In de stad aan het donkerblauwe meer, waar in de XVIde eeuw het kalvinisme
geboren was--de richting van het protestantisme die zich het scherpst
en felst, in vorm en wezen, tegenover Rome had gesteld--bleef het
maatschappelijk en geestelijk leven zich geslachten lang in de banen
bewegen, waarin de machtige greep van den grooten hervormer het had
gestuwd.
Dit kon zoo zijn, omdat het stelsel van Kalvijn nog langen tijd passen
bleef bij de sociale en geestelijke behoeften der bevolking van Genève,
terwijl in Holland b.v., die andere burcht van het protestantisme, haar
heerschend deel spoedig daaraan ontgroeide. Het protestantisme was in de
XVIde eeuw ontstaan uit den drang der opkomende burgerlijke klassen van
verschillende landen, om zich aan de uitbuiting van Rome te onttrekken.
Het spiegelde de denkvormen, de aspiraties en de idealen dier klassen
weer, toen zij aan den drempel stonden van geweldige ekonomische en
sociale veranderingen. Daar waar de XVIde-eeuwsche burgerij dien drempel
overschreed, dat is in diè landen waar de XVIIde eeuw een groote expansie
bracht en de overzeesche handel, de koloniale uitbuiting en de bloei der
manufaktuur een ongekend-snelle kapitaal-akkumulatie ten gevolg hadden;
--waar de krachtige ontwikkeling der produktiewijze een deel der burgerij
tot grootburgerlijk bezit en grootburgerlijke levensvormen tilde maar ook
het proletariaat deed aanzwellen en de vroegere, betrekkelijk geringe
kloven tusschen de stedelijke klassen zich haast plotseling tot afgronden
verdiepten,--daar kon het kalvinisme den staat niet blijven beheerschen,
de maatschappij niet blijven doortrekken met engen, onverdraagzamen,
puriteinschen geest. Die geest was in tegenspraak met de eischen en
behoeften van het grootburgerlijk leven. Het moest zich vergenoegen, in
Holland als in Engeland, met ééne in het spel der krachten te zijn die
het karakter eener maatschappij bepalen, en den godsdienst der lagere
klassen te blijven, den godsdienst van kleinburgers, handwerkers,
visschers en boeren.
Het meest waardevolle element uit de kleine burgerij, de gezeten
handwerkersstand, maakte in Genève de ruggegraat der bevolking uit,
en wegens het overheerschend kleinburgerlijk karakter der stad kon
het kalvinisme er ongestoord doorwerken. Zij miste de voorwaarden tot
onstuimige ekonomische ontwikkeling en grootkapitalistische expansie.
De stad lag ver van de zee en van bevaarbare rivieren, aan de zuidpunt
van een groot meer: deze ligging maakte, dat de oude productie- en
levensverhoudingen zich er langen tijd bestendigen konden. Hoogstens
was zij aangewezen, om een centrum van den lokalen handel te zijn.
Van kleinbedrijf en handwerk bleef zich de massa der burgerij geneeren,
en de krachten ontbraken hier, die elders de wig dreven in hare
gelijkvormige massa.
Onder de ambachten was er één, van oudsher inheemsch in Genève, van
bijzonder karakter zoowel door de groote kunstvaardigheid die het
eischte als door den hoogen welstand dien het verschafte. Dat was
de horlogemakerij. Haar beoefenaars vormden het puikje van den
handwerkersstand, gezeten burgers waren zij, aan aanzienlijke geslachten
der stad vermaagschapt, en ook goede patriotten en mannen van kennis en
beschaving, op wier werktafel, naast de fijne instrumenten van hun
beroep, de geschriften van Tacitus en Plutarchus lagen.
De horlogemakerij werkte natuurlijk grootendeels voor den uitvoer.
Zij verbond de stad, zoo geïsoleerd door godsdienst en regeeringsvorm
tusschen haar naburen, aan de wereld daarbuiten. In de schommelingen
die dit bedrijf--toen veel sterker dan nu een luxe-ambacht--doormaakte,
ondervond het den weerslag van verre oorlogen of van groote finantiëele
beroeringen in de machtige rijken rondom. En die wisselvalligheid moest
bij den eerzamen ambachtsman tegengaan het verstijven in bekrompen
zelfbehagen, zijn blik uitzenden over de wallen der stad, tot waar haar
gebied eindigde en een andere wereld begon: die van het katholicisme en
de absoluut-geregeerde staten ten zuiden en westen.
De stad was en bleef klein, ook naar den maatstaf dier dagen. In het
begin der XVIIIde eeuw telde zij nauwelijks 20.000 inwoners. En haar
kleinheid maakte het voortbestaan van instellingen en zeden mogelijk,
die, ware de bevolking snel toegenomen, door den stroom van het leven
zouden zijn weggespoeld.
Het doet vreemd aan, zich die bescheiden tweederangsch-provinciestad
voor te stellen, met de enkele dorpjes buiten haren wallen een
onafhankelijken staat vormend, de fiere, zelfbewuste vertegenwoordiger
van demokratie en protestantisme te midden van het katholieke
feudaal-absolutistisch Europa. Om haar heen gehoorzaamden de kleine
steden van Waadtland en Savoye aan edellieden, door de verre regeeringen
van Parijs of Turijn gezonden en mestten zich adel en papen van goed
en bloed der arme boeren. Het bewustzijn, een eiland der burgerlijke
vrijheid, een vooruitgeschoven post van het protestantisme te zijn,
werkte als een veer die de strijdbaarheid der stad gespannen hield.
Het stelsel van Kalvijn had wereldlijke en geestelijke overheid in de
meest innige verbinding gebracht. Wel waren in Genève de funkties van
kerk en staat gescheiden, de regeering vormde geen eigenlijke
theokratie; maar de staat was zoo gedrenkt met den geest der kerk, de
kerk zoo vastgegroeid in het lichaam van den staat, dat beide machten
voor het bewustzijn der burgers in één ongedeelden glans verschenen,
evenals de liefde voor hun geloof en hun politieke vrijheid daarin tot
één gevoel waren samengegroeid.
Kalvijn had niet slechts de godsdienstige denkvormen, maar ook de
kerkelijke instellingen gevonden, die aan de behoeften der burgerij
in de XVIde eeuw beantwoordden. Hiertoe behoorde de invoering der
demokratie in de kerkelijke organisatie, en deze werkte door het nauw
verband tusschen kerk en staat, natuurlijk ook op den vorm der politieke
organisatie terug. De staat Genève was, schijnbaar, demokratisch.
Schijnbaar: van een ware demokratie, een regeering door het volk, was
in de kleine republiek evenmin sprake als in hare roemrijke zuster, de
Vereenigde Nederlanden. De drie ondersten der vijf klassen waarin de
bevolking van Genève, naar half middeneeuwschen trant nog--gelijk reeds
uit de namen, "inwoners, inboorlingen en onderdanen" blijkt,--verdeeld
was, waren politiek onmondig. Slechts de twee bovenste klassen, de
"citoyens" en "bourgeois," bezaten politieke rechten. Deze benoemden
in algemeene vergadering den magistraat, hadden het recht van
belastingheffing en van oorlog en vrede, formuleerden hun grieven en
bezwaren tegen de handelingen der regeerende lichamen, den "kleinen,"
en den "grooten" raad. Het geringe aantal volmondige burgers--de
"algemeene vergadering" telde niet meer dan 1600 personen--maakte het
vertegenwoordigend stelsel onnoodig.
In den loop der XVIIde eeuw nam de politieke invloed der kleine en der
gezeten burgerij steeds meer af. De eigenlijke regeerende klasse, de
oude patricische geslachten en de opgeklommenen in de groote bourgeoisie
die den "grooten" raad van tweehonderd en den "kleinen" van vijftig
uitmaakten, riepen de algemeene vergadering der burgers al zeldzamer
bijeen en beperkten al meer hare bevoegdheden. Zij matigden zich het
"negatieve recht" aan, om de bezwaren en grieven, door een of andere
groep uit de burgerij ingediend, niet in behandeling te nemen: zoo werd
deze hare voornaamste bevoegheid tot een schaduw. Kleine en groote raad
vulden elkaar wederkeerig aan en verkozen hun leden meer en meer uit den
kleinen kring der aanzienlijken of rijkgeworden geslachten: evenals in
Holland dus, monopoliseerden bepaalde families de regeermacht, waarvan
het overgroote deel der burgerij uitgesloten werd.
De burgerij bezat aan den aanvang der 18de eeuw feitelijk nog slechts de
bevoegdheid tot de jaarlijksche verkiezing van den magistraat. En ook
dit recht was tot een schaduw geworden. Immers de voordracht der beide
raden bewoog zich binnen een zeer beperkt aantal uitverkorenen: het
burgemeesters-ambt leek haast erfelijk.
Aan de burgerij bleef bij dit alles één troost: die van de
rechtschapenheid en onkreukbaarheid van hare regeerders. De zeden, ook
der aanzienlijken, bleven eenvoudig, hun welstand was in de meeste
gevallen kleinburgerlijk, een vrucht van eigen arbeid, van vlijt,
overleg en spaarzaamheid. Geen vloten voerden in Genève schatten aan uit
Oost- of West-Indië, geen vermogens werden, door goede of kwade kans,
met één slag gewonnen of verloren, de gelegenheden ontbraken tot
plotseling rijk worden, de wet verbood weelde en pronk. Zoo kon de
kleinburgerlijke eerbaarheid zich handhaven en kwam korruptie slechts
zelden voor.
Maar dit besef, door rechtschapen mannen die het welzijn van het
gemeenebest op 't oog hadden, geregeerd te worden, kon aan de burgerij
het verlies der oude vrijheden niet vergoeden. Haar ontevredenheid uitte
zich, in den loop der 18de eeuw, herhaaldelijk in onlusten en troebelen,
door de regeerders streng onderdrukt.
Was de politieke vrijheid in Genève, ondanks het verval der demokratie,
grooter dan in de absolutistische staten, het private leven daarentegen
was bekneld en gebonden op eene wijze, waar men daar niet van wist. De
kerkelijke overheid waakte zorgvuldig tegen alle loszinnigheid, en liet
geen vergrijp tegen het enge en steile fatsoen dat voor alleen-zedelijk
gold ongewraakt. De predikanten behandelden die zelfbewuste mannen en
vrouwen, zoo fier op hun "vrijheid," als kinderen: hun leven lang werden
zij nagegaan, vermaand, berispt, gestraft voor de nietigste vergrijpen
tegen de zedewet van het puritanisme. Wie op Zondag gezien was met
kaarten in de hand, die duivelsblaren;--wie had meegedaan aan een
danspartijtje;--wie, naar verluidde, als getrouwd man behagen schepte
in het gezelschap van een bekoorlijk meisje, haar af en toe bezocht,
--hij kreeg orde om voor zijn geestelijken herder te verschijnen, werd
onderhanden genomen, moest beterschap beloven. Was de zondaar of
zondares halsstarrig en weigerde vóór te komen, dan werd de groote
machinerie der geestelijke overheid in beweging gebracht: de kerkeraad
bemoeide zich met de zaak en de druk hield aan, zoolang tot de schuldige
toegaf, en, in ernstige gevallen, zich bereid verklaarde boete te doen.
Want de zondige wil moest uitgeroeid, de trots van den natuurlijken
mensch gebroken worden: neerknielen en den grond kussen was het gewone
teeken der christelijke verootmoediging. De verstokten bedreigde de
zware artillerie der kerkelijke tuchtmiddelen: onthouding van het heilig
avondmaal.
Eng en gebonden als dat hunner middeleeuwsche voorvaders schijnt ons het
leven dezer protestantsche kleinburgers, maar instee van beglansd door
den kleurigen gloed van een goedlachsch, volkseigen en kunstrijk
katholicisme, overschaduwd door den somberen gedachtenhemel van
voorbeschikking en eeuwige verdoemenis. Een levensbeschouwing, die alle
spontane vrolijkheid en haast elk onschuldig vermaak veroordeelde en
trachtte uit te roeien, moest den levenslust wel dempen en vervangen
door eigen-gerechtigheid en huichelarij, de specifiek-onaangename
karaktertrekken van het puritanisme.
Het strenge toezicht op het private leven was onmogelijk zonder een
stelsel van bespieding en verklikking, waar de stank van wantrouwen,
oogendienst, babbelzucht en kwaadsprekerij van verre uit opstijgt,
dat doodend werkt op den gezelligen omgang, lach en kus op de lippen
verstijven doet.
Geen wonder, dat wie de stad bezocht, komend uit de wereld van losse
zeden, wuftheid, gratie, galanterie en genotzucht ten westen en zuiden,
haar somberte voelde drukken op zijn gemoed als die eener gevangenis en
de gezichten binnen haar wallen Voltaire opvielen door hun plooi van
gemelijke norschheid.
De levenskracht, door den harden greep der tucht en den dam der meening
van het zondige genot afgehouden, stroomde onverzwakt in de bedding van
den arbeid en van het gezinsleven. Vlijtig, spaarzaam, matig, waren de
burgers van Genève, eerbaar van zeden, gesloten van gemoed, gehecht aan
de zeden der vaderen en aan de traditie. Dit alles behoort tot het
gewone wezen van den onafhankelijken kleinburger der tijden, die
voorafgaan aan de ontwikkeling van het moderne kapitalisme. Maar dit
wezen, hoe stuursch en onaangenaam ook door de werking van het
kalvinisme in hen, werd geadeld door een ruige fierheid, vrucht hunner
kerkelijk-nationale geschiedenis en der eigendommelijke positie van hun
nietig, en toch in geestelijke zaken gezaghebbend gemeenebest. En de
godsdienstige voorgangers wakkerden, in de wekelijksche predikatie, den
hoogmoed, maar ook het besef van verantwoordelijkheid hunner gemeentenaren
aan, leerden hen zich te voelen als een uitverkoren schare, geroepen God
te bekennen onder de zedenlooze en losbandige volken te midden van wie het
lot hen voerde.
Want van de burgers van Genève trokken vele, naar schatting wel één
vierde der volwassen mannen, uit, om in den vreemde brood te vinden.
Zij kon hare kinderen niet alle voeden: te groot was het aantal nijvere
handen in verhouding tot het afzetgebied der stad.
Na de opheffing van het edikt van Nantes had een groote stroom van
Fransche émigranten, gelijk reeds eenmaal in de 16de eeuw, zich over
Genève uitgegoten. Onder dit later geslacht van protestantsche
vluchtelingen waren mannen van ruimer levens-inzicht en wijder
ontwikkeling dan de burgers van Genève bezaten, waar de oude denkvormen
allengs verstijfden. Zij werkten als een kracht van vernieuwing en
verjonging, verhoogden het geestelijk peil der stad en vormden er
een element van vooruitgang, van aanpassing aan de veranderingen des
levens, van oppositie ook tegen de aanmatiging der aristokratische
regeeringskliek. En ook bracht hun vaardigheid en kennis kunsten
en wetenschappen tot hooger ontwikkeling. Onder hen waren vele
handwerkslieden die de kleine ambachten binnen stroomden en, hetzij
door grooter vlijt of wijl hun instrumenten voortreffelijker waren:
de oudburgers konden zich niet handhaven en de nieuwe verdrongen hen.
Genève exporteerde te weinig waren, in verhouding tot haar produktie.
Zoo moest zij wel menschen exporteeren. Van geslacht na geslacht trokken
vele weg naar de europeesche landen, of naar het oosten, of over den
oceaan, naar de noord-amerikaansche staten waar engelsche geloofsgenooten
woonden. Dreef hen enkel de nood? Of lokten het jonge bloed de landen,
waar het leven niet vloeide, grauw en eentonig bekneld binnen de enge
wanden van traditie en tucht, maar glinsterend dartelde tusschen lachende
weien of schuimend en ziedend vervaarlijke sprongen nam? Daar was jolijt
niet verboden als zonde en het minnekozen niet en de voeten sierlijk
bewegen op de maat van de vedel. Zoete bloemen van levensgenot geurden
daar. En groote uitzichten openden zich: gouden bergen blonken. De burgers
trokken.
Maar zoo velen gingen, anderen kwamen. Weetgierige jongelieden uit de
hervormde landen bezochten de stad, om zich in het fransch te volmaken
of theologie te studeeren aan de vermaarde universiteit van het
protestantsche Rome. Sommigen hunner waren zonen van edellieden of van
aanzienlijke burgers, afkomstig uit kringen, aan de puriteinsche zeden
ganschelijk ontgroeid. Zij waren vrij van manieren en als zij gedronken
hadden, luidruchtig en twistziek, zij traden dan wel uitdagend tegen de
gewone burgers op. Bij een opvoeding volgens hun stand pastte onderricht
in wereldsche muziek en dans, die de hoeders der rechtzinnigheid
verfoeiden als werken des duivels. Maar de overheid was lankmoedig tegen
de vreemde studenten, want zij brachten veel geld in de stad. Zoo werd
het beroep van dansmeester ten hunne behoeve toegelaten, maar deze
mochten enkel de vreemdelingen onderrichten, de landszonen niet. En die
voelden zich verongelijkt, want als het kwam tot botsingen tusschen hen
en de parmantige jongelieden uit den vreemde liet de magistraat gemeenlijk
de volle zwaarte der wet op de burgerzonen neerdalen, ook al waren zij de
aangevallenen, en de aanvallers gingen vrij uit.
* * * * *
Kleinburgerlijke produktieverhoudingen en protestantisme bevorderen
beide in hooge mate individualistische neigingen. Maar het wezen en
de positie der kleine kalvijnsche republiek voorkwam, dat enkel deze
neigingen het gemoed der burgers beheerschten. De nationale
zelfstandigheid was voor hen geen kussen, waarop zij zich konden
neervleien en slapen, maar een kleinood, in strijd gewonnen, dat zij
elk oogenblik geroepen konden worden te verdedigen met hun bloed.
Want, terwijl in de groote staten met den ondergang der stedelijke
demokratieën de burgerwachten verdwenen waren en het absolutisme zijn
eigen legervorm had voortgebracht--zoo niet overal in alles gelijk,
toch hierin wél dat de stok bijeenhield, wat geweld of verlokking
samenbracht--had zich in Genève de demokratische legerorganisatie van
vroeger gehandhaafd. Versterkt door een klein vendel huurlingen--hoe zou
men aan het geld gekomen zijn, er meerdere te betalen--bezorgden de
burgers zelven, gelijk de midden-eeuwsche gilden der italiaansche en
vlaamsche steden plachten, de verdediging hunner stad. Alle weerbare
mannen werden in den wapenhandel geoefend, en die gemeenschappelijke
oefeningen hielden de heugenis vloeibaar van een heroïsch verleden en
wakkerden den gloed van stads-en vrijheids-liefde aan. Zij kweekten,
uitgaande boven het kleinburgerlijk individualisme, in de uiterlijk
stugge, maar binnen-in gloeiende harten een daadkrachtig, zoowel
militant als teeder gemeenschapsgevoel. De militaire ceremoniën deden
de polsen der burgers hoog kloppen en hun spieren zich spannen. De
handwerksman, die van hen terugkeerde tot zijn werkplaats, voelde in
zich zwellen vreugd om het bezit van burgerlijke vrijheid en fierheid,
van ideale goederen die hij elders verloren wist. Hij toog huiswaarts,
mijmerend over de republieken der oudheid, wier burgers en boeren,
eenvoudige mannen als hij, eeuwigen roem hadden behaald door heldendaden.
Aan hen voelde hij zich meer verwant dan aan de edelen en knechten der
naburige landen, de wufte stedelingen, het uitgemergelde boerenvolk. En
droomend greep hij naar zijn wambuis, zich verwonderend dat het geen
toga was.
Het geviel eenmaal, dat toen een dier burger-regimenten zijn gewone
oefening gehouden had, gevolgd door een gemeenschappelijk avondmaal, de
mannen zich opnieuw zamelden op het plein en een reidans dansten bij het
licht van flambouwen. Trommels sloegen, trompetten schetterden, liederen
bruischten door den zomeravond, terwijl de windingen van den grooten
stoet aan en af deinden in het flikkerend schijnsel. Vrouwen kwamen hun
huizen uit en half ontkleede kinderen tripten aan om hun deel van de
pret. Dienstmeisjes brachten drank, het werd een algemeene vreugde. Men
zong, danste, schertste, verbroederde zich. De harten gingen open, een
dronkenheid zoeter dan van wijn alleen maakte ze vrij van den last van
zorg en nijd en alleenheid, die dikwijls zwaar drukten in het
dagelijksch doen.
Een der burgersoldaten, een vurig man, hartstochtelijk van wezen, boog
zich over tot het knaapje dat hem vader noemde, kuste het en sprak met
beving in zijn stem: "o mijn kind, heb lief onze goede stad. Zie de
burgers, hoe zij als vrienden en broeders te zamen zijn, hoe liefde en
eensgezindheid tusschen hen heerschen. Jij ook zult bezoeken vreemde
landen, als ik deed in mijne jeugd, daarvoor ben je een Genèver. Maar
nergens in de wereld zult je zulk een schouwspel zien."
Het bruinoogig, sierlijk knaapje, dat die woorden inzoog mèt de
ontroering die in ze trilde, en alles in zijn gemoed verzonk en wèl
bewaarde, was Jean Jacques Rousseau.