De morgen straalde. Ik zag om mij rond. De rivier aan den rand van
het woud en den weg, overschaduwd door takken en blâren.... Maar dan,
ter zijde, het rotsgebergte. Het was piek bij piek, die uit stak;
hoogere en lagere rotsen stonden verwonderlijk recht de lucht in,
als met een leger van bijna regelmatige pieken; zij schenen als
menschelijke monumenten te rijzen, als een stad van steen, als een
massa van vreemde torens, maar zij waren enkel het werk der natuur;
zij staken hunne hemelhooge monoliethen, hun steile, gladde gevaarten
met ontzaglijke kegels op in de blauwste lucht; sommigen schenen
wel naalden zoo scherp in de verte en verschemerden in het rozige
lichtwaas. Twee arenden vlogen er over heen....
Toen boog ik mijn kop naar Charis. Zij sloeg juist de oogen op en
zij riep, angstig:
--Mijn lief, waar zijn wij?
Ik wist niet hoe haar te antwoorden, bang haar met mijn rauw gebalk
te verschrikken. Maar zich richtende op de knieën, herhaalde zij:
--Mijn lief, mijn lief, waar zijn wij?
En zij sloeg de armen om mijn nek.
--Zoo lang heb je gedraafd, zoo ver heb je mij gevoerd, weg van mijn
vader en van mijn verwanten en mijn maagden zijn niet om mij heen! Mijn
lief, mijn lief, waar zijn wij?
Ik kuste haar met mijn snoet de hand, ik likte haar de palm, maar
ik wist niet haar te antwoorden. En zij rees plotseling op. Zij zag
zich in haar witte kleed, met hare lange, blonde haren los, zonder
mantel of gordel of sluier en zij begon luide te schreien en riep,
dat zij wilde naar huis. Bedenkende hoe ik haar troosten kon, plukte
ik gele en blanke veldbloemen met mijn tanden af en wierp ze op om
haar heen. Zij lachte als een kind, zette zich neuriënde en begon de
bloemen te vlechten en ons met de bladeren te versieren. Ik draafde
om en om, om haar te vermaken en den krans, dien zij gevlochten had,
zette zij mij om de lange ooren heen, die zij zoo gaarne heen en weêr
zag bewegen. Dan scheurde de krans en viel af en zij hervatte haar
werk, terwijl ik de grashalmen graasde....
--Ik heb honger! riep zij op eens, als een kind.
Wanhopig zag ik rond. Waar heen zoû ik Charis voeren? Dit eenzame woud,
dat wij waren uitgedwaald in de nacht; deze stroom, dien ik niet wist
of hij de Sperchius was en waar langs ik niet wist wàar te geraken
en dan die vreemde rotsenmassa, die zonderlinge natuurspeling van
dat oppiekende, -piekende rotsgebergte, dat, nu klaarder het licht
werd, scheen te rijzen, eindeloos te rijzen, dat scheen te pieken,
op te pieken tot den verren horizon toe.... En zoo ik ook iets nog
geweten hadde van woud en stroom en rots, wat zou ik ook hebben kunnen
aanvangen met een teêre, onnoozele en betooverde jonkvrouw, gewoon
aan de liefdevolste en te gelijker tijd weelderigste zorgen, gewoon
aan rijke kleederen, aan kostbaar huisraad, aan uitgezocht voedsel
en steeds omringd door een schaar dienaressen, die haar omzongen,
omdansten, elk van haar wedijverend met Charis in schoonheid? Hier
ving ik den nieuwen dag en het nieuwe leven aan, bemind en minnende en
samen, alleen met mijn bruid, zonder iets voor haar te kunnen doen,
dan haar te dragen op mijn rug! O, hoe wanhopig zwol op eenmaal in
mij het late berouw, dat ik, onbezonnen, omdat ik beminde, mij niet
als eveneens betooverd had bekend willen maken, door met mijn poot
een paar letters in het zand te schrijven, zoo dat de wondermeesters
mij zilverasters hadden kunnen zoeken en ik op nieuw weêr mensch en
man ware geworden. Dàn ware ik weg gejaagd, ik koopmanszoon, wien
Menedemus nooit zijn dochter van vorstelijke geboorte als vrouw zoû
willen afstaan, maar dan hadde ik beschikking gehad over onmisbare,
menschelijke hoedanigheden; dan hadde ik misschien, wie weet, zoo niet
op mijn rug, Charis geschaakt in mijn armen, dan ware ik met haar
gevlucht en hadden wij ons geluk ergens in stille zaligheid kunnen
verbergen, terwijl nu...! Wat ving ik met mijn geliefde aan!? Zij was
wederom in schreien en snikken uitgebarsten; zij liep handen wringende
om; zij wilde niet meer met de bloemen spelen.... Ik deed haar de
vlinders op letten, die fladderden om ons rond, maar zij lette de
vlinders niet op, de goudvisschen, die snel schoten den stroom af
als zonneflikkeringen, maar zij lette de visschen niet op en zij
klaagde, de armen om mijn hals en smeekte mij haar terug te voeren
naar huis. Zoo dat ik, met mijn goud-beslagen hoef schreef in het zand:
--Zet je dan weêr op mijn rug...
Zij lachte door hare tranen en klapte in de handen, om dadelijk
meêwarig te klagen, dat ik mijn stem in den oorlog verloren had! Maar
zij juichte, dat ik nu schreef en zij wierp zich op mijn rug en
zat tevreden, half liggende, hare armen om mijn nek. Bekranst en
versierd wij beiden met bloemen en blârenfestoen, liep ik met Charis
den rotsberg om, langzaam.... Honger had ik niet, daar ik grazen kon
en geen wijn en pastei behoefde, maar Charis klaagde op eens weêr:
--Charmides.... Ik heb honger!
Ik wist wel, zij léed nog geen honger, maar toch zwol de wanhoop
weêr in mij op.... Waar vond ik voedsel voor mijn bruid...? Tot
ik plotseling, opener het woud en de zon gestegen, een vruchten
dragenden appeleboomgaard bespeurde en ik blijde het zette op
een draf. Charis, van pleizier, juichte op en in den stralenden
zomermorgen liep daar een ezel, met een schoone maagd op zijn rug,
beiden vertuit met bloemen en blâren als voor een herdersfeest, den
rood doorappelden bongerd te moet.... En tusschen de boomen doolde ik
met Charis langzaam voort en zij plukte de appelen, die laag hingen
en ik at de appelen, die, overrijp, waren gevallen over den grond
in gras en madelieven en mos. En een oogenblik gevoelde ik, dat wij
beiden zalig gelukkig waren. De morgen, de zon, het gras, de appelen,
onze kransen, wij beiden te zamen alleen, terwijl alleen de vogelen
om ons twetterden, de vlinders in liefde fladderden, de mugjes als
genstertjes schitterden: meér was er niet, maar dit oogenblik was
dat alles genoeg van geluk voor de beide betooverden, voor Charis,
die verliefd op haar ezel was, voor Charmides, den verliefden ezel,
op wien Charis verliefd was geworden. En ik dwaalde met Charis den
bongerd door, ik steigerde speelsch of sloeg met de achterpooten uit,
ik balkte zelfs Charis' naam, zoo als ik het kon en de roode appelen
lokten, honderden, om ons heen....
Zoo gingen de uren voorbij en vergaten wij beiden, dat wij geen
toekomst voor ons zagen, en had Charis haar honger gestild, en haar
dorst gelescht aan een beek en toen, van ons spel moede, zich neér
gelegd in het vliegjes-doorzoemde lommer, waar ik, in het mos gelegerd,
had gewaakt over haar sluimering. Maar nu, in de middagstilte, begon de
zorg, op nieuw in mij gewekt, om te zien naar een uitkomst. Ik spiedde
uit links en rechts en speurde geen menschelijk wezen. Als een witte
oven gloeide het piekende rotsgebergte door de appelboomen heen en
vertrilde tegen de stralende zomerlucht... Wat zoû die verdere dag,
wat zoû die nacht ons brengen? Hoe geheimvol onbekend was ons de
naaste seconde! Hoe zoû ik verder Charis kunnen behoeden, ik, een
ezel op mijn gouden hoefijzers, voor wilde beesten en saters, voor
heksen, voor alles wat de geheimnisvolle nacht met zich meê voert en
hoè voor honger, ellende, armoede! Alleen met mijn bruid in het woud,
had ik éen oogenblik kunnen vergeten, tusschen bloem en spel en ooft,
dat wij beiden betooverd waren en aan zware levensbeproeving bloot
gegeven, nu de middagstilte suisde om Charis' slaap en ik waakte,
wekte de wanhoop op nieuw zich in mij.
Tot ik meende tusschen de bladeren geritsel te hooren. Ik spiedde uit
en werkelijk zag ik mannen sluipen.... Zoû ik balken, zoû ik mij bekend
maken als Charmides, de betooverde zoon van Lyzias van Epidaurus,
die met Charis, Menedemus' dochter, gevlucht was, van het instortende
landhuis weg? Bijna meende ik, dat dit het verstandigst zijn zoû,
toen ik begreep aan der mannen uitzicht, dat zij roovers waren! Ja,
zij waren roovers; geen armoedige, barre, weêrzin en afgrijzen wekkende
wilde-mannen des wouds, als mij hadden gestolen uit de houthakkershut,
maar wel twintig, dertig groote, sterke, gewapende roovers in korte
mantels gehuld en met groote hoeden op.... Zij slopen wel tusschen het
lagere hout--vermoedelijk om niet langs den heirweg te gaan--maar zij
praatten toch en lachten zelfs onder elkaâr, als of zij hier thuis
en bekend waren. Zekerlijk was deze afgelegen, prachtig gekweekte
appelebongerd, die wij geplunderd hadden, hun eigendom! Toch, roovers,
zoo ik bekend mij maakte, zouden misschien mij zilverasters kunnen
zoeken en ik zoû voor losprijs mijzelven weêr worden.... Roovers
zouden voor losprijs Charis vrij zeker laten.... Bliksemsnel bedacht
ik dit alles, tevens beducht of zij ruw geweld mijn aangebeden bruid
zouden kunnen doen.... Tot ik hunne woorden hoorde:
--Deze nacht dus?
--Ja, beaâmde wie hun hoofdman scheen. Het landhuis van Menedemus....
--Het omsingelen...?
--Ja en zijn dochter schaken....
In ontzetting was ik opgerezen. Ik begreep, dat zij niet wisten,
dat Menedemus' landhuis was behekst geworden, in de lucht geheven,
vernietigd! Ik begreep, dat zoo zij het op Charis voorzien hadden,
een hun gunstig noodlot Menedemus' dochter op hun weg had gevoerd! Ik
begreep, dat geen tijd te verliezen was....
--Cha-i! stiet ik mijn bruid aan met mijn trillenden snoet.
Zij ontwaakte, wilde mij omhelzen, maar dadelijk beduidde ik haar,
door te knielen, dat zij op zoû stijgen. En zij steeg op. En juist
toen de roovers in den bongerd verschenen, draafde ik weg, naar de
rivier terug.
De mannen bleven bevangen staan. Het moest ook dien ruwe klanten als
een tooverbeeld, niet eigen der werkelijkheid, gelijken, hoe daar
een prachtige, zilver gevachte ezel, op glinsterend beslagen, roode
hoeven weg draafde met een blanke, blonde maagd over zijn rug, hare
armen om zijn nek en beiden versierd met bloemen en bladerfestoenen,
die nu af van hen vielen. Zij moesten wel denken aan een nymf uit het
woud, aan een goddelijk wezen, een onwaarschijnlijken ezel berijdend,
in het stralendste zonnelicht, tusschen de gelooverde en be-appelde
schaduwvallen, dravende naar de rivier, waar zij zeker in een mist
aan hun oog zouden worden onttrokken! En ik draafde door.... Maar de
mannen, wat ook hunne verbijstering hun had voor gegoocheld, waren ons
reeds met wijde passen achtervolgd.... Ons inhalen zouden zij zeker
niet, was ik mij overtuigd, terwijl ik hupte over steenen en boomtakken
en Charis juichte om den rit, niet wetende welk gevaar dreigde. Tot
plotseling, tusschen de rivier en ons, andere mannen op doken,
komende van den tegenovergestelden kant. Zij riepen elkander toe:
de eersten riepen den anderen toe, dat zij zich zouden verspreiden en
ons tegen houden. En in der daad, zij verspreidden zich in een wijden
cirkel, te zamen zeker een veertigtal roovers. Te vergeefs trachtte
ik hier tusschen hen weg te komen, trachtte ik daàr tusschen hen te
ontvluchten: zij sloten dichter hun cirkel en ik zag geen uitgang
meer en zij grepen mij aan snoet, aan staart, aan manen. Ik steigerde,
ik sloeg met de achterpooten uit, ik poogde hen, woedend, te bijten:
wat kan éen ezel tegen veertig Thessalische roovers! Luide hoorde
ik Charis van ontzetting jammeren, maar er was niets aan te doen:
de mannen omringden ons en de hoofdman Charis, die van mijn rug af
gegleden was, op beurende, riep:
--Schoone jonkvrouw, die op uw ezel vluchtte, gij zijt aan ons en de
kostbaarste buit, dien Hermes-Mercurius, onze god, ons ooit gunde!
Ik had geen tijd mij te verbazen, dat roovers den zelfden god vereeren
als eerlijke kooplieden in parels en purper: trillende stond ik op
mijn hoeven.
--Een sterke, mooie ezel! prezen de roovers, mij slaande vol
hartelijkheid op de schoft. Een dappere ezel! Een flinke ezel! En
een edele, wonderschoone maagd, die hem berijdt!
--Wie zoû zij zijn? vroeg de hoofdman.
De roovers wisten het niet.
--In alle gevallen een aanzienlijke maagd, die ons zal troosten,
mochten wij Menedemus' dochter heden avond niet kunnen ontvoeren,
zei de hoofdman. Jonkvrouw, berijd weêr uw ezel. Schrei niet en jammer
niet meer: wij wenschen geen kwaad u te doen.
En hij dwong Charis mijn rug wederom te bestijgen en zij zette zich,
maar luid snikkende:
--Mijn bruidegom! Mijn Charmides, red mij!!
--Ver is uw bruidegom, meende de hoofdman; en zijn vrouw zult ge zoo
gauw niet worden!
En zij voerden ons terug, door den appelebongerd: er was niets te doen
dan voort, met mijn bedroefden last, tusschen hen mede te stappen...
Toen, omdat ik Charis noch redden, noch zelfs te troosten wist,
balkte ik wanhopiglijk luid uit naar den stralenden zomerhemel.