Rembang, 10 Augustus 1904. (VIII.)

Moeske liefste, ik moet zooveel aan u denken, vooral in den laatsten

tijd. En telkens als ik aan u denk, komt er een zacht teeder gevoel over

me, doch tegelijkertijd ook diepe weemoed.

Weemoed, dat u zoo ver van me is, en weldra onbereikbaar ver van me zal

zijn.

Waarom toch moeten juist die zielen, die aan elkander verwant zijn,

onbereikbaar ver van elkaar gaan. Ik kan zóó bedroefd zijn, als ik al te

erg naar u verlang.

Ik zit stil voor me te staren, hoor noch zie van wat werkelijk om me

gebeurt. Ik ben, ik leef in het verleden, dat zoete en dat bittere

verleden, waar ik zoo gaarne toef, en waar als een lichtkrans uwe liefde

doorheengeweven is. Ik lijd en ik geniet. Mijn hart is vol weemoed, maar

daarnaast ook innige dankbaarheid, dankbaarheid voor het zoet geluk, dat

uwe liefde mij gaf.

Ik kan God nooit genoeg danken, dat Hij u tot ons bracht.

* * * * *

Hoe komt de Javaan zoo te verarmen? vraagt men, en zij die deze vraag

doen, denken zich tegelijkertijd suf, hoe aan meer geld te komen. En wie

moet het ontgelden? natuurlijk de kleine man, over wiens wel en wee men

zich zoo uitermate bezorgd maakt, dat men een dure commissie benoemt, om

onderzoek te doen naar de oorzaken van zijn achteruitgang!

"Hoe komt de Javaan zoo te verarmen?" en men slaat grassnijders, die 10

a 12 cent daags verdienen in de bedrijfsbelasting aan. Voor ieder geit

of schaap dat geslacht wordt, moet 20 cent belasting betaald worden. Zoo

betaalt een satee-verkooper,[1] die elken dag 2 schapen slacht, 's

jaars _f_ 144 belasting. En hoeveel is zijn verdienste? genoeg om er van

te leven.

Bij mijn ouders thuis wist ik al veel, maar hier, waar mijn man elke

gedachte met mij deelt, waar ik geheel met hem meeleef, met zijn werk,

zijn streven, ben ik nog o, zoo veel meer te weten gekomen, dat ik eerst

niet wist, zelfs niet vermoedde, dat bestond.

Er is o zoo veel schreeuwend onrecht, en iemand, die rechtvaardig is,

moet als ambtenaar wèl lijden. Hij moet zooveel zien, en ook doen, wat

tegen alle rechtvaardigheid in is.

* * * * *

Dag Moeske! Misschien is dit mijn laatste brief voor u! Denk maar veel

aan uw dochtertje, dat u beiden zoo innig lief heeft. Groet Mijnheer

hartelijk van ons beiden, en u druk ik vast aan 't hart. /$ Uw eigen

dochtertje

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 122 / 136 题