1 Februari 1903. (IX.)

Maar nu de oudjes zelf; roerend was hunne verrukking, dat wij zullen

blijven. Zij zijn er u innig dankbaar voor! Achteraf beschouwd is het

toch wel goed geweest, dat wij eerst absoluut naar Holland wilden; nu

zijn de oudjes blij met Batavia, en hebben heelemaal geen bezwaren voor

onze verdere plannen; alleen bedong Mama, dat wij beiden steeds bij

elkaar moesten blijven en samenwerken. Kan 't mooier? Dat is juist wat

wij _willen_.

Ik moet u toch nog eens hartelijk bedanken voor uw vriendenraad. Wat

heeft me dat gesprek enorm goed gedaan. Waarom zal ik 't u niet

bekennen, van die zijde hebben wij de zaak nog niet bezien; n.l. dat het

gaan naar Holland voor de zaak zelve gevaarlijk zou zijn. Onze

"vrienden" zouden zeker maar al te gaarne het praatje verbreiden, dat

wij geheel "blanda" zijn geworden, als wij naar Holland gingen, en

menige ouders zouden huiverig worden ons hunne kinderen toe te

vertrouwen. Goddank, dat u nog bijtijds ons de oogen er voor opende!

Hartelijk dank!

Van morgen op een rijtoertje waren wij getuigen van een staaltje van

naïef volksgeloof.

't Was buiten op 't veld. Mensch en dier waren er vereenigd in een gebed

tot den Allerhoogsten om de dorstige aarde te laven met hemelwater.

Vooraan zaten de priesters en santries, daarachter priesteressen[1] in

witte gewaden, en aan weerszijden honderden mannen, vrouwen en kinderen.

Schapen, geiten, paarden, karbouwen, stonden aan paaltjes gebonden. Een

priester leidde den dienst, stond aan de spits en bad met luide stem. De

menigte viel in met "amin, amin", waarbij zich mengde het geblaat der

schapen.

"Sembajang istira" heet het. Roerend naïef geloof en vertrouwen van ons

kindvolk.

Het zegengebed heeft drie dagen en drie nachten geduurd. U kunt

begrijpen hoe opgetogen en dankbaar het volk is, dat het sedert heeft

geregend, dat het goot. Het gebed heeft geholpen! En weet u wat men

zegt? Omdat wij den dienst bijwoonden!

Het is hun niet uit het hoofd te praten, dat wij daar part noch deel aan

hadden.

Tevoren had men op andere plaatsen óók "sembajang istira" gehouden, maar

nergens viel een drup regen, en 't toeval wilde, dat wij geen van die

plechtigheden bijgewoond hadden. Dat deed ons naïef kindvolk de

conclusie trekken, dat wij kracht hadden bijgezet aan het laatste

zegengebed, waarom het dan ook dadelijk werd verhoord.

Werkelijk, roerend is zoon kinderlijk vertrouwend geloof!

Ik wenschte zoo dikwijls, dat ik een fototoestel had en kieken kon, als

wij eigenaardigheden zagen van ons volk, waar geen Europeaan bij kan

komen. Zoo veel zouden wij in woord en beeld willen vastleggen, dat den

Europeaan een zuiver beeld zou kunnen geven van ons Javanen.

Iemand beloofde mij om het heele wordingsproces van de paddi voor ons te

kieken, de karbouwen en de botjak-angons[2] incluis. Ik zou er dan eene

beschrijving bij geven, zooals ik als kind van 't volk zelve de dingen

zie en voel.

U weet, dat ik altijd gráág wat voor u doe, dat het voor mij een _feest_

is, om wat voor u beiden te mogen doen. Ook Oost en West kan steeds over

mij beschikken. Ik bewijs daarmee niemand dan mij zelve een dienst. Het

is voor _ons volk_, en daar voel ik mij _één_ meê. Al wat ik aan ons

volk doe, doe ik aan mijzelve. Beschik dus steeds gerust over mij, draag

mij zooveel op als u wil; vrees nooit, dat 't mij te veel zal zijn.

Alleen roep ik uw aller welwillendheid in, als een en ander niet vlug

genoeg naar uw zin kan afkomen.

In heb met den goudsmid gesproken over het gaan naar Solo, om daar het

bewerken van schildpad te leeren. De man was er dadelijk voor te vinden,

toen ik het hem voorstelde. Kammetjes kan hij al maken, en hij heeft er

de bekakas[3] voor; doch het polijsten kan hij nog niet goed, dat zou

hij dan op Solo leeren. Ook bewerkt men daar hoorn en parelmoer; dat

moet hij er ook bij leeren, en dat wil hij wel.

Wij staan nog maar heel aan 't begin van de wederopkomst onzer mooie

kunst, en natuurlijk, dat dan alles niet dadelijk in de puntjes kan

zijn.

Ik kreeg een aardigen brief van Dr. Pijzel, een der redacteurs van Eigen

Haard; ook eenige afdrukjes van 't stukje over het houtsnijwerk.[4] De

kiekjes zijn mooi afgedrukt, vindt u ook niet? Ik kreeg er een paar op

mooi papier afgedrukt. Weet u wat ik heerlijk vindt? Dat Moedertje mij

heeft ingeleid, den allereersten keer, dat ik onder mijn eigen naam voor

't publiek schreef. Maar minder aardig vinden wij, dat men ons weer als

reclame heeft gebruikt.[5] Dat schijnt nu zoo er bij te moeten behooren.

Heerlijk vinden wij 't bericht, dat ook in de Minahassa een Inlandsch

meisje "dwaze ideeën" heeft als wij. Ziet u wel; wij zijn de eenige

"gekken" niet! En als nu de adel hier ons niet hebben wil, en óók het

volk ons afwijst, dan vluchten wij naar dat verre zusterzieltje, om ver

van het marktgewoel, ergens op een vergeten plaats werk te zoeken en te

vinden voor hoofd, hart en handen. Er zal in de groote, groote wereld

ergens wel een plaatsje zijn, waar men ons wel verdragen kan.

Mijn oudste zuster is hier geweest; zij is gisteren weer vertrokken,

doch niet om door te gaan naar Kendal, maar om op Koedoes bij hare

schoonmoeder af te stappen en onze zaak bij haar te bepleiten.[6] Al wat

wij in den laatsten tijd hebben ondervonden, maakt ons stil, ernstig!

Daar gaat iemand onze zaak bepleiten, die zich steeds zoo scherp

tegenover ons had gesteld.[7] Wij hadden ons hoofd niet gebroken om een

toespraak samen te stellen, die haar 't hart zou vermurwen. Wij hadden

eenvoudig van hart tot hart gesproken, en 't was ons zoo vreemd te

moede, toen onze zuster met vochtige oogen en eene trilling in hare stem

zeide: "Goed, volvoert je plannen, verwezenlijkt je ideeën; ik zal God

bidden, dat Hij je zegene!"

Wij vroegen haar nog: "Zult gij 't u niet aantrekken, als anderen ons

beschimpen, veroordeelen?" En zij antwoordde; "Ook de luidste sprekers

zullen eenmaal zwijgen!" Zus denkt, dat hare moeder wel zal willen; ook,

dat haar man het goed zal vinden.

En hoe 't hier thuis is? Vroeger mochten wij er nooit met anderen over

spreken; nu spreken zij er zelf over. Wij spraken onlangs met een

vreemde over allerlei onderwerpen; hoe zwol mijn hart van vreugde en

geluk, toen ik mij telkens naast Vader zag staan. Ook naar den geest ben

ik zijn kind, zong mijn hart! Vader verzocht dien vreemde ook hier te

komen, om onze gedachten aan elkaar te toetsen, dat was goed voor ons.

O! zal dan onze droom eens verwezenlijkt worden, dat wij onzen weg

beginnen met _hun_ vollen zegen!

O! en wat zegt u er wel van, nog vóór wij den Heer Sijthoff[8]

geschreven hadden, kregen wij verleden week een heel hartelijken brief

van hem, waarin hij ons zijn spijt betuigde over onze koppigheid, om een

paar regels verder te verklaren, dat dat hem eerbied afdwong, om daarop

ons steun te beloven. Waar wij dien noodig hadden, behoefden wij slechts

bij hem aan te kloppen.

[1] Met "priesters" en "priesteressen" worden bedoeld personen die de

godsdienstplichten te Mekka hebben vervuld. Met "santries" meer in het

algemeen de zeer aan de godsdienstige vormen en gebruiken gehechten.

[2] Botjak-angons sijn jongetjes belast met het hoeden der karbouwen.

[3] Bekakas = gereedschap.

[4] In het nummer van 3 Januari 1903 (blz. 11) met het opschrift "Van

een vergeten uithoekje".

[5] Door het afdrukken der portretten, hetgeen zonder toestemming

geschiedde. De portretten waren door iemand anders in Nederland aan de

redactie verstrekt.

[6] Het doel en de uitslag der bespreking vindt men in den brief van 19

April 1903 (blz. 307).

[7] Men vergelijke hier blz. 52.

[8] Den Resident.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 95 / 136 题