Ik zal te Rembang een _ruim_ arbeidsveld vinden, en ik zal er Goddank
niet alleen staan; hij heeft beloofd, mij krachtig ter zijde te zullen
staan. Dat is, wat hij _wenscht_ en _hoopt_ en _verlangt_: mij te mogen
steunen in mijn pogen om tot nut van ons volk werkzaam te zijn. Hij zelf
is al sedert jaren in dien geest werkzaam. Ook hij wenscht opvoeding en
onderwijs te geven: en daar hij die zelf niet kan geven, laat hij het
door anderen doen. Verscheidene verwanten van hem krijgen op zijn kosten
eene opvoeding.
Wat hij van mij verwacht is: zegen voor de zijnen en voor zijn volk.
Moge hij in zijne verwachting niet teleurgesteld worden.
Wat mij dankbaar stemt, is, dat óók zijne familie zijne gevoelens deelt,
ingenomen is met zijne keuze. Zij verwachten mij als de toekomstige
_opvoedster_ hunner kinderen. En in die hoedanigheid zal ik ook
werkelijk komen; aan al 't andere denk ik niet.
Soms vergeet ik geheel, dat ik zooveel mooie illusies verliezen ga; ik
denk, dat ik langs een anderen weg, dan ik mij dien zelve afgebakend
had, mijne roeping ga volgen. En ik zal dit steeds denken; dat geeft mij
rust en stemt mij blijmoedig.
Niets is er volmaakt en niets màg er volmaakt zijn in deze wereld. Ik
had gehoopt, gewenscht, gebeden, dat ik de _moeder_ en de _zuster_ mocht
worden van heel velen, en God heeft mijne bede verhoord, al is het ook
een beetje anders, dan ik het bedoeld had.
Ook van hem is het eene illusie ons volk mede te kunnen opheffen. Hij is
werkelijk innig goed voor het volk en voor zijne ambtenaren; ze dragen
hem op de handen.
Eergisteren is de collecteur den geheelen avond bij Vader geweest, om
over zijn dochtertje te spreken, dat hij mij wenscht af te staan ter
opvoeding. Zijne vrouw heeft er mij reeds over gesproken, en nu kwam de
vader het aan Vader zeggen.
Ik krijg ook nog andere kinderen van hier; ik weet niet, of ik ze allen
nemen zal; ik vind 't hard om te weigeren, en ik wil niets beloven. Wij
zullen eerst zien, hoe het gaat.
Ik ben volstrekt niet van plan om mij gevangen te geven aan de
zoogenaamde conversatie. We zullen vaste dagen stellen voor die zure
plicht; op andere dagen zal ik niet te spreken zijn dan alleen in
dringende gevallen, in hoogst gewichtige, aangelegenheden. Men zal het
mij wel vergeven, als men weet, dat ik het niet uit trotschheid doe,
maar dat ik mijn tijd nuttig besteed ten bate van anderen, van hun eigen
kinderen misschien.
Rembang is gelukkig een stil plaatsje; en wat heerlijk is, hij houdt
evenals ik niet van uitgaan.
Ik ben blij, dat ook de Resident[1] van daar belangstelt in onze zaak.
Ik zal er dus niet vreemd aankomen. En wie ik er zal vinden, mijne
groote vriendin: de zee! Zij ligt maar op een 100 pas afstands van het
huis af.
Toen ze hem vertelden, dat ik mij erg interesseerde voor de
kunstnijverheid en de industrie van ons volk, zei hij, dat daar ook
goudsmeden en houtsnijwerkers zijn; zij wachten alleen maar op leiding.
Hij doet daar ook aan. Dat is dus gezond. En hoor eens, iets aardigs.
_Misschien_, gaat onze goede Singowirio meê ... d.i. de _man_[2] van
Blakang-Goenoeng.
Naar Batavia[3] zou hij zijne Bendoro niet kunnen volgen, maar nu de
richting anders is, heeft hij er veel zin in. Wij hebben goede plannen
met hem voor.
Om die industrie tot iets beduidends te brengen, is noodig allereerst èn
kapitaal èn leiding. Een groote werkplaats oprichten, veel knechten
nemen, en andere opleiden, en hen onder geregeld toezicht laten werken,
in onze onmiddellijke nabijheid.
Als het geld er maar is om een werkplaats te bouwen, materiaal te
koopen, veel knechts te onderhouden, en veel leerlingen op te leiden.
Singo zal dan aan het hoofd dier inrichting staan.
Ik geloof, dat binnen een jaar, hoogstens twee, het kapitaal, dat er in
gestoken wordt, reeds weer binnen zal zijn.
Ik had dat hier willen beginnen, maar met het oog op ons beider toen
a.s. vertrek naar Batavia, is daarvan afgezien. Onze zusjes zouden er
dan vóór moeten staan, en dat zou te zwaar zijn voor haar. De
verantwoordelijkheid is zoo groot. Nu is 't anders. Wij kunnen er voor
staan, als wij het benoodigde geld er voor kunnen krijgen, dan geloof ik
wel, dat die kunstnijverheid een goede toekomst heeft.
Onlangs reisden wij samen met den heer Brandes, broer van Dr.
Brandes;[4] hij stelde veel belang in de kunstvoortbrengselen van ons
land. Toen ik sprak, van een tokootje[5] van Inlandsche kunstvoorwerpen
op Semarang, was hij er dadelijk voor te vinden. U moet n.l. weten, dat
't Semarangsche publiek er tegen op ziet naar Batavia te bestellen, wat
toch zoo in de buurt ligt. Verscheidenen wenschten ons te spreken er
over--maar wij bleven pertinent op ons stuk staan en verwezen hen naar
Oost en West. Bij mezelf evenwel zon ik op middelen om aan dien wensch
van het publiek tegemoet te komen. En dat middel scheen gevonden te
zijn. Oost en West moest een tokootje openen op Semarang. Maar daarvoor
is weer _geld_ noodig, en Oost en West heeft zooveel nog niet. Toen ik
dit aan den heer Brandes zei, antwoordde hij: "O, maakt u zich daarover
maar niet bezorgd. Het geld zal er zijn, als u maar voor 't andere
zorgen wil". Ik zei: "maar er moet iemand van smaak zijn, die op
Semarang daarvoor wil staan". "Ook die zal er zijn, als u maar zorgt,
dat er mooie dingen vervaardigd worden".
Ik kreeg een briefje van hem; hij heeft verscheidene vrienden over dat
plannetje gesproken en veel belangstelling gevonden met belofte van
geldelijken steun.
Ik sprak hem ook over ons andere idee, om het houtsnijwerk tot bloei te
brengen.
En dadelijk vroeg hij, hoeveel geld wij er voor noodig zouden hebben. Ik
noemde nog geen vaste som, want ik moet daarover nog eerst met
deskundigen spreken; hoeveel zou de werkplaats kosten, hoeveel het hout,
en hoeveel het loon, dat eenige maanden aan de houtsnijwerkers moet
uitbetaald worden.
De werkplaats moet voorloopig maar heel eenvoudig zijn. Het zwaartepunt
is hier gelegen: er moet zóó veel geld zijn, dat een stuk of vijftig lui
aldoor kunnen werken; d.w.z. dat zij niet op hun loon behoeven te
wachten, tot hun werk verkocht is geworden.
Rembang zal een uitstekend land voor de houtsnijwerkers zijn; het is het
land van djati, en ook is er veel sono.[6]
En Singo zelf vindt dat idee uitstekend. Als nu het geld er maar is.
Als het goed gaat, wat een nasleep zal ik toch krijgen! daarvoor ben ik
ook eene moderne vrouw. Zeker is het, dat ik een heel eigenaardigen
bruidschat meê brengen zal.
De Regent van Rembang trouwt een heele kotta. Wat doet hij ook zich te
stellen tusschen het volk en diens bruid.
Och hemel, wat tref ik het ongelukkig; ik zal er komen juist in den
druksten tijd van het jaar, Poeasa-Lebaran-Nieuwjaar. Ik heb al gezegd,
dat ik niet den voet gekust wil worden. Ik heb 't nooit toegestaan, dat
iemand 't mij deed. Ik wil een plaats in hunne harten, en niet
uiterlijke vormen!
Ik kan mij de toekomst niet voorstellen zonder mijne Roekmini. Hoe zal
ik 't zonder haar stellen, en hoe zij zonder mij? Als ik daaraan denk,
dan blijven mijne oogen den ganschen nacht strak open.
[1] Destijds de Heer L. Ch. H. Fraenkel.
[2] Houtsnijwerker.
[2] Toch is sedert enkele jaren door de zorg van de Vereeniging "Oost en
West" ook te Batavia eene werkplaats van houtsnijwerkers, o.a. uit
Japara tot stand gekomen.
[4] Dr. J.L.A. Brandes, de helaas _zoo vroeg_ overleden beoefenaar van
taal en kunst der Javaansche oudheid.
[5] Tokootje = kleine winkel.
[6] Eene donkere houtsoort.