Tusschen de roovers stapte ik nu voort, schreiende Charis op mijn rug,
den bongerd door, dan een eikenwoud door, tot wij naderden den wit
gestoofden wand van het rotsgebergte, dat als een vreemd kasteel,
immens en duizend malen getorend, op rees. En verwonderde ik mij,
waar zij ons henen leidden.... Tot de rooverhoofdman zeide:
--Jonkvrouw, schrei nu niet langer. En duld, dat ik mijn mantel u over
het gezicht sla, want ge moogt niet zien, waar wij u brengen. Vrees
echter niets, geen kwaad zal u geschieden en ik wensch alleen losgeld
van uw ouders of verwanten te ontvangen; zoo dra ge ons de noodige
inlichtingen hebt gegeven, zullen wij ons in verbinding met hen
stellen en wil ik hopen, dat ge spoedig, met uw ezel, weêr vrij zijt.
Zijn toon was zoo hoffelijk, dat werkelijk Charis haar jammeren staakte
en duldde, dat hij zijn mantel haar over het gezicht wierp. Onderwijl
lette ik alles goed op en had ik ook eén oogenblik gedacht mij aan
de roovers bekend te maken, ik zoû nu wel oppassen dat te doen;
een ezel blinddoekten zij niet, als zij een man hadden gedaan, een
ezel lieten zij vrij rond blikken en op letten.... En ik lette op,
terwijl wij langs den heeten wand van het gebergte trokken,--het stond
soms als met kalkwitte, brokkelige tafelen op--dat deze roovers, die
ons hadden overmeesterd, geen ruwe wilde-mannen waren, maar sommigen
eer mannen van zeker aanzien: er schenen meesters en dienaren onder
te zijn; de hoofdman zelve, dien zijne makkers Dionyzius noemden,
was een kloek gebouwde, jonge man, trotsch en gebiedend, maar beleefd
tegen over zijne gevangene en geen onvertogen woord voegde eén van
hen Charis tegen; reeds gelatener lachte zij in de mantelplooien,
die Dionyzius, bijna schertsende, om haar heen trok. Maar ik lette op,
ik lette op... Ik bespeurde, dat zij ons plotseling leidden binnen zoo
nauwe spleet van het gebergte, dat ik nauwlijks mijn goed doorvoede
flanken er tusschen door kon wringen, terwijl zij Charis verzochten
hare voetjes te zetten op mijn nek. Eén van hen geleidde mij aan de
vlok tusschen mijn ooren den nauwen bergspleet in; Dionyzius volgde,
al de andere mannen volgden een voor een. Als ik poogde om te gluren,
zag ik, in het schemerlicht, dat viel van den dag, boven, tusschen
de hooge muren, die zij wel tevreden waren en schertsten met elkaâr,
zag ik hunne knappe avonturiersgezichten beter onder de randen der
zorgeloos achter op gezette hoeden, zag ik hunne kostbare wapenen
flikkeren tusschen hunne losser omgehangene mantels: hunne zwaarden
en dolken waren bezet met gesteente... Eén achter hen trof mij door
zijn donker, somber uiterlijk; hij was zoo groot als Dionyzius,
zware brauwen overschaduwden zijn geknepen, koolzwarte oogen; zijne
makkers noemden hem Manes. Hoe lang wij de kronkelende gang van den
spleet volgden, kon ik echter niet beseffen, toen ik mij plots bewust
werd, liever raadde door iets van mijn diere-instinct, dat zich naast
mijn menscheverstand had ontwikkeld, hoe de roovers telkens op hunne
passen terug kwamen langs dien linte-achtig door eén geslingerden
meanderweg en misschien de ingang van den bergflank wel vlak bij de
zaal moest zijn, die zij ons binnen voerden.. Die zaal ontving door
lange, smalle, onregelmatige spleten bundels van zonnestralen aan de
Zuidzijde--een dier voelt dadelijk windstreek en richting--; door
andere van die spleten blauwde de zomerlucht en het licht poeierde
zoo helder binnen, dat ik dadelijk alles onderscheidde, terwijl
klaarblijkelijk van buiten die ramen zich zouden verliezen met de
tallooze groeven van het gebergte en tevens onbereikbaar zouden zijn
voor den stoutmoedigsten beklimmer. En Dionyzius ontdeed Charis van
den mantel, die haar geblinddoekt hield.
--Waar ben ik? vroeg zij angstig, terwijl hij haar hielp af stijgen.
--Bij mij, glimlachte Dionyzius. En zeg mij nu, jonkvrouw, wie
zijt gij?
--Ik ben, zeide argeloos Charis; Charis, de dochter van Menedemus
uit Hypata...
--De dochter van Menedemus!! riep hoogst verwonderd Dionyzius uit.
--De dochter van Menedemus! riepen de andere roovers.
--Die ik schaken wilde! fluisterde Dionyzius tot zijn makkers.
--Die wij schaken wilden, om hooge losprijs te winnen! riepen de
anderen.
--En, wees Charis, naast mij staande en met haar arm leunende over
mijn nek: dit is Charmides, de zoon van Lyzias, uit Epidaurus en hij
is mijn verloofde....
En glimlachende wees zij naar mij en de roovers ontzetten van wat
zij zeide.
--Die ezel? vroeg Dionyzius. Die ezel heet Charmides en is de zoon
van een anderen ezel, die Lyzias heet en in Epidaurus woont?
De roovers, door hunne verbazing, barstten in bulderenden lach uit.
--Charmides, o edele heeren, zei Charis argeloos en tevens zoo als
spreekt een maagd van aanzien; is geen ezel. Hij is een held, die uit
den oorlog terug kwam, gewond en die zijn spraak bijna geheel verloor,
hoewel hij mijn naam uitspreekt zoo teeder als zelfs mijn vader
het niet vermag! Hij is mijn verloofde, wij vierden onze verloving
met blijde pracht en prachtig is hij ook zelve nu hij genezen is en
alleen nog niet geheel en al zijn spraak terug won; hij is prachtig in
zijn nieuwe gedaante, die gij ten onrechte aan zaagt voor die van een
ezel; waar zaagt ge ooit, o heeren, wie ook met zulk een glanzende,
zilverachtige vacht, met zulke fijne, sterke beenen, met zoo een
aanbiddelijken, lieven, vochten snoet, met zulke mij dierbare,
beweeglijke ooren en met zulke blauwe oogen, met zulke blauwe oogen?
En zij wees mij steeds en de roovers rondom stonden ontzet. Toen
zeide Dionyzius:
--Haar geest doolt....
--Zij is waanzinnig, zei Manes.
--Zij is waanzinnig, herhaalden alle de anderen.
--Zeg mij, o Charis, vroeg Dionyzius; waarom dwaaldet ge ver van uw
vaders huis door deze streken, die iedereen vreest en at ge in onzen
boomgaard de appels?
--Het huis van mijn vader stortte in, er was hevige aardbeving en
Charmides redde mij. O, mijn vader, o mijn broeders en neven, waar
zijt gij, waar zijt gij? Dood of gered!?
En zij begon hevig te snikken.
Ik balkte zacht.
--Cha-i....!
--Ja, Charmides! riep Charis, hartstochtelijk hare armen slaande om
mijn nek. Alleen jij, mijn bruidegom, bleef mij over!
De roovers raadpleegden elkaâr.
--Charis, Menedemus' dochter....?
--Een aardbeving....?
--Ik heb er niets van gemerkt in deze streken!
--Wij geen van allen....
--Charis, zeide Dionyzius met zekeren eerbied. Vergeef ons, dat
wij uw bruidegom aanzagen voor een ezel. Ik zie, dat ik mij nu
vergis. Uw bruidegom is een held, al is zijn vorm ook niet gewoon
menschelijk. Wilt ge, dat wij hem bij u laten en hij uw gevangenschap
deelt of wilt ge alleén blijven, Charis?
--Neen, neen, neen! riep Charis angstig. Neem hem mij niet af! Neem
hem mij niet af!!
En zij klampte zich angstig om mijn ezelnek.
--Wij zullen u uw bruidegom laten, verzekerde Dionyzius. Tot wij van
Menedemus losgeld hebben ontvangen. In afwachting daarvan zal het u
aan niets ontbreken. Kom meê, kom meê, met Charmides.
Ik liet het mij geen tweemaal zeggen. Ik vergezelde dadelijk
mijn bruid en ik verwonderde mij al gaande over dit wonderlijke
rooversverblijf. De zaal uit, een lange, vreemd kronkelende gang door,
doolhof, gelijk aan het Labyrinth, waar Thezeus door Ariadne geleid
werd om den Minotaurus te verslaan, gingen wij links, rechts, Charis
wederom geblinddoekt en ik verloren in te-vergeefsche bespieding
welke richtingen wij namen, links en rechts en wederom rechts en
links.... Tot ik niet meer wist en mijn ezelkop mismoedig schudde.
Eindelijk voerden de roovers ons een ronde zaal binnen, die, even
als de vorige, in den berg gehouwen scheen, gewelfd, met de lange
raamspleten in de hoogte onbereikbaar en ondoordringbaar, zoo wel
van binnen als van buiten en Dionyzius zeide, Charis onthullend:
--Zie, Charis, dit is het verblijf voor hooge, gevangen gasten en
hier zult ge met Charmides blijven tot wij gunstig bericht hebben
van uw vader....
In het midden der zaal was een breede rustbank van beren- en
lynxevellen: er waren tafels en schabellen; in een kast stond
tafelgerei, nuttig en sierlijk; in staande bronzen lampen zouden des
avonds pitten kunnen worden ontstoken; er hingen muziekinstrumenten
aan den blanken rotswand, er stonden boekrollen in bronzen kokers;
rijke stoffen plooiden met een weelderigheid van kleur hier en daar....
--Hier, ging onze gastheer voort en wees door een open deurboog
van rotssteen; kan uw edele bruidegom huisvesten. Wij zullen een
stroobed bereiden, hem wellicht welgevallig aan zijne zilvergrauw
gevachte leden.
En hij wees een soort van bergruimte, werkelijk allergeschiktst om
in ezelstal te worden herschapen.
Charis zag wederom glimlachend in het rond. Maar de beminnelijke
rooverhoofdman klopte met een bronzen klopper op een bronzen schaal.
Uit een andere boogdeur, van achter de kleurrijke stoffen, kwamen
drie oude, zwarte vrouwen te voorschijn.
--En hier, Charis, ging Dionyzius voort; zijn drie dienaressen te uwer
beschikking. Zij spreken niet en zij hooren niet want zijn doofstom,
maar zij zullen u kleederen brengen en voedsel en twee doofstomme
eunuchen zullen de dienaars zijn van uw bruidegom en hem verzorgen,
borstelen en voeder brengen.
De twee eunuchen verschenen en kregen dadelijk bevel mijn stal in orde
te brengen en de oude vrouwen brachten op haars meesters aanwijzing
Charis in een aangrenzend badvertrek. En terwijl zij haar baadden,
verzorgden de eunuchen mij in mijn stal. Ik had echter geen honger en
toen zij mij verlaten hadden, keek ik verwonderd in het rond, alles
oplettende in het vreemdste rooververblijf, dat een fantazie-rijke
dichter maar zich zoû kunnen droomen. En Charis, met de drie oude
vrouwen kwam te voorschijn: zij was gedost in zacht gele zijden
peplos; hare blonde haren waren gevlochten en opgestoken. Zij liep
op mij toe en omhelsde mij en zij deed mij zitten op de rustbank
van beestevellen. De vrouwen boden haar een lier en zij speelde en
neuriede met hare kinderstem, te vreden en klaarblijkelijk wederom
alles vergeten van de heksennacht, die ons had doen vluchten, van
den vermoedelijken ondergang haars vaders en hare verwanten. De
eunuchen en vrouwen dienden spijs en drank op en Charis deed mij
mede eten. Noch de vrouwen noch de eunuchen verwonderden zich over
iets, vermoedelijk gewend aan vorige vreemde dingen in dit vreemde
rooververblijf, in deze zaal der aanzienlijke gevangen gasten. Toen
stond Charis op en zij zag naar boven, naar de hooge raamspleten,
waardoor poeierden goud enkele zonnestralen en pruilende riep zij:
--Ik wil naar buiten! Ik wil naar de tuinen!
Ik vreesde, dat zij hare gevangenschap zoû gaan begrijpen en dat er
zeker in deze bergspelonken geen tuinen zouden zijn aangelegd. Maar
de twee eunuchen wezen juist op dit oogenblik hen te volgen. En zij
geleidden de jonkvrouw en haar ezel een derde boogdeur door, een
witte rotsgang door en onverwachts traden wij in een opene ruimte en
Charis gaf een juichkreet en ik keek verwonderd om. Het was werkelijk
een groote tuin, tusschen de pieken en naalden van het gebergte, die
stonden schitterende wit in de diep blauwe lucht van den nanoen als de
torens van een immens, krijtblank tooverkasteel. De hooge rotswanden,
die den tuin omgaven, dropen ter Noordzijde van neêr druppelende
watervalletjes, sijpelend tusschen de groeven over groene en gele
mossen, dicht overwoekerend het gesteent. Er bloeide een schat van
bloemen overal op aan de dichte heesters, waar de roode en witte rozen
gloeiden en geurden over geheel de Zuidzijde van den ingeslotenen
wondertuin. En een klein meertje, een vijver, die weêrspiegelde de
diep blauwe lucht, lag in het midden; enkele waterplanten spreidden
er hunne platte bladeren over heen....
De avond viel: in het Westen gloeide de lucht van oranje, na het zinken
der zon achter den rotswand. Een honigblonde teederheid weifelde
aldaar over de lucht, terwijl de lila nacht hare ijle sluiers reeds
spreidde. Toen rees de maan, terwijl wij lagen aan den rand van het
meertje; Charis, geleund tegen mij aan, sluimerde, haar hoofd tegen
mijn roerloos ezellijf.
Heel hel rees de maan en zij liet haar zilveren, ronde schijf neêr
zinken in het rimpelloos water. En ik zag, dat tusschen de glimmende,
platte bladeren der waterplanten een stengel zich als beurde en een
knop ontlook. Het was een enkele lotusknop en terwijl ik staarde,
opende wijd de bloem en straalde blank in het maanlicht en ik was
bekoord door die schoonheid....
Maar de drie doofstomme, zwarte vrouwen en de drie eunuchen verschenen
aan de deur en het scheen ons toe, dat zij ons noodden ter ruste
te gaan.
Van de roovers zagen wij die nacht niets meer....