Rembang, 17 Juli 1904. (VIII.)

Mijn eigen liefste Moedertje,

Meet mijne liefde voor u, mijne belangstelling in alles wat u en de uwen

betreft niet naar de grootte of de veelheid mijner brieven.

Het is mij met den besten wil van de wereld niet mogelijk om veel en om

dikwijls te schrijven, aan wie ook. Nu vooral niet, nu ik met eene

slechte gezondheid sukkel. Ik ben flink ziek geweest, heb kou gevat en

heb veel geleden. Dit is nu Goddank voorbij! maar ik moet toch nog erg

oppassen. O, en ik _moet_, ik wil gezond zijn voor ons kind.

Wat zoo'n kind der moeder toch niet kost! Al dat gesukkel komt daarvan.

O! Moeske, ik moet zóó oppassen, zóó voorzichtig zijn met alles. Al

sinds een maand ontvang ik alleen familie, die dan bij me in de kamer

komt. Ik schrijf dezen op den langen stoel liggende; het opzitten

hindert.

Mama heb ik verleden week bij me gehad. Die lieverd, niets is haar te

veel waar het 't welzijn harer kinderen geldt. Zoo kwam ze van Pamalang

waar Kardinah ziek is geweest, zoo was ze klaar om hier heen te komen,

toen mijn man, in zijn wanhoop mij zoo ellendig te zien, om haar

telegrafeerde. Mijn beste man ziet erg tegen de a.s. gebeurtenis op.

Hij kan mij niet zien lijden. Arme lieverd, hij had moreel meer geleden

dan ik, toen ik zoo ziek was. Hij zou de heele wereld onderste boven

willen halen om mij leed en pijnen te besparen.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 121 / 136 题