Laf, onvergeeflijk is 't, dat wij je niet direct zelf geschreven hadden,
toen het groote besluit genomen was, dat wij vooreerst niet van de
vrucht van uw aller edel werk zullen gebruik maken.... Niemand kan meer
verbaasd zijn over deze uitkomst dan wij zelven. _Alles_ hadden wij
verwacht, doch _nooit_ dat wij uit eigen vrijen wil zouden zeggen: "_wij
blijven_!"
Denk niet aan ons, denk aan _de zaak_ en wat voor háár het beste is;
daar moeten wij ons bij neerleggen.
O! denk niet, dat wij van gevoelens veranderd zijn; geenszins is dat het
geval. Zelfs nu, terwijl ons request reeds op weg is naar den
Gouverneur-Generaal gelooven wij vast, dat voor onze toekomstige
leerlingen, eene opvoeding in Europa, _uitstekend_ zal zijn. Doch
daarnaast staat thans een andere waarheid: "_Voor de zaak_ is op het
oogenblik een blijven in Indië _beter_."
Je weet, dat het een onzer grootste illusies is geweest en nòg is, om in
Europa onze opvoeding te voltooien. Begrijp je, wàt het ons gekost
heeft, om daarvan afstand te doen, terwijl zij op 't punt stond
werkelijkheid te worden? Ontzettend hebben wij gestreden, voor wij
daartoe konden overgaan. Gaven wij aan ons zielsverlangen toe, dan
zochten wij _ons zelf_, want wij weten, dat _de zaak_, op een andere
manier beter gediend zal worden. Wij hooren nu ons zelf niet meer toe,
wij hooren de zaak toe. Op 't oogenblik dienen wij haar 't beste, door
in 't land te blijven. Het publiek, waarvoor wij willen werken, moet ons
nog leeren kennen; gaan wij _nu_ weg, dan zullen wij ons daarvan
vervreemden. En als wij over eenige jaren terugkomen, zal men in ons
Europeesche vrouwen zien. En als men Europeanen zijne dochters niet wil
toevertrouwen, des te minder zal men dit willen doen aan een, in zijn
oog, Europeesch geworden Javaansche vrouw.
Het doel is _ons volk_. En als dit tegen ons ingenomen wordt, wat zal
ons Regeeringshulp baten? De quaestie is nu, zoo spoedig mogelijk aan
den slag te gaan, het publiek voor een _feit_ te stellen: een school
voor Inlandsche meisjes _is er_! Op 't oogenblik houdt men zich met ons
bezig, zijn wij over geheel Java bekend; wij moeten het vuur gaande
houden. Als wij weggingen en lang uitbleven, zou die belangstelling
verflauwen en op 't laatst verdwijnen. Wij moeten ons nu _persoonlijk_
bekend maken aan ons publiek, zijn sympathie trachten te verwerven en
het leeren in ons vertrouwen te stellen. Hebben wij die sympathie en dat
vertrouwen, dan kunnen wij gerust gaan. Dat gaan naar Holland vervalt
niet geheel, Stella. Wij kunnen nog altijd gaan. En als wij dat van uit
Batavia doen, zal dit beter zijn, dan van hier uit. Ten eerste voor de
Oudjes. Zij zullen al gewend zijn, ons op een grooten afstand van zich
te weten, en dan kunnen zij gemakkelijker er toe overgaan, zich dien
afstand nog grooter te denken. Voor ons zelf zou dat ook goed zijn.
Kijk, wij zijn nooit van huis geweest. En dan in eens van ons warm
nestje, van ons land, verplaatst in eene andere omgeving, in een vreemd
land, zoo ver van al wat ons lief is. Die overgang zou te groot zijn.
Doch dat is maar bijzaak, dit wisten wij altijd toch wel, en wij hadden
er nooit tegen opgezien. Hoofdzaak is: het gevaar voor onze
_onderneming_ zelf. Dit hadden wij nooit ingezien, uit trotschen
overmoed, of overmoedigen trots, hoe je het noemen wil. Geheel opgaande
in onze extase, dachten wij weinig of niet aan de meening van ons
publiek; ja, wij stelden er zelfs eene eer in, om haar te trotseeren,
waar zij afweek van de onze; en deze hoog te houden tegenover de
menigte, ons niets storend aan hare afkeuring, waar wij voor ons heilig
overtuigd waren van het goede van ons willen, streven of daad. Wij
blijven dit _goed_ vinden, doch in _dit_ geval mogen wij zulks niet
doen, hebben wij wel degelijk rekening te houden met de inzichten van
het publiek. Immers voor _ons volk_ willen wij werken, en dan is het
zaak het niet tegen ons in te nemen, door met ruwe hand te grijpen in
ideeën, waarin het is groot gebracht en oud geworden.
Geduld! hebben de wijzen ons toegeroepen, wij hoorden het, maar
verstonden het niet. Nu eerst begrijpen wij het, Stella, nu weten we,
wat het wachtwoord is van alle hervormers: _Geduld!_ Wij kunnen den loop
der dingen niet bespoedigen, wèl vertragen door te hard van stapel te
willen gaan. Als het publiek tegen ons ingenomen was, dan zou dit den
gang der zaak vertragen. Men zou huiveren zijnen dochters eene
verlichtende opvoeding te geven, als deze zulke onmogelijkheden vormde
als wij, die de menigte tot voorbeelden worden gesteld.
Geduld! geduld tot in het oneindige, Stella, ik was zóó ontroerd, toen
deze waarheid tot me doordrong. Wij moeten ons beteugelen, er voor
waken, dat wij in ons vuur en ijver _het doel_ niet voorbij streven.
Mevrouw Van Kol schreef ons: "om een ideaal te bereiken, moet men
menige, o menige illusie afleggen". De eerste illusie, die wij hebben
afgelegd is: ons te geven aan het publiek zooals wij zijn.
Neen, dat mag niet; het publiek mag nooit weten, wat wij bestrijden. Den
naam van den vijand, waartegen wij te velde trekken mag nooit, nooit
gehoord worden: _polygamie_. Weet men dit, dan zal geen mensch ons zijn
kind ter opvoeding willen geven. Ik heb mij dit erg aangetrokken; 't is
mij of wij met een leugen onze taak aanvaarden.
Onze illusie was, dat men ons geheel kende, en dan uit overtuiging ons
zijne kinderen afstond.
Dit is onmogelijk.
Wij staan nog vóór onze taak, en wij zien de illusies al een voor een
verdwijnen...! O, Stella, maak ons het afstaan van deze groote illusie
niet nog zwaarder door er verdriet over te hebben. Zóó is 't ons al hard
genoeg. Je hebt 't altijd geweten, dat het een groote, groote illusie
van me was, om in je land te komen en daar wijsheid te vergaren voor
ons volk. Laat ik er niet meer over spreken. Ik dank je, ook namens
mijne Oudjes, duizend maal voor _alles_ wat je voor ons gedaan hebt ...
en voor niets! Neen, Stella, niet verloren is je werk; jullie aller
werk; maken wij van de vrucht daarvan op het oogenblik geen gebruik,
voor de zaak is het van groot nut. De aandacht is er op gevestigd, en
weldenkenden bepeinzen dat vraagstuk. De vrucht van deze overdenkingen
zal ons volk tot zegen komen.
Reeds zijn ons vragen over de opvoeding van het Javaansche volk gedaan
door menschen, die wat in de melk te brokkelen hebben.
Zou men dit ooit gedaan hebben, als niet jullie de aandacht van
weldenkenden op ons gevestigd hadden? Zou de Regeering, zouden velen
bereid tot helpen zijn, indien jullie niet voor ons gewerkt hadden?
Stella, nogmaals duizendmaal dank voor jouw groote, groote liefde! Neen,
lieveling, jouw werk, jouw moeiten zijn niet verloren. Uit naam van ons
volk dank ik je er innig voor. Aan den Javaan zullen al je moeiten ten
goede komen.
Onze plannen zijn, zoodra er gunstig op ons request geantwoord is,
dadelijk naar Batavia te gaan. Roekmini om zich te bekwamen voor
teekenen, handwerken, gezondheids-, zieken- en verbandleer. In teekenen
zal ze les krijgen van een leeraar van het gymnasium, en voor hygiëne de
lessen volgen der dokter-djawa-school. Ik ga voor het onderwijs
studeeren, met welke studie ik sedert een paar maanden begonnen ben
onder leiding van een hoofdonderwijzer. Ik ga maar één acte halen.
Zoodra ik die heb, wordt onze school geopend, òf op Magelang òf op
Salatiga, beide een koel klimaat en met veel doktoren (officieren van
gezondheid). Wij hebben grootsche plannen; als de school er is, en alles
goed gaat, dan willen wij daaraan een cursus voor vrouwelijke
geneeskundigen, verpleegsters en verloskundigen verbinden, waarin
officieren van gezondheid zullen les geven, en waarvan Roekmini de
leiding zal hebben. Zoo iets kan hier alleen bestaan onder leiding van
eene _beschaafde, ontwikkelde vrouw_.
Wij hebben de Regeering ook subsidie gevraagd voor de oprichting van die
school. Wordt het geweigerd, dan gaan wij particuliere hulp inroepen.
Misschien gebeurt het dan toch nog, dat wij ons tot de Koningin zullen
wenden.
Dat was ook Vader's idee geweest, in Indië studeeren, en daarna voor
verruiming van den geesteshorizon naar Europa gaan. Niet zooals wij
eerst van plan waren, in Europa studeeren, daar dus _eenige jaren_
blijven.
Het is net een jaar geleden, dat ik je jubelend gelukkig schreef over
het bezoek van den heer Van Kol. En precies één jaar daarna moet je
dezen krijgen. Stella, heb mij nog een beetje lief; uit piëteit voor de
groote liefde die je mij eens toegedragen hebt, smeek ik je: Heb mij nog
een beetje lief.