Mijn liefste, beste Vrienden. Of ik niet weet, met welk een verlangen
naar dezen wordt uitgezien, mijn eersten brief uit mijn nieuwe tehuis.
Godlof, een tehuis, waar ik het in alle opzichten _goed_ en _lief_ heb,
waar wij _allen_ mèt en door elkaar gelukkig zijn.
Hoe innig betreur ik het, dat ik door omstandigheden eerst heden dezen
kan schrijven. Vergeeft me, lieven. De eerste dagen waren zoo ontzettend
druk; daarna sukkelden onze kinderen; en ten slotte kwam voor mij de
reactie van al de vermoeiende dagen, die wij doorgemaakt hadden. Ik
gevoelde mij minder wel, en moest mij in acht nemen. Nu ben ik weer
frisch en vroolijk, weder de oude wildzang van vroeger, en kijk met
_zonnigen_ blik de toekomst tegemoet.
Hoef ik 't nog nader uit te duiden, liefsten? Ik _zegen_ den dag, waarop
ik mijne hand gelegd heb in die van hem, dien de Alvader mij tot
reiskameraad door het groote en dikwijls zoo moeilijke leven gewezen
heeft.
Al wat mij voor schoons en edels voor oogen gezweefd had, vind ik hier
verwezenlijkt. De droomen, die ik nog droom, zijn jaren geleden al door
hem tot werkelijkheid gebracht of door hem gedroomd nog. Ik sta er zoo
dikwijls ontroerd van, zoo geheel eens in voelen en denken en ideeën als
wij met elkander zijn.
U beiden zal van hem gaan houden als u hem kende; u zal zijn helder
hoofd bewonderen en zijn innig goed hart waardeeren. Zóó heb ik 't mij
voorgesteld, dat de adel moet wezen voor het volk; zóó heb ik mij
gewenscht der edelen plicht opgevat. Dáár moet onze adel heen, en hij,
mijn hartekoning, is voorgegaan.
't Is vandaag juist een maand geleden, dat mijn man mij hier bracht, in
zijne afdeeling; in zijn huis, thans ons huis, binnenleidde.
De Koningin had men niet hartelijker kunnen ontvangen. Heel Rembang
vierde feest; van af de grens vlagde ieder huis; zelfs van de
huurkarretjes woei de driekleur. En de geestdrift van het volk was zoo
spontaan, was echt gemeend; het kwam zoo warm uit zijn hart, die
betuiging van sympathie. Het volk was blijde, jubelde mee, omdat zijn
bemind Hoofd gelukkig was. Telkens bracht mijn man me op 't balkon; het
volk moest zijne nieuwe Goesti Poetri zien.
Ik zat of stond zwijgend naast hem, met vochtige oogen, en een hart
overvol gevoel; daar was geluk, daar was dankbaarheid, daar was trots
in; trotsch op hem, dat hij zich zulk eene warme plaats wist te
veroveren in 't hart van het volk; dankbaar, dat één groote illussie van
mij verwezenlijkt was; en gelukkig, omdat ik daar aan zijne zijde zat.
Kon u mij maar zien als de jonge vrouw en moeder, wie 't geluk uit de
oogen straalt, en wier mond en pen geen woorden genoeg kunnen vinden, om
haar weelde uit te jubelen.
En onze kinderen!--hoe zal ik u van deze weelde vertellen? 't Zijn zulke
lieve, aanhankelijke wezentjes, waaraan ik mij al dadelijk gehecht heb;
en zij groeien mij al vaster aan het hart. De vader heeft er zoo'n goed
fond in gelegd, hen opgevoed juist zooals ik het altijd gewenscht had,
in eenvoud en nederigheid. Mijne schatjes achten zich niet verheven
boven den minsten persoon hier in huis; allen zijn ze elkaar gelijk. Ik
vind hier den akker bereid; ik hoef slechts voort te zaaien.
Met Januari hoop ik ons schooltje te kunnen openen. Wij zoeken eene
goede onderwijzeres; zoolang wij die nog niet hebben, geef ik les; en
mocht ik door omstandigheden geen onderwijs kunnen geven, dan neemt een
der zusjes de taak van mij over, zoolang, tot ik haar weer op mij nemen
kan.
Er zijn al een paar ouders, die mij hun kinderen ter vorming boden.
Ons idee is, als wij hier eene goede onderwijzeres konden krijgen, bij
ons thuis eene school voor dochters van Inlandsche hoofden te openen.
Kunnen wij eene uitstekende gouvernante krijgen, dan zorgt zij voor de
verstandelijke ontwikkeling van onze kinderen, en ook voor hunne
zedelijke vorming.
Als de boel goed marcheert, kunnen wij op eene Gouvernements subsidie
hopen? Het schoolgeld moet zoo laag mogelijk worden gesteld; kost en
inwoning krijgen de kinderen vrij van ons.
Zal ik nog een nota schrijven er voor?
De ouders zijn vol vertrouwen, en _vragen_--de gelegenheid moet er nu
zijn; wij moeten geven. Enfin ik zal er u nog uitvoerig over schrijven.
Ik heb 't volst vertrouwen, dat eene meisjesschool, bij ons thuis
gehouden, onder leiding van eene Europeesche onderwijzeres en mij als
"opperste" leidster! zal opnemen.
Wij hebben groote plannen samen. Wat zou ik er niet voor willen geven,
zoo wij alles met u beiden mondeling konden bespreken.
Ik schrijf dit vijf uur in den ochtend. De kinderen zijn wakker en
hangen om mijn stoel heen; Moeder moet hun melk en brood geven.
U moest onze jongste toch eens kunnen zien; hij is nog geen twee jaar,
maar o, zoo verstandig. Als ik zit, dan komt hij met een voetenbankje
aandragen; is 't hem te zwaar, dan sleept hij het naar Moeder. Moeder's
voeten mogen niet hangen. En de lievert klimt dan zoo op mijn schoot.
Als ik 't een of ander klaar maak, dan vechten de kinderen er om, wie
mij dit of dat aanreiken zal, en onze kleine Sis brengt mij hoopen
lepels en vorken.
Wie stout is, mag niet bij Moeder komen. De grootste pret hebben ze, als
ze met mij samen baden, en ik geniet er nog 't meeste van. 't Is zoo'n
genot om naar die frissche, lachende gezichtjes te kijken!
En nu zit ik maar aldoor over mij zelve te praten. Ik heb u nog niet
eens bedankt voor al 't innig liefs, dat wij in deze dagen van u hebben
ondervonden. Hoe gelukkig maakt u beiden mij met uwe brieven die ik op
Japara ontving. Mijn innigsten dank er voor, liefste. En u, Moedertje,
liefste, kus ik hartelijk op beide wangen voor uw welkomstgroet, die ik
bij mijne aankomst hier vond. Ik was er zoo in-gelukkig meê!