Rembang, 11 December 1903. (VIII en IX.)

Mijn liefste, beste Vrienden. Of ik niet weet, met welk een verlangen

naar dezen wordt uitgezien, mijn eersten brief uit mijn nieuwe tehuis.

Godlof, een tehuis, waar ik het in alle opzichten _goed_ en _lief_ heb,

waar wij _allen_ mèt en door elkaar gelukkig zijn.

Hoe innig betreur ik het, dat ik door omstandigheden eerst heden dezen

kan schrijven. Vergeeft me, lieven. De eerste dagen waren zoo ontzettend

druk; daarna sukkelden onze kinderen; en ten slotte kwam voor mij de

reactie van al de vermoeiende dagen, die wij doorgemaakt hadden. Ik

gevoelde mij minder wel, en moest mij in acht nemen. Nu ben ik weer

frisch en vroolijk, weder de oude wildzang van vroeger, en kijk met

_zonnigen_ blik de toekomst tegemoet.

Hoef ik 't nog nader uit te duiden, liefsten? Ik _zegen_ den dag, waarop

ik mijne hand gelegd heb in die van hem, dien de Alvader mij tot

reiskameraad door het groote en dikwijls zoo moeilijke leven gewezen

heeft.

Al wat mij voor schoons en edels voor oogen gezweefd had, vind ik hier

verwezenlijkt. De droomen, die ik nog droom, zijn jaren geleden al door

hem tot werkelijkheid gebracht of door hem gedroomd nog. Ik sta er zoo

dikwijls ontroerd van, zoo geheel eens in voelen en denken en ideeën als

wij met elkander zijn.

U beiden zal van hem gaan houden als u hem kende; u zal zijn helder

hoofd bewonderen en zijn innig goed hart waardeeren. Zóó heb ik 't mij

voorgesteld, dat de adel moet wezen voor het volk; zóó heb ik mij

gewenscht der edelen plicht opgevat. Dáár moet onze adel heen, en hij,

mijn hartekoning, is voorgegaan.

't Is vandaag juist een maand geleden, dat mijn man mij hier bracht, in

zijne afdeeling; in zijn huis, thans ons huis, binnenleidde.

De Koningin had men niet hartelijker kunnen ontvangen. Heel Rembang

vierde feest; van af de grens vlagde ieder huis; zelfs van de

huurkarretjes woei de driekleur. En de geestdrift van het volk was zoo

spontaan, was echt gemeend; het kwam zoo warm uit zijn hart, die

betuiging van sympathie. Het volk was blijde, jubelde mee, omdat zijn

bemind Hoofd gelukkig was. Telkens bracht mijn man me op 't balkon; het

volk moest zijne nieuwe Goesti Poetri zien.

Ik zat of stond zwijgend naast hem, met vochtige oogen, en een hart

overvol gevoel; daar was geluk, daar was dankbaarheid, daar was trots

in; trotsch op hem, dat hij zich zulk eene warme plaats wist te

veroveren in 't hart van het volk; dankbaar, dat één groote illussie van

mij verwezenlijkt was; en gelukkig, omdat ik daar aan zijne zijde zat.

Kon u mij maar zien als de jonge vrouw en moeder, wie 't geluk uit de

oogen straalt, en wier mond en pen geen woorden genoeg kunnen vinden, om

haar weelde uit te jubelen.

En onze kinderen!--hoe zal ik u van deze weelde vertellen? 't Zijn zulke

lieve, aanhankelijke wezentjes, waaraan ik mij al dadelijk gehecht heb;

en zij groeien mij al vaster aan het hart. De vader heeft er zoo'n goed

fond in gelegd, hen opgevoed juist zooals ik het altijd gewenscht had,

in eenvoud en nederigheid. Mijne schatjes achten zich niet verheven

boven den minsten persoon hier in huis; allen zijn ze elkaar gelijk. Ik

vind hier den akker bereid; ik hoef slechts voort te zaaien.

Met Januari hoop ik ons schooltje te kunnen openen. Wij zoeken eene

goede onderwijzeres; zoolang wij die nog niet hebben, geef ik les; en

mocht ik door omstandigheden geen onderwijs kunnen geven, dan neemt een

der zusjes de taak van mij over, zoolang, tot ik haar weer op mij nemen

kan.

Er zijn al een paar ouders, die mij hun kinderen ter vorming boden.

Ons idee is, als wij hier eene goede onderwijzeres konden krijgen, bij

ons thuis eene school voor dochters van Inlandsche hoofden te openen.

Kunnen wij eene uitstekende gouvernante krijgen, dan zorgt zij voor de

verstandelijke ontwikkeling van onze kinderen, en ook voor hunne

zedelijke vorming.

Als de boel goed marcheert, kunnen wij op eene Gouvernements subsidie

hopen? Het schoolgeld moet zoo laag mogelijk worden gesteld; kost en

inwoning krijgen de kinderen vrij van ons.

Zal ik nog een nota schrijven er voor?

De ouders zijn vol vertrouwen, en _vragen_--de gelegenheid moet er nu

zijn; wij moeten geven. Enfin ik zal er u nog uitvoerig over schrijven.

Ik heb 't volst vertrouwen, dat eene meisjesschool, bij ons thuis

gehouden, onder leiding van eene Europeesche onderwijzeres en mij als

"opperste" leidster! zal opnemen.

Wij hebben groote plannen samen. Wat zou ik er niet voor willen geven,

zoo wij alles met u beiden mondeling konden bespreken.

Ik schrijf dit vijf uur in den ochtend. De kinderen zijn wakker en

hangen om mijn stoel heen; Moeder moet hun melk en brood geven.

U moest onze jongste toch eens kunnen zien; hij is nog geen twee jaar,

maar o, zoo verstandig. Als ik zit, dan komt hij met een voetenbankje

aandragen; is 't hem te zwaar, dan sleept hij het naar Moeder. Moeder's

voeten mogen niet hangen. En de lievert klimt dan zoo op mijn schoot.

Als ik 't een of ander klaar maak, dan vechten de kinderen er om, wie

mij dit of dat aanreiken zal, en onze kleine Sis brengt mij hoopen

lepels en vorken.

Wie stout is, mag niet bij Moeder komen. De grootste pret hebben ze, als

ze met mij samen baden, en ik geniet er nog 't meeste van. 't Is zoo'n

genot om naar die frissche, lachende gezichtjes te kijken!

En nu zit ik maar aldoor over mij zelve te praten. Ik heb u nog niet

eens bedankt voor al 't innig liefs, dat wij in deze dagen van u hebben

ondervonden. Hoe gelukkig maakt u beiden mij met uwe brieven die ik op

Japara ontving. Mijn innigsten dank er voor, liefste. En u, Moedertje,

liefste, kus ik hartelijk op beide wangen voor uw welkomstgroet, die ik

bij mijne aankomst hier vond. Ik was er zoo in-gelukkig meê!

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 116 / 136 题