25 Augustus 1903. (VIII).

Ik zal te Rembang een _ruim_ arbeidsveld vinden, en ik zal er Goddank

niet alleen staan; hij heeft beloofd, mij krachtig ter zijde te zullen

staan. Dat is, wat hij _wenscht_ en _hoopt_ en _verlangt_: mij te mogen

steunen in mijn pogen om tot nut van ons volk werkzaam te zijn. Hij zelf

is al sedert jaren in dien geest werkzaam. Ook hij wenscht opvoeding en

onderwijs te geven: en daar hij die zelf niet kan geven, laat hij het

door anderen doen. Verscheidene verwanten van hem krijgen op zijn kosten

eene opvoeding.

Wat hij van mij verwacht is: zegen voor de zijnen en voor zijn volk.

Moge hij in zijne verwachting niet teleurgesteld worden.

Wat mij dankbaar stemt, is, dat óók zijne familie zijne gevoelens deelt,

ingenomen is met zijne keuze. Zij verwachten mij als de toekomstige

_opvoedster_ hunner kinderen. En in die hoedanigheid zal ik ook

werkelijk komen; aan al 't andere denk ik niet.

Soms vergeet ik geheel, dat ik zooveel mooie illusies verliezen ga; ik

denk, dat ik langs een anderen weg, dan ik mij dien zelve afgebakend

had, mijne roeping ga volgen. En ik zal dit steeds denken; dat geeft mij

rust en stemt mij blijmoedig.

Niets is er volmaakt en niets màg er volmaakt zijn in deze wereld. Ik

had gehoopt, gewenscht, gebeden, dat ik de _moeder_ en de _zuster_ mocht

worden van heel velen, en God heeft mijne bede verhoord, al is het ook

een beetje anders, dan ik het bedoeld had.

Ook van hem is het eene illusie ons volk mede te kunnen opheffen. Hij is

werkelijk innig goed voor het volk en voor zijne ambtenaren; ze dragen

hem op de handen.

Eergisteren is de collecteur den geheelen avond bij Vader geweest, om

over zijn dochtertje te spreken, dat hij mij wenscht af te staan ter

opvoeding. Zijne vrouw heeft er mij reeds over gesproken, en nu kwam de

vader het aan Vader zeggen.

Ik krijg ook nog andere kinderen van hier; ik weet niet, of ik ze allen

nemen zal; ik vind 't hard om te weigeren, en ik wil niets beloven. Wij

zullen eerst zien, hoe het gaat.

Ik ben volstrekt niet van plan om mij gevangen te geven aan de

zoogenaamde conversatie. We zullen vaste dagen stellen voor die zure

plicht; op andere dagen zal ik niet te spreken zijn dan alleen in

dringende gevallen, in hoogst gewichtige, aangelegenheden. Men zal het

mij wel vergeven, als men weet, dat ik het niet uit trotschheid doe,

maar dat ik mijn tijd nuttig besteed ten bate van anderen, van hun eigen

kinderen misschien.

Rembang is gelukkig een stil plaatsje; en wat heerlijk is, hij houdt

evenals ik niet van uitgaan.

Ik ben blij, dat ook de Resident[1] van daar belangstelt in onze zaak.

Ik zal er dus niet vreemd aankomen. En wie ik er zal vinden, mijne

groote vriendin: de zee! Zij ligt maar op een 100 pas afstands van het

huis af.

Toen ze hem vertelden, dat ik mij erg interesseerde voor de

kunstnijverheid en de industrie van ons volk, zei hij, dat daar ook

goudsmeden en houtsnijwerkers zijn; zij wachten alleen maar op leiding.

Hij doet daar ook aan. Dat is dus gezond. En hoor eens, iets aardigs.

_Misschien_, gaat onze goede Singowirio meê ... d.i. de _man_[2] van

Blakang-Goenoeng.

Naar Batavia[3] zou hij zijne Bendoro niet kunnen volgen, maar nu de

richting anders is, heeft hij er veel zin in. Wij hebben goede plannen

met hem voor.

Om die industrie tot iets beduidends te brengen, is noodig allereerst èn

kapitaal èn leiding. Een groote werkplaats oprichten, veel knechten

nemen, en andere opleiden, en hen onder geregeld toezicht laten werken,

in onze onmiddellijke nabijheid.

Als het geld er maar is om een werkplaats te bouwen, materiaal te

koopen, veel knechts te onderhouden, en veel leerlingen op te leiden.

Singo zal dan aan het hoofd dier inrichting staan.

Ik geloof, dat binnen een jaar, hoogstens twee, het kapitaal, dat er in

gestoken wordt, reeds weer binnen zal zijn.

Ik had dat hier willen beginnen, maar met het oog op ons beider toen

a.s. vertrek naar Batavia, is daarvan afgezien. Onze zusjes zouden er

dan vóór moeten staan, en dat zou te zwaar zijn voor haar. De

verantwoordelijkheid is zoo groot. Nu is 't anders. Wij kunnen er voor

staan, als wij het benoodigde geld er voor kunnen krijgen, dan geloof ik

wel, dat die kunstnijverheid een goede toekomst heeft.

Onlangs reisden wij samen met den heer Brandes, broer van Dr.

Brandes;[4] hij stelde veel belang in de kunstvoortbrengselen van ons

land. Toen ik sprak, van een tokootje[5] van Inlandsche kunstvoorwerpen

op Semarang, was hij er dadelijk voor te vinden. U moet n.l. weten, dat

't Semarangsche publiek er tegen op ziet naar Batavia te bestellen, wat

toch zoo in de buurt ligt. Verscheidenen wenschten ons te spreken er

over--maar wij bleven pertinent op ons stuk staan en verwezen hen naar

Oost en West. Bij mezelf evenwel zon ik op middelen om aan dien wensch

van het publiek tegemoet te komen. En dat middel scheen gevonden te

zijn. Oost en West moest een tokootje openen op Semarang. Maar daarvoor

is weer _geld_ noodig, en Oost en West heeft zooveel nog niet. Toen ik

dit aan den heer Brandes zei, antwoordde hij: "O, maakt u zich daarover

maar niet bezorgd. Het geld zal er zijn, als u maar voor 't andere

zorgen wil". Ik zei: "maar er moet iemand van smaak zijn, die op

Semarang daarvoor wil staan". "Ook die zal er zijn, als u maar zorgt,

dat er mooie dingen vervaardigd worden".

Ik kreeg een briefje van hem; hij heeft verscheidene vrienden over dat

plannetje gesproken en veel belangstelling gevonden met belofte van

geldelijken steun.

Ik sprak hem ook over ons andere idee, om het houtsnijwerk tot bloei te

brengen.

En dadelijk vroeg hij, hoeveel geld wij er voor noodig zouden hebben. Ik

noemde nog geen vaste som, want ik moet daarover nog eerst met

deskundigen spreken; hoeveel zou de werkplaats kosten, hoeveel het hout,

en hoeveel het loon, dat eenige maanden aan de houtsnijwerkers moet

uitbetaald worden.

De werkplaats moet voorloopig maar heel eenvoudig zijn. Het zwaartepunt

is hier gelegen: er moet zóó veel geld zijn, dat een stuk of vijftig lui

aldoor kunnen werken; d.w.z. dat zij niet op hun loon behoeven te

wachten, tot hun werk verkocht is geworden.

Rembang zal een uitstekend land voor de houtsnijwerkers zijn; het is het

land van djati, en ook is er veel sono.[6]

En Singo zelf vindt dat idee uitstekend. Als nu het geld er maar is.

Als het goed gaat, wat een nasleep zal ik toch krijgen! daarvoor ben ik

ook eene moderne vrouw. Zeker is het, dat ik een heel eigenaardigen

bruidschat meê brengen zal.

De Regent van Rembang trouwt een heele kotta. Wat doet hij ook zich te

stellen tusschen het volk en diens bruid.

Och hemel, wat tref ik het ongelukkig; ik zal er komen juist in den

druksten tijd van het jaar, Poeasa-Lebaran-Nieuwjaar. Ik heb al gezegd,

dat ik niet den voet gekust wil worden. Ik heb 't nooit toegestaan, dat

iemand 't mij deed. Ik wil een plaats in hunne harten, en niet

uiterlijke vormen!

Ik kan mij de toekomst niet voorstellen zonder mijne Roekmini. Hoe zal

ik 't zonder haar stellen, en hoe zij zonder mij? Als ik daaraan denk,

dan blijven mijne oogen den ganschen nacht strak open.

[1] Destijds de Heer L. Ch. H. Fraenkel.

[2] Houtsnijwerker.

[2] Toch is sedert enkele jaren door de zorg van de Vereeniging "Oost en

West" ook te Batavia eene werkplaats van houtsnijwerkers, o.a. uit

Japara tot stand gekomen.

[4] Dr. J.L.A. Brandes, de helaas _zoo vroeg_ overleden beoefenaar van

taal en kunst der Javaansche oudheid.

[5] Tokootje = kleine winkel.

[6] Eene donkere houtsoort.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 112 / 136 题