Mme de Warens, die hem wachtte, ontving hem met de mededeeling, dat zij
een werkkring voor hem gevonden had op 't kadaster. De vrije zwerver
werd in een bureaukraat veranderd: hoe hij 't werk-zelf en de
bureau-omgeving haatte, begrijpt men. Toch hield hij 't een poos uit,
waarschijnlijk tot aan den dood van Anet, een ernstige, stroeve, diepe
natuur, niet zonder grootheid, die een zeker gezag uitoefende in huis.
Muziekliefde ging steeds meer open in de volgende jaren, zij werd zijn
levensvervulling. Zijn droomerig zich-laten-drijven op het leven was één
kant van zijn wezen; de andere een felhartstochtelijk najagen der
dingen, in buien van opschuimenden wil. Hij wierp zich telkens op iets
of hij het wou verteren, en verteerde door de overmatige spanning zijn
eigen kracht. Nu was het de muziek-theorie: met zijn harde kop zat hij
te blokken op het "Traité de l'Harmonie" van Rameau, een dik boek en
duister; maar hij wou en zou het doorgronden. Zijn geheugen was een
zeef, alles liep weg, maar hij gaf niet op, tot hij in de wereld der
harmonieën den weg had gevonden. Een poos later kreeg hij een
schaak-rage: hij sloot zich op om, met behulp van een leiddraad, alle
kombinaties en finesses van 't nobele spel te bestudeeren en speelde in
zijn eentje partijen tot hij groen en geel zag: toen hij weer buiten
kwam en naar een café holde om zijn kracht met andere schakers te meten
was er niets over in zijn hoofd als verwarring en nevel. Maar dit
ontmoedigde hem niet.
Chambéry was de hoofdstad van Savoye, het middelpunt van de landelijke
administratie en het maatschappelijk verkeer. Als de edellieden die in
krijgsdienst plachten te gaan overal waar men vechters behoefde, met
verlof of op hun ouden dag naar hun land terugkeerden, streken zij daar
neer. Met hen verkeerde de hoogere, intellektueele bourgeoisie:
magistraten, ambtenaren, geneesheeren, geleerde geestelijken. Daaraan
sloot zich de eigenlijke middenstand, kooplieden, enz. Mme de Warens had
omgang met menschen uit al deze verschillende kringen, zoodoende kwam
Rousseau ook met ontwikkelde mannen in aanraking, die zich
interesseerden voor de beweging der geesten, in Frankrijk aan 't
opkomen, en voor de nieuwe filosofie. Met een hunner las hij de brieven
van Voltaire--wiens zon toen hoog aan den hemel klom--aan den koning van
Pruissen, Frederik de IIde, en de "Philosofische brieven over Engeland,"
van den gevierden schrijver; 't eerste werk, dat de aandacht van 't
denkende Frankrijk op de engelsche burgerlijke literatuur, de theorieën
van Newton en de filosofie van Locke vestigde. In Rousseau begon een
nieuwe warmte op te komen: een warmte voor de Franschen en voor alles
wat fransch was; hij begreep zelf niet waarom, maar hij voelde die
liefde in hem groeien. Toen in 1733 de fransche troepen bij het
uitbreken van den poolschen successie-oorlog door Chambéry trokken, wond
hem dat heftig op. Voor 't eerst ontwaakte zijn belangstelling in het
openbare leven, vol ongeduld greep hij in den loop van den veldtocht
naar de nieuwsbladen, begeerig om te weten hoe 't zijn vrienden verging.
Musici waren schaars in Savoye, en Rousseau gold al spoedig voor een
koning der muziek. Hij kreeg leerlingen, lieve mooie meisjes uit de
aristokratische kringen en de bourgeoisie; zij bleven niet ongevoelig
voor de bekoring van den jongen zachten muziekmeester met de vurige
oogen, en de moeders ook niet altijd. De vrouw in wier huis hij leefde
voelde 't gevaar, zij vreesde zijn hart te verliezen en kon dit niet
verdragen; om het te voorkomen gaf zij zich hem: van nu af aan was hij
haar minnaar, samen met Claude Anet. Hoe Anet dit gevoelde weten wij
niet, maar voor Rousseau had de verhouding niets stuitends; hij was
vervuld van hoogachting en vriendschap voor den ouderen medeminnaar, en
Mme de Warens bezat de gave om in dit bijzonder geval een verhouding
zacht en vloeiend te maken, die ons in 't algemeen even onvereenigbaar
met mannelijke waardigheid als met vrouwelijke eerbaarheid schijnt. In
volle harmonie vloten de dagen, en zoo groot was tusschen hen drieën
vertrouwen en zoete gemeenzaamheid, dat geen der beide minnaars begeerde
de geliefde voor zich alleen te bezitten en voor haar alles te zijn.
Althans zoo voelde Rousseau het in de herinnering.
Maar het inniger samenleven, getweeën, van minnaar en liefste, kwam
toch, want Anet stierf en de droomerige "kleine" stond voor de taak, die
de bedachtzame Zwitser tot nu toe vervuld had: de inkomsten beheeren en
de uitgaven regelen, de wat-grillig geaarde geliefde met de overmilde
hand en den fantastischen zin, van dwaasheden terughouden. Arme
Rousseau, voor die taak was hij niet berekend. Bij Mme de Warens begint,
sinds zij haar praktischen steun moet missen, de verwildering, de
ademlooze jacht op fortuin; het geld smelt weg, de verwarring in zaken
wordt grooter. Rousseau zag dit alles, zag de finantiëele ondergang in
't verschiet, hij leed om de liefste, kon niets voorkomen; als de zorg
voor haar hem te zeer plaagde ging hij, om zich te verzetten, maar eens
een poosje van huis; naar Besançon b.v., muziekles nemen bij den
kapelmeester van de kathedraal, of iets dergelijks. Dit kostte
natuurlijk weer geld en was niet verstandig, hij wist 't, maar wat zal
men doen? Overigens leefden zij vergenoegd en vroolijk te Chambéry.
Mme de Warens zag veel menschen, Rousseau organiseerde huiselijke
muziek-avondjes, ook werd er wel comedie gespeeld, salonstukjes vol
intrigue, als toen in de mode waren. Over den adel begon hij heel anders
te denken dan vroeger; zijn republikeinsche strengheid verslapte, zijn
oude afkeer van de aristokraten leek hem in dien tijd dwaas en
overdreven: hij heeft dit uitgesproken in een weinig bekende brief in
verzen uit het jaar '41, "l'Epitre à Parisot."
Maar zijn gezondheid verviel, hij werd zwak en ellendig, jaren lang,
't scheen of hij de tering kreeg. Eens was hij hard ziek, alleen haar
groote zorg redde hem. De hartstocht waarmee hij leefde verteerde zijn
krachten. Ook kon hij niet tegen de stad; Chambéry was veel minder
aantrekkelijk dan Annecy, een vervelende stad met leien daken en het
aspekt, toen al, van een vervallen residentie, want vroeger was zij de
hoofdstad van heel Sardinië geweest. Het huis van Mme de Warens lag in
een akelige achterstraat, zonder uitzicht, het was somber en triest.
Hoe dorstte hij naar groen, naar velden en bosschen: dat zou hem
goeddoen, daar zou hij genezen. Zij was hem in die wensch ter wille.
Eerst huurde zij een optrekje in een buitenbuurt met een tuintje, waar
hij kon liggen lezen en droomen. Toen een boerderijtje, een half uur
buiten de stad, den berg op, in een kleine delling aan een weggetje vol
meidoorns en nachtegalen; zij trokken er heen zoodra 't voorjaar kwam,
heele dagen, zij in haar draagstoel, naar de gewoonte van den tijd. Maar
dat heen en weer gaan bleek omslachtig, en toen huurde zij, vlak bij 't
eerste boerderijtje, in dezelfde delling, een frisch, ruim buitenhuis,
idyllisch gelegen Les Charmettes. Het bestaat nog, en veel is er nog
over uit de dagen dat zij het bewoonden, meubels in de kamers en prenten
aan den wand. Het spinet is er nog waarop hij zijn wijsjes probeerde en
het schaakbord waaraan hij te blokken zat, en de ligstoel waarop hij
rustte in zijn zwakke dagen. De oude glycine tegen het huis is een
dikke, knoestige stam geworden; in lentetijd voorzien zijn duizende
bloemtrossen alle bijen uit de buurt van honing en vullen de lucht met
geur. En de liefelijkheid der natuur in alle wisselingen der dagen en
der seizoenen van dat bergdalletje, die Rousseau daar inzoog en die één
werd met hem, is door hem in ons die nu leven overgegaan en leeft als
een deel van ons voort in 't universeele leven. Want hij was, met eenige
engelsche dichters, de eerste die uitspraak 't moderne natuurgevoel.
Daar in Les Charmettes denken de menschen, dat de liefdes-idylle
tusschen Rousseau en Mme de Warens zich heeft afgespeeld.
Hij dacht het zelf ook, toen hij, aan de grens van den ouderdom,
worstelend tegen kommer, halfgebroken door verdriet en vijandelijkheid,
de gouden dagen van zijn jeugd voor zich deed oprijzen. In Les
Charmettes was hij voor 't eerst, maanden achtereen, zonder zorg voor
zijn brood, zonder zwervers-onrust in zijn bloed, in de vrije natuur
geweest, daar had hij haar liefelijkheid volop in zich gezogen, zich
voelen worden één met haar. Het was hem als snoof hij weer in de
frissche, zuivere lucht van het bekoorlijke dalletje, als rook hij de
honinglucht van den blauwen regen, als hoorde hij het gezoem der
duizende bijtjes die afkwamen op den honing; als zag hij het pad door
den boomgaard opklimmen naar het huis, en de wijnstokken er boven,
kruipend tegen de helling, en de nette tuin regelmatig-aangelegd als een
pastorie-tuin. Hij trad weer in die frissche luchtige vertrekken, simpel
gemeubeld als voor een landhuisje past en voor menschen die zuinig
willen wezen, maar toch met verfijning van smaak, hij zag weer naar
buiten uit de vensters. Het landschap was juist een landschap als hij
lief had, een mengeling van woestheid en lieflijkheid: op den voorgrond
weiden en wijnvelden en boomgaarden dalend in zachte glooiingen naar
waar de stad te stoven lag in de vlakte, en achter haar de bergen
steil-opzendend hun scherp-getande pieken en hooge ronde kanteelen,
ongenaakbaar en trotsch. Ja, daar had hij de volheid der natuur genoten,
daar het meest. Hij had gezworven hoog langs de wijnbergen en in den
boomgaard gelezen en nagedacht; hij had gespit in den moestuin en de
duiven verzorgd in den til en de bijen in de korven, hij had de
ochtenden verdroomd in het bloeiende gras en in de klare nachten tot de
sterren opgezien, en alles was geluk geweest, werken en lezen en
nietsdoen en het ademen zelf, alles. Een gouden waas van geluk lag over
alle dingen, omdat zijn oogen gouden hadden gezien. Was het de liefde
niet geweest die om de dingen hing, een goudwaas? Had zij niet voor hem
de geuren van het gras zoeter gemaakt, en den glans der sterren klaarder
en den vogelenzang voller dan ooit daarvoor of daarna? Zoo meende hij,
starend terug van den grens van den ouderdom, als de mijlpalen der
jeugdherinneringen halfverwischt zijn, hoe hel zij zelven ook opglansen.
En daarom weefde hij de heugenis van de liefdes-zaligheid van vroegere
jaren en de gouden herinnerings-glans die uit het verblijf in Les
Charmettes opsteeg, samen tot één droom.
In waarheid was in dat paradijs de liefde geen zaligheid geweest, maar
strijd en pijn, gegriefd-voelen en verongelijkt. Maar een andere vreugde
had hij er gekend, zij straalde na door zijn herinnering: die van den
groei zijner zedelijke en intellektueele persoonlijkheid. De krachten
van zijn wezen waren er veel gerijpt.
Toen Rousseau in den zomer van '37 van een kort verblijf in Genève waar
hij wat hem toekwam van de nalatenschap van zijn moeder was gaan halen,
terugkeerde, vond hij een nieuwen huisgenoot: een platte, zelfbehagelijke,
rumoerige jongeman, een "kappersjongen," zooals hij Wintzenried
verachtelijk noemde, (in waarheid stamde de indringer uit het adellijk
geslacht der Courtilles), van zessenklaar in allerlei dingen waar de
ziekelijke droomer geen verstand van had, vol ijver voor de boerderij en
voor alles--in één woord, onuitstaanbaar. Die ordinaire gezonde manskerel
had hem half verdrongen in 't hart der geliefde; hij de oudere, moest
deelen als Anet had moeten deelen, zich voortaan tevreden stellen met de
tweede plaats. Hij trachtte te doen wat van hem verlangd werd; noemde den
medeminnaar "broeder," verzoende zich met hem na 't eerste heftig krakeel;
de liefde maakte hem laf en gesmijdig. Maar hij kòn de geliefde niet
deelen, dit weigerde hij: zijn mannelijkheid rees in hem op. Heel zijn
jeugd door had hij zich maar laten drijven op het leven en was zijn
opwellingen en aandoeningen gevolgd. Al voor dien schok was in hem een
verandering begonnen, was hij begonnen na te denken, hoe men behoort te
leven; te zoeken naar een zedelijk beginsel, te begrijpen, dat men niet
elke opwelling volgen moet. Nu werd die verandering beslister. In 't najaar
van '37 ging hij voor zijn gezondheid naar Montpellier, hij meende aan een
hartkwaal te lijden; op reis werd hij natuurlijk weer verliefd en maakte
aan de schoone onder een valsche naam het hof (hij gaf zich uit voor een
Engelschman). Het kwam heel gauw tot een liefdes-verhouding, zij noodigde
hem uit haar op zijn terugreis te bezoeken; hij beloofde dit te doen; in
zijn brieven aan Mme de Warens sprak hij natuurlijk over dit alles niet,
en verzon leugentjes, om den omweg op de terugreis te verklaren. Maar toen
't er toe zou komen kreeg hij een knaging: zou hij nu weer den avonturier
gaan spelen, na al wat hij zich voorgenomen had? Hij weerstond zijn lust
en ging rechtstreeks naar Chambéry terug: voor 't eerst in zijn leven
voelde hij het geluk eener zedelijke voldoening.
Thuis was alles bij het oude; hij trok naar Les Charmettes; de volgende
twee jaar, van 1738 tot '40, bracht hij daar bijna geheel door, 's
winters alleen, 's zomers met Mme de Warens en Courtilles. Het leven op
de kleine boerderij was patriarchaal-eenvoudig; 's avonds versponnen de
boerenmeisjes het vlas tot de glanzende draden, waaruit linnen werd
geweven voor het lijf-goed van 't gezin. De wijn-oogst in 't najaar was
een tijd van gezelligheid en feesten, in den winter zat Rousseau bij den
haard met den pachter en de zijnen, er werden verhalen verteld en oude
liedjes gezongen. Alles aan dit landelijke leven verrukte hem. Zij
hadden daar buiten een goeden buur, een edelman, Monsieur de Conzié, wat
ouder dan hij, dien hij muziekles zou geven. Het was een geletterd man
en Rousseau, die zich in zijn jeugd sterk door de levensrichting der
menschen met wie hij toevallig in aanraking kwam liet leiden, had veel
aan dien omgang. Zijn belangstelling in de literatuur nam toe, hij
bestudeerde Voltaire en toen hij zelf begon kleinigheidjes te schrijven,
probeerde hij de heldere elegante stijl van den veel-bewonderde na te
bootsen. Maar dat lukte slecht. Hij voelde zich onwetend; wat hij wist,
had hij bij stukken en brokken opgeraapt; overal waren gaten. Nu besloot
hij, flink systematisch te gaan studeeren en stelde een plan van
werkzaamheden op. Hij verdiepte zich in de filosofie, leerde Descartes,
Mallebranche, Locke, Leibnitz kennen, hetzij in hun oorspronkelijke
werken of uit handleidingen. Ook studeerde hij fransche geschiedenis,
fysica (Voltaire had hem in Newton ingewijd), wiskunde en meetkunde;
reeds in Chambéry had hij wat geliefhebberd in chemie en had zich bij
een proef erg gebrand; na trachtte hij ook astronomische waarnemingen
te doen en bracht daarmee de boeren in onrust; zij zagen hem voor een
toovenaar aan. Met spanning volgde hij de berichten over de
wetenschappelijke ontdekkingsreizen, door de fransche regeering
uitgezonden naar Centraal Amerika en naar 't hooge noorden, om
aardmetingen te doen. Op alle wijzen streefde hij naar kennis. Het
studeeren werd een hartstocht, een bezetenheid; hij strooide overal
boeken rond, de heele dag lessen mompelend in zijn eigen. Hij was nu
niet langer vaag, maar wist zeer goed wat hij wilde. Een dubbel doel
beoogde hij, een praktisch en een ideaal. Aan zijn liefde hield hij vast
door alle verduistering; hij zag de finantiëele moeilijkheden voor Mme
de Warens toenemen en vreesde een katastrophe: dan wilde hij haar kunnen
helpen, gelijk zij hem vroeger geholpen had. Daarom streefde hij er naar
de kundigheden te verwerven, die hem in staat zouden stellen b.v.
sekretaris van een hooggeplaatst man te worden: daarbij zou hem, meende
hij, zijn beetje schrijftalent goed te pas komen. Of anders gouverneur
in een adellijke familie; ook daarvoor voelde hij zich geschikt. Dat was
het practisch doel van zijn studies. Het andere was, zooals hij wat
vroeger aan zijn vader had geschreven, om door kennis "niet slechts den
geest te verlichten maar ook het hart te vormen voor deugd en wijsheid."
Hij wilde zijn zwakheden overwinnen en naar een ideaal leven; de
zedelijke gloeden van zijn kindsheid flikkerden weer in hem op. Zijn
gezondheid bleef slecht, hij voelde zich aldoor zwak en meende spoedig
te zullen sterven, zooals menig jong dichter voor en na hem heeft
gemeend. De verwachting van een spoedige dood bracht hem tot
godsdienstige overpeinzingen; op zijn morgenwandelingen langs het pad
dat liep boven het dal, tusschen de wijnbergen, placht hij te bidden
wat zijn hart hem ingaf; hij voelde zich dan in innigheid en aandacht
vereenigd met den schepper dien hij eerde in zijn werken. Met Mme de
Warens voerde hij in dien tijd vaak theologische gesprekken, zij hield
daar ook veel van; haar vroomheidszin, haar vast geloof in 't eeuwige
leven, vertroostte hem toen hij meende dat de draad van zijn aardsche
leven breken ging. De godsdienst die hij in zich aankweekte had
eigenlijk weinig meer gemeen met het katholieke kerkgeloof; die
godsdienst bestond voornamelijk uit een vroom gevoel, een verteedering
des harten voor het opperwezen, een begeerte dat te naderen, met totale
verwaarloozing van dogma's en geopenbaarde waarheden en bijzonder weinig
respekt voor het kerkelijk gezag en de traditie. Die godsdienst was, in
één woord, de grootst-mogelijke abstrakte en vage vorm van godsdienstig
leven, met behoud van het geloof aan een persoonlijk God en een
persoonlijk voortbestaan, dat is de vorm van godsdienstig leven die het
best past bij den modernen individualistischen kleinburger. Er
verkeerden veel geestelijken en paters-jezuieten in huis, zij schenen
in de eigendommelijke vroomheid van den jongeman niets bedenkelijks te
vinden; hij was volgzaam en eerbiedig, nam zijn plichten waar, en in
het land was geen beroering, geen begin van verzet tegen het kerkelijk
gezag. Zoo kiemden ook deze zaden in zijn gemoed in vrijheid.
De dood kwam niet, het leven werd ondragelijk: hij kon dit bitter brok
niet verzwelgen. Een teederheid en zachte gemeenzaamheid, flauwe
na-glans van vroegere dagen, was gebleven, maar begeerte om dit
ontzielde samenzijn te bestendigen, stierf ten slotte: hij besloot te
gaan. Zij vond een betrekking voor hem in Lyon, als gouverneur van twee
kleine jongens van goeden huize; hij had in een geschriftje zijn
denkbeelden over opvoeding samengevat en bood dit den vader zijner
leerlingen aan. Hij stortte zich op zijn taak als opvoeder vol illusies,
met al het oude vuur dat voor ieder nieuw ding uitbrak, maar hij faalde.
Een jaar hield hij het uit, matte zich af om gezag over zijn leerlingen
te krijgen; het lukte niet, hij had wel doorzicht, maar geen geduld
genoeg. Ontmoedigd gaf hij het op; zijn positie bij de familie was ook
moeilijk geworden, nadat men gemerkt had dat hij zich schuldig maakte
aan kleine diefstallen van wijn, een reminicens uit zijn lakeientijd.
Weer vliegt hij terug naar het nest, weer priemen hem de oude stekels;
hij voelt, hij moet zich losrukken, hij moet, hij moet. Nog enkele
maanden wijlt hij in Les Charmettes, verdiept zich opnieuw in de theorie
der muziek. Daar komt op een dag het plan bij hem op van een nieuw
notenschrift in cijfers; hij werkt het uit, het schijnt hem
voortreffelijk, een weg tot groote vereenvoudiging en vergemakkelijking
der muziek-studie. Nu heeft hij den sleutel tot de fortuin gevonden,
het onfeilbaar middel, rijkdom en aanzien te verwerven; nu zal hij de
"teederste aller moeders"--want dat blijft zij voor hem--al haar zorgen
en offers kunnen vergoeden.
Nog heeft hij niets van belang gedaan, de groote krachten van zijn wezen
sluimeren nog. Hij bezit een vrij groote algemeene en philosofische
ontwikkeling, hij is een tamelijk musicus; hij heeft een onbeduidend
komedietje, in den stijl van Marivaux, geschreven; een traktaatje over
opvoeding, een paar epistels in verzen, middelmatige rijmelarij zonder
persoonlijk accent: dat is alles.
Maar alle kiemen--op één na--van den man dien hij worden en van de
werken die hij maken zal zijn gedurende de verschillende phazen van zijn
leven tot aan zijn dertigste jaar, in hem uitgestrooid en gezonken. In
zijn kinderjaren: de idealen van burgerdeugd, patriotisme en demokratie,
de droomen van gelijkheid en vrijheid. In den zwerverstijd zijner
jongelingschap: het meegevoel met de verdrukten en de haat tegen de
verdrukkers, maar ook de neiging tot buiten-maatschappelijk
individualisme, de behoefte aan bandelooze vrijheid. In zijn lange jaren
van liefdes-verrukking in de liefelijke natuur, toen zachtheid in hem
overging uit de zachte geliefde: een teedere weekheid, een gedrenkt zijn
met de overtuiging dat men zijn hart moet volgen en naar zijn gemoed te
leven, het eenige goede en ware leven is. Gedurende het alleen zijn in
Les Charmettes met zijn gepeinzen: een innig natuurgevoel, toen nog maar
in enkele menschen levend, de drang een te worden met de natuur, het
vermogen in haar de stemmingen terug te vinden van 't eigen gemoed,
de eigen ziel te hooren weenen of juichen. In de alleenheid en
doods-verwachting, de smart en teleurstelling der laatste jaren zijner
jeugd: de behoefte aan troost over het slechte leven, door godsgeloof en
onsterfelijkheidsgeloof.
Dertig jaar oud, trekt hij naar Parijs, haast even vol illusies en
stoute, onbestemde droomen als hij voor veertien jaar naar Turijn was
getrokken, een weinigje wijzer en meer dan een weinigje droever, iets
vaster in zich zelven, maar nog altijd werkelijkheid niet onderscheidend
van droomen, nog ongepantserd, en teer van hart.