Ook den volgenden dag niet. Wij doorleefden hem samen in
sprookjes-achtige rust van de dageraad tot de nacht, in de zaal en
in den tuin, terwijl de eunuchen en de zwarte vrouwen het ons aan
niets lieten ontbreken. De morgen daarop verscheen Dionyzius.
--Charis, zeide hij. Wij zonden boodschappers naar het buitenverblijf
van uw vader. Ingestort is het niet, zoo als zij met eigen oogen zagen,
een aardbeving is er in het Zuiden van Thessalië sedert jaren niet voor
gekomen, maar het huis was gesloten en onbewoond en de omwonende boeren
verzekerden, dat Menedemus en alle de zijnen vertrokken waren, met
misbaar en wanhoop, omdat zijn dochter verdwenen was en dat zij niet
wisten waar heen. Edele jonkvrouw, waar vinden wij thans Menedemus? In
welke van zijn tallooze buitenverblijven? In Hypata wellicht?
Maar Charis wist niets te antwoorden en ik evenmin. Dionyzius
zeide toen, dat hij geheel Thessalië zoû laten doorzoeken, tot hij
Menedemus gevonden had. Intusschen begreep ik niet, dat wat ik gezien
had met eigen oogen, wat ik ontvlucht was met eigen dravende beenen
een begoocheling zoû geweest zijn, dat het landhuis tusschen de
lotusvijvers nog altijd bestond en slechts onbewoond en gesloten zoû
zijn! Maar hoewel ik steeds dacht aan het raadsel, ging de dag toch
voorbij als de vorige. Tot tegen den avond Dionyzius ons noodiging
zond het feest bij te wonen, waartoe hij en zijne makkers hadden
besloten. De doofstomme, zwarte vrouwen dosten Charis in rijkeren
dos en de eunuchen geleidden ons samen door vele kronkelgangen,
het inwendige van den berg door, tot wij in een zaal kwamen,
zoo schitterend, dat ik verblindde. Werkelijk, ik had veel reeds
in mijn jonge leven aanschouwd: het tooververblijf van Meroë, het
landhuis van Menedemus, maar wat ik nu zag, was zoo fabelachtig, dat
ik verblind om mij heen zag. In het rotssteen, dat als gebeeldhouwd
was met Corinthische pilasters en architraven, waren groote vakken
van glanzend goud als reusachtige spiegels in gevat en overal stonden
tegen dien wand gouden lampen, zich vertakkende en vertwijgende en
iedere twijg beurende een brandende pit, zoo dat het van vlammen
wemelde en alle die vlammen weêrspiegelden zich duizenden malen in
de glanzende, gouden spiegelwanden. Toen wij binnen kwamen, weêrklonk
muziek van fluiten en kleine harpen en in het midden der zaal dansten
Georgische danseressen.... De danseressen en de muzikanten waren allen
slavinnen en slaven der roovers, begreep ik later en ik verwonderde
mij wel zeer over die vreemde roovers, die in het binnenste van een
wonderlijk piekgebergte leefden als prinsen, tusschen groote schatten
en vorstelijke weelde en geen oogenblik schenen bevreesd te zijn,
dat hun wonderkasteel ontdekt zoû worden. Zij lagen, in rijke kleedij,
hunne gesteente-schitterende dolken in hun breede, zijden gordels, op
bedden van tapijtwerk en aten en dronken uit het kostbaarste vaatwerk,
dat ik ooit had gezien, terwijl de flakkerende vlammen der honderden
lampepitten overal aan hunne juweelen op tulband en aan wapenen, aan
schotels en kannen en bekers blauwe, gele en groene vonken ontlokten,
die zich weder terug kaatsten in de glanzende spiegels, zoodat het
tooverachtige schouwspel mij onvergelijkelijk scheen met wàt ik ook
in mijn leven had mogen aanschouwen.
Zoodra wij binnen kwamen, rezen Dionyzius en de sombere Manes op;
zij traden Charis te gemoet, die met mij, haar arm om mijn nek, nader
trad en ook verrast en bekoord om zich heen blikte, aan hoeveel de
dochter van den schatrijken Menedemus ook gewoon was. En de beide
rooverhoofdmannen noodigden hoffelijk Charis uit tusschen hen beiden
aan te zitten op een verhevenheid en duldden, dat ik mij vlijde
aan hare voetjes. Mijn lieve bruid bevroedde niet in welk vreemd
gezelschap zij zich bevond; angst koesterde zij niet, nu zij zoo
hoffelijk reeds twee dagen lang bejegend werd door hare gastheeren;
nadenken vermocht niet haar betooverde geest en het scheen wel of die
betoovering eene bescherming om haar heen spon, die zij zich ook niet
bewust werd; gevlucht in een heksennacht uit haars vaders betooverd
huis op den rug van een ezel, was haar geen haar gekrenkt, was zij
gevoed, gekleed, was er een feest om haar heen en ik verwonderde
mij over den geleidelijken loop van dingen, die toch niet gewoon
schenen en bedacht of het de goden van Eleuzis waren, die dergelijke
harmonische onwaarschijnlijkheden om de lieflijke onschuld van Charis
sponnen en weefden.
Intusschen zweefde de dans der Georgische vrouwen door de gouden
spiegelzaal--overal verdubbelde zich hare bevallige beeltenissen, over
en weêr, en telkens werden de diepe drinkschalen ingeschonken,--toen
ik, plotseling, verrast, den kop richtte. Want Dionyzius was dichter
bij Charis geschoven en ik hoorde hem, verhit door den wijn zeggen:
--Charis, ik heb je lief! Ik heb je willen schaken om losprijs van
je vader te krijgen, maar nu een gunstig noodlot je gevoerd heeft
tot bijna in mijn armen, wil ik je omhelzen en zal je de mijne zijn
en zullen alle deze schatten je toe behooren, o schoone maagd!
Ik verschrikte hevig, toen ik plotseling Manes ter andere zijde,
somber de brauwen fronsende, hoorde zeggen:
--Dionyzius, neem je in acht! Aan mij zal het zijn, dat Charis toe zal
behooren, zoo als ook deze schatten aan mij toebehooren en niet aan
jou, en niet aan jou, die met een vervloekten glimlach meent alles
te winnen, schatten en vrouwen en heerschappij over onze mannen en
ons bezit!
Woedend rezen plots de twee dronken rooverhoofdmannen op. En ik
begreep, dat een lang gekoesterde ijverzucht plots tusschen hen los
barstte. Ook ik was opgerezen en Charis wierp zich met een kreet
om mijn nek. Wat! Beschermden de Eleuzische godheden ons dan niet
meer?! De beide roovers hadden elkaâr naar de keel gegrepen, terwijl
gillende de danseressen en muzikanten vluchtten tusschen de wanorde
der omver gestootene tafels. En tusschen al de andere roovers weêrklonk
boos, ruw geroep en zij stonden plots in twee kampen tegen over elkaâr.
--Charis behoort aan Manes! riepen de eenen.
--Aan Dionyzius! schreeuwden de anderen.
Plotseling, in de van lichten flakkerende en spiegelende feestzaal,
barstte los een verwoede strijd. Een twintigtal mannen stortte zich
op een twintigtal mannen en er vloeide bloed en een verschrikkelijk
schouwspel van helsche woede spiegelde zich daar over en weêr tusschen
de van bloed druipende, stralende wanden. Intusschen had ik in een
plotse ingeving Charis met een gebaar bewogen te springen op mijn
rug en baande ik mij een weg, stootende met mijn kop, trappende
met mijn hoeven. Plots voelde ik een hevige pijn en een dolkstoot
in mijn flank. Mijn bloed vloeide maar diep was de wonde niet en,
een verwoede ezel ik, tusschen die verwoede roovers, ging ik voort
mij een weg te banen. Zij waren plots zoo op elkander verbitterd,
dat zij eigenlijk niet op mij letten. Charis, op mijn rug, sloeg de
armen op en jammerde van verschrikking. En de verwarring woelde door
een. Maar ik wist te bereiken den uitgang. De roovers hielden mij niet
tegen, vermoedelijk zeker, dat ik toch geen uitweg zou vinden. Door
een labyrinth van nauwe gangen zocht ik mijn weg.
--Cha-i! Cha-i! balkte ik, om mijn bruid gerust te stellen.
Zij omhelsde mij vast en lag trillende over mij heen. Ik voelde
haar zachte maagdelijf in hare goud-doorweven sluiers kloppen tegen
mijn ezelelijf. Een zaal stond open: het was vermoedelijk Dionyzius'
slaapverblijf, vol weelde: uit een kist van ivoor hingen parelsnoeren,
maar ik holde voort. Waar zoû ik een uitgang vinden? Nergens
vermoedelijk. Aan den wand hingen purperen mantels, krokosgele
mantels, mantels van vossebont. Ik holde voort... De open gelaten
wijnkelders holde ik door: de amforen stonden er, puntig en dubbel
geöord; de dikbuikige vaten stonden er: het rook er naar een roode
bezwijmeling. Ik holde voort! Waar was ik? Ik werd mij bewust in het
rond te draven. Daar was onze tuin, daar was ons eigen verblijf. Maar
daar hoorde ik plots ook weêr het gewoel van den strijd der verbitterde
roovers en ik holde weêr terug...
Een nachtmerrie werd die inwendige berg, het verwonderlijke rooverhol;
een booze droom werd het van onbestaanbaarheid. Ik holde om en om;
ik scheen mij door een nauwe cirkelgang te wringen en wanhoopte ooit
te kunnen ontkomen. Gesloten zouden vermoedelijk alle uitgangen
zijn. De roovers achtervolgden ons niet, zeker vreesloos, dat ik
zoû kunnen vluchten. Daar was weêr onze tuin, daar klonk weêr het
verschrikkelijk rumoer van den strijd....
Te gelijker tijd struikelde ik. Het was midden op een ronden binnenhof,
tusschen de hooge, witte wanden van de op stekende pieken, als een put,
die scheen geboord in het gebergte. En ik zag, dat ik gestruikeld was
over een even op stekenden, vierkanten steen, waaraan een ijzeren
ring. Ik weet niet welke ingeving mij bezielde, maar ik greep den
ring met mijn sterke ezeltanden. Ik lichtte aan den ring den steen
met al mijn kracht op.
--Charmides! riep Charis. Vlucht! Ik ben bang, ik ben bang voor de
mannen, die vechten!
Ik bukte mijn kop. Ik zag een opening, wijd en een trap, die daalde
steil naar beneden. Ik weet niet waarom, maar ik daalde de trap af,
alleen vreezende, dat Charis zich het hoofd stooten zoû. Maar de trap
was wijd in het rotssteen uit gehouwen en ik daalde voorzichtig maar
gemakkelijk haar af. Mijn ezelhoeven tastten uit. Ik daalde lager
en lager. Vage lichtschijn viel nog van boven. Nu en dan tastte en
daalde ik in den donker....
Plotseling werd het lichter voor mijn blik. Ik zag op. Ik zag de
lucht. Die was hoog, hoog, een blauwe, verre hoogte boven den zwarten
trechter, waarin ik mij bevond. Maar in dien trechter was een steile
trap gehouwen!
Ik aarzelde niet en ik steeg de steile trap op. Bijna recht-op steeg
ik, hoef voor hoef zettende op de smalle treden en Charis steeds
krampachtig zich klemmende om mijn nek. Hoe lang die moeilijke
stijging duurde! Het was of ik uit het diepste der aarde op steeg
naar het hoogste van den hemel. Maar ik steeg en ik steeg... Charis
zeide geen woord en alleen mijn gehijg doorkreunde de nauwte van de
steile trechtertrap. Eindelijk, eindelijk bereikte ik den rand. Nóg
een poging en nog een poging!
Daar ademde mijn hijgende snoet aan de trechteropening de wijdere
lucht. Daar heesch ik mij als aan mijn hoeven op en stond op den
trechterrand. O zalige vreugde! Om mij piekte het wondere gebergte
met zijn witte torens in rozigen dageraad. De arenden vlogen in wijde
kringen rond. De lucht was als een oceaan van parelvochten ether. De
landouwen lagen in de diepte uitgesmolten in licht groene wazigheid
met de donkere plekken der bosschen tot aan verijlende horizonnen. De
nieuwe zon straalde uit.
Ik zag rond, of de roovers ons misschien langs een anderen weg...? Ik
zag niets. De wereld was immens wijd, verlaten en goddelijk schoon. En
een ezel ik, met een jonkvrouw op mijn rug, stond daar hoog, op het
witte gekartel van een hoogen bergkam.... Waarheen? Het was alles
onbekend. De naaste minuut zoû de onbedenkbare verrassing zijn.
Waar de bergkam daalde, zette ik mijn hoef. En daalde met den
bergkam mede. Hoe voorzichtig daalt toch een ezel langs de steilste
bergflanken omlaag! Weg was er niet: ik koos slechts de geschiktste
plekken om mijn hoeven te zetten. In den rozigen morgen, nog wazig
blauw van dauw, daalde daar een ezel het krijtwitte gebergte af,
op zijn rug een betooverde maagd in zacht gazen feestgewaad van
kostbare sluiers gehuld en de witte pieken rezen op en de zwarte
arenden cirkelden rond. En het was alles zoo gewoon en zoo gelukkig,
dat ik mijn wonde niet achtte. De zilverbrem bloeide om ons heen
en hier en daar ruischelde het schuimende water de blanke groeven
omlaag. En ik daalde, ik daalde altijd.
Ik daalde af, werd ik mij bewust, aan den anderen kant van het
gebergte. Maar de appelebongerds omringden geheel den berg en toen
ik was afgedaald, dwaalden wij verder de bongerds door en aten de
appels en dronken samen aan de beek. En rustten uit in de doorappelde
schaduwen. En gingen weêr verder. En niemand kwamen wij tegen. Het
was de noen en nauwlijks dacht ik aan wat het einde van dezen dag
brengen zoû.
Den warmen middag liep ik een schaduwrijk bosch door van dicht
bladerige kastanjes. Er volgden weilanden, bouwlanden; er graasde
het vee, er golfde het graan, er doken de boerenhoeven op tusschen
de olmeboomen. Landbouwers zag ik met hunne knechten bezig: zij
sloegen de blinkende sikkels de neêr zijgende aren door en zongen hun
juichend oogstlied. Maar ik vreesde hen te naderen, omdat wij beiden
betooverd waren.
En toch naderde ik. De mannen keken verwonderd op naar den ezel,
die daar naderde op roode hoeven, goudbeslagen en een in feestgewaad
gehulde, blonde jonkvrouw op zijn rug. En een der mannen naderde op
zijn beurt. En toen ik hem aanzag, herkende ik Davus, van wien ik
sedert maanden gescheiden was.
Toen balkte ik van verbazing, heel luid en schreef met mijn hoef
duidelijk in de mulle aarde:
--Ik ben Charmides, Davus, je meester, en deze jonkvrouw is Charis,
de dochter van Menedemus uit Hypata, die wij ontmoetten bij de poort
van de stad en om wier liefde ik betooverd werd....