8 Augustus 1903. (VIII.)

Weet u wat het vandaag voor een dag is? De derde verjaardag van onze

ontmoeting. Drie jaar geleden, dat drie kind-meisjes jubelden over een

kostbaar Godsgeschenk: Vrienden naar haar hart! De kind-meisjes zijn

vrouwen geworden; het Leven heeft rimpels in de nog jonge aangezichten

gegroefd; de harten zijn door vuur gehaald. Zijn ze verteerd, tot asch

vergaan, of zijn ze gelouterd uit het vuurbad gekomen?

* * * * *

Wij hebben het zoo straks erg gezellig gehad; aan de tafel, waar ik nu

aanzit, zaten wij met ons vijven te werken. Justinah, het vroedvrouwtje,

en wij viertjes. Zij is vanmorgen gekomen en blijft tot de volgende week

bij ons logeeren. Wij vinden haar een snoes, een schat! Zij besteedt

haar tijd hier nuttig, leert van ons wat handwerken; zij borduurde zoo

strakjes slofjes. Wat een vluggertje is dat; ze heeft den slag dadelijk

te pakken gekregen. Hoe rijk gevoelde ik mij vanmorgen, toen zij

vertrouwelijk met haar hoofd tegen mijn schouder aanleunde, terwijl ik

haar het een en ander uitlegde. Nu gevoelt zij zich thuis bij ons. Ik

kijk zóó graag naar hare mooie intelligente oogen, die zooveel zeggen.

Het is een dessa-kind. O! wat eene liefdevolle leiding al niet vermag! U

zou zoo'n pleizier in haar hebben. Zij luisterde met zooveel

belangstelling en deed zulke belangstellende vragen. Mocht u ooit weer

in onze buurt komen, dan hoop ik haar bij u te kunnen brengen. Het

dappere vrouwtje heeft reeds 48 barende vrouwen bijgestaan. En och, ze

is zoo'n jong ding nog, een kind haast.

De Regent van Rembang komt den 17den dezer; ik heb gevraagd zijne

kinderen mede te brengen; ik zou graag met ze, _mijn toekomst_, kennis

maken. Die kinderen zijn mijn toekomst; daar wil ik voor leven en

werken, en strijden en lijden, als het moet. Ik hoop, dat ze van mij

zullen kunnen houden. Wat ik van den vader vraag is: algeheele overgave

zijner kinderen aan mij. Mijne illusie: velen tot mijne kinderen te

mogen maken, nadert hare verwezenlijking.

Er zijn er meer, die mij hare kinderen aanboden, o.a. de ondercollecteur

van hier, een gefortuneerde regentszoon: maak van mijn kind uw

dienstmaagd, laat haar de vloer vegen, water putten, al wat u wil, als

zij maar bij u mag zijn. 'k Hoorde 't aan met een lach, en inwendig een

traan.

Ik zeide niets, beloofde niets, niets; bad alleen innig, dat ik al die

mij toevertrouwde kleinen aan mijn hart sluiten mocht, koesteren met

mijn liefde.

Eén kindje alleen neem ik mee naar mijn nieuwe woon, een meisje van een

jaar of acht, mij door hare ouders afgestaan. Zij is een dochter van een

onderwijzer en heeft school gegaan. Het is een beeld van een kind, is

vlug en handig. Als zij aanleg er voor heeft, zal ik haar voor een vak

laten opleiden. Nu krijgt ze voorloopig handwerkles van de zusjes.

In het Rembangsche zijn vrouwtjes en meisjes van onze ontwikkeling;

daarbij zal ik me later aansluiten.

Mijn aanstaand schoonzusje is ook al een door de Westersche beschaving

"besmette". Erg prettig voor mij.

Mijne dagen thuis zijn geteld; nog maar twee maandjes en dan komt mijn

toekomstige beschermer mij halen. Hij en zijn jongere broer, de Regent

van Toeban, zijn hier geweest. De dag is bepaald; 12 November a.s. zal

het zijn; in alle stilte, alleen de familieleden zullen er bij

tegenwoordig zijn, en beiden gaan we niet in bruidscostuum; hij in zijn

uniform en ik, zooals u mij steeds gezien heeft. Dat is mijn en ook zijn

wensch. Zijne kinderen zijn niet meegekomen tot mijn groote spijt; ze

zijn nog zoo klein, en de reis is vermoeiend.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 111 / 136 题