Weet u wat het vandaag voor een dag is? De derde verjaardag van onze
ontmoeting. Drie jaar geleden, dat drie kind-meisjes jubelden over een
kostbaar Godsgeschenk: Vrienden naar haar hart! De kind-meisjes zijn
vrouwen geworden; het Leven heeft rimpels in de nog jonge aangezichten
gegroefd; de harten zijn door vuur gehaald. Zijn ze verteerd, tot asch
vergaan, of zijn ze gelouterd uit het vuurbad gekomen?
* * * * *
Wij hebben het zoo straks erg gezellig gehad; aan de tafel, waar ik nu
aanzit, zaten wij met ons vijven te werken. Justinah, het vroedvrouwtje,
en wij viertjes. Zij is vanmorgen gekomen en blijft tot de volgende week
bij ons logeeren. Wij vinden haar een snoes, een schat! Zij besteedt
haar tijd hier nuttig, leert van ons wat handwerken; zij borduurde zoo
strakjes slofjes. Wat een vluggertje is dat; ze heeft den slag dadelijk
te pakken gekregen. Hoe rijk gevoelde ik mij vanmorgen, toen zij
vertrouwelijk met haar hoofd tegen mijn schouder aanleunde, terwijl ik
haar het een en ander uitlegde. Nu gevoelt zij zich thuis bij ons. Ik
kijk zóó graag naar hare mooie intelligente oogen, die zooveel zeggen.
Het is een dessa-kind. O! wat eene liefdevolle leiding al niet vermag! U
zou zoo'n pleizier in haar hebben. Zij luisterde met zooveel
belangstelling en deed zulke belangstellende vragen. Mocht u ooit weer
in onze buurt komen, dan hoop ik haar bij u te kunnen brengen. Het
dappere vrouwtje heeft reeds 48 barende vrouwen bijgestaan. En och, ze
is zoo'n jong ding nog, een kind haast.
De Regent van Rembang komt den 17den dezer; ik heb gevraagd zijne
kinderen mede te brengen; ik zou graag met ze, _mijn toekomst_, kennis
maken. Die kinderen zijn mijn toekomst; daar wil ik voor leven en
werken, en strijden en lijden, als het moet. Ik hoop, dat ze van mij
zullen kunnen houden. Wat ik van den vader vraag is: algeheele overgave
zijner kinderen aan mij. Mijne illusie: velen tot mijne kinderen te
mogen maken, nadert hare verwezenlijking.
Er zijn er meer, die mij hare kinderen aanboden, o.a. de ondercollecteur
van hier, een gefortuneerde regentszoon: maak van mijn kind uw
dienstmaagd, laat haar de vloer vegen, water putten, al wat u wil, als
zij maar bij u mag zijn. 'k Hoorde 't aan met een lach, en inwendig een
traan.
Ik zeide niets, beloofde niets, niets; bad alleen innig, dat ik al die
mij toevertrouwde kleinen aan mijn hart sluiten mocht, koesteren met
mijn liefde.
Eén kindje alleen neem ik mee naar mijn nieuwe woon, een meisje van een
jaar of acht, mij door hare ouders afgestaan. Zij is een dochter van een
onderwijzer en heeft school gegaan. Het is een beeld van een kind, is
vlug en handig. Als zij aanleg er voor heeft, zal ik haar voor een vak
laten opleiden. Nu krijgt ze voorloopig handwerkles van de zusjes.
In het Rembangsche zijn vrouwtjes en meisjes van onze ontwikkeling;
daarbij zal ik me later aansluiten.
Mijn aanstaand schoonzusje is ook al een door de Westersche beschaving
"besmette". Erg prettig voor mij.
Mijne dagen thuis zijn geteld; nog maar twee maandjes en dan komt mijn
toekomstige beschermer mij halen. Hij en zijn jongere broer, de Regent
van Toeban, zijn hier geweest. De dag is bepaald; 12 November a.s. zal
het zijn; in alle stilte, alleen de familieleden zullen er bij
tegenwoordig zijn, en beiden gaan we niet in bruidscostuum; hij in zijn
uniform en ik, zooals u mij steeds gezien heeft. Dat is mijn en ook zijn
wensch. Zijne kinderen zijn niet meegekomen tot mijn groote spijt; ze
zijn nog zoo klein, en de reis is vermoeiend.