Ik wil mij den hoogsten titel waardig maken, die er is: kind-Gods.
Zei ik u niet, dat wij al lang afstand gedaan hebben van alle
persoonlijk geluk? Nu komt het leven mij die belofte opeischen. Niets
zal voor ons te bitter, te zwaar, te hard zijn, als wij daarmede een
korreltje zand kunnen bijdragen tot den bouw van het schoone monument:
volksgeluk.
Nu word ik getoetst: wat ben ik waard?
Gisteren--het was weer een _dag_ voor ons. Wij kregen het stuk van het
Departement van Onderwijs, Eeredienst en Nijverheid waarin de vraag
gedaan werd, of wij al dan niet wenschen gebruik te maken van de ons
geboden gelegenheid tot het ontvangen eener opleiding voor
onderwijzeres, enz. In het ontkennend geval moesten wij eene
schriftelijke verklaring dienaangaande geven, om aan den
Gouverneur-Generaal opgezonden te worden.
Hoe moet die gevraagde verklaring gesteld worden? Kort en zakelijk, dat
ik niet meer van die gelegenheid wensch gebruik te maken, omdat ik
verloofd ben, of, omdat mij nu eene nog betere gelegenheid geboden
wordt, mijne illusiën van te werken voor ons volk te verwezenlijken. Aan
de zijde van een Hinken, nobelen man, dien ik acht, die met mij het volk
liefheeft, en die mij krachtig zal steunen in mijn streven, zal ik nog
veel meer voor ons volk werkzaam kunnen zijn, dan wij beiden, als
alleenstaande vrouwen het ooit zullen kunnen.
En Roekmini wenscht van die gelegenheid niet meer gebruik te maken,
omdat zij niet kan, mag en wil alleen gaan. Zij zal op eene andere
manier haar doel zien te bereiken. En dan hulde en dank brengen aan de
Regeering, die weder getoond heeft, vóór alles de belangen van het volk
te willen behartigen; waar een kind van het volk haar stem deed hooren,
haar gehoor te verleenen; waar zij haar wenschen voor het toekomstige
heil haars volks uitte, die wenschen tegemoet te komen. Na deze daad is
Nederland nog nader tot ons gekomen. Nu zijn we er van overtuigd, dat
Nederland _wil_; Nederland wil het geluk van Indië.
Dit is geen holle frase, wij meenen het.
* * * * *
Allen die mij kennen, onder mijne landgenooten, hebben dat voor mij
gewenscht en gebeden: "Bendoro Adjeng Tini mag nergens anders komen dan
in een kaboepaten."
En de eenvoudigen van hart zijn blijde, dat hun illusie hare
verwezenlijking nadert. En het volk is blijde; ook dat is hun wensch
voor zijne "Bendoro." Ziet ge wel, mijne eenvoudige vrienden
triomfeeren. Vox populi vox dei. Indien dit waar is, dan heeft door eene
hoogere bestiering mijn levensweg een andere richting genomen dan ik
zelf afgebakend had.
"Wees een zegen, een toevlucht voor velen; de boom, in wiens schaduw
velen eene schuilplaats vinden voor de hitte des daags" is de
zegenwensch van menig oudje voor me.
Moge ik beantwoorden aan de verwachtingen der eenvoudigen van hart.
Een groote taak ligt voor mij, ontegenzeggelijk zwaar, maar als ik die
goed ten einde kan brengen, dan zal ik ons volk gediend hebben, als ik
niet op eene andere wijze zal kunnen.
Mijne zending goed volbrengen, is het prachtigste propaganda-maken dat
er voor de zaak gemaakt kan worden.
Hoe het zij, voor mijne landgenooten is mijne toekomst de mooiste en
begeerenswaardigste, die er bestaat. Het a.s. huwelijk op zichzelf komt
de zaak al ten goede. Het wekt de ouders op; spoort hen aan hunne
meisjes eene opvoeding te geven. Meer nog dan duizend bezielende
woorden, zal deze a.s. daad tot de harten mijner landgenooten spreken.
Ze staan vooreen feit: schoonheid en rijkdom worden versmaad voor
gemoeds- en geestesgaven.
Ik herinner me mijn eigen woorden, toen iemand me vroeg, hoe men het
moest aanpakken om onze vrouwen, onze meisjes op te voeden: "Het
Javaansche volk is even als andere natuurvolken, kinderen van de zon,
idolaat op glans en schittering. Welnu, voldoe aan dien wensch; geef wat
hun hart begeert, maar tegelijk ook iets _degelijks_."
Nu zullen wij niet ruw ingrijpen in de zeden en gewoonten van ons land;
ons kindvolk zal zijn glans en schittering hebben. De vrijwording der
vrouw is onvermijdelijk; zij komt; alleen kunnen wij hare komst niet
bespoedigen.
Wij kunnen het noodlot niet afwenden; het komt; maar daarna
onvermijdelijk de _zegepraal_!
Wij zullen het niet meer beleven, maar wat doet het er toe?
Wij hebben den weg meê helpen opbreken, die daartoe leidt--en dat is al
heerlijkheid!
Stel u gerust; mijn aanstaande zal mij niet kortwieken; dat juist heeft
mij in zijn oog verheven, dat ik vliegen kan. Hij zal mij des te meer
gelegenheid geven mijne vleugels uit te slaan; hij zal mijn arbeidsveld
uitbreiden.
Uw meiske apprecieert hij; niet de mogelijke voorbeeldige huissloof, die
er uit haar groeien kan.