door u begrepen en opgevolgd. Maar beloof me nu, dat je voortaan meer
voor je gezondheid zult waken, hè, dan ben ik gerust.
KAREL.
Nu, maatje, dat zal wel schikken. U begrijpt wel, ’t is den eenen dag
wat drukker dan den andere.
MEVR. VAN HOGERVELDT.
Goed, goed, maar volg nu mijn raad eens op en ga een uurtje naar bed.
Ik ga in dien tijd naar boven om mij te kleeden en jij, Louise, zult
den boel hier wel wat opredderen, niet waar? ’t Ziet er weêr
schromelijk uit.
LOUISE.
Wel zeker, ma, ga maar gerust heen. Daar zal ik wel voor zorgen. Foei,
wat een rommel.
KAREL, bij de middendeur.
Gooi in ’s hemels naam mijn papieren niet door elkaâr.
LOUISE.
O, neen, voor die fraaie documenten heb ik alle respect.
(Mevr. Van Hogerveldt en Karel af.)
TWEEDE TOONEEL.
LOUISE, alleen.
Komaan, ik ben blij, dat hij is gaan slapen. Als hij eens ziek werd,
wat zouden we dan beginnen? (Zij kijkt rond.) Welk een verschil
tusschen nu en voorheen! Toen slechts weelde en genot, thans niets dan
onthouding en arbeid. Toen had pa een deftige betrekking, wij kwamen in
de voornaamste kringen, en nu.... och, ’t meest doet het mij leed, dat
die ongelukkige geldquaestie zooveel invloed op zijn gezondheid heeft
gehad. En hoe lang zal het nog moeten duren vóor dat we geheel vrij
zijn....
(Er wordt geklopt.)
Daar wordt geklopt. Dat zal iemand voor Karel zijn. Enfin, we zullen
zien. Binnen!
DERDE TOONEEL.
Louise, Betje.
BETJE, binnenkomende.
Juffrouw, daar is een heer om u te spreken.
LOUISE.
Mij? Vroeg hij naar mij?
BETJE.
Ja, hij vroeg bepaald naar juffrouw Louise.
LOUISE.
En hoe heet die heer?
BETJE.
Dat weet ik niet. Hij zei alleen: zeg, dat ik de juffrouw dringend moet
spreken, het betreft een zaak van aanbelang.
LOUISE.
Ja, maar.... ik weet niet.... hoe ziet hij er zoo wat uit? Is het een
jong mensch?
BETJE, lachend.
Jong? Heere bewaar me! Meer zout dan peper juffrouw! Ik denk, dat hij
zoowat naar de zestig loopt.
LOUISE, lachend.
O! Nu, laat hem dàn maar binnen komen.
Betje af.
VIERDE TOONEEL.
Louise. Daarna Dekkers.
DEKKERS, groetend.
Mejuffrouw!
LOUISE, verschrikt, ter zijde.
O God! had ik dat geweten....!
DEKKERS.
Vergeef me, dat ik zoo onverwachts tot u kom. U zult echter spoedig
zien, dat mijn bezoek een gegronde reden heeft, dat....
LOUISE.
Een oogenblik, mijnheer. Ik zal mijn broêr gaan zeggen, dat u.... (Zij
wil gaan. Dekkers houdt haar tegen.)
DEKKERS.
Pardon! Ik kom juist om u te spreken.
LOUISE.
Dat kan wel zijn, maar ik betwijfel of mijn familie zou goedkeuren....
dat ik u in ons huis had toegelaten.
DEKKERS.
O, dat zou ze zeker! Mijn bezoek is in aller belang. De onaangename
toestand, waarin uwe familie....
LOUISE, snel.
U behoeft mij dat niet in herinnering te brengen, evenmin als dat wij
dien voornamelijk aan u te wijten hadden.
DEKKERS.
Aan mij? Dat ontken ik ten stelligste. Ik was als commissaris verplicht
te spreken, er was een sterk vermoeden bij mij gerezen.
LOUISE.
Dan hadt u, als vaders vriend, ons moeten waarschuwen.
DEKKERS.
Dat kon ik immers niet, zoo lang ik geen zekerheid had, maar toch heb
ik u genoeg doen gevoelen, dat er reden bestond om te vreezen! Dat zult
ge u ook wel herinneren.
LOUISE.
Nu, ja!
DEKKERS.
Ik heb uw hand gevraagd met de belofte, dat alles in orde zou komen,
maar.... gij hebt niet gewild!
LOUISE.
O, neen, zeker niet! En zelfs als ik geweten had.... dan had ik
misschien toch niet.... In elk geval, u bezigde toen onbestemde
uitdrukkingen, die ik aan een andere oorzaak toeschreef, uitte slechts
vermoedens die....
DEKKERS, invallend.
Die maar al te gegrond waren. Dat heeft de ervaring geleerd.
LOUISE, trotsch.
Hoe het zij, ik begrijp niet, waarom gij de onkieschheid hebt om op
iets terug te komen, dat reeds lang vergeten moest zijn.
DEKKERS.
’t Is geen onkieschheid, die mij daartoe noopt: ’t is veeleer het
tegendeel.
LOUISE.
Het tegendeel?
DEKKERS.
Zeker. Wilt ge mij een oogenblik aanhooren, alvorens te oordeelen?
(Louise wijst een stoel aan; beiden gaan zitten.) De schuld uws vaders
of liever die van uw broeder bedraagt thans nog f 30.000.
LOUISE.
Maar dat is immers òòk niets nieuws, mijnheer.
DEKKERS, een beweging met de hand makende.
Tot zijn eer moet ik zeggen, dat uw broêr zich een bovenmenschelijke
inspanning beeft getroost om aan zijn belofte te kunnen voldoen. Het
zal echter nog verscheidene jaren duren, vóordat hij van zijn
verplichting geheel zal zijn ontheven.
LOUISE.
Dat is waar; ’t is helaas! maar al te waar.
DEKKERS.
Zijn huwelijk heeft hij al dien tijd moeten uitstellen.
LOUISE.
Och ja, daar denk ik dikwijls genoeg over! Dat hindert me nog het
meest.
DEKKERS.
’t Is ook recht verdrietig, en...... wat niet minder zwaar weegt, zijn
gezondheid lijdt, naar men mij zegt, onder al die meer dan drukke
bezigheden. Het is dus hoog noodig dat er een verandering in dien
toestand komt.
LOUISE.
O, ik wenschte het zoo gaarne voor hem, want ook ik vrees, dat hij ziek
zal worden, als het zoo voortgaat, maar.... wie zal hem zijn taak
helpen verlichten?
DEKKERS, met nadruk.
Dat kunt gij, mejuffrouw, zoo ge slechts wilt.
LOUISE.
Ik? Och, wat!
DEKKERS, een portefeuille met bankpapier uit zijn zak nemende.
Toch wel, juffrouw Louise. Vóor drie jaar hebt gij geweigerd mijn vrouw
te worden; gij meendet toen, dat ik uw vader valsch beschuldigde. Thans
weet ge, dat dit niet zoo is, en dat uw familie reeds al dien tijd
onder recht treurige omstandigheden gebukt gaat. Zooals ge zelve
inziet, kan dit nog lang zoo voortduren, tenzij.....
LOUISE, snel.
Tenzij?
DEKKERS.
Tenzij gij mij nog uw hand wilt schenken. Na al hetgeen in uw familie
voorviel en ondanks uw weigering, bleef ik u nog steeds beminnen. (Hij
neemt het bankpapier uit zijn portefeuille.) Zie, Louise, hier is de
nog ontbrekende som, ik stel ze ter uwer beschikking, ze is uw
eigendom, mits.... ge mij belooft....
(Hij grijpt haar hand. Louise heeft het gelaat afgewend en trekt hare
hand terug.)
LOUISE, ter zijde.
O God, welk een beleediging! dat is verschrikkelijk! (Minachtend tot
Dekkers.) Weg met dat geld, man!.... Koopman!
DEKKERS.
Versta mij toch wel: gij verkoopt uw liefde niet, gij schenkt ze mij in
ruil voor de mijne; door dit geld aan te nemen, koopt ge echter het
geluk van uwe ouders en wat misschien meer zegt, dat van uw broeder
terug.
LOUISE, aarzelend en aangedaan. Ter zijde.
Arme vader! en Karel, ach, als hij eens....
DEKKERS, invallend.
Aarzelt ge nog? Kunt gij uw familie nog langer zien lijden? Zoudt gij
’t uzelve niet verwijten als Karel ziek werd, als hij misschien....
stierf?
LOUISE, verschrikt.
Sterven!.... O, God! als dat gebeurde.... (Ter zijde.) Wat moet ik
beginnen? Wat moet ik doen? (Tot Dekkers.) Ik zal er mij op bedenken;
morgen kunt ge mijn antwoord vernemen; ik wil eerst met Karel spreken.
DEKKERS, hij steekt de portefeuille in den zak.
Zooals ge wilt. Overigens zal ik hem van middag, misschien straks nog,
zelf komen bezoeken. Tot morgen dus, ik hoop, dat gij ditmaal niet zult
vergeten, dat er zooveel van uw besluit afhangt. (Groetend.)
Mejuffrouw!
(Dekkers af.)
VIJFDE TOONEEL.
LOUISE, alleen.
Wàt te doen? Wàt te doen! Welk een vreeselijke toestand! Door zijne
vrouw te worden red ik mijne ouders en Karel uit al hunne zorgen, maar
aan den anderen kant..... mijn leven te moeten slijten aan de zijde van
dien ellendeling, dien ik haat, dien ik in ’t diepst van mijne ziel
veracht, die ons eerst in het ongeluk heeft gestort en zich thans niet
schaamt mij als een veile deern geld te bieden voor gehuichelde
liefde.......... (Zij gaat op de canapé zitten.) En die arme Willem
dan?........ O, ik weet zeker, dat hij mij bemint. Wat heeft hij Karel
altijd trouw ter zijde gestaan en dat niet alleen als zijn vriend, maar
ook met de hoop in het hart, dat ik eenmaal zijne vrouw zou worden;
daarvan ben ik in mijne ziel overtuigd, en ik, och, laat ik het mij
niet verhelen, ik voel immers reeds sedert lang, dat ik hem bemin; ik
ben er zeker van, dat ook hij dit heeft bespeurd. En niemand, voor wien
ik mijn gemoed kan uitstorten, niemand wien ik om raad kan vragen!
(Karel komt door zijdeur binnen.)
ZESDE TOONEEL.
Louise en Karel.
KAREL, met een brief in de hand.
Nog altijd hier, Louise? Je schijnt heel wat te doen gehad te hebben.
LOUISE.
En jij dan, ik dacht, dat je zoudt gaan slapen?
KAREL.
Dat was ook mijn plan, zusje, maar ik ontving daar juist een brief,
dien ik genoodzaakt ben zoo spoedig mogelijk te beantwoorden.
(Gaat aan zijn lessenaar zitten.)
LOUISE.
Kan er eerst een oogenblik voor mij overschieten?
KAREL.
Is ’t zóo belangrijk, wat je te zeggen hebt? Heeft het zóo’n haast?
LOUISE.
Zoowel het een als het ander. ’t Betreft zoo goed u als mij.
KAREL.
Wel verduiveld! je maakt me nieuwsgierig, zusje. Ik luister!
LOUISE.
Zou je ’t niet gelukkig vinden, Karel, als nu ’t oogenblik eens was
gekomen, dat je kon gaan trouwen? Dan hadt je toch een onbezorgd,
gelukkig leven en je behoefde niet zóo nacht en dag te werken?
KAREL.
Wat bedoel je nu?
LOUISE.
Ik meen.... als.... als.... bijvoorbeeld dat geld.... dat nog te kort
komt, thans in eens kon worden aangezuiverd?
KAREL, ongeduldig.
Geen kwaad idée! Maar.... zie jij daar kans toe? Ik zeker niet.
LOUISE.
Misschien wel, maar ik wil niets doen zonder je vooraf te hebben
geraadpleegd.
KAREL, haar onder de kin strijkend.
Wel, kind, dat vind ik heel lief van je.
LOUISE.
Och, dat daargelaten; je waart zoo even verwonderd mij nog hier te
vinden, de reden is, dat ik een bezoek heb gehad van een heer.
KAREL.
Wàt blief?
LOUISE.
Van iemand, die met den stand uwer zaken bekend was. Kort en goed: die
heer heeft mij ten huwelijk gevraagd en aangeboden het ontbrekende
dadelijk te voldoen.
KAREL, gaat aan zijn lessenaar.
Ik dacht niet, dat je me zoudt ophouden om aardigheden te vertellen.
LOUISE.
Volstrekt niet, Karel, ik verzeker je, dat het ernst is. Ik geef je er
mijn woord op.
KAREL, opstaande.
Ik geloof waarachtig dat.... En wat heb je dien man geantwoord?
LOUISE.
Ik heb een dag uitstel gevraagd, want hij wilde mij slechts het geld
geven, onder voorwaarde dat ik zijn vrouw zou worden.
KAREL, haastig.
Geld geven! En wie is die man?
LOUISE.
Kan je ’t nog niet raden? Hij is vroeger dikwijls bij ons geweest. ’t
Is wel geen vriend van ons, maar we hebben hem misschien ook wel wat al
te hard beoordeeld. Hij heeft ook zijn goede hoedanigheden.
KAREL, heftig.
Dekkers!
LOUISE.
Nu ja, waarom niet?
KAREL.
Louise, hoe hebt ge er over kunnen denken! Die huichelaar, die
ellendeling! Hij wil ten tweeden male trachten je te dwingen! Kind, ik
stel je goede bedoeling op prijs en heb je er te liever om, maar, zoo
waar ik leef, zal ik het beletten; versta mij wel, Louise, ik wil er
nimmer iets van hooren!
LOUISE, grijpt zijn hand.
Karel, om Godswil! maak u niet zoo driftig! Ik heb je immers gezegd,
dat als gij niet wilt....
KAREL.
Er mag geen sprake van zijn. Liever hard gewerkt en volgehouden tot het
uiterste, desnoods met opoffering van alles, dan van dien man een gunst
aan te nemen! Gij zult hem afwijzen, Louise! Geef mij uw woord daarop.
Bovendien zoudt ge immers niet alleen uzelve ongelukkig maken, niet
waar? Denk aan Willem!
LOUISE.
O, aan hem heb ik wel gedacht, maar de strijd was mij zoo zwaar. (Zij
omhelst hem.) Nu weet ik wat mij te doen staat, Karel.
KAREL.
Dat is goed! Gij moogt niet ongelukkig worden; hetgeen ik op mij nam
zal ik zelf volbrengen. Al hangt mij nog het zwaarste boven het hoofd,
ik hoop de crisis door te staan zooals het een man betaamt. Maar alleen
de gedachte aan hetgeen mij nog wacht, drukt me verschrikkelijk ter
neêr.
LOUISE.
Karel, wat verbleek je? Welke nieuwe ramp staat ons te wachten? O zeg
het mij, ik bid het je. ’t Mocht anders weêr onverwachts komen.
KAREL.
Stel je gerust, Louise. Ons bedreigt geen ongeluk. Alleen eischt de
noodzakelijkheid van mij een offer; eer en plicht gebieden mij het te
brengen. Voor onze familie zal het echter geen ramp zijn.... als ik ten
minste....
LOUISE.
Als gij?
KAREL.
Niets, niets! (Glimlachend.) Laat mij nu alleen, Louise, en ga naar ma,
die ik in druk gesprek met Willem heb achtergelaten. Het wachten zal
hem minder lang vallen als hij in uw gezelschap is.
LOUISE.
Geloof je dat? Nu, hoe het zij, als het te lang duurt, zend ik hem bij
je, hoor!
(Karel gaat zitten. Louise wil vertrekken.)
LOUISE, bij de deur.
Daar wordt geklopt! (Zij opent de deur.)
ZEVENDE TOONEEL.
Karel, Louise, Anna, binnenkomende.
KAREL, opstaande, ter zijde.
Nu reeds! O God, schenk me kracht en moed! Nu vooral!
LOUISE, omhelst Anna.
Dag lieve, beste Anna! Zie eens, Karel, daar is beter gezelschap voor
je dan het mijne. Nu laat ik je samen alleen.
ANNA.
Waarom zou je zoo dadelijk heengaan? Blijf bij ons, Louise.
LOUISE.
Neen, neen! Karel is zwaarmoedig! Niemand zal hem beter kunnen troosten
dan gij. En dan, ik moet ook een zielzieke gaan verzorgen, maar ik kom
toch gauw terug. Tot straks.
(Louise af.)
ACHTSTE TOONEEL.
Karel, Anna.
KAREL, Anna’s hand nemende.
Wat zie je er ontstemd uit, Annalief! Er is toch niets, hoop ik...?
ANNA, ernstig.
Met mij niet. Ik vernam zoo even van uw moeder, dat je weêr je woord
niet hebt gehouden om ’s nachts niet te werken.
KAREL.
Och, ik zal mijn schade wel inhalen. Maak je maar niet ongerust, lieve.
ANNA.
’t Is in je eigen belang! Je zult ziek worden.
KAREL.
Dat willen we niet hopen. Mijn bezigheden zullen me niet ziek maken;
het is voor mij een reden tot dankbaarheid, als mijn praktijk zich weêr
eenigszins uitbreidt. ’t Is maar een vleugje, Anna, ’t ging in den
laatsten tijd ook al bitter slecht. ’t Is waar, ik heb nu hard gewerkt
en moet wat rust nemen, ik kan het niet meer zoo volhouden, als voor
een paar jaren.
ANNA.
Een reden te meer om je te ontzien. Je gezondheid gaat toch boven
alles.
KAREL.
Nu ja, mijn gezondheid, mijn gezondheid.... ’t Meest pijnigt me de
gedachte, dat het nog lang zoo moet voortduren, als de zaken niet beter
gaan; (zuchtend) anders is het eind niet te voorzien.
ANNA.
’t Is wel treurig!
KAREL.
Dat is het zeker. Terwijl ik in de eerste drie jaren na de ramp aardige
sommen kon afdoen, zal het dit jaar niet veel bedragen.
ANNA, zuchtend.
Men zou er op die wijze den moed bij verliezen.
KAREL.
Ik heb er al lang over nagedacht en begrepen, dat het tijd is om
krachtig te handelen, opdat wij niet beiden van de treurige
omstandigheden het slachtoffer worden.
ANNA.
Och! wat zullen we er aan doen? We kunnen de zaak niet dwingen; maar
dat hopeloos wachten, zoo zonder eenig vooruitzicht.... ’t is om er
ziek van te worden.
KAREL.
Dat is ook zoo en daarom wilde ik je een voorstel doen. Zie, ge zijt
mij drie jaar lang in het ongeluk trouw gebleven; je hebt mij moed
ingesproken, als ik neerslachtig was; zou het nu niet egoïstisch van me
zijn, als ik diezelfde toewijding, wie weet hoeveel jaren nog van je
zou eischen, als ik nog rechten op je wilde doen gelden, terwijl je
wellicht gelukkig getrouwd hadt kunnen zijn?
ANNA.
Karel! die taal!
KAREL.
Is niet de taal van mijn hart, dat weet God! maar die, welke mijn
gezond verstand mij ingeeft. Hoe pijnlijk dit ook voor mij is, in uw
belang, Anna, ben ik verplicht u voor te stellen om onze verbintenis te
verbreken. Herneem gij uw vrijheid, ik mag uw toekomst niet langer aan
de mijne verbinden; daar is ze te duister voor.
ANNA.
Maar dat is u toch geen ernst? Gij schertst, niet waar? Of bemint ge
mij niet meer?
KAREL.
Anna, juist omdat ik u liefheb, doe ik u dat voorstel. In een toestand
als de mijne mag het gevoel het verstand niet beheerschen.
ANNA, na een korte pauze, langzaam.
Misschien heb je gelijk en is het zóo beter voor ons beiden.
KAREL, ter zijde.
O, God! wat blijft ze daar koel onder! (Tot Anna.) ’t Verheugt me, dat
ge mij zóó goed en zoo spoedig begrijpt. Ik had gevreesd.... of liever
=.... O, Anna, als ge wist welk een harden strijd ik gestreden heb, als
ge wist hoe ik geworsteld heb om den drang van mijn hart te weerstaan
en het gezond verstand te doen zegevieren, dan.... dan hadt ge mijn
smart niet beter kunnen verlichten, dan ge nu doet door uw kalmte, door
uw....
ANNA.
Laten we bedaard blijven, Karel! ’t Doet ook mij innig leed van je te
moeten scheiden, maar.... de noodzakelijkheid....
KAREL.
Zeker, zeker. We moeten.... Ik moet een voorbeeld nemen aan u. Vergeef
me mijn opgewondenheid.
ANNA.
Ik ben je er dankbaar voor, mijn vriend. Niet dat ik na alles wat er
voorviel in de laatste jaren ooit had kunnen denken dat gij me een
scheiding zoudt hebben voorgesteld.
KAREL.
Heb ik het zelf ooit gedacht!
ANNA.
Nu het echter zoover is gekomen, billijk ik uw verlangen. Ik begrijp
dat slechts de wreede noodzakelijkheid je noopte tot dien stap.
KAREL.
Wreed? O God, zoo wreed! Slechts drie jaren van mijn leven ken ik haar
vreeselijke macht en in dien korten tijd heeft ze met ijskoude hand de
liefelijkste banden mijner ziel verscheurd, heeft ze als een kanker aan
mijn leven geknaagd. De arbeid, dien ik vroeger vereerde en liefhad als
de vrucht van mijn geest, werd me onverschillig, sedert de nood mij
voortzweepte en me verlaagde tot werktuig. Waar is mijn schoone droom,
om door studie eenmaal te schitteren onder de mannen der wetenschap!
Hij vervloog in rook, toen de onverbiddelijke noodzakelijkheid mij
dwong te woekeren met elk uur van den dag, zelfs van den nacht. En het
eenige wat me overbleef, mijn liefde voor u....
ANNA.
Die ge zoo vaak uw steun noemdet in den tegenspoed...
KAREL.
Mag dat niet langer zijn! Ik herhaal het: ik kan uw toekomst niet
afhankelijk stellen van de mijne. De noodzakelijkheid vordert, dat ik
nog jaren lang werk om bevrijd te worden van den last, dien zij me
oplegde. En als ik uit haar gareel ben ontslagen, als ik u eenmaal mijn
vrouw zou mogen noemen, dan zouden uw schoonste levensjaren in sombere
eentonigheid zijn voorbijgegaan en ik... ik zou voor u niets kunnen
zijn dan een man, wiens gezondheid verzwakt, wiens energie verlamd was,
een man zonder toekomst.... een treurige parodie op ’n jeugdig
echtgenoot!
ANNA.
Ge blijft dus bij uw voornemen?
KAREL.
Het moet! Vraag mij niet langer. Ik voel, dat me de toestand
ondragelijk wordt, dat mij de moed gaat ontzinken.
ANNA.
Dus.... wij scheiden. (Karel knikt met het hoofd.) Laat ons dan kort
zijn, Karel. (Zij reikt hem de hand.) Vaarwel, mijn beste en.... houd
moed. (Karel omhelst haar vurig. Anna maakt zich uit zijn arm los.)
Vaarwel, Karel, vaarwel! (Zij ijlt de middendeur uit, maar blijft
daarachter staan en gluurt naar binnen.)
NEGENDE TOONEEL.
KAREL, alleen.
Zij is weg! Voor altijd weg! Wat heb ik gedaan? Ik deed het in haar
belang, maar thans is voor mij ook alles verloren! Zij was mijn
grootste steun, waar ik behoefte had aan moed en wilskracht; met
onderwerping en geduld schikte zij zich in haar lot en nu heeft ze mij
verlaten! Maar ’t is immers mijn eigen schuld. Ik waardeerde haar
opoffering niet genoeg. Ik zag niet in hoe deze juist het grootste
bewijs harer liefde was, en ik waagde het te denken, dat ik zonder haar
gelukkig zou kunnen zijn! Anna! lieve Anna, ik heb u miskend, nu gevoel
ik eerst hoe lief ik u heb, en ikzelf heb u laten vertrekken! Anna! O
God! Het is verschrikkelijk! Anna, vergeef het mij! (Hij zinkt op de
canapé ineen.)
(Anna door de middendeur op.)
TIENDE TOONEEL.
Karel, Anna.
ANNA.
Van ganscher harte, Karel, lieve Karel! Zie, ik ben niet vertrokken, en
ik zal het ook niet doen. (Zij knielt bij hem neêr.) Vergeef mij, dat
ik u bedroefde door u te verlaten. ’t Was mij geen ernst. Ik wilde
slechts zien of je zóo van mij zoudt kunnen scheiden. Thans weet ik het
beter. Ik zweer je Karel, dat ik je nooit zal verlaten.
KAREL, omhelst haar en richt haar op.
Ik heb haar weder! O! dank, Anna, dank!
ANNA.
Maar nu mijn voorwaarden!
KAREL.
Stel ze; vraag me al wat mogelijk is, en ik zal het ten uitvoer
brengen, als ik je slechts mag behouden.
ANNA.
Wees niet bezorgd. Wij zullen bij elkaar blijven en wel ter dege; wij
moeten gaan trouwen.
KAREL.
O, was dàt waar, maar je weet immers, dat dit onmogelijk is.
ANNA.
Misschien minder dan je denkt, Karel. Jij stelde mij zoo even een
scheiding voor: ik stel je voor te gaan trouwen, en mijn voorstel, dat
verzeker ik je, is vrij wat ernstiger gemeend!
KAREL.
Ik begrijp je niet, Anna,... en de schuld, die nog voldaan moet
worden....
ANNA, hem in de rede vallende.
Ja, ja, ik weet hoeveel die op ’t oogenblik nog bedraagt. ’t Is je
bekend, dat ik van mijn ouders een klein kapitaaltje erfde, nauwelijks
genoeg om onafhankelijk te leven. Ik heb, lach niet! er meê
gespeculeerd!
KAREL.
Wat? gespeculeerd! Dat is onvergeeflijk.
ANNA.
O, stel je gerust! Niet in Amerikaansche Sporen; omstreeks drie jaar
geleden heb ik er aandeelen voor gekocht in een jeugdige, maar echt
Nederlandsche onderneming, en op wiens raad denkt ge wel?
KAREL.
Hoe kan ik dat raden?
ANNA.
Op dien van een goed vriend: van Vredenburch. Welnu, die aandeelen zijn
thans haast 50 percent gerezen, zoodat ik een aardig sommetje heb
verdiend.
KAREL.
Wel, dat is prachtig! Ik wensch je van harte geluk.
ANNA.
Mij? Neen ons, want zie, het was van ’t begin af aan mijn plan, zoodra
ik kon, iets tot uw doel bij te dragen.
KAREL.
Engel!
ANNA.
Nu, dat is zoo erg niet. Ik ben dus, zooals ik zei, zuinig geweest
en—zeg, Karel, je hebt vroeger m’n borduurwerk wel eens geprezen, niet
waar?
KAREL.
Ja, maar....
ANNA.
Geen maren! Ik heb, dank alweêr aan de tusschenkomst van mijnheer en
mevrouw Vredenburch, in alle stilte vrij wat geld met mijn arbeid
verdiend. Kortom, mijn zaakjes zijn uitmuntend geslaagd en ik bezit
thans genoeg om aan te vullen, wat u nog ontbreekt. (Zij haalt een
portefeuille uit den zak.) Ziedaar! Beschik er over!
KAREL.
Maar Anna! dat is te veel. Dat kan en mag ik niet aannemen!
ANNA.
Waarom niet? Als je mij bemint, dan moogt ge geen bezwaren maken. Dit
geld is immers geen geschenk, het is uw rechtmatig eigendom, want,
zooals ik u gezegd heb: wij gaan trouwen.
KAREL, het geld aannemende.
’t Is waar! Zóo kan het gaan, Anna, ja, ge zijt een engel. O God! welk
een plotselinge omkeer! Wat voel ik me van een zwaren last ontheven!
(Kust haar.)
ELFDE TOONEEL.
Karel, Anna, Louise met Verhagen gearmd binnenkomende, gevolgd door den
heer en mevrouw Van Hogerveldt.
(Mevrouw geleidt haar man naar een leunstoel. Van H. ziet, versuft,
vóor zich.)
KAREL, tot Anna, op Verhagen en Louise wijzende.
Wel, wel, zie me dat eens aan! Het schijnt, dat ook tusschen hen alles
in orde is!
VERHAGEN.
Gelukkig! Louise heeft me alles verteld; aan jou heb ik het te danken,
dat ze me thans niet voor de tweede maal bijna werd ontroofd. Ik heb
dan ook maar flink gebruik gemaakt van den tijd, dien ik versleet met
wachten op je brief.
KAREL, luchtig.
Laat dien maar rusten! Maar.... heb je mama’s toestemming al?
MEVR. VAN HOGERVELDT.
Ja! Wat zou ik mij langer daartegen verzetten. Als zoo’n stijfhoofdig
kind haar zin wil hebben, dan is er toch geen garen meê te spinnen.
KAREL.
Komaan, dat doet me genoegen. Ik feliciteer je van harte, en... wat ik
vragen wilde, wanneer zullen we bruiloft vieren?
VERHAGEN.
Onze eerste afspraak is geweest, Karel, om niet te trouwen vóor u en
Anna. Gij hebt daarmeê al zoo lang moeten wachten, nu wil Louise u niet
vóor zijn.
KAREL.
Ferm zoo, Louise, dat vind ik uitstekend; ik stel dan voor, dat we op
denzelfden dag in het bootje stappen en dat wel binnen de drie maanden.
LOUISE.
Drie maanden? Maar wat... Ga je dan...?
KAREL.
Ja, kind, zooals ik zeg: binnen drie maanden; (tot Anna) niet waar,
lieve?
ANNA.
O, ik neem er genoegen meê.
LOUISE.
Maar Karel, ik begrijp niet....
VERHAGEN.
Och, maak ons nu niets wijs, vlei me niet met een ijdele hoop; je
begrijpt, ik ben op het oogenblik in staat om alles te gelooven.
MEVR. VAN HOGERVELDT.
Ik sta er verstomd van! Hogerveldt, hoor je dat? Och neen, dat is waar
ook! Maar kinderen, verklaart je toch nader! Daar vat ik nu niets van!
KAREL.
O, ik weet wel wat jelui wilt zeggen. (Tot Louise.) Zoo even heb ik u
verboden geld aan te nemen, thans heb ik het zelf gedaan.
VERHAGEN EN LOUISE, tegelijk.
Maar van wien dan?
KAREL, Anna’s hand nemende.
Van een engel van goedheid en zelfopoffering, van haar!
VERHAGEN, juichend.
Bravo! dat stelt me gerust!
LOUISE.
Anna! O, duizendmaal dank! (Zij omhelst haar.)
(Er wordt geklopt.)
TWAALFDE TOONEEL.
De vorigen, Betje, binnenkomende.
BETJE, tot Karel.
Mijnheer, daar zijn drie heeren voor u.
KAREL, lachend.
Drie tegelijk? En wie zijn het?
BETJE.