19 April 1903. (IX.)

_Zelfbeperking_ heb ik zoo zeer noodig aan te leeren.

Het is uitstekend, dat men mij in den laatsten tijd dikwijls daarop

attent maakt.

Ik kijk mijn schrijfmap dikwijls met heimwee aan, maar ik moet mij

beheerschen; aan mijn schrijflust mag ik niet meer ten allen tijde bot

vieren; dat mag nu slechts een uitspanning voor me zijn.

En nu nog iets prettigs. De schoonmoeder van mijne zuster Soelastri, wil

met groot genoegen ons chaperonneeren,[1] wáár ook; het aangenaamst voor

haar natuurlijk op Magelang, waar zij in familie en vrienden zit, en die

allen vóór de vrije opvoeding zijn. Mijn zwager was er dadelijk voor te

vinden.

[1] Voor de oprichting van een internaat voor Inlandsche meisjes van

goeden huize.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 98 / 136 题