Hooggeachte Vrienden,
Wat zal het u bevreemden niets van me te hooren over uwe zoo hartelijke
brieven, en die prachtige cadeaux, waarmee wij toch zoo innig, innig
blij zijn. Als elke gedachte, die ik dankbaar aan u wijdde, daad werd,
wat zou u dan hoopen brieven van me hebben. Vergeeft me, lieve vrienden,
dat niet reeds veel, veel eerder deze u bereikte.
De overgang van eenvoudig jongmeisje tot echtgenoot, moeder en vrouw van
een hooggeplaatst ambtenaar--wat in onze Indische maatschappij veel
beteekent--is zóó groot, dat ik in de eerste tijden aan niets anders kon
denken, dan hoe ik het best mijne nieuwe plichten zou vervullen.
En dat niet alleen--ook nog eene andere proef moest ik doorstaan. Kort
na ons huwelijk werd mijn man op eens zwaar ziek. Daarna begon ik zelf
te sukkelen; ik kan tot nu toe nog niet goed met het Rembangsche klimaat
overweg. Wij wonen vlak aan zee, maar hetgeen op Japara een tractatie
was, is hier op Rembang een plaag. Hier moeten wij oppassen voor den
zeewind, die zeer ongezond is, daar hij eerst over koraalriffen en
modder heenstrijkt, vóór hij ons bereikt. Doch laat ik u beiden eerst,
ook namens mijn man, innig, innig bedanken voor het prachtige, kostbare
souvenir, dat u ons bij gelegenheid van ons huwelijk schonk. Het is mij
zooveel te dierbaarder, omdat het een stuk voorstelt van het
hooggeroemde Thüringerwoud, waar u mij zooveel van vertelde, en waar
mijn lieve Duitsche vrienden zóó graag zijn.
De fraaie schilderij en keurige foto van Jena hangen in onze zitkamer,
waar mijn man, die een groot liefhebber van mooie schilderijen en
beelden is, zijne kunstschatten bewaart. Ik kijk er zoo dikwijls met
innig genot naar, en dan vliegen tal van lieve, dankbare gedachten naar
mijne vrienden in Jena. Hoe innig, innig lief van u, om mij een
boomkoek, het Duitsche nationale gebak, dat bij geen enkel feestelijke
gelegenheid in uw land ontbreken mag, te willen geven. U heeft die
gedachte niet tot daad kunnen maken, doch voor mij is zij niets minder;
ik apprecieer haar evenzeer als was zij een daad.
En nu ga ik u van mijn nieuw rijk leven vertellen; dat hoort u immers
zoo graag? U heeft steeds zoo innig veel belang gesteld in het leven van
uw Javaansche vriendin, over wier toekomst u zich destijds zoo bezorgd
gemaakt hebt.
Gode zij dank, dat wat u vreesde, ongegrond gebleken is. Immers een jong
vrouwtje schrijft u deze regelen, een vrouwtje, wie het geluk uit de
oogen straalt, en dat geen woorden genoeg weet om haar mooi geluk uit te
jubelen!
Mijn man--zou hij mij anders genomen hebben? het is op heel Java bekend,
dat ik anders ben dan anderen--en zou ik mij aan hem verbonden
hebben?--is mijn echtgenoot niet alleen, doch hij is ook mijn
geestesvriend.
Al wat ik heb gedacht, is door hem gedacht, en veel door hem tot daad
gemaakt. Ik heb mij een rijk leven voorgesteld als baanbreekster voor de
rechten en vrijheid der Javaansche vrouw --als echtgenoote van een
hoogstaanden man in wien ik een krachtigen steun vind bij de bereiking
der idealen, die mij steeds voor oogen gezweefd hebben, heb ik nu
beiden: èn een rijk èn een vol leven.
Ik weet, dat dit u beiden genoegen zal doen te hooren. Uw beider
Javaansch vriendinnetje met haar woeligen geest is dus in veilige haven
aangeland. Ik wou, dat u me kon zien in mijne nieuwe omgeving.
U weet, hoe bitter weinig ik geef om weelde, om maatschappelijke
positie; ze zouden voor mij niets geen waarde hebben, als niet mijn man
het was, die ze mij gaf. Nu zijn ze mij een middel, om des te beter tot
mijn doel te geraken.
Het Javaansche volk is innig aan zijn adel gehecht; al wat van zijn
hoofden uitgaat, vindt makkelijk bij hem ingang. Zoo zal ik nu aan de
zijde van mijn man des te eerder en gemakkelijker het hart van ons volk
bereiken. Onze plannen van onderwijs en opvoeding gaan door, hoewel ik
getrouwd ben.
Thuis zijn wij dat werk begonnen, en nu zetten mijne jongere zusjes ons
werk voort. Ons schooltje op Japara telt nu reeds twee en twintig
leerlingen, dochters van Inlandsche hoofden; de zusjes geven onderwijs.
Ook hier ben ik dat werk begonnen, mijn eigen dochtertjes zijn mijn
eerste leerlingen. Zoo hebben de Javaantjes dan haar meisjesdroom tot
werkelijkheid kunnen brengen.
Rembang, 8 Juni 1904. (VIII).
Wij gaan niet uit en ontvangen zelden; en toch is mijn leventje steeds
vol. Heerlijk, heerlijk! Mijne dagen verdeel ik tusschen mijn besten
man, mijn huishouding en mijn kinderen, eigen en aangenomen. En deze
laatsten nemen wel het grootste gedeelte van mijn dag in beslag. Als
Vader naar zijn werk is, dan werken de kinderen met mij tot twaalf uur.
Om half een vindt Vader een troepje schoongewasschen, maar o, zoo
hongerige kindertjes. Om half twee wordt 't kleine volkje naar bed
geëxpedieerd, en als Vader ook naar bed is,[1] en ik niet te moe ben,
dan werk ik met jonge meisjes. Om vier uur ben ik aan de theetafel
present. Als de kindertjes hun melk gedronken hebben, en gewasschen
zijn, dan mogen zij 't pluimvee naar 't hok drijven, met ons
meewandelen, of in den tuin spelen. Wij schemeren dan een poos en praten
over alles en nog wat. Als ons troepje binnenkomt, dan is het met
schemeren gedaan. Vader zit de krant te lezen en mijn kleuters scharen
zich om Moedertje heen. Ik zit op een luierstoel, op mijn schoot de twee
kleinsten, op elken arm van den stoel een kind, en aan mijn knie de twee
oudsten. Wij gaan spelletjes doen of vertellen. Zoo nadert 't etensuur.
Wij eten vroeg om de kleuters. 't Allerkleinste zit naast Moeder. Het
kereltje heeft zich tot taak gesteld moeders glazen deksel op te lichten
en weer op 't glas te zetten. Niemand mag hem dat werkje uit de hand
nemen. En als hij 't eens niet doen mag, dan weet hij, dat hij die straf
verdiend heeft. Om acht uur wordt 't kleine goedje naar bed
geëxpedieerd. En wij oudjes zitten dan met elkaar te praten; bespreken
alles en nog wat tot Klaas Vaak ook ons naar Poeloe Kapok[2] jaagt, en
dit gebeurt niet meer zoo laat als op Japara, maar vroeg. Wij staan dan
ook heel vroeg op.
Zondag is ons beider vrije dag; dien beginnen we heel vroeg met een
wandeling. Na het ontbijt leer ik mijn meisjes nog even koken, en dan
mag moeder de vrouw datgene doen, wat ze door de week niet kan. Veel is
het niet, want mijn man vindt het gezelliger als ik bij hem zit. Hij
tracteert me dan op mooie gamelanmuziek waarbij gezongen wordt. Ik vind
het dan prettig om bij mijn man te zijn. Alléén maakt de gamelanmuziek
een te grooten indruk op mij. Zij voert mij terug naar tijden, waar ik
niet meer aan denken mag. Zij maakt mij week en weemoedig. Zoo vlieten
dan mijn dagen henen, kalm, rustig, vredig als het beekje diep in het
bosch, rustig en vredig stemmend, wie van zijn aanschijn geniet.
Als het kind, dat ik onder het hart draag, een meisje mocht zijn, wat of
ik dan voor haar zou wenschen? Ik zou wenschen, dat zij moge _leven_!
een rijk, vol leven. Het leven, dat haar moeder begon, moge zij
voltooien. Zij zal niet gedwongen worden iets te doen tegen haar
innigste voelen in. Wat zij doet, zal zij doen uit eigen _vrijen wil_.
Zij zal een moeder hebben, die voor haar innerlijk welzijn zal waken, en
een vader, die haar tot niets zal dwingen. Voor hem zal het niets
uitmaken of zijn dochter heel haar leven lang ongetrouwd blijft. Waar
hij prijs op stelt, is, dat zij onze achting immer behoudt. Dat hij
vrouwen hoogacht, zooals ik innig hoop, dat mijne dochter er eene zal
zijn, heeft hij bewezen door mij te trouwen.
O, als u eens wist, wat de laster van mij rondgestrooid heeft. Wat mij
bereikt heeft vóór mijn huwelijk, was lof, vergeleken bij hetgeen ik na
mijn trouwen te weten kwam. Wèl moest mijn man moed gehad hebben, om mij
zijn hart, zijn hand, zijn naam aan te bieden. Nooit had hij een woord
geloofd van hetgeen van mij werd verteld; in zijn hart was eene
overtuiging, die niemand aan het wankelen kon brengen en die was: wij
waren de draagsters van nieuwe ideeën, onbegrepen door de groote massa,
die daarom ons steenigde. Zijn eerste vrouw leefde nog, toen hij steeds
mijn partij opnam, waar men mijn naam door 't slijk trachtte te halen.
Zoo vurig had ze verlangd mijne kennis te maken; in haar laatste ziekte
sliep ze in met mijn portret in de hand. En hij voelde, dat ik eens een
groote rol zou spelen in zijn leven. En allen hier in huis hadden naar
mij verlangd. Er zijn dan voorgevoelens, heimelijke verlangens, die
blijken voorboden te zijn van wat gebeuren zal in de toekomst. Alleen ik
dacht niet, droomde niet, dat dit mijn toekomst wezen zou.
Ik geef mijn kleintjes geen vacantie: die krijgen zij eerst in
September, als mijn kindje komt. In de eerste veertien dagen zal ik wel
rust moeten nemen. En dan komt mijn kindje in de schoolkamer. Ik heb al
een hoekje voor de kleine gemaakt, waar het kan slapen, als moeder de
zusjes en de broertjes leert. Nu krijgen wij iets à la Hilda van
Suylenburg: een moeder, die met een zuigeling uit werken gaat.
[1] Zooals men weet, is het in Indië gebruikelijk na den middag een
uurtje te rusten.
[2] Het kapok-eiland = bed.