1 Augustus 1903. (VII.)

Een kort woord, om u zoo spoedig mogelijk een nieuwe wending in mijn

levenslot te melden. Ik zal niet als eene alleenstaande vrouw onze

heerlijke taak gaan vervullen; een flinke, nobele man zal mij terzijde

staan in mijn streven, om nuttig werkzaam te zijn voor ons volk.

Hij is mij daarin al ver voor, heeft zijne sporen reeds verdiend, waar

ik nog beginnen moet. O het is zoo'n lief, best mensch; naast een edel

hart, heeft hij een flink, helder hoofd. Hij is daar geweest, waar zijn

bruidje zoo graag heen zou willen, maar het van haar volk niet mag:

Holland.

Het is eene heele verandering, maar met ons beiden, elkaar steunend en

aanvullend, gaan we regelrecht en langs den kortsten weg de

verwezenlijking van onze illusies voor het heil van ons volk tegemoet.

We ontmoeten elkaar op menig, menig punt. En nu weet u nog niet eens,

wie mijn verloofde is: Raden Adipati Djojo Adiningrat, Regent van

Rembang. En nu, adieu! _Spoedig schrijf ik meer_, en dan uitvoerig hoop

ik.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 109 / 136 题