Maar nu de oudjes zelf; roerend was hunne verrukking, dat wij zullen
blijven. Zij zijn er u innig dankbaar voor! Achteraf beschouwd is het
toch wel goed geweest, dat wij eerst absoluut naar Holland wilden; nu
zijn de oudjes blij met Batavia, en hebben heelemaal geen bezwaren voor
onze verdere plannen; alleen bedong Mama, dat wij beiden steeds bij
elkaar moesten blijven en samenwerken. Kan 't mooier? Dat is juist wat
wij _willen_.
Ik moet u toch nog eens hartelijk bedanken voor uw vriendenraad. Wat
heeft me dat gesprek enorm goed gedaan. Waarom zal ik 't u niet
bekennen, van die zijde hebben wij de zaak nog niet bezien; n.l. dat het
gaan naar Holland voor de zaak zelve gevaarlijk zou zijn. Onze
"vrienden" zouden zeker maar al te gaarne het praatje verbreiden, dat
wij geheel "blanda" zijn geworden, als wij naar Holland gingen, en
menige ouders zouden huiverig worden ons hunne kinderen toe te
vertrouwen. Goddank, dat u nog bijtijds ons de oogen er voor opende!
Hartelijk dank!
Van morgen op een rijtoertje waren wij getuigen van een staaltje van
naïef volksgeloof.
't Was buiten op 't veld. Mensch en dier waren er vereenigd in een gebed
tot den Allerhoogsten om de dorstige aarde te laven met hemelwater.
Vooraan zaten de priesters en santries, daarachter priesteressen[1] in
witte gewaden, en aan weerszijden honderden mannen, vrouwen en kinderen.
Schapen, geiten, paarden, karbouwen, stonden aan paaltjes gebonden. Een
priester leidde den dienst, stond aan de spits en bad met luide stem. De
menigte viel in met "amin, amin", waarbij zich mengde het geblaat der
schapen.
"Sembajang istira" heet het. Roerend naïef geloof en vertrouwen van ons
kindvolk.
Het zegengebed heeft drie dagen en drie nachten geduurd. U kunt
begrijpen hoe opgetogen en dankbaar het volk is, dat het sedert heeft
geregend, dat het goot. Het gebed heeft geholpen! En weet u wat men
zegt? Omdat wij den dienst bijwoonden!
Het is hun niet uit het hoofd te praten, dat wij daar part noch deel aan
hadden.
Tevoren had men op andere plaatsen óók "sembajang istira" gehouden, maar
nergens viel een drup regen, en 't toeval wilde, dat wij geen van die
plechtigheden bijgewoond hadden. Dat deed ons naïef kindvolk de
conclusie trekken, dat wij kracht hadden bijgezet aan het laatste
zegengebed, waarom het dan ook dadelijk werd verhoord.
Werkelijk, roerend is zoon kinderlijk vertrouwend geloof!
Ik wenschte zoo dikwijls, dat ik een fototoestel had en kieken kon, als
wij eigenaardigheden zagen van ons volk, waar geen Europeaan bij kan
komen. Zoo veel zouden wij in woord en beeld willen vastleggen, dat den
Europeaan een zuiver beeld zou kunnen geven van ons Javanen.
Iemand beloofde mij om het heele wordingsproces van de paddi voor ons te
kieken, de karbouwen en de botjak-angons[2] incluis. Ik zou er dan eene
beschrijving bij geven, zooals ik als kind van 't volk zelve de dingen
zie en voel.
U weet, dat ik altijd gráág wat voor u doe, dat het voor mij een _feest_
is, om wat voor u beiden te mogen doen. Ook Oost en West kan steeds over
mij beschikken. Ik bewijs daarmee niemand dan mij zelve een dienst. Het
is voor _ons volk_, en daar voel ik mij _één_ meê. Al wat ik aan ons
volk doe, doe ik aan mijzelve. Beschik dus steeds gerust over mij, draag
mij zooveel op als u wil; vrees nooit, dat 't mij te veel zal zijn.
Alleen roep ik uw aller welwillendheid in, als een en ander niet vlug
genoeg naar uw zin kan afkomen.
In heb met den goudsmid gesproken over het gaan naar Solo, om daar het
bewerken van schildpad te leeren. De man was er dadelijk voor te vinden,
toen ik het hem voorstelde. Kammetjes kan hij al maken, en hij heeft er
de bekakas[3] voor; doch het polijsten kan hij nog niet goed, dat zou
hij dan op Solo leeren. Ook bewerkt men daar hoorn en parelmoer; dat
moet hij er ook bij leeren, en dat wil hij wel.
Wij staan nog maar heel aan 't begin van de wederopkomst onzer mooie
kunst, en natuurlijk, dat dan alles niet dadelijk in de puntjes kan
zijn.
Ik kreeg een aardigen brief van Dr. Pijzel, een der redacteurs van Eigen
Haard; ook eenige afdrukjes van 't stukje over het houtsnijwerk.[4] De
kiekjes zijn mooi afgedrukt, vindt u ook niet? Ik kreeg er een paar op
mooi papier afgedrukt. Weet u wat ik heerlijk vindt? Dat Moedertje mij
heeft ingeleid, den allereersten keer, dat ik onder mijn eigen naam voor
't publiek schreef. Maar minder aardig vinden wij, dat men ons weer als
reclame heeft gebruikt.[5] Dat schijnt nu zoo er bij te moeten behooren.
Heerlijk vinden wij 't bericht, dat ook in de Minahassa een Inlandsch
meisje "dwaze ideeën" heeft als wij. Ziet u wel; wij zijn de eenige
"gekken" niet! En als nu de adel hier ons niet hebben wil, en óók het
volk ons afwijst, dan vluchten wij naar dat verre zusterzieltje, om ver
van het marktgewoel, ergens op een vergeten plaats werk te zoeken en te
vinden voor hoofd, hart en handen. Er zal in de groote, groote wereld
ergens wel een plaatsje zijn, waar men ons wel verdragen kan.
Mijn oudste zuster is hier geweest; zij is gisteren weer vertrokken,
doch niet om door te gaan naar Kendal, maar om op Koedoes bij hare
schoonmoeder af te stappen en onze zaak bij haar te bepleiten.[6] Al wat
wij in den laatsten tijd hebben ondervonden, maakt ons stil, ernstig!
Daar gaat iemand onze zaak bepleiten, die zich steeds zoo scherp
tegenover ons had gesteld.[7] Wij hadden ons hoofd niet gebroken om een
toespraak samen te stellen, die haar 't hart zou vermurwen. Wij hadden
eenvoudig van hart tot hart gesproken, en 't was ons zoo vreemd te
moede, toen onze zuster met vochtige oogen en eene trilling in hare stem
zeide: "Goed, volvoert je plannen, verwezenlijkt je ideeën; ik zal God
bidden, dat Hij je zegene!"
Wij vroegen haar nog: "Zult gij 't u niet aantrekken, als anderen ons
beschimpen, veroordeelen?" En zij antwoordde; "Ook de luidste sprekers
zullen eenmaal zwijgen!" Zus denkt, dat hare moeder wel zal willen; ook,
dat haar man het goed zal vinden.
En hoe 't hier thuis is? Vroeger mochten wij er nooit met anderen over
spreken; nu spreken zij er zelf over. Wij spraken onlangs met een
vreemde over allerlei onderwerpen; hoe zwol mijn hart van vreugde en
geluk, toen ik mij telkens naast Vader zag staan. Ook naar den geest ben
ik zijn kind, zong mijn hart! Vader verzocht dien vreemde ook hier te
komen, om onze gedachten aan elkaar te toetsen, dat was goed voor ons.
O! zal dan onze droom eens verwezenlijkt worden, dat wij onzen weg
beginnen met _hun_ vollen zegen!
O! en wat zegt u er wel van, nog vóór wij den Heer Sijthoff[8]
geschreven hadden, kregen wij verleden week een heel hartelijken brief
van hem, waarin hij ons zijn spijt betuigde over onze koppigheid, om een
paar regels verder te verklaren, dat dat hem eerbied afdwong, om daarop
ons steun te beloven. Waar wij dien noodig hadden, behoefden wij slechts
bij hem aan te kloppen.
[1] Met "priesters" en "priesteressen" worden bedoeld personen die de
godsdienstplichten te Mekka hebben vervuld. Met "santries" meer in het
algemeen de zeer aan de godsdienstige vormen en gebruiken gehechten.
[2] Botjak-angons sijn jongetjes belast met het hoeden der karbouwen.
[3] Bekakas = gereedschap.
[4] In het nummer van 3 Januari 1903 (blz. 11) met het opschrift "Van
een vergeten uithoekje".
[5] Door het afdrukken der portretten, hetgeen zonder toestemming
geschiedde. De portretten waren door iemand anders in Nederland aan de
redactie verstrekt.
[6] Het doel en de uitslag der bespreking vindt men in den brief van 19
April 1903 (blz. 307).
[7] Men vergelijke hier blz. 52.
[8] Den Resident.