Rembang, 6 Maart 1904. (VIII.)

Mijn liefste eigen Moedertje,

O! dat ik nu mijn armen om uw hals kon slaan; zoo zielsgaarne zou ik u

hart aan hart vertellen van mijn mooi geluk, deelgenoote maken van ons

heerlijk geheim. Mij wacht een groot, zoet geluk. Zoo God het wil, komt

tegen het einde van September een Godsgezantje ons reeds mooi leven

mooier maken, de band nog nauwer, vaster toehalen, die ons nu reeds aan

elkander bindt. Moeder, mijn Moeder, hoe ik mij gevoel, nu dra een

zieltje uit ons beider zielen geboren, mij moeder noemen zal!

Kan u 't zich voorstellen? ik aanstaande moeder! Ik maak u oud,

Moedertje! ik maak u grootmoeder! Komt u later naar uw kleinkindje zien?

Naar Batavia gaan zal ik nu niet kunnen. Ons plan was eerst deze maand

op reis te gaan met een maand verlof, maar nu moeten wij daarvan afzien.

Ik mag in de eerste maanden niet rijden! En als ons kindje er is, dan

kan ik ook niet op reis. Dus Batavia zie ik niet meer--althans zoolang u

daar nog is. En wat is het mij waard, als u beiden er niet meer zijn?

Mijn man is zoo zielsgelukkig met 't nieuwe leven, dat ik onder 't hart

draag.

Dàt alleen ontbrak nog aan ons geluk.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 118 / 136 题