uw betrekking, en zal onverwijld de maatregelen nemen, welke deze
toestand vordert. (Hij staat op en strekt de hand uit naar de
tafelschel.)
VAN HOGERVELDT.
Maar hebt toch medelijden, mijne heeren. Ik beroep me op uw
vriendschap....
TER MATEN.
Vriendschap! Ik heb je nooit vertrouwd!
VAN HAAFTEN.
Nooit heb ik begrepen hoe je aan de middelen kwaamt om op dien voet te
leven.
VAN HOGERVELDT.
Mijn God, hebt ge dan geen van allen deernis met mijn lot? Staat mij
een termijn toe van eenige dagen, een paar luttele dagen slechts.
DEKKERS, ter zijde.
Om aan den haal te gaan.
VREDENBURCH.
Er is geen sprake van. Wij mogen u geen uur uitstel toestaan, zonder de
zwaarste verantwoordelijkheid op ons te laden.
TER MATEN.
Geen oogenblik! Tegenover zulk een schandaal is er geen quaestie van
vertrouwen meer.
(Vredenburch strekt wederom de hand uit naar de schel.)
VAN HOGERVELDT, zich op de knieën werpend.
Maakt me niet ongelukkig! Denkt aan mijn goeden naam, aan mijn arme
vrouw en kinderen. Slechts twee dagen en alles zal in orde zijn; ik
moet winnen. O! God! Schel niet, Vredenburch, schel niet! Moeten mijn
bedienden mij zóo zien? (Schreiend.) Ontfermt u toch over mijn
toestand! Zijt ge dan in eens mijn doodsvijanden geworden, en dat om
een zaak die van zelf zal terechtkomen, die terechtkomen moet. Om
Godswil! Schel niet, Vredenburch, schel niet!
VIJFDE TOONEEL.
Van Hogerveldt op den voorgrond geknield. De Commissarissen voor hun
teruggeschoven zetels staande. Karel, mevr. Van Hogerveldt en Louise
snel door zijdeur links op.
KAREL, tot Vredenburch.
Wat gebeurt hier? Duid ons niet ten kwade, maar de luide, zonderlinge
toon, waarop hier werd gesproken, drong tot ons door. (Zijn vader
bemerkend, die in knielende houding is gebleven en het gelaat in de
handen verbergt.) Mijn vader! O....! Wat is er voorgevallen, mijnheer
Vredenburch? Spoedig, wat ik u bidden mag, wat is er gebeurd?
VREDENBURCH, tot hem gaande.
Blijf bedaard! Blijf zoo mogelijk bedaard en vóor alles verwijder de
dames.
LOUISE, naar Van Hogerveldt snellende, knielt bij hem neêr en slaat den
arm om zijn hals.
Nooit, nooit! Mijn plaats is bij mijn armen vader. Pa, lieve pa! Och,
ik smeek u, zeg ons toch wat er is voorgevallen?
VREDENBURCH, aarzelend tot Karel.
Er is een belangrijk..... een zeer belangrijk tekort... Maar,
inderdaad, het zon beter zijn......... als de dames......
TER MATEN.
Wel zeker, nog bedekte termen tegenover dat volk! Wil je weten, wat er
is? Hij (op Van Hogerveldt wijzende) hij heeft de Vennootschap
bestolen!
LOOSBURG, ruw.
Schandelijk, laaghartig bestolen. Ter Maten heeft gelijk. Men behoeft
hier niemand te ontzien.
(Mevrouw Van Hogerveldt geeft een gil, keert zich om en wil
ontvluchten. Louise springt op, ijlt haar na en trekt haar naar den
voorgrond. Van Hogerveldt is intusschen opgestaan en staart als
wezenloos voor zich.)
LOUISE, opgewonden tot mevr. v. H.
Ga niet heen, moeder! Vlied het ongeluk niet! Gij hebt het lief
gedeeld, help nu ook het leed dragen. ’t Is uw plicht.
MEVR. VAN HOGERVELDT, jammerend.
Ik helpen dragen! Alsof ik aan mijn eigen smart niet genoeg heb.
VREDENBURCH, minzaam.
Weest verzekerd, dames, dat ik deelneem in uw ongeluk. Ik ben even
verslagen als gij; ’t is me als een droom.
DEKKERS, zich afwendende, ter zijde.
Wat ziet ze mij aan!
KAREL, die bij de woorden van Loosburg de hand voor de oogen gedrukt en
het hoofd op de borst heeft laten zinken, richt zich op en treedt
naderbij.
Ma, ik verzoek u met vader en Louise de kamer te verlaten. Wees niet
bedroefd, misschien zal het zich nog schikken.
VREDENBURCH, tot Karel.
Staat gij ons borg voor zijn persoon?
KAREL.
Zeker. Bovendien verzoek ik de heeren nog een oogenblik te wachten en
te hooren naar hetgeen ik te zeggen heb.
DEKKERS, de schouders ophalend.
Wat nu nog. Ik zie niet in, dat hij er iets aan kan doen.
(Al sprekende heeft Karel, Van Hogerveldt, Mevrouw en Louise door de
zijdeur rechts doen vertrekken. Vredenburch ziet hen hoofdschuddend na,
de overigen voeren een stil gesprek.)
ZESDE TOONEEL.
Karel, Vredenburch, Ter Maten, Loosburg, Dekkers en Van Haaften.
KAREL.
Ik wenschte...
VREDENBURCH.
Een oogenblik! (Tot de Commissarissen.) Het treurig voorval is u
nauwkeurig bekend, mijne heeren. Toch wenschte ik thans te constateeren
dat, behalve de tien op de pakketten gehechte stukken, het geheele
reservefonds is verdwenen. Ons verlies bedraagt derhalve ongeveer
honderd en tachtig duizend gulden. Kunnen er naar uw meening nog andere
tekorten zijn?
VAN HAAFTEN.
Ik geloof niet dat dit mogelijk is.
DEKKERS.
Andere tekorten zijn er niet; ik ben daar zeker van.
VREDENBURCH, tot Karel.
Welnu, dan kent u thans de geheele toedracht der zaak. (Tot de
Commissarissen.) Heeft niemand uwer er iets tegen den heer Van
Hogerveldt nog te hooren?
DEKKERS.
’t Zal de zaak toch niet veranderen. Ik zie er het nut niet van in.
VREDENBURCH, scherp.
Dat is moeilijk bij voorbaat te zeggen. De andere heeren hebben er
blijkbaar niet tegen. (Tot Karel) ’t Is thans aan u om te spreken. Wees
kort, want er moeten door ons op het kantoor nog maatregelen worden
genomen.
KAREL.
Ik dank u voor uw welwillendheid. Reeds sedert geruimen tijd heb ik
gevreesd, dat hier in huis iets verschrikkelijks zou voorvallen. Ik
wist, dat mijn vader van zich zelven geen fortuin bezat en moest dus
wel vermoeden.......
VAN HAAFTEN, in de rede vallend.
Dat is al ’n zeer zonderlinge mededeeling!
LOOSBURG.
’t Was dan uw plicht geweest ons vooraf te waarschuwen.
KAREL, eenigszins heftig.
Te waarschuwen? U te waarschuwen tegen mijn vader? Hem te verraden,
terwijl ik slechts vermoedde, dat alles niet in orde was? Maar dat kan
u geen ernst zijn. Mijn God, mijne heeren, wie treedt nu als aanklager
op tegen zijn eigen vader?
TER MATEN.
Nu ja, dat kan er van afhangen.
LOOSBURG, driftig.
Natuurlijk! Geen zoon zal zijn vader verraden, waar het een eerlijke
zaak betreft, dat zou laaghartig wezen. Maar hier, waar het een
bedrieger geldt, die misbruik maakte van vertrouwen....
KAREL, heftig.
Dat is een leugen...... Noem hem oneerlijk, noem hem een.......
bedrieger, een....... een dief, maar misbruik van vertrouwen maakte hij
niet, kon hij niet maken. Immers zij wier geld hij beheerde,
vertrouwden hem niet, of waarvoor stelden zij dan u aan, mijne heeren?
Waarom betaalden zij u jaarlijks een zekere som? Misschien ter
vergoeding van de moeite....... die gij niet hebt genomen? Op u rustte
de dure plicht mijn vader stipt in zijn beheer na te gaan. Met uw
mandaat als Commissarissen hadt gij die verplichting op u genomen, en
in plaats van uw taak te vervullen, vertrouwdet gij hem, terwijl gij
betaald werdt, om dat niet te doen. In plaats van telkens nauwkeurig na
te gaan of alles in orde was, versleet gij den tijd met zijn wijn te
drinken en zijn diners bij te wonen. En thans stelt ge u zelven zoo
hoog, thans ziet ge zoo laag op hem neêr! Gij zijt het door wier
nalatigheid het gebeurde mogelijk werd, gij.....
(Allen zijn opgestaan en maken heftige gebaren.)
VREDENBURCH, met den hamer kloppend.
Bij den hemel, dat gaat te ver!
DEKKERS.
Dat durft ons verwijten doen!
TER MATEN.
Zoo’n onbeschaamdheid is zonder voorbeeld! Die appel valt niet vèr van
den boom!
LOOSBURG.
Laat ons maar dadelijk gaan. Wij zullen dien advocaat eens laten zien
in hoever de rechter zijne meening deelt!
(Zij begeven zich naar den achtergrond. Karel snelt naar de middendeur
en houdt hen tegen.)
KAREL.
Vergeeft het mij, mijne heeren, vergeeft het mij. Ik had ongelijk met u
eenig verwijt te doen. Door opgewondenheid en drift liet ik mij
meêslepen en dat had ik niet moeten, niet mogen doen. Ik vooral niet.
Luistert nog éen oogenblik naar hetgeen ik u wil voorstellen en laat
ons bedaard zijn. Dat is de eenige weg om tot een resultaat te komen.
De som, die mijn vader tekort komt, bedraagt honderd tachtig duizend
gulden, niet waar?
VAN HAAFTEN.
Nu ja, als u anders niets te zeggen hebt.
KAREL.
Mijn eigen vermogen bedraagt niet zóóveel; het is slechts ruim honderd
duizend gulden. Overigens zal het huis en het meubilair bij verkoop wel
dertig duizend gulden opbrengen.
LOOSBURG.
Wat zou dat dan? Ik begrijp u niet!
KAREL.
Hetgeen ik heb, stel ik ter uwer beschikking; de opbrengst van huis en
goed ontvangt u eveneens.
DEKKERS, grimmig.
Dan staan wij immers nog voor een aanzienlijken post.
KAREL.
Voor een post van vijftigduizend gulden. Laat mij dien aanzuiveren in
jaarlijksche termijnen. Met mijn praktijk verdien ik veel en door
zuinigheid kan ik...
DEKKERS.
Och m’n goeje man, dat zou veel te lang duren!
KAREL.
’t Is waar, jaren zouden voorbijgaan, voordat ik weêr geheel vrij zou
zijn. Maar ik bid u, staat mij dit verzoek toe, opdat mijn goede
eerlijke naam rein en onbezoedeld blijve, en ik voor niemand de oogen
zal behoeven neêr te slaan.
DEKKERS.
Nu ja, dat is heel aardig.
VREDENBURCH.
Neen, mijnheer, dat is niet aardig, dat is volstrekt niet aardig. Ik
geloof, dat dit woord hier al zeer misplaatst is.
DEKKERS, rondziende.
Nu nog fraaier. Men is mij waarachtig wel wat anders verschuldigd dan
zulk een onaangenamen toon. Had ik niet gezorgd, dat....
VREDENBURCH, uit de hoogte.
O, wat dàt betreft, de uitslag strekt u blijkbaar meer tot eer dan het
doel; ge verliest althans de eischen der humaniteit geheel uit het oog.
Doch, hoe dit zij, er moet een einde komen aan dezen pijnlijken
toestand. (Tot de drie anderen, die in stilte samen spreken.) Gij hebt
het voorstel van den heer Van Hogerveldt gehoord, mijne heeren. Ik zal
niet schetsen, hoe diep ik gevoel welk een offer hij brengt; ’t is er
plaats noch tijd voor. Zooveel is echter zeker, dat ik voor mij niet
alleen zijn voorstel aanneem, maar bereid ben hem het ontbrekende voor
te schieten, opdat hij tegenover onze zaak op een geheel vrij standpunt
kome.
LOOSBURG, tot Vredenburch.
Dat zult gij niet alleen doen, Vredenburch, dat zullen wij gezamenlijk
doen, als Van Hogerveldt het goed vindt. (Naar Karel gaande en hem de
hand reikende.) Gij hebt onze achting verworven; gij zijt een braaf
mensch, wij zullen u helpen om zoo spoedig mogelijk uw doel te
bereiken.
(Van Haaften en Ter Maten treden naderbij en drukken Karel eveneens de
hand.)
TER MATEN.
Je kunt op ons rekenen, hoor!
DEKKERS, ter zijde, woedend.
Vervloekt! Wie had nu zoo’n einde verwacht. Maar ze zijn nog niet van
mij af.
VREDENBURCH, luid.
Laat ons thans spoedig gaan. Op het kantoor moeten de zaken geregeld
worden. (Tot Karel.) Heden avond spreken wij u nader.
(Allen door middendeur af. Vredenburch komt terug en drukt Karel,
terwijl hij hem naar den voorgrond voert, de hand.)
VREDENBURCH.
Heb je nog iets op het hart?
KAREL.
Neen. Dank u.....
VREDENBURCH, met warmte.
Tot ziens dan, mijn vriend. Houd moed en vertrouw op je kracht, want je
zult ze beide noodig hebben. Wees daar zeker van. Adieu! We zullen het
er op het kantoor maar voor houden, dat je vader plotseling ongesteld
is geworden. Begrepen! (Vredenburch af.)
ZEVENDE TOONEEL.
Karel, alleen.
KAREL.
Moed, kracht! Ik zal ze noodig hebben, niet voor éen oogenblik, niet
voor éen grootsche daad, maar voor een zware, ondankbare taak, die dag
aan dag, jaar in jaar uit moet worden vervuld. Ik had het voorzien, ik
had het voorzien! Honderden malen kwam de gedachte bij mij op, dat het
niet anders kon eindigen. Lafaard, die ik was! Altijd heb ik dat akelig
denkbeeld teruggedrongen. Nooit had ik den moed dieper door te denken
en de gevolgen na te gaan, die zulk een ramp na zich moest slepen.
Nooit durfde ik mij de vraag stellen: wat zult gij doen als het zóover
komt, en de slag eens onverwacht valt? Groote God! Wèl kwam het
onverwacht, en nu heb ik gehandeld zonder vooraf beraamd plan, zonder
overleg, zoo maar naar mijn eerste opwelling; nu heb ik alles op het
spel gezet, omdat alleen de zucht mij bezielde mijn vader en mijn naam
te redden. Maar het is goed zóo, zeker! Ik kon hem immers niet naar de
gevangenis laten brengen; moeder en Louise zouden het bestorven hebben,
nooit had ik meer voor de balie durven optreden. De zoon op de breede
rol der verdedigers van het recht, de vader op de veel breedere van
crimineel veroordeelden. Dat was onmogelijk! Nog op dit oogenblik zou
ik niet anders kunnen, al gevoel ik, dat de vreeselijke wissel, dien ik
op mijn toekomst trok, die toekomst zelve heeft vernietigd. Wat werd ik
door velen benijd! Wat was mijn hemel onbewolkt! Vermogen, eer,
praktijk, en dat alles....... O, God! Ik moet er niet aan denken! En
Anna dan? Och, zij zal gewillig het offer brengen, zij zal me trouw
blijven, ook in den tegenspoed, juist in den tegenspoed; dat strookt
zoo geheel met haar karakter, dat.......
ACHTSTE TOONEEL.
Karel, Willem Verhagen, snel door middendeur op.
WILLEM, opgewonden.
Karel! In ’s hemels naam zeg me.... Is ’t waar.... is ’t waarachtig
gebeurd...? Neen, maar, Karel,... vertel me dan toch....
KAREL.
Met vader? Ja, vriend, het is gebeurd. Hij is ontslagen.
WILLEM.
Je vader! Ja, dat begrijp ik! Maar is ’t waar, Karel, dat jij je niet
alleen totaal hebt uitgekleed, maar diep in schulden hebt gestoken om
hem te redden?
KAREL.
Waarom zou ik het voor jou verzwijgen? Ook dat is waar!
WILLEM, de handen ineen slaande, met misbaar.
Maar dat is vreeselijk, dat is... dol, dat is... belachelijk! Mijn
goede jongen, hoe kom je nu tot zulk een niet te qualificeeren
handelwijze.
KAREL, verwijtend.
Willem! Je moest....
WILLEM.
Och, neen, zeg nu maar geen enkel woord meer, als je blieft. ’t Is of
je krankzinnig bent geworden. Daar offer je nu vermogen, carrière,
levensgeluk, alles op om als een schooljongen den braven Hendrik te
gaan spelen. En voor welk een vader? Voor een man, die met de grootste
lichtzinnigheid het geld van anderen verspilde, zonder dat jij daarvan
ooit iets genoot; die schitterende soirées gaf, waarop jij nooit
meêdanste; die een loge had in de opera, waarin jij nooit plaats nam;
die fijne diners gaf, waarbij jij nooit hebt aangezeten, in één woord,
die het geld met volle handen rondstrooide, maar voor jou nooit anders
had dan domme aanmerkingen, omdat je ijverig werkte en zuinig leefde.
Maar beste jongen, voel je dan niet hoe dom je bent geweest? ’t Is
verschrikkelijk, ik maak me er woedend over; waarachtig, ik zou je
kunnen slaan!
KAREL.
Draaf toch zoo niet door, want ik weet, dat er geen woord van gemeend
is.
WILLEM.
Zeg dat niet....
KAREL.
Ik herhaal het. Alleen mijn ongeluk stemt je bitter, slechts daaraan
denk je, dàt doet je de zaak van een verkeerde zijde beschouwen.
WILLEM.
Beschouwen, beschouwen! Er is geen quaestie van, je hebt... Ah! zij
ook! (Ter zijde.) ’t Zal me benieuwen, hoe zij er over denkt.
NEGENDE TOONEEL.
Karel, Willem, Anna. (Zij komt driftig door middendeur op, ijlt naar
Karel en grijpt zijn hand.)
ANNA.
Daar even ontmoette ik Dekkers..... Hij heeft..... hij zeide..... (Haar
arm om den hals van Karel slaande.) Welk een ramp! Welk een ramp!
WILLEM.
Natuurlijk beeft hij er het arme meisje onverhoeds meê overvallen. De
ploert!
KAREL, tot Anna.
Bedaar, lieve, bedaar! ’t Is vreeselijk, maar toch, het had nog veel
erger kunnen zijn.
WILLEM, ter zijde.
Wel zeker. Hij zal zijn eerbiedwaardigen pipa nog voorspreken!
ANNA, bitter.
Nog erger? Och, ja, ’t is niet erg! Volstrekt niet! Wat bekommert ge u
ook om mij? Wat doet het er toe of ons huwelijk thans onmogelijk is
geworden en dat misschien voor tien of twaalf jaren zal blijven! Och,
dat is iets van ondergeschikt belang, niet waar, als het geldt de
misslagen ongedaan te maken van een man als uw vader. Dat hij mij
altijd met zekere minachting bejegende en als het ware uit de hoogte op
mij neêrzag, ’t kon u niet hinderen; dat hij je zelf steeds als ’n
knaap behandelde, wat maakte het uit? Nu het blijkt, dat geheel zijn
grootheid ontleend was aan de beurs van anderen, is u niets goed genoeg
om het voor hem op te offeren. Of dat ons al ongelukkig maakt, of onze
schoonste levensdroom daardoor wordt verstoord, komt daarbij niet in
aanmerking.
KAREL.
Heb ik dan niet gedaan wat mijn plicht vorderde, Anna? Vindt gij, dat
ik anders had moeten doen?
ANNA.
Als ge mij lief hadt, zooals ik tot op dit oogenblik geloofde, dan
zeker, Karel, dan hadt ge ook mijn geluk niet in éen slag kunnen
vernietigen, ter wille van een man, die mij zoo bitter weinig genegen
was als uw vader. Thans echter gevoel ik, dat ge mij nooit zoo bemindet
als ik, dwaze, het mij voorstelde; dat ge, God weet waarom, meer liefde
gehuicheld dan gevoeld hebt!
KAREL.
Ook dàt verwijt nog, Anna?
WILLEM, ter zijde.
Dat is vervloekt hard, ik zou haast zeggen: laag!
ANNA.
O, ge kunt het niet loochenen, Karel! Ge hebt dat verwijt verdiend.
Nooit zal ik meer aan uw liefde kunnen gelooven, tenzij gij daarvan op
staanden voet het bewijs levert.
KAREL.
Welk bewijs?
ANNA.
O! ge zult het niet doen! Ik kan het niet gelooven.
KAREL.
Ik zweer u dat....
ANNA, beslist.
Welnu! Ge hebt u schriftelijk nog tot niets verbonden; ga dadelijk naar
Vredenburch, of zoo ge dat liever niet doet, schrijf hem dan, dat ge
die noodlottige overeenkomst intrekt. (Dringend.) Wijs mijn bede niet
af, Karel, ik smeek er u om. Ons beider geluk staat op het spel!
Schrijf aan Vredenburch, verlaat dit rampzalige huis voor altijd, dan
trouwen wij zoo spoedig mogelijk en vestigen ons elders. Daar leven we
stil gedurende een paar jaren, en als dan alles voorbij is en vergeten,
neemt ge desnoods je praktijk weêr op, en wij leiden een leven zoo
heerlijk, zoo vol geluk, als we ons dat reeds lang hebben voorgesteld.
WILLEM, ter zijde.
Dat is het werk van Dekkers. De ellendeling!
KAREL.
En vader dan?
ANNA.
Och wat?.... Die man, altijd die man!
KAREL, hij neemt haar handen in de zijne, en brengt haar ter zijde naar
de sofa.
Lieve Anna! Ge hebt uwe ouders reeds vroeg verloren; ik weet niet of ge
u hun beeld nog voor den geest kunt brengen; maar stel eens, dat zij
nog leefden, dat het hun wèl ging en zij in weelde en voorspoed alles
genoten wat de wereld aanbiedt, zonder dat gij zelve daaraan deel
naamt. Stel eens dat hun dan te midden van dat vroolijk leven een ramp
trof, die zij zichzelven hadden berokkend, maar die gij voor een groot
deel kondet afwenden. Zeg, Anna, zoudt ge hun dan den rug toekeeren en
hen overlaten aan hun treurig lot? Vergeten, dat die zwakke,
lichtzinnige menschen toch uwe ouders waren, aan wie ge al de
heerlijkheid van een vroolijke, onbezorgde jeugd verschuldigd waart?
Vergeten, hoe die moeder je vertroetelde en lief had, hoe zij vol zorg
en angst waakte aan het bed, waarin je ziek en hulpeloos nederlag?
Zoudt ge dan niets meer willen doen voor den man, aan wiens knieën ge
zoo vaak vertrouwelijk hadt gespeeld, die vol liefde elken stroohalm
wegnam voor de voeten van zijn kind, die je eerste wankelende schreden
steunde en wien niets te kostbaar was om je kinderlijke wenschen te
bevredigen? (Opstaande.) Dat mag ik immers niet van je denken, lieve?
Als dàt waar was, zou ik me bitter in je hebben bedrogen.
(Terwijl hij spreekt, heeft Anna schreiend, haar zakdoek voor de oogen
gebracht. Willem, die zacht is genaderd en mede heeft geluisterd, heeft
het hoofd afgewend om zijn ontroering te verbergen.)
KAREL, glimlachend.
Misschien zult ge mij thans begrijpen. Maar wat nood? Ik ben immers nog
in veel opzichten een gelukkig man! Of heb ik geen goeden trouwen
vriend, die me een hart onder dan riem steekt en met een warmen
handdruk belooft, me met raad en daad te zullen bijstaan?
WILLEM.
Vergeef me, Karel. Ik was daareven verduiveld onverstandig. Maar in
nood en dood kunt ge op mij rekenen. Dat weet je wel!
KAREL, W’s hand vasthoudende.
En heb ik geen engelachtig meisje, dat me niets verwijt, maar
integendeel door haar liefde mijn leed verzacht en mij met onwankelbare
trouw ter zijde blijft?
ANNA, zich aan zijn borst vleiend.
Dat zal ik Karel. Ik zweer het je.
KAREL.
Welnu, als liefde en vriendschap me blijven steunen, dan zal ik moed
hebben en kracht, dan is mij geen taak te zwaar!
EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF.
DERDE BEDRIJF
(3 jaren later.)
Kamer in het huis van Mr. Karel Van Hogerveldt. Eenvoudig gemeubeld.
Rechts schrijfbureau. Kast met boeken op den achtergrond. Op het bureau
een brandende lamp. Karel is aan zijn bureau in slaap gevallen. Canapé
links.
EERSTE TOONEEL.
Mevr. Van Hogerveldt, Louise, Karel.
Mevr. Van Hogerveldt en Louise komen door de achterdeur binnen.
MEVR. VAN HOGERVELDT, zij blaast de lamp uit.
Zie je nu wel, Louise, ik was toch niet ten onrechte bezorgd, toen hij
niet aan het ontbijt kwam. ’t Is nu al elf uren. Hij heeft zeker weêr
den ganschen nacht zitten werken en is eindelijk van vermoeidheid in
slaap gevallen. Arme jongen!
LOUISE.
Karel offert zich geheel voor ons op, ma; wij zullen het hem nimmer
kunnen vergelden.
MEVR. VAN HOGERVELDT.
Hij is een brave, edele jongen, dat moet ik zeggen; ik heb hem al zoo
dikwijls gevraagd om zijn gezondheid wat meer te ontzien. In die drie
jaren, sedert ons het ongeluk trof, heeft hij meer dan hard gewerkt, en
dat bijna uitsluitend voor ons; och, ik maak me zoo bevreesd, dat hij
ziek zal worden. (Zij is aangedaan en gaat op de canapé zitten.)
LOUISE.
Maar, maatjelief, laten we hem dan wekken, hij moet naar bed gaan.
MEVR. VAN HOGERVELDT.
Ja, kind, dat moet hij ook, en van middag zullen we hem nog wel eens
goed op het hart drukken, dat hij te veel van zijn krachten vergt.
LOUISE.
Zeker ma, dat moeten we doen, och we hebben toch al zóoveel met pa te
stellen, vooral in den laatsten tijd, dat als nu Karel nog.....
MEVR. VAN HOGERVELDT, snel.
Kind, spreek me niet van je armen vader; die rampzalige gebeurtenis met
dat ongelukkige geld heeft hem geheel geknakt. ’t Is of hij met den dag
suffer en gevoelloozer wordt.
(Karel wordt wakker zonder dat de anderen het bemerken.)
MEVR. VAN HOGERVELDT, vervolgt.
Och! ’t heeft me toch altijd zoo’n leed gedaan, dat je er vroeger maar
niet in hebt toegestemd de vrouw van Dekkers te worden. Ik denk daar
nog dikwijls aan.
LOUISE.
Hoe kunt u dat nù zeggen, nu we hem eerst van zijn ware zijde hebben
leeren kennen?
MEVR. VAN HOGERVELDT.
Kind, als je zijn vrouw waart geworden, dan zou hij ons immers gespaard
hebben.
KAREL, spottend.
Wel zeker, Louise had maar met Dekkers moeten trouwen en ik met de een
of andere rijke weduwe of dochter van een millionnair, dan hadden we
immers geld gehad. Een heerlijk vooruitzicht, niet waar, ma? Al was er
dan geen sprake van liefde....
MEVR. VAN HOGERVELDT, snel.
Dan was je ten minste beiden rijk getrouwd en we zaten niet in zorgen!
KAREL, opstaande.
Ja, rijk getrouwd! Goddank dat Louise en ik daar anders over dachten.
Hoe verkeerd onze opvoeding ook was, ze gaf ons ruimschoots gelegenheid
tot zelfstandige ontwikkeling.
MEVR. VAN HOGERVELDT, verontwaardigd.
Natuurlijk deugde je opvoeding niet. ’t Is tegenwoordig een gewoonte
van de kinderen om hun ouders dit te verwijten. Het «eert uw vader en
uwe moeder» staat niet meer in den bijbel der hedendaagsche jongelui.
LOUISE.
O, moeder! En dat kunt ge hèm zeggen...?
MEVR. VAN HOGERVELDT, verward.
Nu ja.... ik bedoel niet dat.... ik meen....
KAREL, lachend.
Wat ik u bidden mag, ma, bespaar me het onaangename een
verontschuldiging te moeten hooren.
MEVR. VAN HOGERVELDT.
Dat juist niet, maar je begrijpt, ik was al niet in mijn schik, toen ik
bemerkte, dat je van nacht weêr hebt zitten werken en.... en....
LOUISE.
En daardoor vergat ma voor een oogenblik, dat je zooveel voor ons hebt
gedaan.
KAREL, met een beweging van ongeduld aan zijn schrijftafel gaande
zitten.
Wat praat je daar nu voor onzin, Louise. (Lachend.) Jij hebt wel eenige
verplichting aan me, dat ontken ik niet, want wie zou nu de zorg voor
zoo’n nare, vervelende zus op zich willen nemen? Ja, misschien....
(Louise loopt naar hem toe en legt hem de hand op den mond. Karel neemt
haar hand in de zijne en staat op.)
KAREL, ernstig.
Maar met ma is dat iets anders. Er kan geen verplichting bestaan van
ouders tegenover kinderen. Kijk, ma en ik hebben al jaren met elkaâr
twist gehad, we zijn gewoon zoo wat over alles te kibbelen zonder het
ooit kwaad te meenen. En nu de verhoudingen, wat het financiëele
betreft, zijn veranderd, nu hoor ik mijn goede moeder, terwijl ze me
eens flink mijn zondenregister wil gaan lezen, plotseling inbinden,
omdat ze zich herinnert, dat ik mij voor mijn ouders eenige opoffering
getroostte. (Hij gaat naar haar toe en omhelst haar.)
MEVR. VAN HOGERVELDT.