Wanneer zal ik toch weer als voorheen met u kunnen correspondeeren?
Van alle kanten regent het verwijten, dat ik zoo slecht schrijf. Maar ik
kan niet anders. Ik heb een groote taak aanvaard, en het is dure plicht
haar goed te volbrengen. De kinderen doen zoo hun best; ik heb er nu
twaalf, waaronder een paar volwassenen.
Ik ben nu bezig aan het uitzetje van uw a.s. kleinkindje. De zusjes
verlangen naar een meiske, en mijn man naar een zoontje. Als het een
dochtertje is, dan zal ik haar dubbel liefhebben, omdat allen hier naar
een jongen verlangen.