meer hier geweest: mijnheer Vredenburch!
KAREL.
O zoo! (Tot Verhagen.) Dan zijn het zeker Commissarissen, ofschoon ik
niet recht begrijp, wat zij hier komen doen. (Tot Betje.) Laat de
heeren binnenkomen.
Betje af.
VERHAGEN, (tot Karel.)
Tot straks, ik zal maar zoolang heengaan.
(Hij wil gaan.)
KAREL, hem tegenhoudende.
Wel neen, Willem, je blijft hier, we hebben voor jou geen geheimen.
DERTIENDE TOONEEL.
De vorigen, Vredenburch, ter Maten, Van Haaften.
KAREL.
Weest zoo goed plaats te nemen, heeren. Ik had thans waarlijk niet op
een bezoek van u gerekend. U ziet ons juist allen huiselijk bij elkaar.
(Zij nemen plaats.)
MEVR. VAN HOGERVELDT, tot haar echtgenoot.
Hogerveldt, daar zijn Commissarissen, daar is mijnheer Vredenburch.
(Neemt hem bij den arm en doet hem opstaan.)
(Van Hogerveldt ziet wezenloos rond zonder te antwoorden, en gaat weêr
zitten.)
KAREL.
Verschoont mijn vader, heeren, u kent zijn toestand.
VREDENBURCH, tot Karel.
Mijnheer Van Hogerveldt, ik zal u met een enkel woord het doel onzer
komst meêdeelen. Na de gebeurtenis, die in uw familie plaats greep,
hebt gij een taak op u genomen, die slechts met de grootste
zelfopoffering kon worden verricht. Tot nu toe hebt ge u hoogst
loffelijk daarvan gekweten; ik heb geen woorden genoeg om u daarover
onze oprechte bewondering te betuigen; ’t was ons daarom een waar
genoegen nu en dan aan de uitbreiding van uw praktijk bevorderlijk te
kunnen zijn. Wat de door ons overgenomen schuld betreft, ze is tot op
bijna de helft door u aangezuiverd. Om kort te gaan: wij hebben
besloten u in uw moeielijke taak te gemoet te komen en u volledige
kwijting aan te bieden. Neem die aan als een blijk van onze hoogachting
en waardeering en als een bewijs, dat we ons persoonlijk voor een deel
aansprakelijk hebben gevoeld. (Hij toont eene quitantie.) Zie hier,
mijn vriend, geef dit uw vader, wellicht zal dit hem....
KAREL.
Ik dank u voor uw goede bedoelingen, heeren, maar de geestvermogens van
mijn armen vader zijn, helaas! voor goed gekrenkt. U ziet het, hij
hoort noch begrijpt iets van ’t geen hier voorvalt. Ik stel uw aanbod
op hoogen prijs, weest daar zeker van, maar ik kan niets terugnemen van
de verbintenis, die ik eenmaal aanging; de schuld mijns vaders zal door
mij worden aangezuiverd tot op den laatsten penning.
VREDENBURCH.
Wanneer wij u daarvan ontheffen, dan is zij immers aangezuiverd?
KAREL.
Ik wil niet de minste smet op onzen naam laten kleven. Uw quitantie
neem ik gaarne aan, doch alleen tegen afbetaling mijner schuld. (Hij
haalt het bankpapier uit de portefeuille en neemt de quitantie aan.)
Ziet hier, mijne heeren, hetgeen ik u nog schuldig ben, en dat ik het
geluk heb te kunnen voldoen. (Vredenburch neemt het geld aan.)
TER MATEN.
Maar dat geld...
KAREL.
Was mijn eigendom, mijnheer, en heeft thans zijn bestemming bereikt. Ik
dank u allen voor het groote vertrouwen, dat u in mij hebt gesteld.
VAN HAAFTEN.
Mijnheer Van Hogerveldt! ge zijt een man, wiens hart op de rechte
plaats zit.
VREDENBURCH.
Het doet mij leed, dat ge ons aanbod niet hebt aangenomen, doch ik
eerbiedig de redenen, die u daarvoor hebt; ze leggen slechts te
schooner getuigenis voor u af. (Opstaande, tot Mevr. Van Hogerveldt.)
Mevrouw! ik wensch u van harte geluk met zulk een zoon!
VEERTIENDE TOONEEL.
De vorigen, Dekkers.
DEKKERS, binnenkomende, wil weêr heengaan.
Pardon, ik dacht u alleen op uw kantoor te vinden, mijnheer Van
Hogerveldt. Ik zal u niet storen.
KAREL, naar hem toegaande.
O, u stoort ons volstrekt niet, mijnheer Dekkers. Ik heb u zelfs
gewacht. U komt waarschijnlijk het antwoord vernemen op de vraag, die
ge van morgen aan mijne zuster hebt gedaan?
DEKKERS, verlegen.
Ik had... u gaarne... eerst nog willen spreken.
KAREL.
Onnoodig, mijnheer. De zaak is mij geheel bekend. (Hij neemt Verhagen
bij de hand.) Mag ik u mijn aanstaanden schoonbroeder voorstellen?
De Gordijn valt.
EINDE.