1 Augustus 1903. (VIII.)

Ik wil mij den hoogsten titel waardig maken, die er is: kind-Gods.

Zei ik u niet, dat wij al lang afstand gedaan hebben van alle

persoonlijk geluk? Nu komt het leven mij die belofte opeischen. Niets

zal voor ons te bitter, te zwaar, te hard zijn, als wij daarmede een

korreltje zand kunnen bijdragen tot den bouw van het schoone monument:

volksgeluk.

Nu word ik getoetst: wat ben ik waard?

Gisteren--het was weer een _dag_ voor ons. Wij kregen het stuk van het

Departement van Onderwijs, Eeredienst en Nijverheid waarin de vraag

gedaan werd, of wij al dan niet wenschen gebruik te maken van de ons

geboden gelegenheid tot het ontvangen eener opleiding voor

onderwijzeres, enz. In het ontkennend geval moesten wij eene

schriftelijke verklaring dienaangaande geven, om aan den

Gouverneur-Generaal opgezonden te worden.

Hoe moet die gevraagde verklaring gesteld worden? Kort en zakelijk, dat

ik niet meer van die gelegenheid wensch gebruik te maken, omdat ik

verloofd ben, of, omdat mij nu eene nog betere gelegenheid geboden

wordt, mijne illusiën van te werken voor ons volk te verwezenlijken. Aan

de zijde van een Hinken, nobelen man, dien ik acht, die met mij het volk

liefheeft, en die mij krachtig zal steunen in mijn streven, zal ik nog

veel meer voor ons volk werkzaam kunnen zijn, dan wij beiden, als

alleenstaande vrouwen het ooit zullen kunnen.

En Roekmini wenscht van die gelegenheid niet meer gebruik te maken,

omdat zij niet kan, mag en wil alleen gaan. Zij zal op eene andere

manier haar doel zien te bereiken. En dan hulde en dank brengen aan de

Regeering, die weder getoond heeft, vóór alles de belangen van het volk

te willen behartigen; waar een kind van het volk haar stem deed hooren,

haar gehoor te verleenen; waar zij haar wenschen voor het toekomstige

heil haars volks uitte, die wenschen tegemoet te komen. Na deze daad is

Nederland nog nader tot ons gekomen. Nu zijn we er van overtuigd, dat

Nederland _wil_; Nederland wil het geluk van Indië.

Dit is geen holle frase, wij meenen het.

* * * * *

Allen die mij kennen, onder mijne landgenooten, hebben dat voor mij

gewenscht en gebeden: "Bendoro Adjeng Tini mag nergens anders komen dan

in een kaboepaten."

En de eenvoudigen van hart zijn blijde, dat hun illusie hare

verwezenlijking nadert. En het volk is blijde; ook dat is hun wensch

voor zijne "Bendoro." Ziet ge wel, mijne eenvoudige vrienden

triomfeeren. Vox populi vox dei. Indien dit waar is, dan heeft door eene

hoogere bestiering mijn levensweg een andere richting genomen dan ik

zelf afgebakend had.

"Wees een zegen, een toevlucht voor velen; de boom, in wiens schaduw

velen eene schuilplaats vinden voor de hitte des daags" is de

zegenwensch van menig oudje voor me.

Moge ik beantwoorden aan de verwachtingen der eenvoudigen van hart.

Een groote taak ligt voor mij, ontegenzeggelijk zwaar, maar als ik die

goed ten einde kan brengen, dan zal ik ons volk gediend hebben, als ik

niet op eene andere wijze zal kunnen.

Mijne zending goed volbrengen, is het prachtigste propaganda-maken dat

er voor de zaak gemaakt kan worden.

Hoe het zij, voor mijne landgenooten is mijne toekomst de mooiste en

begeerenswaardigste, die er bestaat. Het a.s. huwelijk op zichzelf komt

de zaak al ten goede. Het wekt de ouders op; spoort hen aan hunne

meisjes eene opvoeding te geven. Meer nog dan duizend bezielende

woorden, zal deze a.s. daad tot de harten mijner landgenooten spreken.

Ze staan vooreen feit: schoonheid en rijkdom worden versmaad voor

gemoeds- en geestesgaven.

Ik herinner me mijn eigen woorden, toen iemand me vroeg, hoe men het

moest aanpakken om onze vrouwen, onze meisjes op te voeden: "Het

Javaansche volk is even als andere natuurvolken, kinderen van de zon,

idolaat op glans en schittering. Welnu, voldoe aan dien wensch; geef wat

hun hart begeert, maar tegelijk ook iets _degelijks_."

Nu zullen wij niet ruw ingrijpen in de zeden en gewoonten van ons land;

ons kindvolk zal zijn glans en schittering hebben. De vrijwording der

vrouw is onvermijdelijk; zij komt; alleen kunnen wij hare komst niet

bespoedigen.

Wij kunnen het noodlot niet afwenden; het komt; maar daarna

onvermijdelijk de _zegepraal_!

Wij zullen het niet meer beleven, maar wat doet het er toe?

Wij hebben den weg meê helpen opbreken, die daartoe leidt--en dat is al

heerlijkheid!

Stel u gerust; mijn aanstaande zal mij niet kortwieken; dat juist heeft

mij in zijn oog verheven, dat ik vliegen kan. Hij zal mij des te meer

gelegenheid geven mijne vleugels uit te slaan; hij zal mijn arbeidsveld

uitbreiden.

Uw meiske apprecieert hij; niet de mogelijke voorbeeldige huissloof, die

er uit haar groeien kan.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 110 / 136 题