IV. GROEI

Mme de Warens, die hem wachtte, ontving hem met de mededeeling, dat zij

een werkkring voor hem gevonden had op 't kadaster. De vrije zwerver

werd in een bureaukraat veranderd: hoe hij 't werk-zelf en de

bureau-omgeving haatte, begrijpt men. Toch hield hij 't een poos uit,

waarschijnlijk tot aan den dood van Anet, een ernstige, stroeve, diepe

natuur, niet zonder grootheid, die een zeker gezag uitoefende in huis.

Muziekliefde ging steeds meer open in de volgende jaren, zij werd zijn

levensvervulling. Zijn droomerig zich-laten-drijven op het leven was één

kant van zijn wezen; de andere een felhartstochtelijk najagen der

dingen, in buien van opschuimenden wil. Hij wierp zich telkens op iets

of hij het wou verteren, en verteerde door de overmatige spanning zijn

eigen kracht. Nu was het de muziek-theorie: met zijn harde kop zat hij

te blokken op het "Traité de l'Harmonie" van Rameau, een dik boek en

duister; maar hij wou en zou het doorgronden. Zijn geheugen was een

zeef, alles liep weg, maar hij gaf niet op, tot hij in de wereld der

harmonieën den weg had gevonden. Een poos later kreeg hij een

schaak-rage: hij sloot zich op om, met behulp van een leiddraad, alle

kombinaties en finesses van 't nobele spel te bestudeeren en speelde in

zijn eentje partijen tot hij groen en geel zag: toen hij weer buiten

kwam en naar een café holde om zijn kracht met andere schakers te meten

was er niets over in zijn hoofd als verwarring en nevel. Maar dit

ontmoedigde hem niet.

Chambéry was de hoofdstad van Savoye, het middelpunt van de landelijke

administratie en het maatschappelijk verkeer. Als de edellieden die in

krijgsdienst plachten te gaan overal waar men vechters behoefde, met

verlof of op hun ouden dag naar hun land terugkeerden, streken zij daar

neer. Met hen verkeerde de hoogere, intellektueele bourgeoisie:

magistraten, ambtenaren, geneesheeren, geleerde geestelijken. Daaraan

sloot zich de eigenlijke middenstand, kooplieden, enz. Mme de Warens had

omgang met menschen uit al deze verschillende kringen, zoodoende kwam

Rousseau ook met ontwikkelde mannen in aanraking, die zich

interesseerden voor de beweging der geesten, in Frankrijk aan 't

opkomen, en voor de nieuwe filosofie. Met een hunner las hij de brieven

van Voltaire--wiens zon toen hoog aan den hemel klom--aan den koning van

Pruissen, Frederik de IIde, en de "Philosofische brieven over Engeland,"

van den gevierden schrijver; 't eerste werk, dat de aandacht van 't

denkende Frankrijk op de engelsche burgerlijke literatuur, de theorieën

van Newton en de filosofie van Locke vestigde. In Rousseau begon een

nieuwe warmte op te komen: een warmte voor de Franschen en voor alles

wat fransch was; hij begreep zelf niet waarom, maar hij voelde die

liefde in hem groeien. Toen in 1733 de fransche troepen bij het

uitbreken van den poolschen successie-oorlog door Chambéry trokken, wond

hem dat heftig op. Voor 't eerst ontwaakte zijn belangstelling in het

openbare leven, vol ongeduld greep hij in den loop van den veldtocht

naar de nieuwsbladen, begeerig om te weten hoe 't zijn vrienden verging.

Musici waren schaars in Savoye, en Rousseau gold al spoedig voor een

koning der muziek. Hij kreeg leerlingen, lieve mooie meisjes uit de

aristokratische kringen en de bourgeoisie; zij bleven niet ongevoelig

voor de bekoring van den jongen zachten muziekmeester met de vurige

oogen, en de moeders ook niet altijd. De vrouw in wier huis hij leefde

voelde 't gevaar, zij vreesde zijn hart te verliezen en kon dit niet

verdragen; om het te voorkomen gaf zij zich hem: van nu af aan was hij

haar minnaar, samen met Claude Anet. Hoe Anet dit gevoelde weten wij

niet, maar voor Rousseau had de verhouding niets stuitends; hij was

vervuld van hoogachting en vriendschap voor den ouderen medeminnaar, en

Mme de Warens bezat de gave om in dit bijzonder geval een verhouding

zacht en vloeiend te maken, die ons in 't algemeen even onvereenigbaar

met mannelijke waardigheid als met vrouwelijke eerbaarheid schijnt. In

volle harmonie vloten de dagen, en zoo groot was tusschen hen drieën

vertrouwen en zoete gemeenzaamheid, dat geen der beide minnaars begeerde

de geliefde voor zich alleen te bezitten en voor haar alles te zijn.

Althans zoo voelde Rousseau het in de herinnering.

Maar het inniger samenleven, getweeën, van minnaar en liefste, kwam

toch, want Anet stierf en de droomerige "kleine" stond voor de taak, die

de bedachtzame Zwitser tot nu toe vervuld had: de inkomsten beheeren en

de uitgaven regelen, de wat-grillig geaarde geliefde met de overmilde

hand en den fantastischen zin, van dwaasheden terughouden. Arme

Rousseau, voor die taak was hij niet berekend. Bij Mme de Warens begint,

sinds zij haar praktischen steun moet missen, de verwildering, de

ademlooze jacht op fortuin; het geld smelt weg, de verwarring in zaken

wordt grooter. Rousseau zag dit alles, zag de finantiëele ondergang in

't verschiet, hij leed om de liefste, kon niets voorkomen; als de zorg

voor haar hem te zeer plaagde ging hij, om zich te verzetten, maar eens

een poosje van huis; naar Besançon b.v., muziekles nemen bij den

kapelmeester van de kathedraal, of iets dergelijks. Dit kostte

natuurlijk weer geld en was niet verstandig, hij wist 't, maar wat zal

men doen? Overigens leefden zij vergenoegd en vroolijk te Chambéry.

Mme de Warens zag veel menschen, Rousseau organiseerde huiselijke

muziek-avondjes, ook werd er wel comedie gespeeld, salonstukjes vol

intrigue, als toen in de mode waren. Over den adel begon hij heel anders

te denken dan vroeger; zijn republikeinsche strengheid verslapte, zijn

oude afkeer van de aristokraten leek hem in dien tijd dwaas en

overdreven: hij heeft dit uitgesproken in een weinig bekende brief in

verzen uit het jaar '41, "l'Epitre à Parisot."

Maar zijn gezondheid verviel, hij werd zwak en ellendig, jaren lang,

't scheen of hij de tering kreeg. Eens was hij hard ziek, alleen haar

groote zorg redde hem. De hartstocht waarmee hij leefde verteerde zijn

krachten. Ook kon hij niet tegen de stad; Chambéry was veel minder

aantrekkelijk dan Annecy, een vervelende stad met leien daken en het

aspekt, toen al, van een vervallen residentie, want vroeger was zij de

hoofdstad van heel Sardinië geweest. Het huis van Mme de Warens lag in

een akelige achterstraat, zonder uitzicht, het was somber en triest.

Hoe dorstte hij naar groen, naar velden en bosschen: dat zou hem

goeddoen, daar zou hij genezen. Zij was hem in die wensch ter wille.

Eerst huurde zij een optrekje in een buitenbuurt met een tuintje, waar

hij kon liggen lezen en droomen. Toen een boerderijtje, een half uur

buiten de stad, den berg op, in een kleine delling aan een weggetje vol

meidoorns en nachtegalen; zij trokken er heen zoodra 't voorjaar kwam,

heele dagen, zij in haar draagstoel, naar de gewoonte van den tijd. Maar

dat heen en weer gaan bleek omslachtig, en toen huurde zij, vlak bij 't

eerste boerderijtje, in dezelfde delling, een frisch, ruim buitenhuis,

idyllisch gelegen Les Charmettes. Het bestaat nog, en veel is er nog

over uit de dagen dat zij het bewoonden, meubels in de kamers en prenten

aan den wand. Het spinet is er nog waarop hij zijn wijsjes probeerde en

het schaakbord waaraan hij te blokken zat, en de ligstoel waarop hij

rustte in zijn zwakke dagen. De oude glycine tegen het huis is een

dikke, knoestige stam geworden; in lentetijd voorzien zijn duizende

bloemtrossen alle bijen uit de buurt van honing en vullen de lucht met

geur. En de liefelijkheid der natuur in alle wisselingen der dagen en

der seizoenen van dat bergdalletje, die Rousseau daar inzoog en die één

werd met hem, is door hem in ons die nu leven overgegaan en leeft als

een deel van ons voort in 't universeele leven. Want hij was, met eenige

engelsche dichters, de eerste die uitspraak 't moderne natuurgevoel.

Daar in Les Charmettes denken de menschen, dat de liefdes-idylle

tusschen Rousseau en Mme de Warens zich heeft afgespeeld.

Hij dacht het zelf ook, toen hij, aan de grens van den ouderdom,

worstelend tegen kommer, halfgebroken door verdriet en vijandelijkheid,

de gouden dagen van zijn jeugd voor zich deed oprijzen. In Les

Charmettes was hij voor 't eerst, maanden achtereen, zonder zorg voor

zijn brood, zonder zwervers-onrust in zijn bloed, in de vrije natuur

geweest, daar had hij haar liefelijkheid volop in zich gezogen, zich

voelen worden één met haar. Het was hem als snoof hij weer in de

frissche, zuivere lucht van het bekoorlijke dalletje, als rook hij de

honinglucht van den blauwen regen, als hoorde hij het gezoem der

duizende bijtjes die afkwamen op den honing; als zag hij het pad door

den boomgaard opklimmen naar het huis, en de wijnstokken er boven,

kruipend tegen de helling, en de nette tuin regelmatig-aangelegd als een

pastorie-tuin. Hij trad weer in die frissche luchtige vertrekken, simpel

gemeubeld als voor een landhuisje past en voor menschen die zuinig

willen wezen, maar toch met verfijning van smaak, hij zag weer naar

buiten uit de vensters. Het landschap was juist een landschap als hij

lief had, een mengeling van woestheid en lieflijkheid: op den voorgrond

weiden en wijnvelden en boomgaarden dalend in zachte glooiingen naar

waar de stad te stoven lag in de vlakte, en achter haar de bergen

steil-opzendend hun scherp-getande pieken en hooge ronde kanteelen,

ongenaakbaar en trotsch. Ja, daar had hij de volheid der natuur genoten,

daar het meest. Hij had gezworven hoog langs de wijnbergen en in den

boomgaard gelezen en nagedacht; hij had gespit in den moestuin en de

duiven verzorgd in den til en de bijen in de korven, hij had de

ochtenden verdroomd in het bloeiende gras en in de klare nachten tot de

sterren opgezien, en alles was geluk geweest, werken en lezen en

nietsdoen en het ademen zelf, alles. Een gouden waas van geluk lag over

alle dingen, omdat zijn oogen gouden hadden gezien. Was het de liefde

niet geweest die om de dingen hing, een goudwaas? Had zij niet voor hem

de geuren van het gras zoeter gemaakt, en den glans der sterren klaarder

en den vogelenzang voller dan ooit daarvoor of daarna? Zoo meende hij,

starend terug van den grens van den ouderdom, als de mijlpalen der

jeugdherinneringen halfverwischt zijn, hoe hel zij zelven ook opglansen.

En daarom weefde hij de heugenis van de liefdes-zaligheid van vroegere

jaren en de gouden herinnerings-glans die uit het verblijf in Les

Charmettes opsteeg, samen tot één droom.

In waarheid was in dat paradijs de liefde geen zaligheid geweest, maar

strijd en pijn, gegriefd-voelen en verongelijkt. Maar een andere vreugde

had hij er gekend, zij straalde na door zijn herinnering: die van den

groei zijner zedelijke en intellektueele persoonlijkheid. De krachten

van zijn wezen waren er veel gerijpt.

Toen Rousseau in den zomer van '37 van een kort verblijf in Genève waar

hij wat hem toekwam van de nalatenschap van zijn moeder was gaan halen,

terugkeerde, vond hij een nieuwen huisgenoot: een platte, zelfbehagelijke,

rumoerige jongeman, een "kappersjongen," zooals hij Wintzenried

verachtelijk noemde, (in waarheid stamde de indringer uit het adellijk

geslacht der Courtilles), van zessenklaar in allerlei dingen waar de

ziekelijke droomer geen verstand van had, vol ijver voor de boerderij en

voor alles--in één woord, onuitstaanbaar. Die ordinaire gezonde manskerel

had hem half verdrongen in 't hart der geliefde; hij de oudere, moest

deelen als Anet had moeten deelen, zich voortaan tevreden stellen met de

tweede plaats. Hij trachtte te doen wat van hem verlangd werd; noemde den

medeminnaar "broeder," verzoende zich met hem na 't eerste heftig krakeel;

de liefde maakte hem laf en gesmijdig. Maar hij kòn de geliefde niet

deelen, dit weigerde hij: zijn mannelijkheid rees in hem op. Heel zijn

jeugd door had hij zich maar laten drijven op het leven en was zijn

opwellingen en aandoeningen gevolgd. Al voor dien schok was in hem een

verandering begonnen, was hij begonnen na te denken, hoe men behoort te

leven; te zoeken naar een zedelijk beginsel, te begrijpen, dat men niet

elke opwelling volgen moet. Nu werd die verandering beslister. In 't najaar

van '37 ging hij voor zijn gezondheid naar Montpellier, hij meende aan een

hartkwaal te lijden; op reis werd hij natuurlijk weer verliefd en maakte

aan de schoone onder een valsche naam het hof (hij gaf zich uit voor een

Engelschman). Het kwam heel gauw tot een liefdes-verhouding, zij noodigde

hem uit haar op zijn terugreis te bezoeken; hij beloofde dit te doen; in

zijn brieven aan Mme de Warens sprak hij natuurlijk over dit alles niet,

en verzon leugentjes, om den omweg op de terugreis te verklaren. Maar toen

't er toe zou komen kreeg hij een knaging: zou hij nu weer den avonturier

gaan spelen, na al wat hij zich voorgenomen had? Hij weerstond zijn lust

en ging rechtstreeks naar Chambéry terug: voor 't eerst in zijn leven

voelde hij het geluk eener zedelijke voldoening.

Thuis was alles bij het oude; hij trok naar Les Charmettes; de volgende

twee jaar, van 1738 tot '40, bracht hij daar bijna geheel door, 's

winters alleen, 's zomers met Mme de Warens en Courtilles. Het leven op

de kleine boerderij was patriarchaal-eenvoudig; 's avonds versponnen de

boerenmeisjes het vlas tot de glanzende draden, waaruit linnen werd

geweven voor het lijf-goed van 't gezin. De wijn-oogst in 't najaar was

een tijd van gezelligheid en feesten, in den winter zat Rousseau bij den

haard met den pachter en de zijnen, er werden verhalen verteld en oude

liedjes gezongen. Alles aan dit landelijke leven verrukte hem. Zij

hadden daar buiten een goeden buur, een edelman, Monsieur de Conzié, wat

ouder dan hij, dien hij muziekles zou geven. Het was een geletterd man

en Rousseau, die zich in zijn jeugd sterk door de levensrichting der

menschen met wie hij toevallig in aanraking kwam liet leiden, had veel

aan dien omgang. Zijn belangstelling in de literatuur nam toe, hij

bestudeerde Voltaire en toen hij zelf begon kleinigheidjes te schrijven,

probeerde hij de heldere elegante stijl van den veel-bewonderde na te

bootsen. Maar dat lukte slecht. Hij voelde zich onwetend; wat hij wist,

had hij bij stukken en brokken opgeraapt; overal waren gaten. Nu besloot

hij, flink systematisch te gaan studeeren en stelde een plan van

werkzaamheden op. Hij verdiepte zich in de filosofie, leerde Descartes,

Mallebranche, Locke, Leibnitz kennen, hetzij in hun oorspronkelijke

werken of uit handleidingen. Ook studeerde hij fransche geschiedenis,

fysica (Voltaire had hem in Newton ingewijd), wiskunde en meetkunde;

reeds in Chambéry had hij wat geliefhebberd in chemie en had zich bij

een proef erg gebrand; na trachtte hij ook astronomische waarnemingen

te doen en bracht daarmee de boeren in onrust; zij zagen hem voor een

toovenaar aan. Met spanning volgde hij de berichten over de

wetenschappelijke ontdekkingsreizen, door de fransche regeering

uitgezonden naar Centraal Amerika en naar 't hooge noorden, om

aardmetingen te doen. Op alle wijzen streefde hij naar kennis. Het

studeeren werd een hartstocht, een bezetenheid; hij strooide overal

boeken rond, de heele dag lessen mompelend in zijn eigen. Hij was nu

niet langer vaag, maar wist zeer goed wat hij wilde. Een dubbel doel

beoogde hij, een praktisch en een ideaal. Aan zijn liefde hield hij vast

door alle verduistering; hij zag de finantiëele moeilijkheden voor Mme

de Warens toenemen en vreesde een katastrophe: dan wilde hij haar kunnen

helpen, gelijk zij hem vroeger geholpen had. Daarom streefde hij er naar

de kundigheden te verwerven, die hem in staat zouden stellen b.v.

sekretaris van een hooggeplaatst man te worden: daarbij zou hem, meende

hij, zijn beetje schrijftalent goed te pas komen. Of anders gouverneur

in een adellijke familie; ook daarvoor voelde hij zich geschikt. Dat was

het practisch doel van zijn studies. Het andere was, zooals hij wat

vroeger aan zijn vader had geschreven, om door kennis "niet slechts den

geest te verlichten maar ook het hart te vormen voor deugd en wijsheid."

Hij wilde zijn zwakheden overwinnen en naar een ideaal leven; de

zedelijke gloeden van zijn kindsheid flikkerden weer in hem op. Zijn

gezondheid bleef slecht, hij voelde zich aldoor zwak en meende spoedig

te zullen sterven, zooals menig jong dichter voor en na hem heeft

gemeend. De verwachting van een spoedige dood bracht hem tot

godsdienstige overpeinzingen; op zijn morgenwandelingen langs het pad

dat liep boven het dal, tusschen de wijnbergen, placht hij te bidden

wat zijn hart hem ingaf; hij voelde zich dan in innigheid en aandacht

vereenigd met den schepper dien hij eerde in zijn werken. Met Mme de

Warens voerde hij in dien tijd vaak theologische gesprekken, zij hield

daar ook veel van; haar vroomheidszin, haar vast geloof in 't eeuwige

leven, vertroostte hem toen hij meende dat de draad van zijn aardsche

leven breken ging. De godsdienst die hij in zich aankweekte had

eigenlijk weinig meer gemeen met het katholieke kerkgeloof; die

godsdienst bestond voornamelijk uit een vroom gevoel, een verteedering

des harten voor het opperwezen, een begeerte dat te naderen, met totale

verwaarloozing van dogma's en geopenbaarde waarheden en bijzonder weinig

respekt voor het kerkelijk gezag en de traditie. Die godsdienst was, in

één woord, de grootst-mogelijke abstrakte en vage vorm van godsdienstig

leven, met behoud van het geloof aan een persoonlijk God en een

persoonlijk voortbestaan, dat is de vorm van godsdienstig leven die het

best past bij den modernen individualistischen kleinburger. Er

verkeerden veel geestelijken en paters-jezuieten in huis, zij schenen

in de eigendommelijke vroomheid van den jongeman niets bedenkelijks te

vinden; hij was volgzaam en eerbiedig, nam zijn plichten waar, en in

het land was geen beroering, geen begin van verzet tegen het kerkelijk

gezag. Zoo kiemden ook deze zaden in zijn gemoed in vrijheid.

De dood kwam niet, het leven werd ondragelijk: hij kon dit bitter brok

niet verzwelgen. Een teederheid en zachte gemeenzaamheid, flauwe

na-glans van vroegere dagen, was gebleven, maar begeerte om dit

ontzielde samenzijn te bestendigen, stierf ten slotte: hij besloot te

gaan. Zij vond een betrekking voor hem in Lyon, als gouverneur van twee

kleine jongens van goeden huize; hij had in een geschriftje zijn

denkbeelden over opvoeding samengevat en bood dit den vader zijner

leerlingen aan. Hij stortte zich op zijn taak als opvoeder vol illusies,

met al het oude vuur dat voor ieder nieuw ding uitbrak, maar hij faalde.

Een jaar hield hij het uit, matte zich af om gezag over zijn leerlingen

te krijgen; het lukte niet, hij had wel doorzicht, maar geen geduld

genoeg. Ontmoedigd gaf hij het op; zijn positie bij de familie was ook

moeilijk geworden, nadat men gemerkt had dat hij zich schuldig maakte

aan kleine diefstallen van wijn, een reminicens uit zijn lakeientijd.

Weer vliegt hij terug naar het nest, weer priemen hem de oude stekels;

hij voelt, hij moet zich losrukken, hij moet, hij moet. Nog enkele

maanden wijlt hij in Les Charmettes, verdiept zich opnieuw in de theorie

der muziek. Daar komt op een dag het plan bij hem op van een nieuw

notenschrift in cijfers; hij werkt het uit, het schijnt hem

voortreffelijk, een weg tot groote vereenvoudiging en vergemakkelijking

der muziek-studie. Nu heeft hij den sleutel tot de fortuin gevonden,

het onfeilbaar middel, rijkdom en aanzien te verwerven; nu zal hij de

"teederste aller moeders"--want dat blijft zij voor hem--al haar zorgen

en offers kunnen vergoeden.

Nog heeft hij niets van belang gedaan, de groote krachten van zijn wezen

sluimeren nog. Hij bezit een vrij groote algemeene en philosofische

ontwikkeling, hij is een tamelijk musicus; hij heeft een onbeduidend

komedietje, in den stijl van Marivaux, geschreven; een traktaatje over

opvoeding, een paar epistels in verzen, middelmatige rijmelarij zonder

persoonlijk accent: dat is alles.

Maar alle kiemen--op één na--van den man dien hij worden en van de

werken die hij maken zal zijn gedurende de verschillende phazen van zijn

leven tot aan zijn dertigste jaar, in hem uitgestrooid en gezonken. In

zijn kinderjaren: de idealen van burgerdeugd, patriotisme en demokratie,

de droomen van gelijkheid en vrijheid. In den zwerverstijd zijner

jongelingschap: het meegevoel met de verdrukten en de haat tegen de

verdrukkers, maar ook de neiging tot buiten-maatschappelijk

individualisme, de behoefte aan bandelooze vrijheid. In zijn lange jaren

van liefdes-verrukking in de liefelijke natuur, toen zachtheid in hem

overging uit de zachte geliefde: een teedere weekheid, een gedrenkt zijn

met de overtuiging dat men zijn hart moet volgen en naar zijn gemoed te

leven, het eenige goede en ware leven is. Gedurende het alleen zijn in

Les Charmettes met zijn gepeinzen: een innig natuurgevoel, toen nog maar

in enkele menschen levend, de drang een te worden met de natuur, het

vermogen in haar de stemmingen terug te vinden van 't eigen gemoed,

de eigen ziel te hooren weenen of juichen. In de alleenheid en

doods-verwachting, de smart en teleurstelling der laatste jaren zijner

jeugd: de behoefte aan troost over het slechte leven, door godsgeloof en

onsterfelijkheidsgeloof.

Dertig jaar oud, trekt hij naar Parijs, haast even vol illusies en

stoute, onbestemde droomen als hij voor veertien jaar naar Turijn was

getrokken, een weinigje wijzer en meer dan een weinigje droever, iets

vaster in zich zelven, maar nog altijd werkelijkheid niet onderscheidend

van droomen, nog ongepantserd, en teer van hart.

Jean Jacques Rousseau: Een beeld van zijn leven en werken · 第 14 / 32 题