II. KINDSHEID.

Zijn vader was uit een geslacht van fransche émigrés, van ouder tot

ouder horlogemakers, gezeten burgers. Voor zulken was de kans nog niet

gansch uitgesloten, allengs tot maatschappelijk aanzien te stijgen, door

hun medeburgers geroepen te worden tot een der openbare eere-ambten, die

te bekleeden den weg baande naar het lidmaatschap van den "grooten

Raad." De grootvader van Jean Jacques, David Rousseau, bracht het tot

_dizenier_, dat is een soort ondergeschikt vrederechter in zijn

stadskwartier. Maar in het volgend geslacht ging die kleine stijging

weer verloren: Isaac, de vader van Jean Jacques, bezat de eigenschappen

niet die hun bezitter geschikt maken tot hoogeren maatschappelijken

staat op te klimmen. Hij was opvliegend en lichtgeraakt, genotzuchtig en

ongestadig, te heetbloedig en ongeduldig voor een solied handwerksman.

Op zijn een-en-twintigste jaar gaf hij gehoor aan een dier wonderlijke

opwellingen welke voor bezadigde lieden dengeen die ze volgt tot een

dwaas stempelen: hij verwisselde gedurende eenige maanden zijn

voordeelig en eerbaar ambacht voor het beroep van dansmeester, dat zagen

wij, weinig in tel was bij de mannen van den ouden stempel. Hij kon

vioolspelen en hield van muziek, evenals zijn broers en zusters. Dat was

nog een zeldzaamheid in Genève, waar de trieste godsdienst lang alle

kunsten had onderdrukt.

Zijn beroepsverwisseling, hoe kort van duur ook: hij keerde spoedig

terug tot het vaderlijk ambacht, was niet geschikt hem bij de

autoriteiten in een goed blaadje te brengen. Trouwens ook zijn verder

gedrag niet. Een paar maal kreeg hij twist met jonge vreemdelingen en

toonde zijn prikkelbaren en hooghartigen aard. Hij huwde laat met een

burgerdochter van goeden huize en tamelijken welstand. Suzanne Bernard

heette zij; haar geslacht, dat van het platteland om Genève stamde,

bezat sedert meer dan een eeuw burgerrecht in de stad. Haar vader

was jong gestorven, hij liet de herinnering na aan verscheiden

liefdesgeschiedenissen van de soort die de kerkeraad niet tolereerde,

en de roep van een ontvlambaar en lichtzinnig mensch. Het meisje kwam

bij haar oom, een predikant, een geletterd man dus, die haar zorgvuldig

en blijkbaar in weinig bekrompen geest opvoedde. Zij kon zingen en

zichzelve begeleiden, zij had veel gelezen, voornamelijk zeventiende-

eeuwsche romans, ook maakte zij wel gedichten. Begaafd en levenslustig,

daarbij bijzonder bekoorlijk, viel 't haar niet licht zich in de tucht

van Genève te schikken, en de strenge zederechters in den kerkeraad

gingen haar gangen zorgvuldig na. Hun kwam eenmaal ter oore, dat het

jonge ding, als boerin verkleed, een theatertje in de voorstad had

bezocht, waar op marktdagen kluchten vertoond werden; een ander maal,

dat zij wel bezoek kreeg van een gehuwd, adelijk heer. Het een noch het

ander was oorbaar in Genève: het meisje moest tot rede worden gebracht.

Maar zij voelde zich, had veel temperament, was welgesteld en

onafhankelijk. Lang stribbelde zij tegen, loochende de feiten; ten slotte

gaf zij zich over, deed wat men van haar verlangde: zoo ging het altijd.

Isaac Rousseau en Suzanne Bernard hadden elkaar liefgehad van af hun

prilste dagen, de neiging tot elkaar reikte even ver terug als hun

herinnering. Waarom huwden zij pas, toen beider jeugd voorbij was? Wij

weten het niet. Evenmin, waarom Isaac kort na de geboorte van hun eerste

kind zijn vrouw verliet en naar Konstantinopel trok als horlogemaker van

den Sultan. Misschien waren hun omstandigheden moeilijk; het vaderlijk

erfdeel was niet groot geweest; en er was oorlog. Misschien dreef hem,

gelijk zoovelen, de zwerflust.

Na zes jaar keerde hij terug: zijn vrouw was hem trouw gebleven, zij had

hem nog lief. De vrucht van deze terugkomst, de "droevige vrucht,"

gelijk hij zegt, was Jean Jacques. Hij kwam den 28en Juni 1712 ter

wereld.

Zijn geboorte kostte zijn moeder het leven. Maar kan moederliefde ooit

vervangen worden, dan werd zij het in dit geval. "Geen koningszoon,"

heeft hij zelf getuigd, "kan met grooter liefde verzorgd worden dan mij

gedurende mijn eerste jaren ten deel viel, verafgood door mijn omgeving

en, wat veel zeldzamer is, altijd gekoesterd maar nooit verwend."

Het was een zuster van zijn vader, die hem deze koestering gaf. Haar

zorg redde zijn leven, want hij werd stervend geboren. Zijn levenlang

heeft hij haar aangehangen met liefde en erkentelijkheid om de zoete

geur van innigheid, die haar wezen in de herinnering zijner kindsheid

mengde. Zij was vroolijk, lieftallig, gelijkmatig en zacht. Vele oude

wijsjes kende ze, zong ze met dunne kleine stem. Die zonken in het

gemoed van het knaapje en lagen vele jaren lang op den bodem, slapend.

Eerst door heel den tijd, dat hij zich op de golven der levenszee liet

deinen; toen door den anderen, dat de wil in hem rees zelf een kracht te

zijn en hij met een geestdriftig hart worstelde tegen storm en tij. Maar

toen de tijd van moeheid en inkeer kwam, dook hij in zich zelven en vond

er de oude leizen die zijn jeugd gewiegd hadden en wekte ze en droeg ze

omhoog. En met de dunne stroom hunner melodie en het lichte getrip

hunner woordjes kwamen al de zachte blijheden van zijn kinderleventje in

dat veilige warme nestje mee, want zijn ziel hoorde tot de zeldzamen,

die met de herinnering der dingen hun geur bewaren en met het beeld de

atmosfeer der vroegere aandoening herleven doen. Hij bezat de gave, die

doorleefde vreugde en smart voorttrillen laat door 't wezen dat ze

voelde: het geheugen van 't gemoed.

Zijn vader bracht op Jean Jacques de lange teederheid over, waarmee hij

de lieve Suzanna had aangehangen. En toch zag hij in 't knaapje de

oorzaak van haar dood. Zoo was zijn vadergevoel gespleten en troebel.

Hij beheerschte zich weinig; als hij 't kind aan zijn hart sloot en met

hartstochtelijke liefkoozingen streelde, merkte dit in die overgroote

teerheid 't verlangen naar haar, die niet meer was. Als de vader zei:

"we zullen over moeder praten," antwoordde het knaapje, "dan gaan we

schreien, vader."

Zoo'n omgang was voor het zwakke en vroegrijpe kind een school van

overgevoeligheid, gelijk ook de verdere opvoedingswijze van vader Isaac.

Zoodra Jean Jacques lezen kon--hoe hij 't leerde wist hij zich niet te

herinneren--toog zijn vader met hem aan 't lezen van de romans die

Suzanne had nagelaten; verhalen vol valsch pathos en opgeschroefd

gevoel. De man en het kind zwelgden in die avontuurlijke wereld,

vergaten de huisbakken werkelijkheid. De nacht verging, de eerste zwaluw

kondigde cirkelend den dageraad aan eer de vader, uit den roes van

romantiek ontwakend, beschaamd fluisterde: "ik ben nog grooter kind dan

jij." Jean Jacques was toen zeven jaar oud.

Binnen de engbegrensde horizon van het ouderlijk huis voelde het kind zich

veilig, warm-gekoesterd en gelukkig. Ook later bleef een eng-omsloten

levensveld noodig tot zijn geluk; zoodra het zich opende en wijde

uitzichten won, verloor hij zijn rust en zichzelven. Hij had geen vriendjes

en geen verlangen er naar; zijn broer, een deugniet die jong naar

Duitschland trok en waarvan nooit meer iets gehoord werd, scheelde te veel

met hem om zijn speelmakker te wezen; zoo had hij dan geen anderen

dagelijkschen omgang dan met vader en tante en de goede trouwe meid.

Maar naast het engbegrensde simpele leven van den dag begon vroeg een

ander voor hem, wijd en onbegrensd: dat der verbeelding. Zij was in hem

het sterkste vermogen, zij voerde hem mee, zijn levenlang, waarheen 't

haar lustte en haar rijk was werkelijker voor hem dan de werkelijkheid

zijner zinnen, hij vergat er armoede, verdriet en lichaamspijn. Uit de

vroeg-gelezen verhalen was in hem een wereldbeeld gegroeid, dat geen

ervaringen ooit geheel verdrongen, een vreemde wereld vol romantisch

gebeuren, vol heldhaftige ridders en smachtende jonkvrouwen. De

gevoelens in die wereld waren ongezond, broeierig en zwoel;--natuurlijk,

want zij was niets als de bleeke, tallooze malen verslapte kopie der

middeneeuwsche romantiek. En hun zwoelheid zonk in hem en doortrok zijn

wezen en werd een deel daarvan, voor goed.

Maar gelukkig, aan de voorraad romans kwam een einde. Vader en zoon

vonden in de boeken van Suzanna's voogd, den predikant, afkomstig, nieuw

voedsel om hun leeshonger te stillen. En dit was beter kost: Bossuet,

Ovidius, Plutarchus. Voor het kind ging de wereld der klassieke oudheid

open, de verheerlijking van burgerdeugd en soldatenmoed, van

rechtvaardigheid en zelfverloochening, van zedelijk enthousiasme. Er was

een vrijheid om voor te leven en te sterven, er waren genooten om te

redden door standvastig verdragen smart en dood; de heerlijkheid bestond

van een trouw, onverzettelijk bewaard. Het knaapje gloeide: in zijn

oogen vonkten tranen, rillingen van geestdriftig begeeren tintelden

langs zijn rug: o een held te zijn, een martelaar voor de vrijheid,

groote daden voor de makkers te doen. Machtig ontwaakten in hem de

oerneigingen van sympathie en meegevoel, de sociale driften. En machtig

blies de wind der verbeelding hun vlammen aan. Hij wèrd Aristides, hij

wèrd Brutus, hij wèrd Scevola, hij leefde in die helden of zij in hem.

Dan sprak hij met zijn vader, en vond in diens oogen en stem iets van

zijn eigen verrukking, als de horlogemaker van hun eigen stad verhaalde,

die een republiek was evenals Sparta en Rome, en wier burgers ook voor

de vrijheid hadden gestreden tot den dood. Soms zag het kind hen,

gewapend en met rustigen tred, van de oefening op het marktplein keeren,

en hoorde hun krijgshaftige liederen klinken langs de straat. En de haat

tegen oude tyrannen en de liefde voor de helden van lang geleden

versmolt in zijn hart tot één gevoel, met de liefde voor de vaderstad en

de levende burgers, en hij zag hen omstraald met de deugden der burgers

van Sparta en Rome en met hun roem.

En ook deze kiemen en zaden zonken in zijn gemoed en dreven wortel en

kiemden; kiemden en stegen, een bosch van halmen in zijn bewustzijn,

toen hij man geworden was. Hij maakte hartstochtelijke boeken van de

gevoelens, die zijn kinderhart zoo heerlijk en zoo fel bewogen hadden.

En toen door zijn woorden de oude deugden der Grieken en Romeinen

opstonden en de fiere gestalten van tyrannenhaters bewogen, strekten

zich duizende handen naar hem en duizenden harten klopten het zijne

tegen in verrukking: de harten van mannen en vrouwen die als hij

burgerdeugd en onkreukbaarheid en rechtvaardigheid liefhadden en eenvoud

en familiezin. Dat waren de kleinburgers. Zij maakten zich op om een

grooten strijd te strijden tegen tyrannie en privilegie, tegen de weelde

en de lichte zeden der heerschers van toen. En vol waardigheid hulden

zij zich in het heroïsche gewaad der oudheid, dat Rousseau hun reikte:

hun eigen drang en wil en streven leek hun in die omhulling veelmalen

schooner toe.

* * * * *

Toen Jean Jacques twaalf jaar was kreeg zijn vader op de jacht--een

hartstochtelijk jager was hij--twist met een zekeren kapitein Gautier,

die gediend had in de lijfwacht van den koning van Polen. Isaac,

prikkelbaar en heetbloedig, achtte zich beleedigd, en toen hij den ouden

ijzervreter een poos na hun twist in de stad tegen kwam, trok hij zijn

zwaard, viel hem aan en verwondde hem. Het vonnis luidde: een boete,

drie maanden gevangenis, en op de knieën vergiffenis vragen. Maar Isaac

achtte het vonnis onbillijk en liever dan te buigen, vestigde hij zich

voor goed te Nyon, een plaatsje dicht bij Genève maar buiten het

stadsgebied, waarheen hij na zijn daad de wijk had genomen. Zijn

kinderen liet hij achter, een broeder zijner vrouw zou verder zorg voor

hen dragen. Met het zoontje van zijn oom, een goeie jongen, kwam Jean

Jacques in de kost bij een dominé in Bossey, een dorpje op Geneefsch

gebied aan den voet van de Salève. De Grieken en Romeinen raakten op den

achtergrond van zijn bewustzijn: hij leerde spelen en kattekwaad

uitvoeren en werd, voor 't eerst eigenlijk, kind. En een nieuwe vreugde

ging open: hij die tot nu toe geleefd had binnen stadsmuren kwam buiten,

in de natuur. Zij zou, in zijn verder leven, hem over alles troosten; in

zorg, in verdriet, in verbittering, in geestelijke omnachting zijn hart

tot rust brengen; zij zou voor hem de diepste zoetheid des levens zijn.

Twee jaar bleef hij in het predikanten-gezin; leerde er wat latijn en

kerkgeschiedenis en den katechismus. De moreele atmosfeer was dezelfde

als thuis, de predikant en zijn zuster behandelden hem met liefde: het

zachte, affektueuze en levendige kind won alle harten. Met zijn neefje

Bernard sloot hij een echte jongensvriendschap: zij waren onafscheidelijk,

kibbelden soms, maar konden geen kwartier buiten elkaar.

Aan 't eind van die twee jaar kreeg zijn kindergemoed de groote schok

waarvan het zich nooit geheel herstelde. De menschen waaraan zijn hartje

hing straften hem, ondanks zijn hartstochtelijke betuigingen van

onschuld, hard en onmeedoogenloos voor een vergrijp dat hij niet

misdreven had. Er brak iets in hem: hij doorvoelde de monsterlijkheid

van onrecht. De groote kloof viel in zijn leven tusschen 't

kinderparadijs van ongerept vertrouwen en het bewustzijn van de wereld

als vijandelijke overmacht. Haast alle kinderen beleven dit, alle voelen

in die oogenblikken de wanhoop der machteloosheid, maar de meesten

herstellen zich spoedig, want het normale kindergemoed is elastisch als

een ongebruikte veer.

Maar zijn gemoed miste die soort veerkracht, en dit kon niet anders zijn

door de gave, met de herinnering de aandoening weer wakker te roepen.

Wie haar bezitten dragen zwaar aan het leven, en hun verdriet gaat niet

voorbij.

Hij was week van natuur, vatbaarheid voor teedere aandoeningen vormde de

grondslag van zijn wezen, maar meer passief toch nog dan aktief, meer

als begeerte liefde te voelen uitstroomen over hem dan als uitstroomende

liefde. Hij hunkerde naar koestering, zoog haar in als dauw. Op kwaad

hem aangedaan, reageerde hij zelden aktief door drift en toornen.

Tweemaal, verhaalt hij, werd hij als kind ernstig bezeerd door de

onhandigheid of wildheid van kameraadjes. Hun schrik en angst voor straf

wekte zulk een groot medegevoel in hem, dat hij onmiddellijk in de

eerste oogenblikken van hevige pijn, een valsche oorzaak van zijn

verwonding opgaf en nooit tegen wien ook de ware bekende. En ondanks

pijn en ontsteltenis doorvloeide hem in die oogenblikken een zoete

verteedering; hij genoot zijne weekheid en hun medegevoel.

De eerste ervaring van machteloosheid tegen onrecht was de eerste groote

proef zijner natuur. Zij bleek een wonderlijk mengsel van staal en

brosheid. De wreede kastijding verdroeg hij stoïcyns: zoo zij niet

ophielden te slaan, hij hield niet op te ontkennen. In 't verdragen was

hij toen reeds sterk en standvastig. Maar hij schoot te kort in

herstelkracht. De pijn van machteloosheid tegen onrecht bleef, lang

nadat hij zijn radelooze verontwaardiging had uitgegild; zij stak nog,

als hij na vijftig jaar het voorval ophaalde uit den stroom der

herinnering, zijn pols joeg dan sneller. Zijn kinderblijheid was weg,

het fundament zijner wereld ondergraven, haar glans verduisterd.

Maar andere gaven in hem verkeerden die zwakheid van overmatige

depressieve reaktie weer tot kracht. Zijn gevoel sloot zich niet over de

bitterheid van het eigen lichamelijk-doorproefde leed. Neen: het rankte

uit, door medegevoel en verbeelding gevoed, tot andere menschen die dit

óók geleden hadden, verstrengelde zich met hùn gevoel. Wanneer hij van

af dien dag menschen of dieren gekweld zag worden, of verhalen van

triumfeerend onrecht las, kwam zijn bloed in zieding en zijn vuisten

balden zich. Want hij wist wat dit was en voelde in de pijn dier anderen

zijn pijnen. En dit zou sterker in hem worden, tot de tijd kwam, dat hij

zijn verontwaardiging òmsmeedde tot gloeiende woorden tegen de algemeene

oorzaak van alle verdrukking en onrecht: de maatschappelijke

ongelijkheid.

De bekoring van het vredig leven in de pastorie was gebroken, de zachte

gemeenzaamheid verstoord. Jean Jacques keerde met zijn neefje naar

Genève terug. De vraag was nu voor welk beroep hij opgeleid zou worden:

horlogemaker, notaris of predikant. Het laatste trok hem aan, maar de

nalatenschap van zijn moeder bleek niet voldoende voor de studiekosten.

Zijn vader was hertrouwd en liet zich weinig aan den jongen gelegen

liggen. Hij kwam als klerk op een notaris-kantoor, maar het werk stond

hem tegen en zijn meester vond hem te stom voor het vak. Hij schold hem

een ezel en stuurde hem spoedig weg. Het zou de laatste maal niet zijn,

dat Jean Jacques den indruk maakte maar een heele gewone jongen te zijn

met beperkte geestvermogens. Hij voelde hevig, maar dacht moeizaam en

traag en zijn gedachten wonden zich langzaam los uit de vruchtbare,

warme verwarring van het onderbewuste.

Hij werd bij een graveur in de leer gedaan. Zijn meester, een jong man

nog, verbond zich den leerling in te wijden in alle geheimen van het

ambacht, hem op te voeden in de vreeze Gods en de goede zeden. Hij was

dertien jaar toen de ellende van den leerlingentijd voor hem begon.

Zijn aard was niet uit één stuk gesmeed, maar tweeslachtig: trotsch

zoowel als teeder zijn hart, zijn gemoed vrouwelijk en toch ontembaar,

zijn neiging aldoor dobberend tusschen zwakheid en moed, deugd en

meegesleept-worden. Zoo lag hij levenslang in strijd met zichzelven, en

moest zoowel het genot als de wijsheid derven. In zijn jeugd liet hij

zich geheel drijven op aandoeningen en indrukken, en wat omstandigheden

en omgeving van hem maakten, dat was hij.

Nu kwam hij in een omgeving, die al de lage aandriften en neigingen in

hem naar boven haalde en al het zachte en edele verschrompelen deed.

Zijn meester was ruw, lichtzinnig en hardvochtig, hij sloeg het kind,

gaf het niet genoeg te eten, terroriseerde het op alle manieren. Al de

ellende van het leerlingstelsel, dat is de ellende voor een kind van

overgeleverd te zijn aan harde vreemden, van dag en nacht te verkeeren

onder den druk van hun bevelen, hun snauwen, hun spot, hun

liefdeloosheid, maakte hij door. Hij durfde zich nooit meer vrij uiten,

hij leed altijd honger, hij voelde zich aldoor afschuwelijk bekneld. Als

een knecht behandeld, als een slaaf verschopt, leerde hij de ondeugden

van knechten en slaven. Hij werd lafhartig, wrokkig, diefachtig,

verleugend. Zijn gemoed verhardde, zijn liefkoozend wezen sloot zich in

verbitterde zwijgzaamheid, zijn levendige aard versufte. Eerst in later

dagen werd hij zich pijnlijk-bewust, hoe snel zijn karakter in korten

tijd was vervallen.

Met zijn neefje Bernard kwam hij nu nog maar weinig samen. Die woonde in

de hooge stad, het kwartier der notabelen; hij, Jean Jacques, in de lage,

waar de ambachtslieden huisden en het gemeene volk.

Zoo was hij dan geheel en al ontrukt aan zijn oude warme levenssfeer.

Alles om hem werd kil en grauw.

Wie telt de duizende knapen, wier geest verstompt en wier karakter voor

goed bedorven werd door de ellende van hun leerlingen-bestaan? Jean

Jacques ontkwam den ondergang: een goede fee had aan zijn wieg gestaan

en als de werkelijkheid te nijpend werd strekte zij haar staf uit en

voerde hem mee tot haar lichte domeinen. Het was de fee: verbeelding.

In Bossey had hij gestoeid en gedarteld en in de werkelijkheid geluk

gevonden. Nu vluchtte hij voor haar pijn in het rijk der fantaizie. En

omdat eigen vleugels hem nog niet konden dragen, borgde hij vleugels van

anderen.

Hij las. Hij las zonder keus, zonder onderscheiding, met hartstocht, met

razernij. Hij was onverzadigbaar, want hij volgde zijn instinkt van

zelfbehoud. Als zijn geld op was, verpandde hij zijn kleeren om boeken

te kunnen huren. Bont en vreemdstaltig zal de wereld er hebben uitgezien

waarin hij zich redde! Want hij nam gretig aan wat de boeken-verhuurster

hem voor zette, haar heele winkel las hij leeg. Alleen voor de

liederlijke boeken die zij hem, geheimzinnig-doende, aanprees, bedankte

hij uit schaamte.

Hij leerde zijn ambacht niet ten einde. Maar hij leerde lang genoeg om

het element van vorming in zich op te nemen dat voor ieder ligt, maar

in 't bijzonder voor zijn dichternatuur in de discipline van den

handenarbeid lag. Hij leerde geduld, nauwkeurigheid, stadigheid. Hij,

voor wien de verbeeldingswereld werkelijker aanvoelde dan die der

zinnelijke werkelijkheid, raakte althans met één stukje dezer laatste

innig vertrouwd, leerde dat beheerschen, vervormen. Hij, de droomer,

leerde het respekt voor den handen-arbeid, dat enkel geheel doorvoeld

kan zijn bij wien zelf een handwerk verstaat.

Ook deze kiemen droegen vrucht. Dat hij in zijn jeugd een ambachtsman

geweest was, maakte hem zijn leven lang het arbeidzame volk dieper

eigen. En toen hij, aan den drempel van den roem, het moedig besluit nam

om, zijn vrijheid reddend, voortaan van den arbeid zijner handen te

leven, deed de spottende verbazing der vak-letterkundigen, zijn

vrienden, hem vreemd aan: hij keerde immers terug tot een hem

vertrouwden levensstaat.

Met dat al was het gelukkig, dat zijn leerlingen-bestaan niet te lang

duurde. Het kwam ten einde door een toeval en een opwelling. Hij placht

op vrije dagen met kameraadjes buiten de stad te zwerven; dan herleefde

de oude overmoed en uitgelatenheid, hij werd hun aanvoerder, vergat

afstand en tijd. Al een paar keer hadden zij, terugkeerend, de poorten

gesloten gevonden en buiten overnacht. Zijn meester had hem afgestraft

en zóó fel bedreigd, dat de knaap bevreesd werd en de derde maal niet

terug dorst keeren. Toen hij, die ademloos aanrennen kwam, zag hoe de

brug werd opgehaald en haar horens de lucht in boorden, wierp hij zich

in wanhoop neder en beet in den grond. Hij zwoer, nimmer terug te

keeren. Zijn kameraden brachten de boodschap over aan den jongen

Bernard, of die van zijn neefje afscheid wou komen nemen. Hij kwam, maar

zocht den vluchteling met geen woord tegen te houden.

Zoo trok Jean Jacques, door vrees bewogen, op zijn zestiende jaar de

wereld in. Hij had geen geld, geen beschermers, geen kennis, geen

ervaring, hij stak vol romantische droomen en vage matelooze

eerzuchtigheden, hij was een arme verdwaasde jongen, zonder wapens in

den strijd om het bestaan.

Maar de wereld waasde, vol avontuur, en de wind woei vrijheid.

Jean Jacques Rousseau: Een beeld van zijn leven en werken · 第 12 / 32 题