Rembang, 10 April 1904. (III.)

Hooggeachte Vrienden,

Wat zal het u bevreemden niets van me te hooren over uwe zoo hartelijke

brieven, en die prachtige cadeaux, waarmee wij toch zoo innig, innig

blij zijn. Als elke gedachte, die ik dankbaar aan u wijdde, daad werd,

wat zou u dan hoopen brieven van me hebben. Vergeeft me, lieve vrienden,

dat niet reeds veel, veel eerder deze u bereikte.

De overgang van eenvoudig jongmeisje tot echtgenoot, moeder en vrouw van

een hooggeplaatst ambtenaar--wat in onze Indische maatschappij veel

beteekent--is zóó groot, dat ik in de eerste tijden aan niets anders kon

denken, dan hoe ik het best mijne nieuwe plichten zou vervullen.

En dat niet alleen--ook nog eene andere proef moest ik doorstaan. Kort

na ons huwelijk werd mijn man op eens zwaar ziek. Daarna begon ik zelf

te sukkelen; ik kan tot nu toe nog niet goed met het Rembangsche klimaat

overweg. Wij wonen vlak aan zee, maar hetgeen op Japara een tractatie

was, is hier op Rembang een plaag. Hier moeten wij oppassen voor den

zeewind, die zeer ongezond is, daar hij eerst over koraalriffen en

modder heenstrijkt, vóór hij ons bereikt. Doch laat ik u beiden eerst,

ook namens mijn man, innig, innig bedanken voor het prachtige, kostbare

souvenir, dat u ons bij gelegenheid van ons huwelijk schonk. Het is mij

zooveel te dierbaarder, omdat het een stuk voorstelt van het

hooggeroemde Thüringerwoud, waar u mij zooveel van vertelde, en waar

mijn lieve Duitsche vrienden zóó graag zijn.

De fraaie schilderij en keurige foto van Jena hangen in onze zitkamer,

waar mijn man, die een groot liefhebber van mooie schilderijen en

beelden is, zijne kunstschatten bewaart. Ik kijk er zoo dikwijls met

innig genot naar, en dan vliegen tal van lieve, dankbare gedachten naar

mijne vrienden in Jena. Hoe innig, innig lief van u, om mij een

boomkoek, het Duitsche nationale gebak, dat bij geen enkel feestelijke

gelegenheid in uw land ontbreken mag, te willen geven. U heeft die

gedachte niet tot daad kunnen maken, doch voor mij is zij niets minder;

ik apprecieer haar evenzeer als was zij een daad.

En nu ga ik u van mijn nieuw rijk leven vertellen; dat hoort u immers

zoo graag? U heeft steeds zoo innig veel belang gesteld in het leven van

uw Javaansche vriendin, over wier toekomst u zich destijds zoo bezorgd

gemaakt hebt.

Gode zij dank, dat wat u vreesde, ongegrond gebleken is. Immers een jong

vrouwtje schrijft u deze regelen, een vrouwtje, wie het geluk uit de

oogen straalt, en dat geen woorden genoeg weet om haar mooi geluk uit te

jubelen!

Mijn man--zou hij mij anders genomen hebben? het is op heel Java bekend,

dat ik anders ben dan anderen--en zou ik mij aan hem verbonden

hebben?--is mijn echtgenoot niet alleen, doch hij is ook mijn

geestesvriend.

Al wat ik heb gedacht, is door hem gedacht, en veel door hem tot daad

gemaakt. Ik heb mij een rijk leven voorgesteld als baanbreekster voor de

rechten en vrijheid der Javaansche vrouw --als echtgenoote van een

hoogstaanden man in wien ik een krachtigen steun vind bij de bereiking

der idealen, die mij steeds voor oogen gezweefd hebben, heb ik nu

beiden: èn een rijk èn een vol leven.

Ik weet, dat dit u beiden genoegen zal doen te hooren. Uw beider

Javaansch vriendinnetje met haar woeligen geest is dus in veilige haven

aangeland. Ik wou, dat u me kon zien in mijne nieuwe omgeving.

U weet, hoe bitter weinig ik geef om weelde, om maatschappelijke

positie; ze zouden voor mij niets geen waarde hebben, als niet mijn man

het was, die ze mij gaf. Nu zijn ze mij een middel, om des te beter tot

mijn doel te geraken.

Het Javaansche volk is innig aan zijn adel gehecht; al wat van zijn

hoofden uitgaat, vindt makkelijk bij hem ingang. Zoo zal ik nu aan de

zijde van mijn man des te eerder en gemakkelijker het hart van ons volk

bereiken. Onze plannen van onderwijs en opvoeding gaan door, hoewel ik

getrouwd ben.

Thuis zijn wij dat werk begonnen, en nu zetten mijne jongere zusjes ons

werk voort. Ons schooltje op Japara telt nu reeds twee en twintig

leerlingen, dochters van Inlandsche hoofden; de zusjes geven onderwijs.

Ook hier ben ik dat werk begonnen, mijn eigen dochtertjes zijn mijn

eerste leerlingen. Zoo hebben de Javaantjes dan haar meisjesdroom tot

werkelijkheid kunnen brengen.

Rembang, 8 Juni 1904. (VIII).

Wij gaan niet uit en ontvangen zelden; en toch is mijn leventje steeds

vol. Heerlijk, heerlijk! Mijne dagen verdeel ik tusschen mijn besten

man, mijn huishouding en mijn kinderen, eigen en aangenomen. En deze

laatsten nemen wel het grootste gedeelte van mijn dag in beslag. Als

Vader naar zijn werk is, dan werken de kinderen met mij tot twaalf uur.

Om half een vindt Vader een troepje schoongewasschen, maar o, zoo

hongerige kindertjes. Om half twee wordt 't kleine volkje naar bed

geëxpedieerd, en als Vader ook naar bed is,[1] en ik niet te moe ben,

dan werk ik met jonge meisjes. Om vier uur ben ik aan de theetafel

present. Als de kindertjes hun melk gedronken hebben, en gewasschen

zijn, dan mogen zij 't pluimvee naar 't hok drijven, met ons

meewandelen, of in den tuin spelen. Wij schemeren dan een poos en praten

over alles en nog wat. Als ons troepje binnenkomt, dan is het met

schemeren gedaan. Vader zit de krant te lezen en mijn kleuters scharen

zich om Moedertje heen. Ik zit op een luierstoel, op mijn schoot de twee

kleinsten, op elken arm van den stoel een kind, en aan mijn knie de twee

oudsten. Wij gaan spelletjes doen of vertellen. Zoo nadert 't etensuur.

Wij eten vroeg om de kleuters. 't Allerkleinste zit naast Moeder. Het

kereltje heeft zich tot taak gesteld moeders glazen deksel op te lichten

en weer op 't glas te zetten. Niemand mag hem dat werkje uit de hand

nemen. En als hij 't eens niet doen mag, dan weet hij, dat hij die straf

verdiend heeft. Om acht uur wordt 't kleine goedje naar bed

geëxpedieerd. En wij oudjes zitten dan met elkaar te praten; bespreken

alles en nog wat tot Klaas Vaak ook ons naar Poeloe Kapok[2] jaagt, en

dit gebeurt niet meer zoo laat als op Japara, maar vroeg. Wij staan dan

ook heel vroeg op.

Zondag is ons beider vrije dag; dien beginnen we heel vroeg met een

wandeling. Na het ontbijt leer ik mijn meisjes nog even koken, en dan

mag moeder de vrouw datgene doen, wat ze door de week niet kan. Veel is

het niet, want mijn man vindt het gezelliger als ik bij hem zit. Hij

tracteert me dan op mooie gamelanmuziek waarbij gezongen wordt. Ik vind

het dan prettig om bij mijn man te zijn. Alléén maakt de gamelanmuziek

een te grooten indruk op mij. Zij voert mij terug naar tijden, waar ik

niet meer aan denken mag. Zij maakt mij week en weemoedig. Zoo vlieten

dan mijn dagen henen, kalm, rustig, vredig als het beekje diep in het

bosch, rustig en vredig stemmend, wie van zijn aanschijn geniet.

Als het kind, dat ik onder het hart draag, een meisje mocht zijn, wat of

ik dan voor haar zou wenschen? Ik zou wenschen, dat zij moge _leven_!

een rijk, vol leven. Het leven, dat haar moeder begon, moge zij

voltooien. Zij zal niet gedwongen worden iets te doen tegen haar

innigste voelen in. Wat zij doet, zal zij doen uit eigen _vrijen wil_.

Zij zal een moeder hebben, die voor haar innerlijk welzijn zal waken, en

een vader, die haar tot niets zal dwingen. Voor hem zal het niets

uitmaken of zijn dochter heel haar leven lang ongetrouwd blijft. Waar

hij prijs op stelt, is, dat zij onze achting immer behoudt. Dat hij

vrouwen hoogacht, zooals ik innig hoop, dat mijne dochter er eene zal

zijn, heeft hij bewezen door mij te trouwen.

O, als u eens wist, wat de laster van mij rondgestrooid heeft. Wat mij

bereikt heeft vóór mijn huwelijk, was lof, vergeleken bij hetgeen ik na

mijn trouwen te weten kwam. Wèl moest mijn man moed gehad hebben, om mij

zijn hart, zijn hand, zijn naam aan te bieden. Nooit had hij een woord

geloofd van hetgeen van mij werd verteld; in zijn hart was eene

overtuiging, die niemand aan het wankelen kon brengen en die was: wij

waren de draagsters van nieuwe ideeën, onbegrepen door de groote massa,

die daarom ons steenigde. Zijn eerste vrouw leefde nog, toen hij steeds

mijn partij opnam, waar men mijn naam door 't slijk trachtte te halen.

Zoo vurig had ze verlangd mijne kennis te maken; in haar laatste ziekte

sliep ze in met mijn portret in de hand. En hij voelde, dat ik eens een

groote rol zou spelen in zijn leven. En allen hier in huis hadden naar

mij verlangd. Er zijn dan voorgevoelens, heimelijke verlangens, die

blijken voorboden te zijn van wat gebeuren zal in de toekomst. Alleen ik

dacht niet, droomde niet, dat dit mijn toekomst wezen zou.

Ik geef mijn kleintjes geen vacantie: die krijgen zij eerst in

September, als mijn kindje komt. In de eerste veertien dagen zal ik wel

rust moeten nemen. En dan komt mijn kindje in de schoolkamer. Ik heb al

een hoekje voor de kleine gemaakt, waar het kan slapen, als moeder de

zusjes en de broertjes leert. Nu krijgen wij iets à la Hilda van

Suylenburg: een moeder, die met een zuigeling uit werken gaat.

[1] Zooals men weet, is het in Indië gebruikelijk na den middag een

uurtje te rusten.

[2] Het kapok-eiland = bed.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 119 / 136 题