Rembang, 30 Juni 1904. (VIII.)

Wanneer zal ik toch weer als voorheen met u kunnen correspondeeren?

Van alle kanten regent het verwijten, dat ik zoo slecht schrijf. Maar ik

kan niet anders. Ik heb een groote taak aanvaard, en het is dure plicht

haar goed te volbrengen. De kinderen doen zoo hun best; ik heb er nu

twaalf, waaronder een paar volwassenen.

Ik ben nu bezig aan het uitzetje van uw a.s. kleinkindje. De zusjes

verlangen naar een meiske, en mijn man naar een zoontje. Als het een

dochtertje is, dan zal ik haar dubbel liefhebben, omdat allen hier naar

een jongen verlangen.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 120 / 136 题