Zijn vader was uit een geslacht van fransche émigrés, van ouder tot
ouder horlogemakers, gezeten burgers. Voor zulken was de kans nog niet
gansch uitgesloten, allengs tot maatschappelijk aanzien te stijgen, door
hun medeburgers geroepen te worden tot een der openbare eere-ambten, die
te bekleeden den weg baande naar het lidmaatschap van den "grooten
Raad." De grootvader van Jean Jacques, David Rousseau, bracht het tot
_dizenier_, dat is een soort ondergeschikt vrederechter in zijn
stadskwartier. Maar in het volgend geslacht ging die kleine stijging
weer verloren: Isaac, de vader van Jean Jacques, bezat de eigenschappen
niet die hun bezitter geschikt maken tot hoogeren maatschappelijken
staat op te klimmen. Hij was opvliegend en lichtgeraakt, genotzuchtig en
ongestadig, te heetbloedig en ongeduldig voor een solied handwerksman.
Op zijn een-en-twintigste jaar gaf hij gehoor aan een dier wonderlijke
opwellingen welke voor bezadigde lieden dengeen die ze volgt tot een
dwaas stempelen: hij verwisselde gedurende eenige maanden zijn
voordeelig en eerbaar ambacht voor het beroep van dansmeester, dat zagen
wij, weinig in tel was bij de mannen van den ouden stempel. Hij kon
vioolspelen en hield van muziek, evenals zijn broers en zusters. Dat was
nog een zeldzaamheid in Genève, waar de trieste godsdienst lang alle
kunsten had onderdrukt.
Zijn beroepsverwisseling, hoe kort van duur ook: hij keerde spoedig
terug tot het vaderlijk ambacht, was niet geschikt hem bij de
autoriteiten in een goed blaadje te brengen. Trouwens ook zijn verder
gedrag niet. Een paar maal kreeg hij twist met jonge vreemdelingen en
toonde zijn prikkelbaren en hooghartigen aard. Hij huwde laat met een
burgerdochter van goeden huize en tamelijken welstand. Suzanne Bernard
heette zij; haar geslacht, dat van het platteland om Genève stamde,
bezat sedert meer dan een eeuw burgerrecht in de stad. Haar vader
was jong gestorven, hij liet de herinnering na aan verscheiden
liefdesgeschiedenissen van de soort die de kerkeraad niet tolereerde,
en de roep van een ontvlambaar en lichtzinnig mensch. Het meisje kwam
bij haar oom, een predikant, een geletterd man dus, die haar zorgvuldig
en blijkbaar in weinig bekrompen geest opvoedde. Zij kon zingen en
zichzelve begeleiden, zij had veel gelezen, voornamelijk zeventiende-
eeuwsche romans, ook maakte zij wel gedichten. Begaafd en levenslustig,
daarbij bijzonder bekoorlijk, viel 't haar niet licht zich in de tucht
van Genève te schikken, en de strenge zederechters in den kerkeraad
gingen haar gangen zorgvuldig na. Hun kwam eenmaal ter oore, dat het
jonge ding, als boerin verkleed, een theatertje in de voorstad had
bezocht, waar op marktdagen kluchten vertoond werden; een ander maal,
dat zij wel bezoek kreeg van een gehuwd, adelijk heer. Het een noch het
ander was oorbaar in Genève: het meisje moest tot rede worden gebracht.
Maar zij voelde zich, had veel temperament, was welgesteld en
onafhankelijk. Lang stribbelde zij tegen, loochende de feiten; ten slotte
gaf zij zich over, deed wat men van haar verlangde: zoo ging het altijd.
Isaac Rousseau en Suzanne Bernard hadden elkaar liefgehad van af hun
prilste dagen, de neiging tot elkaar reikte even ver terug als hun
herinnering. Waarom huwden zij pas, toen beider jeugd voorbij was? Wij
weten het niet. Evenmin, waarom Isaac kort na de geboorte van hun eerste
kind zijn vrouw verliet en naar Konstantinopel trok als horlogemaker van
den Sultan. Misschien waren hun omstandigheden moeilijk; het vaderlijk
erfdeel was niet groot geweest; en er was oorlog. Misschien dreef hem,
gelijk zoovelen, de zwerflust.
Na zes jaar keerde hij terug: zijn vrouw was hem trouw gebleven, zij had
hem nog lief. De vrucht van deze terugkomst, de "droevige vrucht,"
gelijk hij zegt, was Jean Jacques. Hij kwam den 28en Juni 1712 ter
wereld.
Zijn geboorte kostte zijn moeder het leven. Maar kan moederliefde ooit
vervangen worden, dan werd zij het in dit geval. "Geen koningszoon,"
heeft hij zelf getuigd, "kan met grooter liefde verzorgd worden dan mij
gedurende mijn eerste jaren ten deel viel, verafgood door mijn omgeving
en, wat veel zeldzamer is, altijd gekoesterd maar nooit verwend."
Het was een zuster van zijn vader, die hem deze koestering gaf. Haar
zorg redde zijn leven, want hij werd stervend geboren. Zijn levenlang
heeft hij haar aangehangen met liefde en erkentelijkheid om de zoete
geur van innigheid, die haar wezen in de herinnering zijner kindsheid
mengde. Zij was vroolijk, lieftallig, gelijkmatig en zacht. Vele oude
wijsjes kende ze, zong ze met dunne kleine stem. Die zonken in het
gemoed van het knaapje en lagen vele jaren lang op den bodem, slapend.
Eerst door heel den tijd, dat hij zich op de golven der levenszee liet
deinen; toen door den anderen, dat de wil in hem rees zelf een kracht te
zijn en hij met een geestdriftig hart worstelde tegen storm en tij. Maar
toen de tijd van moeheid en inkeer kwam, dook hij in zich zelven en vond
er de oude leizen die zijn jeugd gewiegd hadden en wekte ze en droeg ze
omhoog. En met de dunne stroom hunner melodie en het lichte getrip
hunner woordjes kwamen al de zachte blijheden van zijn kinderleventje in
dat veilige warme nestje mee, want zijn ziel hoorde tot de zeldzamen,
die met de herinnering der dingen hun geur bewaren en met het beeld de
atmosfeer der vroegere aandoening herleven doen. Hij bezat de gave, die
doorleefde vreugde en smart voorttrillen laat door 't wezen dat ze
voelde: het geheugen van 't gemoed.
Zijn vader bracht op Jean Jacques de lange teederheid over, waarmee hij
de lieve Suzanna had aangehangen. En toch zag hij in 't knaapje de
oorzaak van haar dood. Zoo was zijn vadergevoel gespleten en troebel.
Hij beheerschte zich weinig; als hij 't kind aan zijn hart sloot en met
hartstochtelijke liefkoozingen streelde, merkte dit in die overgroote
teerheid 't verlangen naar haar, die niet meer was. Als de vader zei:
"we zullen over moeder praten," antwoordde het knaapje, "dan gaan we
schreien, vader."
Zoo'n omgang was voor het zwakke en vroegrijpe kind een school van
overgevoeligheid, gelijk ook de verdere opvoedingswijze van vader Isaac.
Zoodra Jean Jacques lezen kon--hoe hij 't leerde wist hij zich niet te
herinneren--toog zijn vader met hem aan 't lezen van de romans die
Suzanne had nagelaten; verhalen vol valsch pathos en opgeschroefd
gevoel. De man en het kind zwelgden in die avontuurlijke wereld,
vergaten de huisbakken werkelijkheid. De nacht verging, de eerste zwaluw
kondigde cirkelend den dageraad aan eer de vader, uit den roes van
romantiek ontwakend, beschaamd fluisterde: "ik ben nog grooter kind dan
jij." Jean Jacques was toen zeven jaar oud.
Binnen de engbegrensde horizon van het ouderlijk huis voelde het kind zich
veilig, warm-gekoesterd en gelukkig. Ook later bleef een eng-omsloten
levensveld noodig tot zijn geluk; zoodra het zich opende en wijde
uitzichten won, verloor hij zijn rust en zichzelven. Hij had geen vriendjes
en geen verlangen er naar; zijn broer, een deugniet die jong naar
Duitschland trok en waarvan nooit meer iets gehoord werd, scheelde te veel
met hem om zijn speelmakker te wezen; zoo had hij dan geen anderen
dagelijkschen omgang dan met vader en tante en de goede trouwe meid.
Maar naast het engbegrensde simpele leven van den dag begon vroeg een
ander voor hem, wijd en onbegrensd: dat der verbeelding. Zij was in hem
het sterkste vermogen, zij voerde hem mee, zijn levenlang, waarheen 't
haar lustte en haar rijk was werkelijker voor hem dan de werkelijkheid
zijner zinnen, hij vergat er armoede, verdriet en lichaamspijn. Uit de
vroeg-gelezen verhalen was in hem een wereldbeeld gegroeid, dat geen
ervaringen ooit geheel verdrongen, een vreemde wereld vol romantisch
gebeuren, vol heldhaftige ridders en smachtende jonkvrouwen. De
gevoelens in die wereld waren ongezond, broeierig en zwoel;--natuurlijk,
want zij was niets als de bleeke, tallooze malen verslapte kopie der
middeneeuwsche romantiek. En hun zwoelheid zonk in hem en doortrok zijn
wezen en werd een deel daarvan, voor goed.
Maar gelukkig, aan de voorraad romans kwam een einde. Vader en zoon
vonden in de boeken van Suzanna's voogd, den predikant, afkomstig, nieuw
voedsel om hun leeshonger te stillen. En dit was beter kost: Bossuet,
Ovidius, Plutarchus. Voor het kind ging de wereld der klassieke oudheid
open, de verheerlijking van burgerdeugd en soldatenmoed, van
rechtvaardigheid en zelfverloochening, van zedelijk enthousiasme. Er was
een vrijheid om voor te leven en te sterven, er waren genooten om te
redden door standvastig verdragen smart en dood; de heerlijkheid bestond
van een trouw, onverzettelijk bewaard. Het knaapje gloeide: in zijn
oogen vonkten tranen, rillingen van geestdriftig begeeren tintelden
langs zijn rug: o een held te zijn, een martelaar voor de vrijheid,
groote daden voor de makkers te doen. Machtig ontwaakten in hem de
oerneigingen van sympathie en meegevoel, de sociale driften. En machtig
blies de wind der verbeelding hun vlammen aan. Hij wèrd Aristides, hij
wèrd Brutus, hij wèrd Scevola, hij leefde in die helden of zij in hem.
Dan sprak hij met zijn vader, en vond in diens oogen en stem iets van
zijn eigen verrukking, als de horlogemaker van hun eigen stad verhaalde,
die een republiek was evenals Sparta en Rome, en wier burgers ook voor
de vrijheid hadden gestreden tot den dood. Soms zag het kind hen,
gewapend en met rustigen tred, van de oefening op het marktplein keeren,
en hoorde hun krijgshaftige liederen klinken langs de straat. En de haat
tegen oude tyrannen en de liefde voor de helden van lang geleden
versmolt in zijn hart tot één gevoel, met de liefde voor de vaderstad en
de levende burgers, en hij zag hen omstraald met de deugden der burgers
van Sparta en Rome en met hun roem.
En ook deze kiemen en zaden zonken in zijn gemoed en dreven wortel en
kiemden; kiemden en stegen, een bosch van halmen in zijn bewustzijn,
toen hij man geworden was. Hij maakte hartstochtelijke boeken van de
gevoelens, die zijn kinderhart zoo heerlijk en zoo fel bewogen hadden.
En toen door zijn woorden de oude deugden der Grieken en Romeinen
opstonden en de fiere gestalten van tyrannenhaters bewogen, strekten
zich duizende handen naar hem en duizenden harten klopten het zijne
tegen in verrukking: de harten van mannen en vrouwen die als hij
burgerdeugd en onkreukbaarheid en rechtvaardigheid liefhadden en eenvoud
en familiezin. Dat waren de kleinburgers. Zij maakten zich op om een
grooten strijd te strijden tegen tyrannie en privilegie, tegen de weelde
en de lichte zeden der heerschers van toen. En vol waardigheid hulden
zij zich in het heroïsche gewaad der oudheid, dat Rousseau hun reikte:
hun eigen drang en wil en streven leek hun in die omhulling veelmalen
schooner toe.
* * * * *
Toen Jean Jacques twaalf jaar was kreeg zijn vader op de jacht--een
hartstochtelijk jager was hij--twist met een zekeren kapitein Gautier,
die gediend had in de lijfwacht van den koning van Polen. Isaac,
prikkelbaar en heetbloedig, achtte zich beleedigd, en toen hij den ouden
ijzervreter een poos na hun twist in de stad tegen kwam, trok hij zijn
zwaard, viel hem aan en verwondde hem. Het vonnis luidde: een boete,
drie maanden gevangenis, en op de knieën vergiffenis vragen. Maar Isaac
achtte het vonnis onbillijk en liever dan te buigen, vestigde hij zich
voor goed te Nyon, een plaatsje dicht bij Genève maar buiten het
stadsgebied, waarheen hij na zijn daad de wijk had genomen. Zijn
kinderen liet hij achter, een broeder zijner vrouw zou verder zorg voor
hen dragen. Met het zoontje van zijn oom, een goeie jongen, kwam Jean
Jacques in de kost bij een dominé in Bossey, een dorpje op Geneefsch
gebied aan den voet van de Salève. De Grieken en Romeinen raakten op den
achtergrond van zijn bewustzijn: hij leerde spelen en kattekwaad
uitvoeren en werd, voor 't eerst eigenlijk, kind. En een nieuwe vreugde
ging open: hij die tot nu toe geleefd had binnen stadsmuren kwam buiten,
in de natuur. Zij zou, in zijn verder leven, hem over alles troosten; in
zorg, in verdriet, in verbittering, in geestelijke omnachting zijn hart
tot rust brengen; zij zou voor hem de diepste zoetheid des levens zijn.
Twee jaar bleef hij in het predikanten-gezin; leerde er wat latijn en
kerkgeschiedenis en den katechismus. De moreele atmosfeer was dezelfde
als thuis, de predikant en zijn zuster behandelden hem met liefde: het
zachte, affektueuze en levendige kind won alle harten. Met zijn neefje
Bernard sloot hij een echte jongensvriendschap: zij waren onafscheidelijk,
kibbelden soms, maar konden geen kwartier buiten elkaar.
Aan 't eind van die twee jaar kreeg zijn kindergemoed de groote schok
waarvan het zich nooit geheel herstelde. De menschen waaraan zijn hartje
hing straften hem, ondanks zijn hartstochtelijke betuigingen van
onschuld, hard en onmeedoogenloos voor een vergrijp dat hij niet
misdreven had. Er brak iets in hem: hij doorvoelde de monsterlijkheid
van onrecht. De groote kloof viel in zijn leven tusschen 't
kinderparadijs van ongerept vertrouwen en het bewustzijn van de wereld
als vijandelijke overmacht. Haast alle kinderen beleven dit, alle voelen
in die oogenblikken de wanhoop der machteloosheid, maar de meesten
herstellen zich spoedig, want het normale kindergemoed is elastisch als
een ongebruikte veer.
Maar zijn gemoed miste die soort veerkracht, en dit kon niet anders zijn
door de gave, met de herinnering de aandoening weer wakker te roepen.
Wie haar bezitten dragen zwaar aan het leven, en hun verdriet gaat niet
voorbij.
Hij was week van natuur, vatbaarheid voor teedere aandoeningen vormde de
grondslag van zijn wezen, maar meer passief toch nog dan aktief, meer
als begeerte liefde te voelen uitstroomen over hem dan als uitstroomende
liefde. Hij hunkerde naar koestering, zoog haar in als dauw. Op kwaad
hem aangedaan, reageerde hij zelden aktief door drift en toornen.
Tweemaal, verhaalt hij, werd hij als kind ernstig bezeerd door de
onhandigheid of wildheid van kameraadjes. Hun schrik en angst voor straf
wekte zulk een groot medegevoel in hem, dat hij onmiddellijk in de
eerste oogenblikken van hevige pijn, een valsche oorzaak van zijn
verwonding opgaf en nooit tegen wien ook de ware bekende. En ondanks
pijn en ontsteltenis doorvloeide hem in die oogenblikken een zoete
verteedering; hij genoot zijne weekheid en hun medegevoel.
De eerste ervaring van machteloosheid tegen onrecht was de eerste groote
proef zijner natuur. Zij bleek een wonderlijk mengsel van staal en
brosheid. De wreede kastijding verdroeg hij stoïcyns: zoo zij niet
ophielden te slaan, hij hield niet op te ontkennen. In 't verdragen was
hij toen reeds sterk en standvastig. Maar hij schoot te kort in
herstelkracht. De pijn van machteloosheid tegen onrecht bleef, lang
nadat hij zijn radelooze verontwaardiging had uitgegild; zij stak nog,
als hij na vijftig jaar het voorval ophaalde uit den stroom der
herinnering, zijn pols joeg dan sneller. Zijn kinderblijheid was weg,
het fundament zijner wereld ondergraven, haar glans verduisterd.
Maar andere gaven in hem verkeerden die zwakheid van overmatige
depressieve reaktie weer tot kracht. Zijn gevoel sloot zich niet over de
bitterheid van het eigen lichamelijk-doorproefde leed. Neen: het rankte
uit, door medegevoel en verbeelding gevoed, tot andere menschen die dit
óók geleden hadden, verstrengelde zich met hùn gevoel. Wanneer hij van
af dien dag menschen of dieren gekweld zag worden, of verhalen van
triumfeerend onrecht las, kwam zijn bloed in zieding en zijn vuisten
balden zich. Want hij wist wat dit was en voelde in de pijn dier anderen
zijn pijnen. En dit zou sterker in hem worden, tot de tijd kwam, dat hij
zijn verontwaardiging òmsmeedde tot gloeiende woorden tegen de algemeene
oorzaak van alle verdrukking en onrecht: de maatschappelijke
ongelijkheid.
De bekoring van het vredig leven in de pastorie was gebroken, de zachte
gemeenzaamheid verstoord. Jean Jacques keerde met zijn neefje naar
Genève terug. De vraag was nu voor welk beroep hij opgeleid zou worden:
horlogemaker, notaris of predikant. Het laatste trok hem aan, maar de
nalatenschap van zijn moeder bleek niet voldoende voor de studiekosten.
Zijn vader was hertrouwd en liet zich weinig aan den jongen gelegen
liggen. Hij kwam als klerk op een notaris-kantoor, maar het werk stond
hem tegen en zijn meester vond hem te stom voor het vak. Hij schold hem
een ezel en stuurde hem spoedig weg. Het zou de laatste maal niet zijn,
dat Jean Jacques den indruk maakte maar een heele gewone jongen te zijn
met beperkte geestvermogens. Hij voelde hevig, maar dacht moeizaam en
traag en zijn gedachten wonden zich langzaam los uit de vruchtbare,
warme verwarring van het onderbewuste.
Hij werd bij een graveur in de leer gedaan. Zijn meester, een jong man
nog, verbond zich den leerling in te wijden in alle geheimen van het
ambacht, hem op te voeden in de vreeze Gods en de goede zeden. Hij was
dertien jaar toen de ellende van den leerlingentijd voor hem begon.
Zijn aard was niet uit één stuk gesmeed, maar tweeslachtig: trotsch
zoowel als teeder zijn hart, zijn gemoed vrouwelijk en toch ontembaar,
zijn neiging aldoor dobberend tusschen zwakheid en moed, deugd en
meegesleept-worden. Zoo lag hij levenslang in strijd met zichzelven, en
moest zoowel het genot als de wijsheid derven. In zijn jeugd liet hij
zich geheel drijven op aandoeningen en indrukken, en wat omstandigheden
en omgeving van hem maakten, dat was hij.
Nu kwam hij in een omgeving, die al de lage aandriften en neigingen in
hem naar boven haalde en al het zachte en edele verschrompelen deed.
Zijn meester was ruw, lichtzinnig en hardvochtig, hij sloeg het kind,
gaf het niet genoeg te eten, terroriseerde het op alle manieren. Al de
ellende van het leerlingstelsel, dat is de ellende voor een kind van
overgeleverd te zijn aan harde vreemden, van dag en nacht te verkeeren
onder den druk van hun bevelen, hun snauwen, hun spot, hun
liefdeloosheid, maakte hij door. Hij durfde zich nooit meer vrij uiten,
hij leed altijd honger, hij voelde zich aldoor afschuwelijk bekneld. Als
een knecht behandeld, als een slaaf verschopt, leerde hij de ondeugden
van knechten en slaven. Hij werd lafhartig, wrokkig, diefachtig,
verleugend. Zijn gemoed verhardde, zijn liefkoozend wezen sloot zich in
verbitterde zwijgzaamheid, zijn levendige aard versufte. Eerst in later
dagen werd hij zich pijnlijk-bewust, hoe snel zijn karakter in korten
tijd was vervallen.
Met zijn neefje Bernard kwam hij nu nog maar weinig samen. Die woonde in
de hooge stad, het kwartier der notabelen; hij, Jean Jacques, in de lage,
waar de ambachtslieden huisden en het gemeene volk.
Zoo was hij dan geheel en al ontrukt aan zijn oude warme levenssfeer.
Alles om hem werd kil en grauw.
Wie telt de duizende knapen, wier geest verstompt en wier karakter voor
goed bedorven werd door de ellende van hun leerlingen-bestaan? Jean
Jacques ontkwam den ondergang: een goede fee had aan zijn wieg gestaan
en als de werkelijkheid te nijpend werd strekte zij haar staf uit en
voerde hem mee tot haar lichte domeinen. Het was de fee: verbeelding.
In Bossey had hij gestoeid en gedarteld en in de werkelijkheid geluk
gevonden. Nu vluchtte hij voor haar pijn in het rijk der fantaizie. En
omdat eigen vleugels hem nog niet konden dragen, borgde hij vleugels van
anderen.
Hij las. Hij las zonder keus, zonder onderscheiding, met hartstocht, met
razernij. Hij was onverzadigbaar, want hij volgde zijn instinkt van
zelfbehoud. Als zijn geld op was, verpandde hij zijn kleeren om boeken
te kunnen huren. Bont en vreemdstaltig zal de wereld er hebben uitgezien
waarin hij zich redde! Want hij nam gretig aan wat de boeken-verhuurster
hem voor zette, haar heele winkel las hij leeg. Alleen voor de
liederlijke boeken die zij hem, geheimzinnig-doende, aanprees, bedankte
hij uit schaamte.
Hij leerde zijn ambacht niet ten einde. Maar hij leerde lang genoeg om
het element van vorming in zich op te nemen dat voor ieder ligt, maar
in 't bijzonder voor zijn dichternatuur in de discipline van den
handenarbeid lag. Hij leerde geduld, nauwkeurigheid, stadigheid. Hij,
voor wien de verbeeldingswereld werkelijker aanvoelde dan die der
zinnelijke werkelijkheid, raakte althans met één stukje dezer laatste
innig vertrouwd, leerde dat beheerschen, vervormen. Hij, de droomer,
leerde het respekt voor den handen-arbeid, dat enkel geheel doorvoeld
kan zijn bij wien zelf een handwerk verstaat.
Ook deze kiemen droegen vrucht. Dat hij in zijn jeugd een ambachtsman
geweest was, maakte hem zijn leven lang het arbeidzame volk dieper
eigen. En toen hij, aan den drempel van den roem, het moedig besluit nam
om, zijn vrijheid reddend, voortaan van den arbeid zijner handen te
leven, deed de spottende verbazing der vak-letterkundigen, zijn
vrienden, hem vreemd aan: hij keerde immers terug tot een hem
vertrouwden levensstaat.
Met dat al was het gelukkig, dat zijn leerlingen-bestaan niet te lang
duurde. Het kwam ten einde door een toeval en een opwelling. Hij placht
op vrije dagen met kameraadjes buiten de stad te zwerven; dan herleefde
de oude overmoed en uitgelatenheid, hij werd hun aanvoerder, vergat
afstand en tijd. Al een paar keer hadden zij, terugkeerend, de poorten
gesloten gevonden en buiten overnacht. Zijn meester had hem afgestraft
en zóó fel bedreigd, dat de knaap bevreesd werd en de derde maal niet
terug dorst keeren. Toen hij, die ademloos aanrennen kwam, zag hoe de
brug werd opgehaald en haar horens de lucht in boorden, wierp hij zich
in wanhoop neder en beet in den grond. Hij zwoer, nimmer terug te
keeren. Zijn kameraden brachten de boodschap over aan den jongen
Bernard, of die van zijn neefje afscheid wou komen nemen. Hij kwam, maar
zocht den vluchteling met geen woord tegen te houden.
Zoo trok Jean Jacques, door vrees bewogen, op zijn zestiende jaar de
wereld in. Hij had geen geld, geen beschermers, geen kennis, geen
ervaring, hij stak vol romantische droomen en vage matelooze
eerzuchtigheden, hij was een arme verdwaasde jongen, zonder wapens in
den strijd om het bestaan.
Maar de wereld waasde, vol avontuur, en de wind woei vrijheid.