Een groote rust. Een heele geschiedenis ligt er tusschen. Mijn brief kan
ik niet vervolgen vóór deze er uit is.
U kan het _nooit_ raden, wie we te logeeren gehad hebben en wie
vanmorgen vertrokken zijn. De familie Bervoets van Modjowarno! Zij zijn
op Japara geweest, bij mijne Ouders, en die hebben hen hierheen
gestuurd. 't Was eene heerlijke ingeving van Vader; wij zegenen dubbel
het toeval dat den weg dier liefde-engelen hierheen voerde.
Zoo innig had ik verlangd met dit edel echtpaar kennis te maken. Mijn
wensch is vervuld, en op welk een wijze! Gedacht ik vroeger met innige
sympathie die nobele zielen, thans mengt zich bij die sympathie innige
dankbaarheid.
Eergisteren was mijn man den geheelen dag frisch en opgewekt; dien
middag kwam de familie Bervoets, en 't viel hun op zoo vroolijk als mijn
man dien avond was; weinig vermoedende, dat een paar uurtjes later hij
hard ziek zou worden. Opgewekt namen wij even vóór middernacht afscheid
van onze gasten. Een uurtje later werd mijn man in eens hevig ongesteld;
de ziekte kwam plotseling, en binnen 3 minuten was mijn man zoo naar,
dat hij dacht, den morgen niet meer te zullen halen. Hoe ik was, kan u
zich begrijpen. Ik liet Dr. Bervoets opkloppen. Hij zou den volgenden
morgen om acht uur vertrekken, maar hij en zijne vrouw hadden 't hart
niet, ons zoo ellendig alleen te laten. Zij zouden toen om 1 uur
vertrekken; ook daarvan zagen zij af, daar mijn man medische hulp
voortdurend noodig had, en onze dokter op tournée was. Het was een
hevige aanval van darmkoliek, een ziekte, die mijn man van zijn leven
nooit had gehad. Gisterenmiddag trad een verbetering in; mijn man kon
slapen. Hoe dankbaar ik was, kan u zich voorstellen. Vanmorgen om acht
uur zijn onze nieuwe vrienden vertrokken. Mijn man neemt in beterschap
toe; hij is alleen nog maar vreeselijk afgemat. Op het oogenblik slaapt
hij rustig al sedert een groot half uur. God geve, dat hij spoedig
geheel beter worde!
Het is toch zoo vreemd, zoo vreemd, tot aan haar laatste dagen had de
eerste vrouw van mijn man het steeds over mij. Zij verlangde zóó innig
met mij kennis te maken en vriendinnen te worden. Hare illusie was naar
Japara te gaan, en mij hare kinderen te brengen. Mijn portret legde ze
feitelijk niet uit de hand, tot zelfs op haar laatste ziekbed had zij
het bij zich.
Toen zij overleden was en men de eerste smart te boven was, hadden
allen, tot zelfs de Inlandsche hoofden, maar één wensch..., die welke nu
vervuld is sedert 8 November. Daarom was de vreugde algemeen toen wij
kwamen.
[Illustration: Graf van Raden Ajoe Djojo Adi Ningrat. (Raden Adjeng
Kartini).]
Mijn man ontving met groot genoegen uw brief. Het paardentuig voor Oost
en West lag al lang klaar, is nu ingepakt, en, als mijn man beter is,
dan gaat het weg. Ook bestelde mijn man allerlei soorten pauwenveeren
sigarenkokers en zoeken wij mooie echte Lassemsche sarongs. Wij zullen
dan verder zien, wat wij voor Oost en West kunnen doen. Mijn man vindt
't idee om de Japarasche houtsnijwerkers hier te laten werken,
uitstekend, zal mij daarin krachtig steunen, evenals in alle andere
dingen, die ik zoo gaarne wensch te doen. Een ambachtschool voor
Inlanders is al lang een illusie van hem.
Mijn man zou zoo gaarne zien, dat ik een boek schreef over de sagen en
legenden van Java. Hij zou ze voor mij verzamelen; wij zouden dan samen
er aan werken. Een heerlijk vooruitzicht!
Er is nog zooveel, dat hij samen met mij wenscht te doen; op mijne
schrijftafel liggen al vast een paar stukken van zijn hand.
[Illustration: Tjikeumeuh bij den Cultuurtuin (Buitenzorg).]