vicaire Savoyard," figuur die een zeer belangrijke
faze verpersoonlijkt in de ontwikkeling van het godsdienstig denken.
Zijn toekomst schijnt verzekerd: het geslacht der Gouvon's behoeft in hun
diplomatieke carrière een begaafden, schranderen, eerzuchtigen jongeling
gelijk Rousseau tot vertrouwd sekretaris. Maar hij breekt weer los.
Een landgenoot duikt op, een vrolijke snuiter; voor den jongen
avonturier krijgt hij een van die onweerstaanbare bevliegingen waaraan
toe te geven hem in 't bloed zit. Hij wil, hij moet met Bâcle mee, hij
moet weer zwerven; hij verwaarloost zijn plichten bij den graaf om toch
maar weggejaagd te worden en is dol blij als hem dit lukt. Met zijn
nieuwen vriend trekt hij de wereld in: beide zijn overtuigd door 't
vertoonen van een "wonderfonteintje," dat wijn uitspuit nadat 't
schijnbaar met water gevuld is, gouden bergen te zullen winnen.
Een paar weken geniet hij 't vrije onbezorgde zwerversleven, dan raakt
hun geld op en trekken de jonge dwazen op Annecy aan; daar gekomen,
neemt hij afscheid van zijn vroolijken metgezel en ijlt naar Mme de
Warens. Zijn hart klopt van vrees, door haar afgewezen te worden; niet
de armoede ducht hij, maar haar afkeuring van zijn dolle streek. Zij
ontvangt den "arme kleine" met een glimlach en een meedoogend woord; een
bed wordt voor hem gereedgemaakt; zijn zwerftochten zijn niet ten einde,
maar in de tien volgende jaren zullen hun levensstroomen zich altijd
weer vermengen en haar dak zal zijn tehuis wezen, telkens weer.
Nu begint voor hem de reeks der zoete dagen waarvan hij vele jaren later
getuigde, dat zij de eenigen in zijn leven geweest waren, waarin hij
gansch zichzelf kon zijn. Zijn wezen dat elke dwang, elke verplichting
verafschuwde en ondragelijk gevoelde, gedijde, want de band die hem bond
was liefde, dat is vrijheid; zachte volle vrijheid die rondom hem veerde,
altijd meegaf, een donzige wolk.
Zijn weeke en toch moeizame natuur behoefde, om stroomend te worden, de
liefde; zonder haar adem bleef de kracht in zijn binnenste bevrozen,
alles kil en doods. De liefde voor vrouwen gelijk hij die meermalen
gevoelde, niet als onstuimige hartstocht maar als zinnelijke
verteedering en teedere zinnelijkheid, maakte de krachtstroom in hem
levend, joeg dien door zijn bloed, door zijn hart, door zijn hersens,
verscherpte de doezelige omtrekken zijner verbeeldingen, ontwarde de
vervlochten slingeringen zijner gedachten. Slechts eenmaal in zijn leven
schreef hij, gedragen alleen door het andere beginsel in hem: het
moreele, de hartstocht voor deugd, voor gelijkheid en vrijheid. Wat hij
toen schreef werd hol en retorisch, van een gloed die niet verwarmde.
In zijn herinnering bleef de liefde van zijn jeugd, die van nu af aan
wast in zijn hart en een tijdlang alles opeet, voortleven, niet als
passie, onrust van begeeren, maar als teedere aanhankelijkheid, zachte
overgave, volheid van rust en vertrouwen. Zijn liefde voor Mme de Warens
was een dier grensgevoelens waarin al wat menschelijke affektie teeders
heeft, zich vermengt. En zulk een liefde te gevoelen zonk in hem als de
hoogste gelukzaligheid. Wie slechts de hartstocht der liefde kent, heeft
hij getuigd in de "Bekentenissen", kent niet de zachtste zachtheid des
levens. "Ik ken een zachter gevoel, minder onstuimig misschien, maar
duizendmaal heerlijker, dat somtijds wèl, somtijds nièt samengaat met
liefde-hartstocht. Enkele vriendschap is dit gevoel niet, het is
teederder; ik kan mij niet denken, dat 't zou bestaan voor een wezen van
hetzelfde geslacht. Want zoo iemand een goed vriend is, ben ik dat en
toch heb ik voor wien ook mijner vrienden nimmer dit gevoeld."
Het zoete schemergevoel tusschen vriendschap en liefde, dat 't hart niet
doet zich verteren in verlangen, maar zacht en welig uitzetten als een
vrucht in zomertijd, was 't sterkste element, 't wezenlijke in de liefde
van Rousseau voor Mme de Warens. Dit gevoel deed hem groeien.
Daarom is het lieftallige maar vlakke wezen dat hem nooit begreep, in de
tien jaren dat hij van jongeling tot man rijpte, de groote vormende
kracht in zijn leven geweest. Zij ontbolsterde den schuwen knaap,
polijstte den verwilderden zwerver, leerde den houterigen burgerzoon
goede manieren en korrekt fransch. Zij gaf hem wat zij zelve bezat aan
weten, een weinig oppervlakkige kennis van de fransche filosofie en
literatuur van den tijd, en van de opkomende burgerlijke engelsche
prozaliteratuur, zooals Addison (in vertaling). Zij gaf hem het vernisje
van wereldwijsheid dat zij zelf had verworven door een beetje lezen en
ervaring en in gesprekken met mannen van eenige ontwikkeling, zooals er
te vinden waren onder den adel van Savoye. Het was alles niet veel, maar
hij kon ook niet veel verdragen, hij was nog zoo rauw en ongevormd. Maar
het maakte hem toch geschikter om na eenige jaren van langzaam rijpen,
de geestelijke beweging van zijn tijd zelfstandig in zich op te nemen en
te verwerken. En zij gaf hem haar eigen geloof dat zoo wel bij zijn
weekheid paste: het zachtaardige, poëtisch milde, vage christendom van
Fénélon waarin haar faciele natuur zich behagelijk neervleide als in een
donzen bed. Het piëtisme was al voor het begin der eeuw van uit
Duitschland naar Zwitserland overgewaaid en Mme de Warens had als meisje
een zijner voornaamste apostelen leeren kennen en was door hem beïnvloed
geworden. De leer die het gevoel, de innige liefdes-verhouding tot God
verheerlijkte tegenover de uiterlijke werken, de daden, moest haar wel
behagen, het was immers een vrijbrief voor haar zwakheden en een
verheerlijking van haar eigen liefde-warme hart. Rousseau zoog die
gedachten in zonder hun oorsprong te kennen; het makkelijk-vloeiend
geloof van haar ondiepe gratie verinnerlijkte en verdiepte zich in de
donkere gewelven van zijn gemoed.
En met de teerheid en zachte levenshouding en oppervlakkige kennis die
hij inzoog en die een deel van hem werden, deed hij het ook de
schoonheid der omgeving waarin hij deze jaren leefde; het oude voorname
stadje dat met de guirlandes van arkaden langs zijn straten, zijn
middeleeuwsche torens en stille, in 't meer mondende kanalen een
provinciaalsch-verkleind Venetië scheen, en de natuur waarin de
bekoorlijke bloem van dit stedelijk schoon gegroeid was. Van uit zijn
kamer zag hij het vruchtbaar dal dat achter de stad zich strekte en de
hellingen der heuvels daarachter zich welven en de flauwe lijn van den
bergrug in het noorden die den horizon sloot, een lange kam tegen de
gouden bleekte der avond-lucht. Hoeveel zachter was dit alles dan
Genève, hoe innig en klaar! En als hij liep aan het parelend meer, onder
de hooge peppels en platanen, zag hij de romantiek der bergen: woeste
rotstinnen en besneeuwde toppen links en rechts het meer omsluiten en op
den achtergrond de bergkoulissen over elkander schuiven. Het landschap
was wijd, en toch omsloten; zwitsersch-groots, en liefelijk als Italië,
een bad van vrede en harmonie.
Dit land werd één met zijn ziel en één met zijn liefde. Had hij niet
langs de hellingen dwalend en peinzend van zachte verrukkingen
geduizeld, en het alles-etend verlangen hem voelen overstelpen van
altijd met de geliefde saam te zijn? Want zij waren toen nog dikwijls
gescheiden. En toen hij later droomen schiep, schoone verbeeldingen van
liefde, zag hij ze gebeuren aan bergen en aan een meer.
Mme de Warens dacht veel na tot welk beroep haar beschermeling viel op
te leiden. Hij was haar in huis misschien ook wel wat lastig, om de
verhouding met Claude Anet. Zij liet hem examineeren door een kennis, en
de uitspraak luidde, gelijk zij in Genève geluid had: de knaap is zeer
zwak begaafd, beperkt van geestvermogens. Hoogstens, meende de
ondervrager, kon hij het brengen tot dorpspastoor. Zij sloten hem op in
't seminarie boven de stad; opnieuw geknipt, dorstte hij weer naar de
zoete vrijheid. Hij deed zijn best maar bleek te hardleers. Hij kon niet
leeren van anderen, allerminst door dwang; alles moest hij zelf
verwerken, maar dit wisten zijn meesters natuurlijk niet. Hij werd
weggestuurd en kwam weer thuis. Toen probeerde zij wat anders: deed hem
aan huis bij den kapelmeester van de kathedraal, om voor den koorzang
opgeleid te worden. Zijn vorderingen waren niet heel groot, maar muziek
verrukte hem, hij voelde zich in die atmosfeer volkomen gelukkig en
studeerde ijverig, tot ieders tevredenheid. Nu was hij ook niet
afgesneden van de liefste, zooals in 't seminarie: de zangschool voor de
koorknapen lag tegenover haar huis, hij kon dagelijks met haar verkeeren.
Maar ongelukkig kreeg zijn meester twist met een kanunnik; de prikkelbare
musicus voelde zich beleedigd en besloot Annecy heimelijk te verlaten.
Toen Mme de Warens merkte, dat zij hem niet kon terughouden, was zij hem
behulpzaam bij zijn vlucht en wenschte dat Rousseau den huisvriend zou
vergezellen. Deze gehoorzaamde, maar toen de arme musicus in Lyon op
straat door een aanval van vallende ziekte werd getroffen, krijgt opnieuw
een van die plotselinge opwellingen, waartegen de jongeling niet geleerd
heeft te strijden, macht over hem: hij holt weg, zonder zich verder om den
zieken meester te bekommeren. Als een duif naar zijn nest, vliegt hij naar
Annecy terug, maar Mme de Warens is verdwenen; de eene of andere politieke
intrigue waarnaar Rousseau haar nooit gevraagd heeft, riep haar naar
Parijs. Hij verwijlt nog een poosje in Annecy, zonder bezigheid en zonder
middelen. In dien tijd van doelloos onrustig leven valt hem in den schoot
een dier schaarsche dagen van volkomen gouden geluk, wier herinnering
nooit in den mensch verloren gaat. Twee gestalten zweven door dien dag,
lieflijke meisjesgestalten, de eene teeder en peinzend, de ander meer
lachend-schalks, beide aanbiddelijk. Hij gemoet hen, schoone rijdsters in
den vroegsten morgen, eer de zon nog op is in het nauwe dal. Hij helpt hen
over de beek, zij lachen met hem, zij schertsen, zij vragen hem mee.
Achter de eene stijgt hij te paard, zijn armen omvatten haar leest, hij
beeft van verrukking. En dan die rit door den zomermorgen, bloeiend van
zon en geur en vogels; en aan het doel van den tocht gekomen, het kostelijk
landelijk maal in de schuur van het kasteel, en daarna in den boomgaard het
kersen-eten, die hij plukt en hun toewerpt, fijntjes mikkend. De lange dag
van morgen tot avond één bekoring; vol, vol van geluk als een zomerwolk van
glans. En alles in onschuld en zoete eerbaarheid. Heerlijk zinkt de
herinnering in zijn gemoed, warm en zilv'rig; zij leeft voort en rankt en
rankt in 't onbewuste, tot zij, als de tijd gekomen is, weer zal stijgen
in 't licht, en haar draden spinnen door dit lieflijk droomweefsel, het
vriendinnen-paar Claire en Julie.
Nu begint voor Rousseau de laatste en ergste zwerftijd, alles vloeit
door elkander, zijn leven verwart zich als een kluwen. Hij geleidt de
kamenier van Mme de Warens, een hupsch meisje en hem genegen, terug naar
Fribourg en zoekt onderweg zijn vader op. In Lausanne geeft hij zich
uit voor musicus en krijgt enkele lessen; naar het voorbeeld van een
muzikalen avonturier dien hij in Annecy had leeren kennen en geweldig
bewonderde, neemt hij een andere naam aan en doet de dolste dingen: met
een overmoed die zweemt naar verstandsverbijstering, laat hij, den
muziek nog bijna geheel onkundige, een "kompositie" van zijn hand voor
orkest uitvoeren, ware kattenmuziek. Door bittere armoe gedwongen,
schrijft hij aan zijn vader, vraagt hem om hulp. De horlogemaker eischt,
dat zijn zoon tot het protestantisme zal terug keeren; dat weigert hij.
Nu zwerft hij een poosje rond met een oplichter die zich uitgeeft voor
een griekschen monnik, naar West-Europa gekomen om te kollecteeren voor
het Heilige Graf. Links en rechts vraagt hij hulp. De fransche gezant
in Berne bezorgt hem een postje te Parijs als oppasser van een jongen
officier, een kolonels-neefje; hij gaat er met zijn meester heen, vindt
de stad vies, zwart en morsig, breekt weer los en keert te voet, heel
oostelijk Frankrijk door, terug naar Savoye. Heerlijk zwerft hij,
zorgeloos genietend, arm als een muis, vroolijk als een vogel en als een
dichter rijk van gemoed. Wat hij noodig heeft vraagt hij. Hem verrukt
de natuur, haar mildheid en schoonheid, maar meer nog verrukken hem de
lieflijke verbeeldingen, die de beweging in de vrije lucht in zijn geest
te voorschijn roept. In Lyon verneemt hij, dat Mme de Warens in Savoye
is teruggekeerd en zich te Chambéry heeft gevestigd; daar vindt hij haar
en trekt weer bij haar in, ditmaal voor jaren. Het zwervers-bestaan is
ten einde, de ergste gisting der jeugd uitgewoed, een bewuster leven
gaat beginnen.
Vier jaar was het geleden, dat hij uit Genève vluchtte; hij was nu
twintig jaar oud, een jonkman. Hij had veel verworven in dien tijd en
iets verloren, veel in zich gegaard dat van belang was voor den
toekomstigen dichter-hervormer. Niet min of meer verwaterde
levens-abstrakties hadden hem gevormd, gelijkt men die leert op de
scholen: het leven zelf had hem in handen genomen en vorm gegeven;
soms zachtjes, dikwijls ruw. Maar haast voortdurend, sedert hij zijn
vaderstad verliet, had hij, zijn vreemden droomerigen maar ontembaren
vrijheidsdrang volgend, geleefd een leven van vrije overgave aan de
volheid zijner eigen impressies. In onbewuste onbuigzaamheid had hij,
geboren individualist, hardnekkig geweigerd, zich te laten linealen naar
de regels van het maatschappelijk fatsoen, hij was een vrije vogel
gebleven.
Een vrije vogel--zoo omschrijft zijn staat van toen de taal der
blijheid; in de schaduwtaal heet het "hij was een déclassé geworden."
Hij had zijn wortels in de kleine burgerlijke gemeenschap waaruit hij
stamde, verloren; hij was onder de maatschappelijke laag van zijn
afkomst, de gezeten burgerij, gezonken, en te land gekomen in het
bedienden-proletariaat. Zijn instinct van burgertrots had de
dienstbaarheid gevoeld als een slag in het gezicht, zijn ijdelheid en
eerzucht hadden onder haar geleden, zijn sensitivisme was door haar
gepijnigd. Zulke wonden laten lidteekens achter, voor goed. Gevoelens
van brandende verongelijking stoltten in de was van het wordend karakter
tot blijvende bitterheid, tot wantrouwen tegen de maatschappelijk-meerderen,
waar hij zich toch weer boven verheven weet in het vage, maar sterke besef
zijner sluimerende begaafdheid; tot een eeuwig kwellende argwaan, door hen
te kort gedaan te worden in zijn menschelijke waardigheid. Altijd weer
kwamen later die pijnlijk-samengestelde gevoelens boven in zijn omgang met
de grooten; zij roofden hem levens-zekerheid; zij beletten hem in dien
omgang de rustige maat te vinden en lagen aan veel van zijn ziekelijk
wantrouwen ten grond. Hoe zouden zij zijn ideeën niet beïnvloed hebben.
Zeker, ook zijn temperament en karakter, zijn nerveus gestel, zijn groote
prikkelbaarheid, zijn bijziendheid en linkschheid, zijn lichamelijke
gebreken (hij werd vele jaren lang door een blaaskwaal gekweld) droegen
er toen bij zijn verhoudingen tot menschen moeilijk te maken, maar voor
wien zijn brieven uit den tijd dat hij een gevierd schrijver was, die de
mannen en vrouwen der groote wereld aan zijn voeten zag, aandachtig
leest, lijdt geen twijfel: de diepste oorzaak van zijn wantrouwen en
lichtgeraaktheid was, dat hij in zijn jeugd de grond onder de voeten had
verloren. Van de nawerking daarvan heeft hij zich nooit bevrijd. Telkens
duikt in die brieven de angst op, door zijn vrienden en vriendinnen uit
de groote wereld als "knecht" behandeld te worden; die angst, niet
burgerlijke fierheid of gevoeligheid van ziel alleen, doet hem plotseling
vertoornen, de eenvoudigste attenties weigeren, takteloos-grof.
Hij had het leven leeren kennen van den onderkant, als een arme slokker,
die dikwijls niet weet hoe aan brood te komen, een echte proletariër. De
misère had hem nooit verschrikt, in zijn jeugd was hij luchthartig als
den vrijen zingenden vogel past en later werd hij te vast in zich zelven
dan dat dreigende armoe zijn hart vervaren kon: in dat opzicht droeg hij
de teekenen zijner kleinburgerlijke afkomst niet. In zijn zwervers-jaren
had hij vele onregelmatige naturen ontmoet, zonderlinge avonturiers,
voor wie hij gedurende een poos in geestdrift raakte en die hem
meesleepten, maar ook vele goede, brave, eenvoudige menschen uit de
volksklassen. Bij hen had hij hulp in nood en gulle opname gevonden,
onder hen voelde hij zich thuis. In Lausanne had zijn kostbaas, als
in Turijn zijn kostvrouw, hem, armen gelukzoeker, onbaatzuchtig,
menschlievend bijgestaan. Later vergeleek hij hun gedrag met dat der
groote heeren die hij kende. Hoe vaak had hun insolente hoogmoed en nog
meer hun neerbuigende vriendelijkheid hem gegriefd! Hij vond dat bij het
volk de natuurlijke menschelijkheid nog niet verstikt wordt door
ijdelheid en eigenbelang. Aan al die eenvoudigen dacht hij met warmte,
aan hen voelde hij zich verbonden in zijn hart. En zij hadden het zwaar,
zij derfden, zij werden bekneld door de grooten; dat verdroot hem, dat
knaagde aan zijn gemoed. Op zijn tocht door het oosten van Frankrijk was
hij geherbergd geworden door een boer die hem eerst maar 't
allerschraalste voorzette, uit vrees dat de vreemdeling een bespieder
van den fiskus mocht wezen, een werktuig van de belastinggaarders des
konings, die 't weinigje weghaalden wat de kasteelheer overliet.
Gerustgesteld, deed hij den zwerver gul te goed met de vruchten van zijn
arbeid, die hij angstig verborgen moest houden wilden zij hem niet
ontnomen worden: ham en wijn en tarwebrood. En in de borst van den
nadenkenden gast ontkiemde "de onuitroeibare haat tegen de verdrukkers
van het volk."
Niet theoretisch maar door lichamelijke ervaring, had hij, de droomer
van droomen, kennis gewonnen van de kern aller maatschappelijke
verhoudingen: de verhouding der uitgebuite en uitbuitende klassen. Die
ervaring was een stuk van hem zelven geworden, een bitterheid in zijn
bloed, een scherpte in zijn denken. Zijn eigen verongelijking en die der
massa's waren saamgegroeid tot één gevoel.
Maar de grondslag van dat gevoel was uitsluitend empirisch: persoonlijke
ervaring en persoonlijke waardeering.
Zoo had hij al veel vergaard toen hij in Chambéry neerstreek. Wat hem
ontbrak, wat hij voor alles noodig had, was het algemeene: een breed
fundament van kennis als intellektueele grondslag eener stelselmatige
wereldbeschouwing, en, op zedelijk gebied, beginselen voor zijn
handelen.